Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1297

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-10-2016
Datum publicatie
21-12-2016
Zaaknummer
16/00362
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2930, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Falende klachten over het afwijzen van een herhaald verzoek tot aanhouding i.v.m. het aanwezigheidsrecht. 1. Ziekte verdachte. Raadsman heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat verdediging zich niet deugdelijk heeft kunnen voorbereiden en niet dat verdachte ttz. aanwezig wilde zijn. 2. Deugdelijke voorbereiding. Hof heeft verzoek afgewezen op de grond dat het belang van een doeltreffende en spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging moeten prevaleren boven het belang van verdachte om de zaak nogmaals aan te houden. Gelet op procesgang en proceshouding van verdachte, kunnen deze gronden de afwijzing van het verzoek dragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 16/00362

Zitting: 4 oktober 2016

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 6 oktober 2015 het vonnis waarvan beroep bevestigd onder overneming en aanvulling van gronden, behalve voor wat betreft de beslissingen ten aanzien van het op dagvaarding I tenlastegelegde feit 81, de opgelegde gevangenisstraf en de motivering daarvan en de toepasselijke wetsartikelen, en daarbij de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden gevangenisstraf, wegens: Dagvaarding I - 1. “een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, terwijl dat feit wordt begaan door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd”; - 3. “medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd en valsheid in geschrift, meermalen gepleegd en opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, WvS, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd”; - 4. “diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd”; - 7. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II”; - 11. “oplichting”; Dagvaarding II “opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven”.

2. Namens de verdachte heeft mr. C.F. Korvinus, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur in totaal negen2 middelen van cassatie voorgesteld. De raadsman heeft de middelen mondeling toegelicht ter terechtzitting van de Hoge Raad op 7 juni 2016 en daarbij een pleitnota overgelegd.

3. Het eerste middel klaagt dat het hof de beslissing tot afwijzing van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak ontoereikend met redenen heeft omkleed, en aldus dit aanhoudingsverzoek ten onrechte heeft verworpen en daarmee het recht op verdediging en het recht op een eerlijke behandeling van de zaak heeft geschonden.

4. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 22 september 2015 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in:

“De verdachte, gedagvaard als:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1953 te [geboorteplaats],

wonende te [a-straat 1] te [woonplaats],

is niet ter terechtzitting verschenen.

Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. C.F. Korvinus, advocaat te Amsterdam, die mededeelt door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd.

(…)

De raadsman deelt vervolgens mede dat de gezondheidstoestand van de verdachte zeer slecht is en dat hij eigenlijk opgenomen moet worden in het ziekenhuis om te worden geopereerd aan zijn heup en zijn knie.

Met instemming van de advocaat-generaal en de raadsman hervat het hof - ondanks zijn gewijzigde samenstelling - het onderzoek in de stand waarin het zich op het tijdstip van de schorsing op 7 oktober 2014 bevond.

(…)

De raadsman deelt mede dat hij zijn eerdere schriftelijk gedane aanhoudingsverzoek herhaalt. Hij voert daartoe aan:

Ik heb de zaak recentelijk overgenomen en ik meen dat de zaak een goede verdediging verdient.

Bovendien is [verdachte] dit jaar veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaar in de zaak Waterstof. Tegen dat vonnis is appel ingesteld bij uw hof. Namens [verdachte] wil ik het verzoek neerleggen om de behandeling van de onderhavige zaak te voegen bij de zaak Waterstof, nu een gevoegde behandeling - hoewel de thans aan de orde zijnde zaken zeer oud zijn - in het belang van een goede rechtspleging is. Ook een aantal feiten in de zaak Waterstof zijn oud. Waterstof moet nog in regievorm voorkomen en het zou kunnen dat er na bestudering van de onderhavige zaak ook nog nieuwe onderzoekswensen ontstaan, welke dan uiteindelijk samen met die in de zaak Waterstof kunnen worden behandeld.

De voorzitter deelt mede dat zij het belang van voeging niet onmiddellijk inziet, temeer nu de onderhavige zaak stokoude feiten betreft, waarvan er één zelfs al verjaard is. Voorts deelt de voorzitter mede dat zij heeft gezien dat de raadsman reeds op 2 september 2015, aldus bijna drie weken voorafgaand aan de zitting van heden, per brief heeft laten weten de zaak van de vorige raadsman te hebben overgenomen.

De raadsman deelt mede:

Met mijn volstrekt volle agenda zijn drie weken niet voldoende om een zaak als deze voor te bereiden. Bovendien was mij door de verdachte medegedeeld dat het heden om een regiezitting zou gaan. Toen ik de stukken ontving zag ik pas dat sprake was van een inhoudelijke behandeling, op dat moment was het voor mij volstrekt onmogelijk om de zaak, met een dergelijk dossier, voor te bereiden. Ik hoor u zeggen dat de zaak al vele malen op verzoek van de verdediging is aangehouden, namelijk op 17 januari 2010, 30 juni 2010 en 12 november 2010 en dat, nadat de zaak na de regiezitting van 7 september 2011 naar de rechter-commissaris was verwezen, de verhoren ook nog eens meermalen zijn uitgesteld omdat telkens kort voor de reeds vastgestelde datum van de verhoren de mededeling kwam dat er een nieuwe advocaat op de zaak zat, die zich nog niet had kunnen voorbereiden, en dat dus nu het zoveelste verzoek om aanhouding voorligt. Het klopt dat vier advocaten zich in de loop van deze zaak hebben teruggetrokken. Ik ben de vijfde advocaat. In de zaak Waterstof ben ik echter al drie jaar de advocaat van [verdachte]. Over de gang van zaken bij de rechter-commissaris in deze zaak kan ik zeggen dat ik op enig moment ben genoemd als mogelijke opvolger, maar dat is toen niet gebeurd. Destijds ben ik niet gevraagd of gemachtigd om op te treden en ik heb me er destijds dus ook niet mee bemoeid. Nu heeft [verdachte] mij uitdrukkelijk verzocht de zaak over te nemen. Dat wil ik doen, maar dan wel met de noodzakelijke voorbereiding. Ik begrijp dat het de ervaring van het hof is dat telkens op het laatste moment voor de zitting het vertrouwen in de raadsman werd opgezegd. Ik kan u zeggen dat dat in de zaak Waterstof in ieder geval niet is gebeurd, daar heeft de berechting inmiddels plaatsgevonden en ben ik ook in hoger beroep de advocaat.

De advocaat-generaal deelt desgevraagd zijn standpunt mede :

Ik ben van mening dat de verzoeken dienen te worden afgewezen. De voorzitter heeft duidelijk aangegeven wat het procesverloop ik geweest met de verschillende advocaten. Als ik kijk naar de brief van mr. Vermeij, de laatste advocaat van de verdachte, en ik lees daarin dat er sprake was van directe belangenverstrengeling, 'wat daar ook van zij', dan geeft mij dat de indruk dat sprake is van bewust traineren aan de kant van de verdachte met het doel de behandeling van de zaak uit te stellen. Als de onderhavige zaak gevoegd wordt bij de behandeling van de zaak Waterstof, dan blijft van deze stokoude feiten al helemaal niets over. Dat er een goede verdediging moet kunnen worden gevoerd is op zichzelf juist, maar in dit geval is het aan de verdachte zelf te wijten dat hij een onvoorbereide advocaat naar de inhoudelijke behandeling stuurt.

Hij heeft een risico genomen en ik ben van mening dat de gevolgen hiervan ook voor rekening en risico van de verdachte moeten komen.

De raadsman deelt mede:

Ik kan nog inbrengen dat de reden van de vertrouwensbreuk met mr. Vermeij er in gelegen was dat mr. Vermeij de politieman heeft bijgestaan die de jongen [betrokkene 5] heeft doodgeschoten op het station Den Haag Hollands Spoor. [betrokkene 5] was familie van [verdachte] en deze omstandigheid is de reden geweest om aan te geven aan mr. Vermeij dat er sprake was van een absolute vertrouwensbreuk. Die omstandigheid was mijn cliënt niet eerder bekend. Ik kan de familieband tussen [betrokkene 5] en mijn cliënt niet nader concretiseren, maar ik weet wel dat die er is.

De zoon van [verdachte], in de zaal aanwezig, deelt mede dat de moeder van [betrokkene 5] een nicht van [verdachte] is.

De advocaat-generaal deelt mede:

Ik constateer dat er sprake is van een ver verwijderd familieverband. Afgezien daarvan zie ik niet wat dat met een vertrouwensbreuk in deze zaak te maken zou hebben. Mr. Vermeij heeft een verdachte in een andere zaak bijgestaan en op geen enkele manier is aannemelijk geworden dat mr. Vermeij dat op onjuiste of minder goede manier zou doen in deze zaak omdat hij toevallig ook die politieman heeft bijgestaan. Het is een te ver verwijderd verband om op grond hiervan te zeggen: we accepteren ook deze wissel van raadslieden. Daar komt nog bij dat ik mr. Korvinus zojuist heb horen zeggen dat hij bij een goede bestudering van het dossier wellicht ook nog met nieuwe onderzoekswensen komt. Dan zijn we terug bij het begin. Ik denk dat de verzoeken van de raadsman alleen al uit proceseconomische overwegingen dienen te worden afgewezen.

De raadsman deelt mede:

Er moet niet te makkelijk over de situatie met mr. Vermeij gedacht worden. Een zaak als die van [betrokkene 5] roept hevige emoties op, niet alleen bij de familie maar ook in de samenleving. De onoverbrugbare vertrouwensbreuk lijkt mij in dit geval evident. Ik leg de correspondentie tussen mijn cliënt en mr. Vermeij over. Er moet niet te lichtvaardig over gedacht worden.

De raadsman legt de stukken over.

De voorzitter onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat de verzoeken van de raadsman worden afgewezen, in het belang van de voortgang van de zaak en in het licht van wat er allemaal al in de zaak gebeurd is. De voorzitter deelt mede dat de motivering van de afwijzing van de verzoeken bij arrest nader zal worden uiteengezet.

De raadsman deelt mede:

Dan voel ik mij genoodzaakt om de verdediging neer te leggen. Ik ben gemachtigd om te verschijnen. Ik ben slechts gemachtigd om te verzoeken tot aanhouding en tot voeging van de onderhavige strafzaak met de zaak Waterstof, maar niet om de verdediging te voeren. Ik kan geen verdediging voeren, daar ben ik momenteel inhoudelijk niet toe in staat. Ik hoor u, voorzitter, zeggen dat u mij bij de aanvang van de behandeling heeft gevraagd of ik uitdrukkelijk gemachtigd was en dat ik die vraag bevestigend heb beantwoord. Ik zeg u nogmaals dat ik slechts gemachtigd ben om een verzoek om aanhouding te doen en om een verzoek tot voeging van de onderhavige strafzaak met de zaak Waterstof te doen, niet om de verdediging te voeren. Ik hoor u zeggen dat u niet begrijpt dat ik zonder voorbehoud heb verklaard te zijn gemachtigd, terwijl ik nu mededeel dat ik slechts gemachtigd ben om de hiervoor omschreven verzoeken te doen.

Ik hoor u zeggen dat het niet ongebruikelijk is indien ter terechtzitting geen (gemachtigde) raadsman verschijnt, dat zaken bij verstek worden afgedaan, dat ik niet van te voren heb aangegeven dat ik slechts gedeeltelijk gemachtigd ben, dat met de vraag van de voorzitter aan de raadsman of raadsvrouw of hij/zij uitdrukkelijk is gemachtigd, pleegt te worden bedoeld of hij/zij gemachtigd is de verdediging te voeren en dat die vraag ook zo pleegt te worden opgevat. Als u doorgaat met de behandeling van de zaak moet ik mijn taak als raadsman neerleggen, zo simpel is het.

De advocaat-generaal deelt desgevraagd zijn standpunt mede:

Ik zie dit als gemarchandeer van de eerste orde om het hof onder druk te zetten. Een aanhoudingsverzoek kan worden afgewezen of toegewezen. We hebben hier te maken met een raadsman die door de wol geverfd is. Als hem wordt gevraagd of hij gemachtigd is en hij antwoordt daarop bevestigend, dan betekent dat dat hij gemachtigd is om de verdediging te voeren en kan en moet de voorzitter daarop afgaan. De raadsman dient er altijd rekening mee te houden dat een verzoek tot een aanhouding wordt afgewezen. Het is aan de raadsman of hij zich wel of niet terugtrekt, maar als hij zich terugtrekt kan de zaak alsnog worden afgedaan, zonder raadsman.

De voorzitter onderbreekt vervolgens opnieuw het onderzoek voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het hof in de mededeling van de raadsman geen reden ziet om tot aanhouding over te gaan.

De raadsman deelt mede dat hij de verdediging neerlegt en zich terugtrekt als raadsman van de verdachte.”

5. Het bestreden arrest (p. 12 e.v.) houdt in:

“Verzoeken van de raadsman van de verdachte

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte twee verzoeken gedaan. Ten eerste heeft hij verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden en ten tweede heeft hij verzocht om de onderhavige zaak bij een andere strafzaak van de verdachte, bekend onder de naam Waterstof, te voegen.

Desgevraagd heeft de raadsman verklaard door de verdachte te zijn gemachtigd tot - uitsluitend - het doen van deze verzoeken.

Het verzoek van de raadsman om de onderhavige zaak en de zaak Waterstof te voegen, wordt afgewezen, nu - gelet op het verloop van de procedure van de onderhavige zaak en het belang van afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn - voeging van de beide zaken niet in het belang van het onderzoek is.

Ook het verzoek tot aanhouding wordt afgewezen. Daartoe overweegt het hof als volgt.

Het hof stelt allereerst voorop dat bij de bedoelde beslissing een afweging moet worden gemaakt tussen alle betrokken belangen, waaronder het belang van de verdachte bij zijn aanwezigheidsrecht, het belang van een doeltreffende en spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging. Die afweging is in de onderhavige zaak als volgt tot stand gekomen.

De raadsman heeft verklaard dat de verdachte hem had gezegd dat het op 22 september 2015 slechts om een regiezitting zou gaan. De raadsman heeft voorts verklaard dat hij in de korte periode die is verstreken sedert de verdachte hem benaderd heeft, niet de tijd heeft gehad om zich inhoudelijk voor te bereiden. Desgevraagd heeft de raadsman overigens verklaard dat hem na ontvangst van de stukken bekend was dat de zaak voor inhoudelijke behandeling op de rol stond.

De verdachte wist derhalve van de zitting.

Ook zijn vorige advocaat, mr. Vermeij, wist van de zitting. De zitting was - zoals gebruikelijk, tenzij anders is aangegeven - bestemd voor de inhoudelijke behandeling van de zaak.

Noch door het hof noch door het openbaar ministerie is aan verdachte of een advocaat van hem medegedeeld dat de zitting van 22 september 2015 een regiezitting zou betreffen. In tegendeel, aan mr. Vermeij is namens de advocaat-generaal bij brieven van 6 en 16 juli 2015, medegedeeld dat de toenmalige raadsman uit moest gaan van een inhoudelijke behandeling.

De verdachte is niet ter zitting verschenen. Hij heeft zijn raadsman verkeerd voorgelicht ten aanzien van het karakter van de zitting en hem voorts niet gemachtigd om namens hem de verdediging te voeren. Dit alles is de verdachte volledig toe te rekenen en komt geheel voor zijn rekening en risico.

Voorts overweegt het hof dat de onderhavige zaak reeds op 28 april 2009 bij het hof is binnengekomen, hetgeen betekent dat de behandeling van het hoger beroep inmiddels bijna zes-en-een-half jaar in beslag heeft genomen. De procesgang in hoger beroep is als volgt geweest.

Op 17 januari 2010 zou een regiezitting plaatsvinden. De zaak is toen echter op voorhand aangehouden voor onbepaalde tijd vanwege verhindering van de toenmalige raadsman van verdachte, mr. Deen. Ook de twee hierna geplande zittingen, op 30 juni 2010 en 12 november 2010, zijn voor onbepaalde tijd aangehouden, respectievelijk omdat de verdachte een aantal operaties moest ondergaan in de betreffende maand en in verband met het huwelijk van de dochter van de verdachte.

Eerst op 7 september 2011 kon de regiezitting plaatsvinden. Op die zitting is door het hof beslist op de onderzoekswensen van de verdediging, hetgeen heeft geleid tot verwijzing naar de rechter-commissaris voor het doen horen van een tiental getuigen. Daartoe is de zaak opnieuw voor onbepaalde tijd aangehouden.

Door de rechter-commissaris zijn na ontvangst van het dossier vervolgens de getuigenverhoren ingepland, voor de eerste maal op 17, 18 en 24 april 2012. Op 2 april 2012 kwam het bericht van de toenmalige raadsman van de verdachte, mr. Deen, dat hij zich aan de zaak diende te onttrekken. Bij brief van diezelfde dag heeft de verdachte verzocht om opschorting van de getuigenverhoren, omdat hij geen advocaat had. De verhoren zijn uitgesteld en aan de verdachte is bij brief van 6 april 2012 door de griffier verzocht om binnen drie weken te berichten welke advocaat zijn zaak zou overnemen. Dit is niet gebeurd, ook niet nadat hem uitstel was verleend tot 30 september 2012. Door het gerechtshof is na het verlopen van deze termijn op verzoek van het kabinet van de rechter-commissaris een nieuwe raadsman aan de verdachte toegevoegd, mr. Baumgarten.

De verdediging is vervolgens op 27 december 2012 geïnformeerd over de nieuwe geplande data voor de getuigenverhoren: 27 februari en 5 en 7 maart 2013. Op 10 januari 2013 kwam het bericht dat mr. Baumgarten problemen voorzag met het horen van de getuigen omdat hij het dossier nog niet had ontvangen. Hij gaf vervolgens in een e-mailwisseling aan dat hij niet in staat zou zijn de getuigen op de geplande data adequaat te ondervragen. Opnieuw is toen door de rechter-commissaris beslist dat de getuigenverhoren op de geplande data geen doorgang zouden vinden.

Een derde poging om de getuigenverhoren in te plannen, op 14 en 15 mei 2013, mislukte ook, ditmaal omdat op 26 april 2013 het bericht van mr. Baumgarten binnenkwam dat hij zich tot zijn spijt diende te onttrekken als raadsman van de verdachte. Nadat de verdachte opnieuw in de gelegenheid was gesteld zelf een raadsman van zijn keuze aan te dragen en hij dit opnieuw niet had gedaan, heeft het kabinet van de rechter-commissaris zich op 5 juli 2013 nogmaals gewend tot het gerechtshof met het verzoek om aan de verdachte een raadsman toe te voegen. Bij brief van 10 juli 2013 werd duidelijk dat mr. Purperhart de zaak zou overnemen. Ondanks meerdere pogingen, zowel schriftelijk als telefonisch, van de griffier van de rechter-commissaris om eerder met hem in contact te treden, is pas op 5 augustus 2013 bericht van de verdachte gekomen, inhoudende dat mr. Stolk wegens vakantie van mr. Purperhart de zaak zou waarnemen. Nadat uiteindelijk - na uitvoerige communicatie tussen de griffier van de rechter-commissaris en de raadsman over onder andere de compleetheid van het dossier - de nieuwe verhoordata waren vastgesteld op 26 en 27 november 2013, kwam pas op 25 november 2013 om 20.10 uur het bericht binnen dat ook mr. Stolk zich als raadsman aan de zaak had moeten onttrekken, welke brief de rechter-commissaris pas bereikte op de ochtend dat de eerste verhoren van start hadden moeten gaan. Door de rechter-commissaris is toen beslist om de getuigenverhoren doorgang te laten vinden, omdat de voortgang van de zaak inmiddels diende te prevaleren boven het belang van de verdachte dat zijn (toekomstige) raadsman de verhoren zou kunnen bijwonen. Wel heeft de rechter-commissaris zoveel mogelijk de in de aanloop naar de verhoren door de verdediging naar voren gebrachte punten ter sprake gebracht tijdens de verhoren.

Uiteindelijk zijn acht van de tien door de verdediging verzochte getuigen gehoord, de laatste op 6 maart 2014 ([betrokkene 1]). Van de drie nog niet gehoorde getuigen, te weten [betrokkene 2] en [betrokkene 3], heeft de rechter-commissaris aangegeven dat niet aannemelijk was dat deze getuigen binnen een redelijke termijn zouden kunnen worden gehoord, ook omdat de verdediging, ondanks het feit zij daartoe ruimschoots de gelegenheid had gekregen, geen (nadere) adresgegevens van deze personen had opgegeven. De rechter-commissaris heeft zijn onderzoek gesloten en de dossiers teruggestuurd naar het hof.

Op 7 oktober 2014 heeft vervolgens opnieuw een zitting plaatsgevonden. De verdachte, ten aanzien van wie artikel 41 van het Wetboek van Strafvordering van toepassing was, had op dat moment (wederom) geen raadsman. De verdachte heeft het eerder gedane verzoek om de twee nog niet gehoorde getuigen, die volgens hem op een bepaald adres in Den Haag zouden wonen, te horen gehandhaafd, alsmede verzocht om [betrokkene 4] opnieuw te horen en heeft het hof tevens verzocht om hem een nieuwe raadsman toe te voegen. Het hof heeft het verzoek om de getuigen te doen horen toegewezen en heeft tevens nog een laatste maal met tussenkomst van de deken te Den Haag een nieuwe raadsman aan de verdachte laten toevoegen. De zaak is opnieuw aangehouden en verwezen naar de rechter-commissaris voor het horen van de toegewezen getuigen.

Mr. Vermeij is vervolgens als nieuwe raadsman aan de verdachte toegevoegd. De datum voor de inhoudelijke behandeling van de zaak was vastgesteld op 22 september 2015, hetgeen tijdig aan de verdediging was medegedeeld, onder meer bij de brieven van 6 en 16 juli 2015.

Op 1 september 2015 bereikte het faxbericht van mr. Vermeij het hof, inhoudende dat ook hij, vanwege een 'belangenverstrengeling', zich genoodzaakt zag de verdediging neer te leggen. Nog diezelfde dag heeft de verdachte, zo blijkt uit het e-mailverkeer dat is overgelegd door de raadsman op de terechtzitting van 22 september 2015, contact opgenomen met mr. Korvinus en hem bereid gevonden de zaak over te nemen.

Gezien de bovengenoemde gang van zaken, waaruit blijkt dat zowel het hof als de rechter-commissaris keer op keer tegemoet zijn gekomen aan de wensen en belangen van de verdediging en van de verdachte, alsmede het zeer lange tijdsverloop tot dusverre, is het hof van oordeel dat het belang van een doeltreffende en spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging thans dienen te prevaleren boven het belang van de verdachte om de zaak nogmaals aan te houden. Het verzoek tot aanhouding is daarom afgewezen.”

6. Kernpunt van het middel is dat de reden voor het doen van het (zoveelste, AG) aanhoudingsverzoek ditmaal zou zijn gelegen in de “beperkte voorbereidingstijd” die de raadsman heeft gehad om de verdachte in hoger beroep bij te staan. Niet houdt het middel in dat het aanwezigheidsrecht van de verdachte is geschonden. Ik stip dit aan omdat in de schriftuur (ook) wordt opgemerkt dat de verdachte (deze keer) te ziek zou zijn geweest om te verschijnen, en dat is dus iets anders dan wat de raadsman blijkens het hierboven weergegeven proces-verbaal van de terechtzitting van 22 september 2015 als reden heeft opgegeven. Het middel houdt overigens evenmin de klacht in dat de verdachte verstoken is geweest van rechtsbijstand nadat de raadsman na de afwijzing van het aanhoudingsverzoek de verdediging heeft neergelegd.3

7. Ik meen dat in de onderhavige zaak het recht op verdediging noch het recht op een eerlijk proces (een en ander in de zin van art. 6 EVRM) is geschonden. In deze zaak hebben het hof en de rechter-commissaris een lange adem gehad en telkens gedaan wat redelijkerwijs van hen verlangd kon worden met betrekking tot het tegemoetkomen aan de wensen en de belangen van de verdachte. Er zijn echter grenzen. Overeenkomstig de daarvoor geldende maatstaf heeft het hof uiteindelijk de betrokken belangen tegen elkaar afgewogen en, gelet op het procesverloop in deze zaak, het belang van een doeltreffende en spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging laten prevaleren boven het belang van de verdachte bij de zoveelste aanhouding van de behandeling van de zaak. Die afweging van belangen is niet onbegrijpelijk, terwijl voorts in dat licht de beslissing van het hof tot afwijzing van het verzoek om aanhouding toereikend is gemotiveerd. Daarbij heb ik mede de overweging van het hof in aanmerking genomen dat de strafzaak al op 28 april 2009 (!) bij het hof was binnengekomen en dat de eerste regiezitting op 7 september 2010 heeft plaatsgevonden, overigens anderhalf jaar later (!) dan aanvankelijk gepland als gevolg van omstandigheden die hoofdzakelijk bij de verdachte berusten.

8. Voor zover het middel de klacht behelst dat op 21 september 2015, daags voor de terechtzitting van het hof, uit de namens de voorzitter gedane telefonische mededeling aan het kantoor van de raadsman “minst genomen” kon worden afgeleid dat het hof bereid zou zijn het aanhoudingsverzoek te honoreren, verdient het volgende opmerking. De exacte inhoud van die telefonische mededeling is mij niet bekend, maar als ik de toelichting op het middel op dit punt goed begrijp, hield de mededeling in dat op het aanhoudingsverzoek eerst (cursivering van mij, AG) zou worden beslist op de zitting van 22 september 2015. Daaruit kan ik geen bereidheid tot aanhouding afleiden. Daar komt bij, en ik neem aan dat de steller van het middel daarmee bekend is, dat een aanhoudingsverzoek ter terechtzitting dient te worden gedaan en dat op zo een verzoek op de terechtzitting wordt beslist.4

9. Overigens wordt in de toelichting op het middel de beperkte voorbereidingstijd die de raadsman in deze zaak zou hebben gehad, nog wat korter gemaakt door het betoog dat de raadsman pas op de dag van de terechtzitting (22 september 2015) een afschrift van de last tot wijziging van de toevoeging had ontvangen, dat formeel gesproken toen pas zekerheid omtrent de verstrekking van die mutatielast werd verkregen en dat eerst daarna de werkzaamheden van de raadsman konden aanvangen. Wat daarvan zij, ik stel vast (i) dat de verdachte zelf pas drie weken voor de dag van de terechtzitting de raadsman – de vijfde op rij – heeft benaderd en deze heeft gevraagd om de zaak over te nemen, terwijl diezelfde raadsman hem al jarenlang bijstaat in de zaak-Waterstof, en dat (ii) de verdachte eerder al een laatste maal (!) met tussenkomst van de deken te Den Haag een nieuwe raadsman (mr. Vermeij) toegewezen had gekregen. Kennelijk heeft mr. Korvinus de zaak van mr. Vermeij overgenomen en zich op 2 september 2015 als raadsman bij het hof gesteld met het (ook) tegenover de verdachte gemaakte voorbehoud dat hij dat wilde doen, maar dan wel met de noodzakelijke voorbereiding. Als die voorbereidingstijd er dan niet of onvoldoende blijkt te zijn volgens de inschatting van de raadsman, is dat een mededeling die onder de omstandigheden van het onderhavige geval vooral voor risico van de verdachte komt. Als dan, zoals in de toelichting op het middel valt te lezen, al meteen duidelijk was dat de raadsman onmogelijk in die korte tijd de verdediging kon voorbereiden, had de verdachte er verstandiger aan gedaan niet van raadsman te veranderen (nogmaals: de verdachte had al een laatste maal een nieuwe raadsman toegewezen gekregen), dan wel een raadsman te benaderen die de zaak wel had kunnen voorbereiden.

10. Gelet op hetgeen de raadsman op de terechtzitting van 2015 heeft meegedeeld (blijkens het zittingsverbaal), was hij door de verdachte alleen gemachtigd om een verzoek tot aanhouding en tot voeging van de onderhavige strafzaak met de zaak-Waterstof te doen. Dat is een keuze die de verdachte heeft gemaakt, evenals het zijn keuze was om niet zelf ter terechtzitting te verschijnen, althans daar houd ik het voor nu het proces-verbaal van de terechtzitting van 22 september 2015 – anders dan de toelichting op het middel (waarover hieronder meer) – in het geheel geen melding maakt van ziek-zijn van de verdachte (als reden voor diens afwezigheid). Dat door de afwijzing van het aanhoudingsverzoek en het niet volledig machtigen van de raadsman niet een inhoudelijk verweer gevoerd is kunnen worden – hetgeen consequenties heeft voor een aantal hierna nog te bespreken middelen –, komt voor rekening van de verdachte.

11. Volgens de steller van het middel wordt de raadsman ten onrechte tegengeworpen dat de behandeling in hoger beroep reeds meermalen is aangehouden, nu de raadsman zich aanstonds, nadat hij de stukken had ontvangen, tot het hof heeft gewend met het verzoek tot aanhouding. Uiteraard zijn de eerdere aanhoudingen van de behandeling van de zaak niet persoonlijk te “wijten” aan deze raadsman. Maar daar gaat het niet om. De redenen voor de aanhoudingen in hoger beroep hebben voor een belangrijk deel te maken met gedoe van de verdachte met zijn eerdere advocaten. Als dat punt al aan iemand kan worden tegengeworpen, dan toch zeker niet aan het hof.

12. Als gezegd wordt in de toelichting op het middel naar voren gebracht dat de verdachte “zelf niet in staat [was] ter zitting van 22 september 2015 te verschijnen”. Voor zover daarmee een argument wil zijn aangebracht ter versteviging van de klacht dat het hof het aanhoudingsverzoek had moeten honoreren, kan daaraan in cassatie worden voorbijgegaan nu het proces-verbaal van de terechtzitting van 22 september 2015 daarover niets vermeldt.

13. Het middel faalt.

14. Het tweede middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, klaagt dat “het openbaar ministerie de acht getuigen die buiten de aanwezigheid van de verdachte of een raadsman voor de terechtzitting van 22 september 2015 had dienen op te roepen dan wel het hof te verzoeken te bepalen dat van verdere oproeping van deze getuigen kon worden afgezien” en dat “het openbaar ministerie” met betrekking tot de twee getuigen die niet door de rechter-commissaris waren gehoord aan het hof had moeten verzoeken te bepalen dat van verdere oproeping van deze getuigen zou kunnen worden afgezien dan wel hernieuwde oproeping diende plaats te vinden, zodat het hof vervolgens te dien aanzien een beslissing had dienen te nemen.

15. Indien en voor zo ver het middel bedoelt te klagen over het handelen van het Openbaar Ministerie, kan de klacht niet tot cassatie leiden; handelingen en beslissingen van het Openbaar Ministerie komen niet voor cassatie in aanmerking.5 Voor het overige heeft het volgende te gelden.

16. Een van de getuigen betreft de broer van de verdachte, genaamd [betrokkene 4]. Het verzoek om hem als getuige te (doen) horen is aangekondigd per faxbericht van 9 augustus 2011 en ter terechtzitting in hoger beroep van 7 september 20116 door de toenmalige raadsman van de verdachte toegelicht. Het proces-verbaal van die zitting houdt in, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang:

“Daartoe in de gelegenheid gesteld door de voorzitter licht de raadsman zijn verzoek tot het horen van getuigen als volgt toe, zakelijk weergegeven:

Ik verzoek de volgende personen als getuige te horen.

1. [betrokkene 4]

Dit is de broer van de verdachte. Hij is volledig op de hoogte van de zaak, hij was medeverdachte. Zijn zaak is afgedaan. Hij woont nu weer in Nederland en kan dus worden opgeroepen. Hij kan over bijna alle feiten verklaren, in het bijzonder over de feiten 1 en 4. Hij beheerde de panden die in de tenlastelegging staan.

(…)

De verdachte verklaart ten aanzien van het verzoek tot het horen van de onder 1 tot en met 4 genoemde getuigen het volgende, zakelijk weergegeven:

Mijn broer is medeverdachte geweest in deze zaak, maar zijn zaak is geseponeerd.

De voorzitter onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissingen van het hof mede:

(…)

dat wordt toegewezen het verzoek van de raadsman om

1. [betrokkene 4]

(…)

als getuige te horen en dat de zaak daartoe zal worden verwezen naar de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank 's-Gravenhage.”

17. Het hof heeft de behandeling van de zaak ter terechtzitting vervolgens voor onbepaalde tijd geschorst.

18. Blijkens het proces-verbaal van de rechter-commissaris is [betrokkene 4] op 21 februari 2014 in Paramaribo als getuige gehoord, buiten aanwezigheid van de verdachte en diens raadsman, en heeft hij zich in zijn verklaring beroepen op zijn verschoningsrecht. Voorts heeft de getuige [betrokkene 4] toen aangegeven te zijner tijd bereid te zijn ter terechtzitting een verklaring af te leggen in het bijzijn van zijn advocaat en ook bereid te zijn naar Nederland af te reizen voor het afleggen van een verklaring in de onderhavige zaak.

19. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 7 oktober 2014 houdt in, voor zover hier van belang:

“Met instemming van de advocaat-generaal en de verdachte hervat het hof - ondanks zijn gewijzigde samenstelling - het onderzoek in de stand waarin het zich op het tijdstip van de schorsing op 7 september 2011 bevond.

De voorzitter deelt mede:

Op 7 september 2011 heeft in deze zaak een regiezitting plaatsgevonden, vervolgens zijn meerdere getuigen door de rechter-commissaris gehoord.

(…)

De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende:

Mijn broer [betrokkene 4] heeft geen verklaring afgelegd, omdat hij geen bijstand had van een advocaat.

(…)

De voorzitter deelt mede:

(…)

Het hof dient thans een beslissing te geven over de verzochte getuigen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4].

De verdachte licht zijn verzoeken toe: (…)

De getuige [betrokkene 4] wil een verklaring afleggen in Suriname of in Nederland, in bijzijn van een tolk en een raadsman. In de nieuwe strafzaak die tegen mij loopt, is op 8 en 9 december 2014 een rogatoir getuigenverhoor in Suriname gepland en mijn broer [betrokkene 4] kan mogelijk dan ook gehoord worden in de onderhavige strafzaak.

(…)

De advocaat-generaal deelt mede:

(…) De getuige [betrokkene 4] kan in Nederland ter terechtzitting worden gehoord, anders moeten de raadsman en ik naar Suriname afreizen, hetgeen hoge kosten met zich mee brengt.

(…)

Het hof verwijst de zaak naar de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Den Haag teneinde de volgende getuigen te doen horen:

- [betrokkene 4], indien dit mogelijk is bij gelegenheid van het verhoor in het kader van de rogatoire commissie die is voorzien op 8 en 9 december 2014 in de nieuwe strafzaak tegen de verdachte;

- [betrokkene 2] en

- [betrokkene 3], beide laatste getuigen bereikbaar op het door de verdachte opgegeven adres [adres].

Als het niet mogelijk is de getuige [betrokkene 4] te horen op 8 of 9 december 2014 in Suriname dient die getuige te worden opgeroepen voor de volgende zitting.

De advocaat-generaal deelt mede:

Indien de rechter-commissaris naar Suriname moet afreizen voor het rogatoire verhoor, dan zal ik ook naar Suriname moeten reizen, terwijl dit verhoor over twee maanden zal plaatsvinden; de vraag is of dit lukt.

De voorzitter deelt mede:

Indien de raadsman of de rechter-commissaris meedeelt dat de getuige niet in het kader van de rogatoire commissie op 8 of 9 december 2014 kan worden gehoord, dan zal deze getuige op zitting worden gehoord.

(…)

Het hof verwijst de zaak naar de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Den Haag teneinde in elke geval de volgende getuigen te horen:

1. [betrokkene 4],

zo mogelijk tijdens het rogatoire verhoor in Suriname op 8 en 9 december 2014 in de nieuwe strafzaak tegen de verdachte. Indien dit niet mogelijk mocht blijken, dan verzoekt het hof de advocaat-generaal deze getuige op te roepen voor de nadere terechtzitting teneinde aldaar te worden gehoord.”

2. [betrokkene 2] en

3. [betrokkene 3], beide getuigen bereikbaar op het door de verdachte opgegeven adres [adres].”

20. Het hof heeft ter terechtzitting van 22 september 2015 met instemming van de verdediging en het Openbaar Ministerie, ondanks een andere samenstelling van het hof, het onderzoek hervat in de stand waarin het zich ten tijde van de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting van 7 oktober 2014 bevond. Tussen die twee terechtzittingen door is getracht [betrokkene 4] als getuige bij de rechter-commissaris te doen horen. Tot de stukken van het geding behoort een bericht van de rechter-commissaris van 22 april 2015 dat het horen van [betrokkene 4] als getuige niet is gelukt. Ik citeer uit dat schrijven:

“De getuige [betrokkene 4] beschikte ten tijde van de geplande verhoren op 8 en 9 december 2014 nog steeds niet over een raadsman die hem kon bijstaan in de onderhavige zaak. Al vóór het vertrek van de rogatoire commissie was bepaald dat de getuige om die reden niet zou worden verhoord in de onderhavige zaak.”

21. De stukken van het geding houden niet in dat in de aanloop naar de terechtzitting van 22 september 2015 [betrokkene 4] voor die zitting is opgeroepen als getuige. Voorts houdt het proces-verbaal van de terechtzitting van 22 september 2015 geen verzoek7, noch een beslissing in omtrent het (alsnog) oproepen en horen van die getuige. Het verzoek om deze getuige te horen stond dus nog open en daar had in beginsel een beslissing op moeten volgen. Omdat de verdachte niet op de terechtzitting was verschenen en de raadsman niet in volle omvang gemachtigd was namens hem de verdediging te voeren, kon op grond van het ook in hoger beroep toepasselijke art. 288, derde lid, Sv niet van een hernieuwde oproeping (met uitdrukkelijke instemming van de verdachte) worden afgezien. In zoverre heeft het middel een punt.8

22. Ik meen evenwel dat met betrekking tot het achterwege blijven van een nieuwe beslissing van het hof omtrent het verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene 4] de verdachte onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep. Daarbij heb ik vooreerst in aanmerking genomen (i) het laatste overzichtsarrest van de Hoge Raad over de toepassing van art. 80a RO9, waarin de volgende overweging is opgenomen:

d. Zaakoverstijgend is ook het (overzichts)arrest van 1 juli 2014 over verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen. In dat arrest is onder meer overwogen dat met inachtneming van de uit art. 80a RO voortvloeiende terughoudendheid bij de toetsing in cassatie in gevallen waarin het belang bij vernietiging niet evident is, die toetsing zich – meer dan vroeger het geval was – zal concentreren op de vraag of de beslissing van de feitenrechter ten aanzien van het al dan niet oproepen onderscheidenlijk horen van getuigen begrijpelijk is. Daarbij is aangetekend dat die begrijpelijkheid in verband met de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst. Daaraan is naar aanleiding van de conclusie van de Advocaat–Generaal in een arrest van 8 september 2015 toegevoegd: "dat bij de beantwoording van de vraag naar het – rechtens te respecteren – belang bij een cassatiemiddel over de afwijzing van een verzoek een getuige op te roepen dan wel te horen, onder omstandigheden ook een rol kan spelen dat onvoldoende duidelijk is welke betekenis het horen van de getuige kan hebben voor het beantwoorden van een van de vragen van art. 348 en 350 Sv. Van de verdediging kan in dergelijke gevallen worden gevergd dat zij – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie – in de cassatieschriftuur toelicht welk belang zij heeft bij een klacht over de afwijzing van het verzoek die getuige te horen."

23. Voorts heb ik in aanmerking genomen: (ii) dat de verdediging nadat het bericht was gekomen dat [betrokkene 4] op 8 en/of 9 december 2014 niet door de rechter-commissaris gehoord zou gaan worden te dezen verder geen actie heeft ondernomen; (iii) dat op de terechtzitting van 22 september 2015 door de verdachte en/of diens raadsman niet is verzocht om een beslissing van het hof (de raadsman was daartoe kennelijk niet gemachtigd); (iv) de (summiere) motivering van het verzoek om [betrokkene 4] als getuige te (doen) horen; (v) de onwelwillende opstelling van [betrokkene 4] – tot tweemaal toe – op momenten dat hij door de rechter-commissaris gehoord kon worden (“zonder advocaat zeg ik niks”); (vi) en dat [betrokkene 4] in de door het hof overgenomen bewijsconstructie niet als getuige à charge voorkomt.

24. Op grond van het voorgaande meen ik dat de klacht betreffende het verzuim van het hof om te beslissen op het verzoek om [betrokkene 4] als getuige te (doen) horen, geen doel treft.

25. Dan de andere zeven personen die door de rechter-commissaris als getuige zijn gehoord. Ik stel voorop dat zo reeds getuigen bij de rechter-commissaris zijn gehoord geen rechtsregel met zich brengt dat het Openbaar Ministerie die personen dient op te roepen om ter terechtzitting te worden gehoord. Voor zover overigens in de toelichting op het middel wordt geklaagd over het handelen van het Openbaar Ministerie, kan, als gezegd, de klacht niet tot cassatie leiden. Dat de verdediging niet bij het verhoor van de rechter-commissaris aanwezig is geweest en dat (formeel) geen afstand is gedaan van de getuigen, maakt dat niet anders. Nadat de personen als getuigen waren gehoord en hun verklaringen waren vastgelegd in een proces-verbaal van de rechter-commissaris, zou het op de weg van de verdediging hebben gelegen, indien zij deze personen alsnog had willen doen oproepen, om een daartoe strekkend verzoek te doen. Nu een dergelijk verzoek is uitgebleven, om welke reden dan ook, mocht het hof onder de omstandigheden van het onderhavige geval – deze zeven personen waren al gehoord door de rechter-commissaris – ervan uitgaan dat er van de zijde van de verdachte kennelijk geen behoefte meer was om die personen nader te horen als getuigen. Voor zover de klacht inhoudt dat het hof met betrekking tot deze getuigen “ten onrechte geen beslissing heeft genomen”, faalt het middel.

26. Ten slotte de twee getuigen die in deze zaak niet eerder zijn gehoord. In het aan de Hoge Raad toegezonden dossier bevindt zich een schrijven van de rechter-commissaris van 12 mei 2015, waarin deze aan de toenmalige raadsman meedeelt dat het door de verdediging opgegeven adres van deze twee getuigen “onjuist” is gebleken en dat de raadsman, ondanks het verzoek van de rechter-commissaris daartoe, geen ander adres heeft opgegeven waar hij deze getuigen kan oproepen en dat hij daarom het vooronderzoek sluit.10

27. Ook hier begin ik met de opmerking dat niet in cassatie met vrucht kan worden geklaagd over hetgeen het Openbaar Ministerie wel of niet had moeten doen. Indien de rechter-commissaris de opdracht van de zittingsrechter tot het horen van een door de verdachte opgegeven getuige niet kan uitvoeren omdat, ook na enig onderzoek, de juiste woon- of verblijfplaats onbekend is (gebleven), geeft hij de opdracht terug aan de zittingsrechter. Ook in dit geval is het aan de verdediging om vervolgens het verzoek te doen om de getuigen voor de terechtzitting op te roepen. Aangenomen dat de verdediging niet over de juiste adresgegevens van deze getuigen beschikte, zou zo een verzoek nutteloos zijn geweest (daargelaten dat de raadsman kennelijk niet gemachtigd was op ’s hofs terechtzitting een dergelijk verzoek namens de verdachte te doen). Kennelijk is het hof ervan uitgegaan dat de verdediging het verzoek om die getuigen te horen had laten varen en dat derhalve een beslissing daarover achterwege kon blijven. Dit kennelijke oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Daarbij merk ik nog op dat de enige overweging die het hof te dezen in zijn arrest had kunnen opnemen, zou zijn geweest dat een hernieuwde oproeping achterwege kan blijven omdat het onaannemelijk is dat de getuigen binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zullen verschijnen.

28. Ten overvloede zij nog het volgende opgemerkt. De verdachte heeft uiteraard een ondervragingsrecht als bedoeld in art. 6, derde lid onder d, EVRM, zij het tot op zekere hoogte. Het kan niet zo kan zijn dat de planning van het horen van getuigen onder regie van de verdachte staat of komt te staan. Als een verdachte keer op keer geen gebruik maakt van de mogelijkheden die hem wat dat betreft – in de onderhavige zaak in ruime mate – door de rechter worden geboden, mag het er op enig moment voor worden gehouden dat hij kennelijk geen prijs stelt op (werkelijke) effectuering van zijn ondervragingsrecht, of dat andere procesbelangen inmiddels zwaarder zijn gaan wegen. Pas wanneer een verdachte geen mogelijkheid wordt geboden in enig stadium van het strafgeding de getuige te ondervragen, is er sprake van het ontbreken van “an adequate and proper opportunity to question a witness against him either when he or she was testifying or at a later stage of the proceedings”.11 Maar dit geval doet zich in de onderhavige zaak niet voor. Uiteindelijk, zo heeft het hof vastgesteld, zijn er acht van de tien door de verdediging verzochte getuigen gehoord, waarbij de rechter-commissaris zoveel mogelijk de door de verdediging naar voren gebrachte punten ter sprake heeft gebracht tijdens de verhoren.

29. Het tweede middel faalt.

30. Het derde middel keert zich tegen de motivering van de bewezenverklaring van feit 1 (dagvaarding 1).

31. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

“hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2002 tot en met 14 december 2004 te 's-Gravenhage telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen telkens uit winstbejag behulpzaam is geweest aan [betrokkene 2] en [betrokkene 6] en [betrokkene 6] en [betrokkene 7], die wederrechtelijk in Nederland verbleven, bij het verblijven in Nederland en deze personen daartoe telkens uit winstbejag telkens gelegenheid en middelen heeft verschaft terwijl hij en zijn mededaders telkens wisten of ernstige redenen hadden te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was, immers hebben hij, verdachte, en zjjn mededaders telkens tegen betaling die personen een woning en/ of kamer gelegen aan de adressen [b-straat 1] en [c-straat 1], alle te 's-Gravenhage verhuurd.”

32. Deze bewezenverklaring steunt op de (door het hof overgenomen) bewijsconstructie, hieronder weergegeven zonder voetnoten:

Wederrechtelijk verblijf

[b-straat 1]

Ten aanzien van de in de tenlastelegging genoemde persoon [betrokkene 2] overweegt de rechtbank het volgende. Op 6 september 2004 is deze persoon door de Dienst Stedelijke Ontwikkeling (DSO) in het pand aan de [b-straat 1] te ’s-Gravenhage aangetroffen. Na raadpleging van het Vreemdelingen Verificatie Systeem wordt vastgesteld dat [betrokkene 2] sinds 6 januari 2004 illegaal in Nederland verblijft. Hij heeft bij de politie verklaard dat hij inderdaad illegaal in Nederland verblijft en dat hij sinds twee maanden in genoemde woning verblijft. Voorts heeft [betrokkene 2] verklaard dat de verhuurder een kopie van zijn paspoort heeft gemaakt met daarin een sticker waarop zijn verlopen verblijfsstatus vermeld staat. [betrokkene 2] omschrijft de huisbaas als een dikke Surinaamse man van rond de vijftig, die kantoor houdt op de [d-straat] te 's- Gravenhage.

Het pand aan de [b-straat 1] is sinds 16 november 2000 eigendom van [betrokkene 8]. Zij heeft verklaard dat de verdachte het pand voor haar zou verkopen en dat zij hem de enige sleutel van het pand heeft gegeven. De verdachte beheerde het pand voor haar om het te gaan verkopen. Zij heeft voorts verklaard dat ze wist dat er huurders in het pand zaten en dat ze daarover met de verdachte heeft gepraat. Zij heeft met betrekking tot de woning aan [b-straat 1] een brief ontvangen van DSO over illegale bewoning. Doerga heeft bij de rechter-commissaris anders verklaard dan in de verklaringen bij de politie. Nu de verklaringen afgelegd bij de politie steun vinden in andere bewijsmiddelen en de rechtbank haar oordeel niet in beslissende mate op deze verklaringen doet steunen kunnen deze verklaringen meewerken voor het bewijs.

De verdachte heeft verklaard dat hij voor Doerga de beheerder was van het perceel [b-straat 1]. Hij heeft het pand op 29 juni 2004 aan de familie [betrokkene 2] verhuurd en het huurcontract opgemaakt. Hij wist van de verlopen verblijfsvergunning in het paspoort van [betrokkene 2].”

33. In het middel wordt geklaagd dat het hof niet de verklaring van de getuige [betrokkene 2] kon gebruiken, omdat de verdediging hem in geen enkel stadium van het proces heeft kunnen horen over zijn bij de politie afgelegde verklaringen.

34. In zijn arrest van 14 april 1998, ECLI:NL:HR:1994:AB7528, NJ 1999/73 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat in een geval waarin de verdediging niet in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad telkens de persoon die een verklaring tegenover de politie heeft afgelegd te (doen) ondervragen, art. 6 EVRM aan het gebruik tot het bewijs van het proces-verbaal van politie met een dergelijke verklaring niet in de weg staat, als de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde feit in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen.12 Dat steunbewijs zal dan betrekking moeten hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die hij betwist.

35. Naast de verklaring van deze getuige heeft het hof voor het bewijs gebezigd (1) de verklaring van Doema, (2i) de verklaring van de verdachte zelf, (3) de processen-verbaal van aangifte en van bevindingen en (4) geschriften die betrekking hebben op de illegale status van [betrokkene 2]. Daarmee vindt de verklaring van de getuige [betrokkene 2] voldoende steun in ander bewijsmateriaal, waardoor het kennelijke beroep op de rechtspraak van de Hoge Raad13 niet opgaat. Daarbij komt dat mij niet duidelijk is welke onderdelen van de bewezenverklaring nu precies worden betwist. Bij het hof is, om redenen die in mijn bespreking van het eerste middel al aan de orde zijn gekomen, geen verweer gevoerd met betrekking tot de bewezenverklaring.

36. Overigens zij opgemerkt dat de bewezenverklaring van feit 1 van dagvaarding 1 mede betrekking heeft op de bewoners van het andere pand. Over dat deel van de bewezenverklaring wordt in cassatie niet geklaagd. Dat brengt naar mijn mening met zich dat ook als het middel zou slagen (qoud non), dit de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit niet in die mate aantast dat daardoor cassatie zou zijn gerechtvaardigd.14

37. Het derde middel faalt.

38. Het vierde middel komt op tegen ’s hofs motivering van de bewezenverklaring van feit 7 (dagvaarding 1).

39. Ten laste van verdachte is onder feit 7 bewezenverklaard dat:

“hij op 14 december 2004 te 's-Gravenhage een wapen van categorie II onder 5°, te weten een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of aan personen pijn kan worden toegebracht te weten een stroomstootwapen merk Shock Tronic XL, voorhanden heeft gehad.”

40. Deze bewezenverklaring steunt op de (door het hof overgenomen) bewijsconstructie:

“Op 14 december 2004 is in de woning van de verdachte te ’s-Gravenhage een stroomstootwapen aangetroffen. Uit onderzoek blijkt dat het gaat om een wapen van categorie II in de zin van de Wet wapens en munitie. De verdachte heeft verklaard dat hij wist dat hij het wapen in huis had.”

41. Het bewezenverklaarde kan zonder meer uit de bewijsconstructie worden afgeleid. Daaraan kan hetgeen bij de rechtbank op dit punt naar voren is gebracht niet afdoen, nu dit verweer bij het hof niet is gevoerd.

42. Het vierde middel faalt.

43. Het vijfde middel klaagt over ’s hofs motivering van de bewezenverklaring van feit 4 (dagvaarding 1).

44. Ten laste van de verdachte is onder 4 bewezenverklaard dat:

“hij op tijdstippen in de periode van 14 november 2003 tot en met 14 december 2004 te ’s- Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit meterkasten in de panden aan de adressen

- [e-straat 1] en

- [f-straat 1]

heeft weggenomen hoeveelheden stroom/elektrische energie toebehorende aan Eneco NV.”

45. Deze bewezenverklaring steunt op de (door het hof overgenomen) bewijsconstructie:

“Zaaksdossier 2.2 [e-straat 1]

Op 21 september 2004 heeft [betrokkene 9] namens Eneco aangifte gedaan van diefstal. Hij is op 20 september 2004 in perceel [e-straat 1] te ’s-Gravenhage geweest. Volgens de bij Eneco gevoerde administratie is van dit pand geen contractant bekend en heeft er sinds 14 november 2003 geen leverantie van elektriciteit plaatsgevonden. [betrokkene 9] heeft in het pand aan de [e-straat 1] gezien dat er illegaal stroom werd gebruikt doordat er geen verzegeling meer aanwezig was. Na onderzoek heeft [betrokkene 9] geconcludeerd dat er illegaal elektra is afgenomen.

Een bewoner van het pand, [betrokkene 10], heeft verklaard dat hij bij [verdachte] van het kantoor aan de [d-straat] te 's-Gravenhage een kamer huurt inclusief elektra huurt. De verdachte heeft verklaard dat hij het pand verhuurde voor de eigenaar [betrokkene 11]. In het dossier bevinden zich voorts huurovereenkomsten d.d. 9 augustus 2004 en 22 juli 2004 waarvan de verdachte heeft verklaard dat hij deze heeft opgemaakt, waarin kamers aan de [e-straat 1] inclusief energiekosten worden verhuurd.

Uit een opgenomen tapgesprek d.d. 21 september 2004 tussen de verdachte en zijn broer [betrokkene 4] blijkt dat de verdachte aan zijn broer [betrokkene 4] vraagt om naar de [e-straat 1] te gaan omdat daar het water en licht zijn afgesloten. Daarnaast blijkt uit diverse bewijsmiddelen dat het telkens deze broer is die door verdachte als ‘klusjesman’ langs de door hem beheerde panden wordt gestuurd.

Zaakdossier 2.10 [f-straat 1]

Op 15 december 2004 doet [betrokkene 9] namens Eneco aangifte van diefstal. Hij is op 13 december 2004 in perceel [f-straat 1] te ’s-Gravenhage geweest. Hij heeft gezien dat er in verschillende kamers in het perceel licht brandde. Bij verdere controle van de installatie heeft hij gezien dat de verzegelingen van de meterkap waren verwijderd. Tevens was de verzegeling van de hoofdzekeringskast verbroken. Door het verwijderen van de verzegelingen kan de meter op iedere willekeurige stand worden gezet.

Het pand aan de [f-straat 1] is sinds 1994 eigendom van [betrokkene 12], de echtgenote van de verdachte. Zij heeft verklaard dat [verdachte] het pand beheerde en verhuurde. Een bewoner van het pand, [betrokkene 13], heeft verklaard dat hij aan [verdachte], [betrokkene 4], [betrokkene 14] of [betrokkene 15] op het kantoor aan de [d-straat] de huur betaalde. Uit de huurovereenkomst tussen [A], het bedrijf van de verdachte, en [betrokkene 13] blijkt dat de huur inclusief energiekosten is.

Nu de verdachte blijkens het bovenstaande zich als beheerder/verhuurder ten aanzien van de panden heeft gedragen en hij contracten heeft opgemaakt waarin hij woonruimtes in die panden inclusief elektra verhuurde en in de panden sprake was van verwijdering van de verzegelingen terwijl de elektriciteit wel werd gebruikt, heeft de verdachte zich naar het oordeel van de rechtbank schuldig gemaakt aan diefstal. Nu zijn echtgenote [betrokkene 12] al sinds 1994 de eigenaresse van het pand aan de [f-straat 1] was en derhalve op de hoogte moest zijn van de wijze waarop de elektriciteit was geregeld in dat pand en zij op het kantoor werkte waar de huur door de huurder van de [f-straat 1] werd betaald, is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van het pand aan de [f-straat 1] sprake is van medeplegen.”

46. De toelichting op het middel verwijst naar hetgeen de raadsman bij de rechtbank heeft betoogd en de beslissing van de rechtbank dienaangaande. Ook met betrekking tot dit middel geldt dat in cassatie geen acht kan worden geslagen op hetgeen bij de rechtbank naar voren is gebracht en dat in hoger beroep op dit punt geen verweer is gevoerd. Met het bij de rechtbank gehouden betoog dat de verdachte een deel van de tenlastegelegde periode was gedetineerd, hoefde het hof dus niets te doen. Het bewezenverklaarde kan uit de bewijsconstructie worden afgeleid.

47. Het vijfde middel faalt eveneens.

48. Het zesde middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring van een deel van feit 3 van dagvaarding 1.

49. Het hof heeft onder feit 3 liefst zeventien gevallen van valsheid in geschrift bewezenverklaard. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat daarvan een tweetal gevallen niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid, waarbij het verweer van de raadsman bij de rechtbank (alsook de verwerping van het verweer door de rechtbank) wordt aangehaald. Dit verweer is evenmin bij het hof gevoerd. Wat dit in cassatie betekent, heb ik in mijn bespreking van de vorige middelen al duidelijk gemaakt. Ik verwijs daarnaar.

50. Overigens, ook als zou de bewezenverklaring van de bedoelde twee gevallen van valsheid in geschrifte niet met voldoende redenen zijn omkleed, dan nog zou dat cassatie niet rechtvaardigen nu het alsnog vrijspreken ter zake van die twee gevallen de aard en ernst van het onder 3 bewezenverklaarde, bezien in samenhang met al het andere dat is bewezenverklaard, niet aantast.15 De verdachte zou alsdan geen belang bij cassatie op dit punt hebben.

51. Het middel faalt.

52. Het zevende middel klaagt dat het hof ten onrechte geen beslissing als bedoeld in art. 353 Sv heeft genomen met betrekking tot een door het Openbaar Ministerie in beslaggenomen geldbedrag van € 99.400,-.

53. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 7 oktober 2014 heeft de verdachte het hof laten weten dat bij de doorzoeking van zijn woning een bedrag van € 105.000,- is meegenomen en dat dit bedrag in het vonnis van de rechtbank niet terugkomt. Daarin lees ik overigens, anders dan de steller van het middel, geen verzoek van de verdachte aan het hof om daarover een beslissing te nemen. De voorzitter deelde daarop mede “dat voornoemd bedrag € 105.000,- op een bankrekening van de Staat is gestort, in afwachting van een beslissing van de rechter”. Voorts blijkt uit de stukken van het geding, voor zover in cassatie voorhanden, niet van een beslaglijst dat door het Openbaar Ministerie is overgelegd en met betrekking waartoe het hof om een beslissing is gevraagd. In het vonnis van de rechtbank is geen beslissing op het beslag gegeven. Dat is ook begrijpelijk omdat de officier van justitie in het requisitoir in eerste aanleg heeft gesteld dat er “thans geen beslag meer is in dit dossier”. De verdediging rept in eerste aanleg nergens over beslag dat nog ergens op zou rusten, ook niet na dat requisitoir, zo blijkt uit het desbetreffende zittingsverbaal. Kennelijk maakt het door de steller van het middel genoemde geldbedrag van € 99.400,- geen deel uit van het onderhavige strafdossier. Onder deze omstandigheden was het hof niet gehouden daaromtrent een beslissing te nemen.

54. Maar ook als het hof wel gehouden zou zijn geweest omtrent het inbeslaggenomen geldbedrag een beslissing te nemen, kan het middel niet tot cassatie leiden. Ik wijs op de volgende overweging van de Hoge Raad in zijn overzichtsarrest van 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005 over de toepassing van art. 80a RO:

“Beslissingen met betrekking tot het beslag (art. 353 Sv)

(…)

- Verzuim op de voet van art. 353 Sv een beslissing te nemen ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen:

"De Hoge Raad is van oordeel dat deze klacht geen behandeling in cassatie rechtvaardigt omdat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep, aangezien hij binnen de in art. 552a, derde lid, Sv gestelde termijn van drie maanden na de dag waarop de vervolgde zaak tot een einde is gekomen, zich op de voet van art. 552a, eerste lid, Sv schriftelijk kan beklagen bij het Hof over het uitblijven van een last tot teruggave van de desbetreffende voorwerpen (vgl. HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241, rov. 2.2.3 met betrekking tot een verzuim als het onderhavige)."

(…).”16

55. Het zevende middel kan niet tot cassatie leiden.

56. Dan het achtste en het negende middel uit de aanvullende schriftuur, die ik gelet op de inhoud maar gezamenlijk bespreek. Wat deze middelen betreft, kan ik namelijk met de beste wil van de wereld de steller daarvan niet volgen. Aangevoerd wordt onder meer een concept-tenlastelegging met feiten, die bij het hof noch bij de rechtbank onderwerp van onderzoek zijn geweest en waarbij eventueel bij de start van “het” onderzoek daarnaar (naar die feiten dus) onrechtmatigheden zouden zijn opgetreden, hetgeen door de steller van de middelen niet kan worden gecontroleerd omdat er stukken zouden ontbreken.

57. Nog daargelaten dat voor mij onduidelijk is gebleven wat die eventueel ontbrekende stukken en een eventuele onrechtmatigheid voor verband houden met de feiten waarover rechtbank en hof zich in de onderhavige zaak hebben gebogen, stel ik vast dat volgens de schriftuur het punt van het ontbreken van stukken bij de rechtbank is aangestipt, maar dat daaromtrent geen verweer is gevoerd, zeker niet in hoger beroep.

58. Daarnaast wordt in de aanvullende schriftuur (p. 15) meegedeeld dat de verdachte “niet anders kan concluderen dan dat de zaaksdossiers 2.9 en 2.14, het methodiekendossier alsook de uitwerkingen van de tapgesprekken zijn zoekgeraakt, hetgeen geheel voor risico komt van het openbaar ministerie”. Wat daarvan zij, daarover kan, het zij nogmaals gezegd, in cassatie niet worden geklaagd. Voorts kan het verweer dat de start van een strafrechtelijk onderzoek onrechtmatig is geweest niet voor het eerst in cassatie worden gevoerd, om voor de hand liggende redenen.

59. Beide middelen in de aanvullende schriftuur falen evident.

60. Alle middelen falen. Behoudens het eerste middel kunnen de middelen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

61. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

62. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Met betrekking tot feit 8 “opzettelijk, zonder dat daartoe de noodzaak aanwezig is, gebruik maken van een alarmnummer voor publieke diensten, meermalen gepleegd” heeft het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging wegens verjaring.

2 In de schriftuur tel ik 7 middelen (I t/m VII). In de aanvullende schriftuur wordt kennelijk per abuis doorgenummerd met de middelen VII en VIII. Nu er geen aanwijzingen zijn dat een van de middelen is vervallen, lees ik, ook verderop bij mijn bespreking daarvan, in de aanvullende schriftuur verbeterd VIII en IX.

3 Kennelijk heeft de raadsman erna weer de verdediging op zich genomen, nu hij daartoe gemachtigd door de verdachte via een volmacht aan de griffiemedewerker beroep in cassatie heeft doen instellen en ook de cassatiemiddelen heeft opgesteld.

4 Ik verwijs naar het Landelijk aanhoudingenprotocol, waarin ook woorden worden gewijd aan een wisseling van raadsman: “Indien de verdachte te laat een raadsman heeft ingeschakeld of te laat van raadsman is gewisseld. De desbetreffende advocaat wordt voor de aanvang van de behandeling van de zaak in de gelegenheid gesteld het dossier in te zien. De geplande zitting gaat in ieder geval door. Of de desbetreffende zaak dan inhoudelijk wordt behandeld, wordt op de zitting beslist.”

5 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, achtste druk 2015, p. 14. Zie ook HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. Borgers (rov. 2.73).

6 Het bestreden arrest is mede naar aanleiding van het onderzoek op deze terechtzitting gewezen.

7 Bij de stukken van het geding bevindt zich een faxbericht van de toenmalige raadsman mr. Vermeij van 6 mei 2015 aan de rechter-commissaris als reactie op het bericht van de rechter-commissaris om het onderzoek te sluiten. In dat schrijven kondigt mr. Vermeij aan op de eerstvolgende zitting van het hof het verzoek te zullen herhalen om (onder meer) [betrokkene 4] als getuige te horen. Door de genoemde “belangenverstrengeling” is mr. Vermeij echter niet toegekomen aan de verdediging van de verdachte op de zitting van 22 september 2015.

8 Vgl. HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN1701.

9 HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005 (rov. 2.2. onder d).

10 Vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. Borgers: “2.15. Het derde lid van art. 263 Sv bevat voorschriften omtrent de wijze waarop de verdediging de getuigen moet opgeven: in persoon ten parkette van de officier van justitie of schriftelijk. De schriftelijke opgave moet zijn gericht aan de officier van justitie. De namen, het beroep en de woon- of verblijfplaats dienen te zijn vermeld, of, bij onbekendheid van een of ander, moeten deze zo nauwkeurig mogelijk worden aangeduid”.

11 Dan nog is overigens daarmee niet gezegd dat het in art. 6 EVRM gewaarborgde ondervragingsrecht is geschonden. Zie onder meer HR 22 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AO9097 en HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:192.

12 Zie ook HR 29 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5539, NJ 2013/145 m.nt. Schalken.

13 Zie naast het genoemde arrest van 14 april 1998 ook HR 12 oktober 1999, ECLI:NL:HR:ZD1559, NJ 1999/827.

14 Zie nog uit de ‘pre-80a periode’ HR 28 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4191.

15 Zie het eerder genoemde arrest van HR 28 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4191 en bijv. ook HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5831.

16 Zie ook HR 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1610.