Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1318

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
25-10-2016
Datum publicatie
11-01-2017
Zaaknummer
16/02114
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:30, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag ex art. 94a Sv. Vervolg op ECLI:NL:HR:2015:139. Falende klachten over: onjuiste maatstaftoepassing door de Rb, onbegrijpelijke vaststelling door de Rb van het gevorderde ontnemingsbedrag en onbegrijpelijk oordeel van de Rb over de proportionaliteit van de beslagen in het licht van het gevorderde ontnemingsbedrag. Cag: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 16/02114 B

Zitting: 25 oktober 2016

Mr. W.H. Vellinga

Conclusie inzake:

[klager 1] c.s.

  1. Bij beschikking van 28 januari 2016 heeft de Rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, - na verwijzing bij arrest van de Hoge Raad van 27 januari 2015, griffienr. 14/01765, ECLI:NL:HR: 2015:139 - het klaagschrift van klagers, strekkende tot opheffing van de ten laste van klagers gelegde conservatoire beslagen voor zover deze beslagen als geheel het bedrag van € 602.225,27 te boven gaan en tot toewijzing van een vergoeding voor de kosten van het opstellen, indienen en behandelen van het onderhavige klaagschrift in raadkamer, welke kosten forfaitair worden begroot op €540, gegrond verklaard, de opheffing gelast van de ten laste van klager sub 1 gelegde conservatoire beslagen op voorwerpen (als opgenomen in paragraaf 6.1 van het rapport ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel), voor zover deze tezamen het bedrag van € 829.115,27 te boven gaan, en aan klager sub 1 met betrekking tot de bijstand van een raadsman bij de indiening en behandeling van het klaagschrift een vergoeding ten laste van de Staat toegekend van € 540,00 (zegge: vijfhonderdenveertig euro).

  2. De plaatsvervangend officier van justitie bij het Arrondissementsparket Noord-Holland, mr. H.H.J. Knol, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Deze zaak betreft het volgende. Ten laste van klagers zijn beslagen gelegd ten behoeve van verhaal van een ontnemingsbedrag op [klager 1], één van de klagers. [klager 1] is bij arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 27 februari 2015 veroordeeld ter zake - kort gezegd - meerdere gevallen van medeplegen van valsheid in geschrift (project [A]) doch (o.m.) vrijgesproken van deelneming aan een criminele organisatie [B]/[C]. Tegen die uitspraak heeft [klager 1] beroep in cassatie ingesteld voor zover zij daarbij is veroordeeld. De ontnemingszaak is op dit moment aanhangig in eerste aanleg.

  4. Het middel houdt in dat de rechtbank, door het beklag gegrond te verklaren voor zover het beslag een bedrag van € 829.115,27 te boven gaat, een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd althans deze verkeerd heeft uitgelegd, althans dat haar oordeel te dien aanzien niet zonder meer begrijpelijk is althans ontoereikend is gemotiveerd, alsmede dat het oordeel van de rechtbank dat het conservatoir beslag voor zover dit het bedrag van € 829.115,27 te boven gaat bovenmatig en disproportioneel is, niet zonder meer begrijpelijk is.

  5. De rechtbank overwoog in de bestreden beschikking onder meer:

“Het klaagschrift strekt tot opheffing van de ten laste van klagers gelegde conservatoire beslagen voor zover deze beslagen als geheel het bedrag van € 602.225,27 te boven gaan en tot toewijzing van een vergoeding voor de kosten van het opstellen, indienen en behandelen van het onderhavige klaagschrift in raadkamer, welke kosten forfaitair worden begroot op €540.

(…)

Oordeel rechtbank

Als gesteld en niet weersproken is komen vast te staan dat op rechtmatige wijze ten laste van klager sub 1 voorwerpen conservatoir in beslag zijn genomen en dat de beslagen nog voortduren.

Bij de beoordeling van een klaagschrift tegen een beslag als bedoeld in artikel 94a, eerste of tweede lid van het Wetboek van Strafvordering dient de rechter te onderzoeken:

a) of er ten tijde van zijn beslissing sprake is van een verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en

b) of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verdachte een verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

De rechtbank neemt in aanmerking dat het Gerechtshof Amsterdam bij arrest van 27 februari 2015 klager sub 1 uitsluitend heeft veroordeeld ter zake Van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (feit 3 primair, project [A]) en hem van de overige ten laste gelegde feiten heeft vrijgesproken of ontslagen van alle rechtsvervolging. De rechtbank stelt verder vast dat door het Openbaar Ministerie geen cassatieberoep is ingesteld tegen dit arrest en het cassatieberoep van klager sub 1 zich beperkt tot de veroordeling ter zake van feit 3 primair, zodat de strafzaak tegen klager sub 1, voor zover betrekking hebbend op de overige feiten, onherroepelijk tot een einde is gekomen. De vrijspraak van het gedeelte van de tenlastelegging voor zover dat ziet op de criminele organisatie [B]/[C], waarbinnen de facturen van [klaagster 2] de grondslag vormen voor het in de ontnemingszaak gevorderde deelbedrag van € 1.600.000, is daarmee definitief. Derhalve doet zich thans het geval voor dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, betrokkene een verplichting tot betaling ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen, waarbij evengenoemd bedrag nog een rol speelt.

De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel beloopt thans, na tussenbeslissing van de rechtbank van 29 november 2013 en de aankondiging verhoging van de ontnemingsvordering door de officier van justitie, in totaal € 829.115,27.

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande en onder verwijzing naar hetgeen zij daaromtrent in haar beschikking van 25 maart 2014 reeds heeft overwogen, het laten voortduren van de ten laste van klager sub 1 gelegde beslagen, voor zover deze het bedrag van € 829.115,27 te boven gaan, bovenmatig en disproportioneel.

De rechtbank is op grond van het hiervoor overwogene van oordeel dat het beklag gegrond moet worden verklaard voor zover dit de gestelde bovenmatigheid van de gelegde beslagen betreft en het verzoek van klagers tot beperking van de gelegde beslagen moet worden toegewezen in zoverre dat de rechtbank zal gelasten dat de gelegde beslagen zullen worden opgeheven voor zover zij het bedrag van € 829.115,27 te boven gaan. Hieraan kan niet afdoen het standpunt van de officier van justitie dat thans geen sprake meer is van “overbeslag” aangezien de waarde van de conservatoire beslagen door haar wordt geschat op een bedrag van € 666.724,04 (naast een bedrag van € 133.832,34 aan gestorte zekerheden waartegen geen beklag ex artikel 552a Sv mogelijk is), welk bedrag niet uitkomt boven het bedrag dat in het kader van de ontnemingsprocedure van klager sub 1 wordt gevorderd. Immers, bij gelegenheid van de zitting van 14 januari 2016 hebben klagers de (totale) waarde van de gelegde conservatoire beslagen zoals die volgt uit het door de officier van justitie overgelegde overzicht uitdrukkelijk en gemotiveerd bestreden en het zou het bestek van de onderhavige procedure te buiten gaan als de rechtbank zou willen komen tot vaststelling van de waarde van de gelegde conservatoire beslagen.”

6. In haar beschikking van 25 maart 2014 overwoog de rechtbank over het bovenmatig en disproportioneel zijn van het laten voortduren van de ten laste van klager sub 1 gelegde beslagen, voor zover deze het bedrag van € 829.115,27 te boven gaan:

“Bij de beoordeling van een klaagschrift tegen een beslag als bedoeld in artikel 94a, eerste of tweede lid Sv dient de rechter te onderzoeken:

a. of er ten tijde van zijn beslissing sprake is van een verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en

b. of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is, dat de strafrechter, later oordelend, de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

Enerzijds is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat de hiervoor weergegeven maatstaf niet - zonder meer - een (ambtshalve) onderzoek behelst naar de proportionaliteit tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de hoogte van het te ontnemen bedrag. Anderzijds heeft te gelden dat omstandigheden van het geval een dergelijk onderzoek kunnen rechtvaardigen. In dat verband acht de rechtbank het volgende van belang. In de bij deze rechtbank aanhangige ontnemingsprocedure heeft de rechtbank bij tussenbeslissing van 29 november 2013 onder meer het volgende overwogen:

Voor de rechtbank is uitgangspunt dat zij als ontnemingsrechter gebonden is aan haar oordeel in de hoofdzaak. Ook zonder nadere toelichting op dat vonnis is niet voor discussie vatbaar dat de rechtbank betrokkene heeft vrijgesproken van (onder meer) deelneming aan een van de twee ten laste gelegde criminele organisaties ([B]/[C]). De door de rechtbank gebezigde overwegingen hebben in overwegende mate betrekking op betalingen die betrokkene heeft ontvangen via zijn bedrijf [klager 1] [klaagster 2], betalingen die thans grondslag vormen voor de berekening van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De betekenis van het arrest van het EHRM in de zaak Geerings tegen Nederland komt er naar het oordeel van de rechtbank op neer, dat de rechter zich na een gegeven uitspraak niet meer mag uitlaten over mogelijke schuld van betrokkene, ook niet in het kader van een ontnemingsmaatregel, ook al valt deze sanctionering op zichzelf niet onder de beschermende werking van artikel 6 lid 2 EVRM. De vrijspraak in de hoofdzaak ‘bindt’ de rechter als hij moet oordelen in de ontnemingszaak die in verband staat met de hoofdzaak.

Deze uit het Geeringsarrest getrokken conclusie ziet op de situatie waarin een directe relatie bestaat tussen het feit waarvan werd vrijgesproken en de grondslag van de ontnemingsvordering.

In aanmerking nemend het vonnis van de rechtbank Haarlem van 27 januari 2012 in de strafzaak tegen klager sub 1, waarbij hij is vrijgesproken van het gedeelte van de tenlastelegging dat ziet op de criminele organisatie [B]/[C], waarbinnen de facturen van [klaagster 2] de grondslag vormen voor het in de ontnemingszaak gevorderde bedrag van € 1.600.000, is de rechtbank van oordeel dat zich hier het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is, dat de strafrechter, later oordelend, de verdachte de verplichting tot betaling van voornoemd geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

In het licht van het hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank het laten voortduren van het ten laste van klager gelegde beslag, voor zover dit het bedrag van € 829.115,27 te boven gaat bovenmatig en disproportioneel. De omstandigheid dat aan beslagen als de onderhavige inherent is dat de betrokkene in zijn bestedingsmogelijkheden en eigendomsrechten wordt beperkt en dus in zijn belangen wordt geschaad, betekent niet dat geen belangenafweging behoeft plaats te vinden: met een beslaglegging tot voormeld bedrag wordt in voldoende mate rekening gehouden met het strafvorderlijk belang dat met het conservatoire beslag wordt gediend, namelijk het voorkomen dat wederrechtelijk verkregen voordeel wordt weggesluisd of opgesoupeerd. In deze afweging kent de rechtbank bovendien enige betekenis toe aan de omstandigheid dat de gelegde beslagen, althans het overgrote gedeelte daarvan, reeds in 2008 zijn gelegd en tot op heden voortduren. Bij de bepaling van de hoogte van voormeld bedrag heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de officier van justitie bij gelegenheid van de behandeling in raadkamer een verhoging van de ontnemingsvordering heeft aangekondigd ten bedrage van € 226.890, betrekking hebbend op voordeel dat binnen [D] BV zou zijn genoten.”

7. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat de rechtbank heeft miskend dat ook al is [klager 1] (inmiddels onherroepelijk) vrijgesproken van deelname aan een criminele organisatie , het door middel van de valse facturen van [E] wederrechtelijk verkregen voordeel bij [klager 1] kan worden ontnomen als voordeel verkregen uit andere strafbare feiten als bedoeld in art. 36e lid 2 Sr, nu de valsheid in geschrift ten aanzien van die facturen niet was tenlastegelegd. Voorts zou dat voordeel kunnen worden ontnomen op grond van art. 36e lid 3 Sr, zoals ook de Rechtbank in haar tussenbeslissing van 29 november 2013 expliciet heeft overwogen.

8. Gelet op HR 28 september 2010, LJN BL28231, rov. 2.14 heeft de rechtbank de juiste maatstaf toegepast, zij het dat de rechtbank - anders dan in haar door de Hoge Raad vernietigde beschikking van 25 maart 2014 - niet toetst of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is, dat de strafrechter, later oordelend, de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete zal opleggen. In cassatie wordt daarover niet geklaagd. Dit hangt vermoedelijk samen met de omstandigheid dat het gerechtshof Amsterdam bij arrest van 27 februari 2015 [klager 1] uitsluitend heeft veroordeeld ter zake van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (feit 3 primair, project [A]) en haar van de overige tenlastegelegde feiten heeft vrijgesproken of ontslagen van alle rechtsvervolging. Voorts is alleen door klaagster beroep in cassatie is ingesteld tegen de veroordeling ter zake van feit 3 primair2, zodat de strafzaak tegen [klager 1], voor zover betrekking hebbend op de overige feiten, - aldus de rechtbank - onherroepelijk tot een einde is gekomen.

9. Uit de verwijzing in de onderhavige beschikking naar hetgeen de rechtbank heeft overwogen in haar beschikking van 25 maart 2014 maak ik op dat de rechtbank in het bepaalde in art. 6 lid 2 EVRM, zoals door het EHRM uitgelegd in zijn arrest van 1 maart 2007, appl. nr.2007, nr. 30810/03 (Geerings tegen Nederland) een absoluut beletsel heeft gezien om het bedrag van € 1.600.000 op de voet van het bepaalde in art. 36e, leden 1, 2 en 3, Sr te ontnemen. Kennelijk heeft de rechtbank zich daarbij laten leiden door de omstandigheid dat binnen de criminele organisatie [B]/[C] de facturen van [klaagster 2] de grondslag vormen voor het in de ontnemingszaak gevorderde bedrag van € 1.600.000. Daarmee is echter bepaald nog niet gezegd dat ontneming van dit bedrag tot schending van de onschuldpresumptie zou leiden wanneer die ontneming plaats zou vinden op de voet van het bepaalde in art. 36e leden 2 en/of 3 Sr.

10. In HR 21 april 2009, ECLI:NL:HR:2009: BG4270, NJ 2009/208 was aan de orde de vraag of de ontnemingsvordering kon worden gebaseerd op door de verdachte gepleegde valsheid in geschrift indien hij was vrijgesproken van deelneming aan een criminele organisatie waarbij als oogmerk van de criminele organisatie was tenlastegelegd het plegen van het misdrijf valsheid in geschrift. Het Hof oordeelde met verwijzing naar het bepaalde in art. 6 lid 2 EVRM (onschuldpresumptie) van niet. De Hoge Raad achtte dit oordeel ontoereikend gemotiveerd. Hij overwoog:

“2.6. Art. 6, tweede lid, EVRM verzet zich tegen het ontnemen van voordeel, verkregen door feiten waarvan de betrokkene is vrijgesproken (vgl. EHRM 1 maart 2007, nr 30810/03 (Geerings tegen Nederland), NJ 2007, 349). Het ontnemen van voordeel dat wederrechtelijk is verkregen door feiten waarvoor de betrokkene niet is vervolgd, maar die behoren tot een van de in art. 36e, tweede lid, Sr genoemde categoriën 'soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd', is evenwel niet in strijd met art. 6, tweede lid, EVRM, aangezien in de in art. 511b Sv e.v. geregelde procedure aan de betrokkene de gelegenheid wordt geboden zich te verdedigen, waartoe mede behoort de gelegenheid aan te (doen) voeren dat en waarom er onvoldoende aanwijzingen bestaan dat de bedoelde feiten door de betrokkene zijn begaan (vgl. HR 19 februari 2008, LJN BC2319, NJ 2008, 128).

2.7. Aan de orde is dus de vraag of de onderhavige ontnemingsvordering een feit betreft waarvan de betrokkene is vrijgesproken. Indien in de op art. 140 Sr toegesneden tenlastelegging de daarin bedoelde deelneming van de verdachte aan de organisatie aldus is omschreven dat deze (mede) heeft bestaan uit het begaan van het concrete misdrijf als bedoeld in art. 225 Sr, kan tegen degene die is vrijgesproken van dit onderdeel van die tenlastelegging een ingestelde vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel niet worden toegewezen (vgl. HR 26 november 1996, LJN ZD0583, NJ 1997, 209 ten aanzien van een tweede strafvervolging).

2.8. Gelet op het vorenoverwogene en in aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld enerzijds dat de betrokkene is vrijgesproken van het verwijt dat hij heeft deelgenomen aan een organisatie die — kort gezegd — het plegen van valsheid in geschrift tot oogmerk had, en anderzijds dat het feit waarop de onderhavige ontnemingsvordering betrekking heeft, de door de verdachte zelf gepleegde valsheid in geschrift betreft, is 's Hofs afwijzing van de vordering ontoereikend gemotiveerd.”

11. In HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011: BQ3983 werd overwogen:

“Voorts klaagt het middel over het oordeel van het Hof dat ook indien er vanuit moeten worden gegaan dat de betrokkene is vrijgesproken van deelneming aan een criminele organisatie in de periode van 1 november 2002 tot 1 januari 2003 het voordeel dat de betrokkene heeft verkregen uit soortgelijke feiten als bedoeld in art. 36e, tweede lid, Sr bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden betrokken. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat het Hof heeft vastgesteld dat de betrokkene in de periode van 3 november 2002 tot en met 26 januari 2003 bij mensenhandel betrokken is geweest door haar Schipholtoegangspas gedurende zestien dagen ter beschikking te stellen aan anderen teneinde door hen te worden gebruikt en dat de op art. 140 Sr toegesneden tenlastelegging en bewezenverklaring niets inhouden omtrent de concrete misdrijven waaruit betrokkenes deelneming aan de organisatie heeft bestaan.” 3

12. In zijn algemeenheid staat een vrijspraak ter zake van deelneming aan een criminele organisatie dus niet in de weg aan onttrekking van voordeel, wederrechtelijk verkregen uit soortgelijke feiten als bedoeld in art. 36e, tweede lid, Sr.4 Waarom dat in casu - zoals de rechtbank kennelijk heeft geoordeeld - wel het geval zou zijn, laat de rechtbank geheel in het midden. Evenmin maakt de rechtbank duidelijk waarom het onderhavige bedrag niet zou kunnen worden ontnomen op grond van art. 36e lid 3 Sr. De verdachte is immers veroordeeld ter zake van feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd (art. 225 jo 47 Sr) terwijl de onderhavige vrijspraak niet uitsluit dat zonder schending van de onschuldpresumptie voordeel wordt ontnomen, verkregen door andere strafbare feiten dan waarvan de verdachte is vrijgesproken. Een en ander betekent dat de rechtbank haar oordeel onvoldoende met redenen heeft omkleed.

13. Het oordeel van de rechtbank dat het conservatoir beslag voor zover dit het bedrag van € 829.115,27 te boven gaat bovenmatig en disproportioneel is, berust in hoofdzaak op haar oordeel dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, betrokkene een verplichting tot betaling ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen, waarbij het bedrag van € 1.600.000 nog een rol speelt. In het licht van hetgeen ik hiervoor heb uiteengezet is dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk.

14. Het middel slaagt.

15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 NJ 2010, 654, m.nt. P.A.M. Mevis.

2 Bij arrest van 5 juli 2016, griffienr. 15/01452 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep verworpen. In de conclusie wordt uitgebreid beschreven aan welke strafbare feiten [klager 1] zich schuldig heeft gemaakt. Deze strafbare feiten maken deel uit van aanzienlijke fraude in vastgoed waardoor miljoenen zijn onttrokken aan het Bouwfonds en [C]. Het ingestelde onderzoek staat bekend als Klimoponderzoek.

3 Dit arrest staat niet in de sleutel van de onschuldpresumptie; zie ook Reijntjes in zijn noot bij dit arrest, NJ 2011, 538.

4 Zo ook mijn ambtgenoot Hofstee, T&C Strafrecht, art 36e, aant. 12 op basis van het hiervoor onder 10. vermelde arrest.