Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1315

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
22-11-2016
Datum publicatie
11-01-2017
Zaaknummer
14/03373
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:27, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Betekeningsperikelen. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2010:BL0616, dat wanneer volgens de GBA - thans BRP - verdachte naar een ander land is vertrokken, eerst dan mag worden aangenomen dat zijn woon- of verblijfplaats in het buitenland niet bekend is indien bij de desbetreffende gemeente - zonder resultaat - navraag is gedaan. Dit moet - thans - aldus worden verstaan dat ingeval de ten name van verdachte gestelde Informatiestaat SKDB-persoon in de rubriek "huidig BRP-adres" een aanknopingspunt bevat voor het vermoeden dat verdachte een woon- of verblijfplaats in het buitenland heeft, navraag moet worden gedaan of zijn adresgegevens zijn geadministreerd in de databank Registratie Niet-Ingezetenen (= RNI). De opvatting dat deze verplichting tot het doen van navraag ook geldt indien in de Informatiestaat SKDB-persoon in een andere rubriek, te weten de rubriek "laatst opgegeven woon- of verblijfplaats", waarmee wordt gedoeld op het laatste bij de identiteitsvaststelling door verdachte opgegeven adres, weliswaar een buitenland is vermeld doch niet een adres, zoals in dit geval de registratie: Groot-Brittannië, is echter onjuist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/03373

Zitting: 22 november 2016

Mr. D.J.C. Aben

Aanvullende conclusie inzake:

[verdachte]

1. Op 19 mei 2015 heb ik in deze zaak het standpunt ingenomen dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen op de grond dat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

2. De Hoge Raad heeft mij verzocht aanvullend te concluderen over de vraag of het hof – oordelend over de geldigheid van de betekening van de appeldagvaarding – had moeten onderzoeken of de verdachte bij de gemeente een adres in het buitenland heeft opgegeven ingeval de gemeentelijke basisadministratie vermeldt dat de betrokkene is vertrokken naar een met name genoemd land zonder dat daarbij in die basisadministratie buitenlandse adresgegevens zijn geregistreerd. Aan dat verzoek geef ik hierbij gevolg.

3. Namens de verdachte heeft mr. D.N. de Jonge, advocaat te Amsterdam, beroep in cassatie ingesteld. Mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, heeft namens de verdachte een schriftuur houdende één middel van cassatie ingediend.

4. Het middel klaagt over (de motivering van) het oordeel dat de appeldagvaarding op rechtsgeldige wijze is betekend. Volgens de steller van het middel had het hof de behandeling van de zaak moeten aanhouden teneinde te onderzoeken (1) of de verdachte bij de gemeentelijke basisadministratie een adres in het buitenland had opgegeven, dan wel (2) of daar van de verdachte een buitenlands adres bekend was.1

5. Bij de stukken bevinden zich twee aktes van uitreiking van de dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep van 17 april 2014. De eerste is gedateerd 24 februari 2014 en vermeldt dat de dagvaarding is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank Amsterdam omdat van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is. De tweede akte van uitreiking van de appeldagvaarding vermeldt dat op 27 februari 2014 de appeldagvaarding niet kon worden uitgereikt “omdat op het door mij ingevulde adres niemand werd aangetroffen”. Het adres waarvan deze akte melding maakt, is “[plaats] [a-straat 1]”. Ik wijs erop dat dit adres eveneens staat vermeld op de appelakte. De tweede akte van uitreiking houdt tevens in dat op 19 maart 2014 de dagvaarding is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank Amsterdam omdat van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is.

6. Bij de stukken bevinden zich verscheidene ID-staten SKDB, waarvan er één is gedateerd 24 februari 2014. Hierop is onder het kopje “Laatst opgegeven woon- of verblijfplaats” vermeld: “Datum registratie 05-05-2013, Land Groot-Brittannië”. Hieruit kan worden opgemaakt dat de verdachte heeft laten registreren dat hij in Groot-Brittannië een woon- of verblijfplaats heeft.

7. In cassatie wordt aangevoerd dat het hof had moeten onderzoeken of de verdachte bij de gemeente niet alleen heeft laten registreren dat hij naar Groot-Brittannië zou vertrekken maar of hij daarbij ook “een adres in het buitenland heeft opgegeven bij de gemeentelijke basisadministratie”.

8. Hierover het volgende. Oordelend over de geldigheid van de betekening van de appeldagvaarding, dient het hof te onderzoeken of de verdachte bij de gemeente een adres in het buitenland heeft opgegeven ingeval de gemeentelijke basisadministratie vermeldt dat de betrokkene is vertrokken naar een met name genoemd land zonder dat daarbij in die basisadministratie buitenlandse adresgegevens zijn geregistreerd. Deze eis heeft betrekking op een registratie in de Gemeentelijke basisadministratie (GBA), thans de Basisregistratie personen (BRP).

9. In casu is de registratie “Land Groot-Brittannië” echter niet opgenomen in de GBA noch in de BRP. Ik zou ermee kunnen volstaan dat het middel om die reden faalt, maar dan blijft onduidelijk wat de herkomst is van de registratie “Groot-Brittannië”.

10. Hierboven heb ik aangegeven dat Groot-Brittannië is geregistreerd als laatst opgegeven woon- of verblijfplaats. Gegevens zoals die in de ID-staat SKDB d.d. 24 februari 2014 onder het kopje “laatst opgegeven woon- of verblijfplaats” zijn vermeld, worden doorgaans geregistreerd door het Openbaar Ministerie op basis van informatie die bijvoorbeeld door de politie of de marechaussee is vastgelegd tijdens een contact met de verdachte in de ‘strafrechtketen’. Uit de stukken kan niet blijken op welk moment en aan wie de verdachte die informatie heeft verstrekt. De laatst opgegeven woon- of verblijfplaats kan dus niet worden aangemerkt als een GBA/BRP-adres. Verdere navraag heeft dit bevestigd. Kortom, de onderzoeksverplichting waarop de steller van het middel zich beroept, is niet – op deze grond – van toepassing.

11. Ik bespreek nog een tweede kwestie. Bij de stukken bevindt zich een “ID-staat conform SKDB” gedateerd 11 februari 2013. Als “laatst opgegeven woon- of verblijfplaats” is daar vermeld “[a-straat 1] [plaats]”. Zoals gezegd is exact dit adres opgenomen in de appelakte d.d. 11 april 2013.

12. Bij navraag bij de afdeling burgerzaken van de gemeente Putten vernam ik het volgende: “Persoon heeft nooit ingeschreven gestaan te Putten. Zowel naam, als geb. datum als adres leiden niet naar 1 persoon.” Deze informatie betekent m.i. dat het adres te Putten niet als GBA-adres kan worden aangemerkt.

13. Samenvattend komt een en ander erop neer dat het hof naar mijn inzicht niet gehouden was om bij de gemeente Putten na te gaan of de verdachte een adres in het buitenland had opgegeven. Ik heb niettemin dit onverplichte onderzoek wel degelijk uitgevoerd. De uitkomst is dat de verdachte bij de gemeente Putten géén adres in het buitenland heeft opgegeven.

14. Het middel faalt.

15. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven. Hierbij merk ik op dat uit de stukken niet kan blijken dat het hof ten tijde van de betekening van de appeldagvaarding ermee bekend was dat als “huidig BRP-adres” van de verdachte “[b-straat 1] [plaats] Polen” was geregistreerd. De ID-staat SKDB d.d. 19 maart 2014, die zich bij de stukken bevindt en die kennelijk is opgemaakt ten behoeve van de uitreiking van de appeldagvaarding, vermeldt: “Huidig GBA-adres Niet beschikbaar”. In de ID-staat SKDB d.d. 5 augustus 2014 die is opgemaakt ten behoeve van de aanzegging als bedoeld in artikel 435, eerste lid, Sv is het adres in Polen daarentegen wel als “Huidig GBA-adres” vermeld, zulks met als “datum ingang 02-11-2011”. Hieruit volgt dat op enig moment in de tussentijd het adres in Polen met terugwerkende kracht moet zijn geregistreerd. Op basis van de stukken valt niet uit te sluiten dat dit reeds het geval was ten tijde van de terechtzitting van het hof in hoger beroep, maar dat doet voor de geldigheid van de appeldagvaarding niet ter zake.

16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 30 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0616, NJ 2010/198 r.o. 2.4; HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317 r.o. 3.20 onder a; HR 8 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1371, NJ 1999/617 r.o. 3.4.3.