Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1296

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-12-2016
Datum publicatie
21-12-2016
Zaaknummer
16/01843
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:416
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Syriëganger. 1. Voorbereiding/bevordering van een in art. 289a Sr omschreven misdrijf; art. 96.2 Sr. 2. "Werven van gelden" a.b.i. art. 140.4 Sr. Ad 1. Het oordeel van het Hof dat voor de toepassing van art. 96.2 Sr is vereist dat "tijd, plaats en wijze van uitvoering" van de door verdachte voorbereide misdrijven zouden moeten vaststaan, is onjuist. Aangenomen moet worden dat de voor de toepassing van art. 46 Sr vereiste mate van concretisering ook geldt voor art. 96.2 Sr. Vereist is derhalve slechts dat met voldoende bepaaldheid blijkt op welk in art. 289a Sr omschreven misdrijf de nader aan art. 96.2 Sr ontleende voorbereidings- of bevorderingshandelingen waren gericht (vgl. ECLI:NL:HR:2002:AE4200 en ECLI:NL:HR:2014:179). Ad 2. Het hof heeft een onjuiste uitleg gegeven aan art 140.4 Sr. Bij het "werven van gelden" is immers niet doorslaggevend of het werven resultaat heeft doordat gelden ten goede van de in art. 140.4 Sr bedoelde organisatie zijn gekomen. Bij een andere uitleg zou onduidelijk zijn wat de zelfstandige betekenis is van het in art. 140.4 Sr opgenomen begrip "verlenen van geldelijke steun". Volgt gedeeltelijke vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/01843

Zitting: 20 december 2016

Mr. P.C. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is bij arrest van 15 maart 2016 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem1, wegens “voorbereiding van het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden met de aftrek als bedoeld in artikel 27(a) Sr, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het hof de teruggave gelast van in beslag genomen voorwerpen, als in het arrest omschreven. De verdachte is vrijgesproken van het onder 1, 2A, 3 en 4 ten laste gelegde – kort gezegd – (medeplegen van) voorbereiden/bevorderen van het (zelf) gaan strijden in Syrië om daar moord en/of doodslag met een terroristisch oogmerk te gaan plegen, (medeplegen van) voorbereiden/bevorderen van een terroristisch misdrijf, te weten moord en/of doodslag met een terroristisch oogmerk, (medeplegen van) (poging tot) deelnemen aan een terroristische organisatie en (medeplegen van) samenspanning tot het plegen van moord en doodslag, gepleegd met een terroristisch oogmerk.

2. Namens het openbaar ministerie en de verdachte is tijdig beroep in cassatie ingesteld.

3. De aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv is op 29 juni 2016 aan de verdachte betekend. Art. 437, tweede lid, Sv schrijft voor dat, op straffe van niet-ontvankelijkheid, binnen twee maanden na betekening van de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv door een raadsman een schriftuur houdende middelen wordt ingediend. Binnen de termijn als bedoeld in art. 437, tweede lid, Sv is geen schriftuur houdende middelen bij de Hoge Raad binnengekomen, zodat de verdachte niet in het cassatieberoep kan worden ontvangen.

4. Namens het openbaar ministerie zijn twee middelen van cassatie voorgesteld. Mr. I.T.H.L. van de Bergh, advocaat te Maastricht, heeft namens de verdachte het beroep van het openbaar ministerie tegengesproken.

5. Het eerste middel richt zich tegen de vrijspraak van het onder 1 en 2A ten laste gelegde.

6. Aan de verdachte is onder 1 en 2A ten laste gelegd dat:

“1:

hij, op één (of meer) tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van de maand januari 2013 tot en met 14 augustus 2013 te Arnhem en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) (of meer) ander(en), althans alleen,

(telkens) met het oogmerk om moord en/of doodslag, zulks (telkens) te begaan met een terroristisch oogmerk, voor te bereiden en/of te bevorderen,

gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het/de misdrijf/misdrijven zich en/of aan zijn mededader(s) heeft getracht te verschaffen en/of

(een) voorwerp(en) voorhanden heeft gehad waarvan hij/zij wist(en) dat het/zij bestemd was/waren tot het plegen van het/de misdrij(f)(ven),

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s), tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen,

1. contact gezocht met één (of meer) perso(o)nen (in Syrië) en/of (op deze wijze) inlichtingen en/of informatie ingewonnen/verkregen over (nog) aan te schaffen goederen en/of de gang van zaken/werkwijze in Syrië, en/of informatie/instructies gekregen over de te volgen route naar/in Syrië en/of de (te benaderen) (contact)perso(o)n(en) in Syrië, en/of

2. één (of twee) auto(’s) gehuurd om daarmee te reizen naar Italië, Turkije en/of Syrië en/of om deze - na aankomst in (het grensgebied van) Turkije/Syrië - aldaar te gebruiken en/of te verkopen en/of in te ruilen voor (een) andere (terrein)auto(’s), en/of

3. geld (in totaal - ongeveer - 15.460 euro) voorhanden gehad, en/of

4. koffers/tassen, (onder meer) inhoudende combatkleding en/of survivalkleding en/of survivalbenodigdheden en/of (bivak)mutsen en/of combatbrillen en/of (berg)schoenen en/of isokleding en/of een (of meer) video(’s) voorhanden gehad, inhoudende onder meer beelden van gewapende/schietende personen (in een loopgraaf) en/of uitleg over een Kalasjnikov en/of vechten, en/of

5. één (of meer) gegevens- en/of informatiedrager(s) met daarop één (of meer) (digita(a)l(e)) document(en) voorhanden gehad met daarop informatie betreffende het Jihadistisch gedachtegoed en/of martelaarschap en/of de strijd in Syrië, te weten

een MacBook (inbeslaggenomen onder nummer KLE-MO-1-1) met daarop:

- een filmpje “Jihad Syria: Mujahid vs Tank 5”, en/of een filmpje van een persoon die een preek, althans verhandeling, geeft over onder andere Jabhat al Nusra, en/of

- een filmpje van LiveLeak, met de naam “Syria - Tank gets unkilled”, en/of diverse artikelen van de website mediawerkgroepsyrie.wordpress.com over de strijd in Syrië, en/of

- een artikel gepubliceerd op 16 april 2013 op de website van het blad NRC over waarom jongens naar Syrië willen, en/of

- een artikel van de site “wimjongman.nl/artikelen/jihad-de-weg.html”, en/of

6. een aantal telefoonabonnementen en/of kredieten afgesloten, en/of

7. één of meer ontmoetingen en/of contact met elkaar en/of anderen gehad om voornoemde reis naar Syrië te bespreken;

2A.

hij, op één (of meer) tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van de maand januari 2013 tot en met 14 augustus 2013 te Arnhem en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, (telkens) met het oogmerk om moord en/of doodslag, zulks (telkens) te begaan met een terroristisch oogmerk, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een ander heeft getracht te bewegen om het/de misdrijf/misdrijven te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

- gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het/de misdrijf/misdrijven aan zich of (een) ander(en), in het bijzonder ook aan [betrokkene 1] en/of een (of meer) ander(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- (een) voorwerp(en) voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat het/zij bestemd was/waren tot het plegen van het/de misdrijf/misdrijven,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s), tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen,

1. contact gezocht met één (of meer) perso(o)nen (in Syrië) en/of (op deze wijze) inlichtingen en/of informatie ingewonnen/verkregen over (nog) aan te schaffen goederen en/of de gang van zaken/werkwijze in Syrië en/of informatie/instructies gekregen over de te volgen route naar/in Syrië en/of de (te benaderen) (contact)perso(o)n(en) in Syrië, en/of

2. één (of twee) auto(’s) gehuurd om daarmee te reizen naar Italië, Turkije en/of Syrië en/of om deze - na aankomst in (het grensgebied van) Turkije/Syrië - aldaar te gebruiken en/of te verkopen en/of in te ruilen voor (een) andere (terrein)auto(’s), en/of

3. geld (in totaal - ongeveer - 15.460 euro) voorhanden gehad, en/of

4. koffers/tassen, (onder meer) inhoudende combatkleding en/of survivalkleding en/of survivalbenodigdheden en/of (bivak)mutsen en/of combatbrillen en/of (berg)schoenen en/of isokleding en/of een (of meer) video(’s) voorhanden gehad, inhoudende onder meer beelden van gewapende/schietende personen (in een loopgraaf) en/of uitleg over een Kalasjnikov en/of vechten, en/of

5. één (of meer) gegevens- en/of informatiedrager(s) met daarop één (of meer) (digita(a)l(e)) document(en) voorhanden gehad met daarop informatie betreffende het Jihadistisch gedachtegoed en/of martelaarschap en/of de strijd in Syrië, te weten

een MacBook (inbeslaggenomen onder nummer KLE-M0-1-1) met daarop:

- een filmpje “Jihad Syria: Mujahid vs Tank 5”, en/of een filmpje van een persoon die een preek, althans verhandeling, geeft over onder andere Jabhat al Nusra, en/of

- een filmpje van LiveLeak, met de naam “Syria - Tank gets unkilled”, en/of diverse artikelen van de website mediawerkgroepsyrie.wordpress.com over de strijd in Syrië, en/of

- een artikel gepubliceerd op 16 april 2013 op de website van het blad NRC over waarom jongens naar Syrië willen, en/of

- een artikel van de site “wimjongman.nl/artikelen/jihad-de-weg.html”, en/of

6. een aantal telefoonabonnementen en/of kredieten afgesloten, en/of

7. één of meer ontmoetingen en/of contact met elkaar en/of anderen gehad om voornoemde reis naar Syrië te bespreken.”

7. Het hof heeft – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende overwogen:

Vrijspraak

Feiten 1 en 2A

Verdachte wordt onder deze feiten ten laste gelegd dat hij - kort gezegd - handelingen heeft verricht met het oogmerk om moord en/of doodslag, telkens begaan met een terroristisch oogmerk, voor te bereiden en/of te bevorderen.

Op 14 augustus 2013 werden verdachte (in een gehuurde BMW 520d) en medeverdachte [betrokkene 2] (in een gehuurde Audi A3) in Kleef (Duitsland) aangehouden. In de beide auto’s werden onder meer geld, kleding, telefoons en brillen aangetroffen.

Verdachte heeft verklaard dat hij op weg was naar zijn broer die op dat moment in Syrië verbleef en bezig was met de gewapende strijd. In het dossier bevinden zich voorts WhatsApp-gesprekken en sms-berichten tussen verdachte en zijn broer en tussen verdachte en zijn echtgenote. Ook bevindt zich in het dossier een afscheidsbrief van de echtgenote van verdachte aan verdachte.

Het hof is van oordeel dat op grond van de zich in het dossier bevindende verklaringen, WhatsApp-gesprekken, sms-berichten en de bij verdachte aangetroffen goederen, met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat verdachte onderweg was naar zijn broer om daar deel te nemen aan de gewapende strijd. Voorts is het hof van oordeel dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte een aantal van de ten laste gelegde feitelijkheden heeft gepleegd. Daarmee kan ook bewezen worden verklaard dat verdachte zich ‘gelegenheid en middelen heeft getracht te verschaffen’.

Voor een bewezenverklaring van de onder 1 en 2A tenlastegelegde strafbare feiten is echter ook vereist dat verdachte de gedragingen heeft verricht met het oogmerk het betreffende terroristische misdrijf voor te bereiden of te bevorderen. Anders dan bij de strafbare voorbereiding van artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht volstaat voorwaardelijk opzet op de voorbereiding of bevordering van een terroristisch misdrijf niet. De wetgever heeft met de strafbaarstelling van artikel 96 van het Wetboek van Strafrecht beoogd in uitzonderlijke situaties, namelijk bij de dreiging van een concrete aanslag tegen de staatsveiligheid, zeer vroeg in te kunnen grijpen. Enerzijds vallen feitelijke gedragingen snel onder het bereik van dit artikel (de lat: “trachten gelegenheid en middelen te verschaffen” ligt immers niet hoog), anderzijds wordt door de gehanteerde opzetvorm een strenge eis gesteld aan het bewijs. Het misdrijf dat wordt voorbereid of bevorderd zal in zoverre moeten vaststaan, dat kan worden bepaald of het een misdrijf betreft waarvan de voorbereiding en bevordering als bedoeld in artikel 96, lid 2 van het Wetboek van Strafrecht strafbaar is. Tijd, plaats en wijze van uitvoering zullen dus enigszins concreet moeten vaststaan. Indien sprake is van voorbereidingshandelingen die bij afwezigheid van bijzondere omstandigheden ook als dagelijkse, niet-criminele bezigheden kunnen worden beschouwd - zoals in de onderhavige zaak met betrekking tot een aantal van de ten laste gelegde handelingen het geval is - is strikte toetsing noodzakelijk.

Het hof is van oordeel dat in de onderhavige zaak de ten laste gelegde feiten die verdachte zou hebben voorbereid - moord en doodslag - niet aan de bovengenoemde eis van concreetheid voldoet. Zoals hiervoor is overwogen, is wel vast komen te staan dat verdachte van plan was om zich op enig moment aan te sluiten bij de gewapende strijd in Syrië, maar alleen op grond daarvan kan niet bewezen worden verklaard dat hij moord en/of doodslag heeft voorbereid of bevorderd. In het dossier bevindt zich geen enkel bewijsmiddel dat verdachte bezig was met de voorbereiding van een concrete moord of doodslag.

Het hof zal verdachte daarom van deze feiten vrijspreken.”

8. De klacht houdt in dat het hof door de verdachte vrij te spreken van het onder 1 en 2A ten laste gelegde omdat niet kan worden bewezen dat verdachte een concrete moord of doodslag heeft voorbereid of bevorderd, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en mitsdien met verlating van de grondslag van de tenlastelegging heeft vrijgesproken van iets anders dan is tenlastegelegd.

9. De hier toepasselijke wettelijke voorschriften luiden als volgt:

“- Art. 289a Sr:

1. De samenspanning tot het in artikel 289 omschreven misdrijf, te begaan met een terroristisch oogmerk, alsmede het in artikel 288a omschreven misdrijf, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of een geldboete van de vijfde categorie.

2. Artikel 96, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

- Art. 289 Sr:

Hij die opzettelijk en met voorbedachten rade een ander van het leven berooft, wordt, als schuldig aan moord, gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of een geldboete van de vijfde categorie.

- Art. 288a Sr:

Doodslag, gepleegd met een terroristisch oogmerk, wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie.

- Art. 96 Sr:

1. De samenspanning tot een der in de artikelen 92-95a omschreven misdrijven wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete van de vijfde categorie.

2. Dezelfde straf is toepasselijk op hem die, met het oogmerk om een der in de artikelen 92-95a omschreven misdrijven voor te bereiden of te bevorderen:

1. Een ander tracht te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen;

2. Gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich of anderen tracht te verschaffen;

3. Voorwerpen voorhanden heeft waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf;

4. Plannen voor de uitvoering van het misdrijf, welke bestemd zijn om aan anderen te worden medegedeeld, in gereedheid brengt of onder zich heeft;

5. Enige maatregel van regeringswege genomen om de uitvoering van het misdrijf te voorkomen of te onderdrukken, tracht te beletten, te belemmeren of te verijdelen.”

10. Met de invoering van het Wetboek van Strafrecht van 1886 is de samenspanning van misdrijven tegen de veiligheid van de Staat in art. 96 strafbaar gesteld. Bij de Wet tot bestrijding van revolutionaire woelingen van 28 juli 1920, Stb. 619, is het tweede lid van art. 96 Sr ingevoerd om de leemte in de strafwet aan te vullen ten aanzien van de voorbereiding van deze misdrijven. In dit lid wordt de individuele voorbereiding of bevordering strafbaar gesteld, nu dit evenzeer als misdrijf is aan te merken als de bij art. 96 Sr bedoelde samenspanning, welke niet anders is dan een bijzondere vorm van voorbereiding.2

11. De aanslagen van 11 september 2001 hebben ertoe geleid dat in internationaal en nationaal verband onder andere werd nagegaan of het strafrecht voldoende was toegesneden op terrorisme. In het verband van de Europese Unie is een kaderbesluit dat op terroristische misdrijven ziet vastgesteld, waaraan met de invoering in 2004 van de Wet terroristische misdrijven (WTM) uitvoering is gegeven.3 Bij deze wet zijn onder meer art. 288a en 289a Sr ingevoerd.4 Ook is het bereik van art. 96, tweede lid Sr sterk uitgebreid, nu dit artikellid voor een aantal misdrijven (vallend onder het bereik van samenspanning) van overeenkomstige toepassing is verklaard. Zie het (hierboven opgenomen) tweede lid van art. 289a Sr.

12. Naast een beperkt aantal afzonderlijke misdrijven inzake strafbare voorbereiding, waaronder art. 96, tweede lid, Sr en bijvoorbeeld art. 10a Opiumwet, bestaat ter zake strafbare voorbereidingshandelingen in art. 46 Sr een algemene aansprakelijkheidsregeling. Laatstgenoemd artikel stelt voorbereiding strafbaar, wanneer de dader tot het plegen van een misdrijf waarop acht of meer jaren gevangenisstraf is gesteld bepaalde voorwerpen verwerft, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of voorhanden heeft.

13. Art. 96, tweede lid, Sr heeft een ruimere reikwijdte dan art. 46 Sr. Deze bepaling stelt onder meer (onder aanhef en 2) strafbaar om met het oogmerk bepaalde misdrijven voor te bereiden of te bevorderen “gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich of anderen tracht te verschaffen”. Bij art. 46 Sr gaat het om situaties, waarin de voorbereiding al verder is gevorderd. De handelingen dienen meer concreet te zijn dan bij art. 96, tweede lid, Sr, waar het enkele “trachten” reeds voldoende kan zijn. Anderzijds wordt door de gehanteerde opzetvorm (namelijk ‘oogmerk’) een strengere eis gesteld aan het bewijs, nu bij de strafbare voorbereiding van art. 46 Sr voorwaardelijk opzet volstaat.5

14. Het hof heeft het voorgaande niet miskend en terecht overwogen, zoals ook door de steller van het middel wordt erkend, dat voor een bewezenverklaring van de onder 1 en 2A tenlastegelegde feiten is vereist dat de verdachte de tenlastegelegde gedragingen heeft verricht met het oogmerk om het betreffende terroristische misdrijf (zijnde moord, dan wel doodslag) voor te bereiden of te bevorderen. In cassatie doet de vraag zich voor hoe concreet dit betreffende misdrijf moet zijn voorgenomen.

15. De wetsgeschiedenis van art. 96, tweede lid, Sr bevat daaromtrent de volgende passage: “Vervolgens nagaande, in hoever hier te lande de voorbereiding van aanslagen op de inwendige veiligheid van den Staat strafbaar is gesteld, constateerde de ondergeteekende, dat, in afwijking van onderscheidene buitenlandsche wetgevingen, alleen de samenspanning tot aanslag in het Wetboek van Strafrecht als misdrijf wordt aangemerkt. Het is m.a.w. hier te lande iemand naar de wet geoorloofd om, met het oogmerk om een aanslag – en let wel een concreten voorgenomen aanslag, niet omwenteling in het algemeen – voor te bereiden of te bevorderen, de meest bedenkelijke handelingen van voorbereiding of bevordering te plegen”.6 De term ‘aanslag’ komt overeen met de redactie van de artikelen 92-94, waarop art. 96, tweede lid, Sr ziet. In de wetsgeschiedenis van de vorige eeuw, de rechtspraak van de Hoge Raad en de literatuur is, voor zover ik heb kunnen nagaan, niet uitdrukkelijk nadere invulling gegeven aan de eisen die te stellen zijn aan de concreetheid van de aanslag.7 De discussie bij de totstandkoming van de WTM in het begin van deze eeuw heeft zich volledig geconcentreerd op de strafbaarstelling van samenspanning, waarbij de uitbreiding in de voorbereidende fase door het van toepassing verklaarde art. 96, tweede lid, Sr bijna geheel buiten beschouwing is gebleven.8

16. In de wetsgeschiedenis van de WTM is ten aanzien van de samenspanning door de minister opgemerkt dat een overeenkomst slechts tot strafbaarheid wegens samenspanning aanleiding kan geven als zij een concreet misdrijf betreft en dat de eisen, te stellen aan de concreetheid van het voorgenomen misdrijf, daarbij vergelijkbaar zijn met de eisen, te stellen aan de concreetheid van het misdrijf in de context van de strafbare voorbereidingshandelingen (artikel 46 Sr).9 Voorts is door de minister opgemerkt dat net zo min als bij art. 46 Sr, bij de strafbaarstelling van samenspanning is vereist dat het tijdstip waarop het overeengekomen misdrijf gepleegd zou dienen te worden, al is bepaald, dan wel de wijze van uitvoering, maar dat wel voldoende duidelijkheid dient te bestaan over de juridische kwalificatie van het voorgenomen misdrijf, teneinde vast te kunnen stellen of het overeengekomen misdrijf behoort tot de misdrijven waarvan samenspanning strafbaar is gesteld.10

17. Deze in het kader van samenspanning (art. 96 lid 1 Sr) ontwikkelde gedachtegang is naar het mij voorkomt van toepassing op de bijzondere voorbereiding en bevordering als bedoeld in art. 96, tweede lid, Sr. Niet in te zien valt dat de eisen die in het kader van de algemene voorbereidingshandelingen van art. 46 Sr worden gesteld aan de concreetheid van het misdrijf waartoe voorwerpen (enz.) zijn verworven (enz.) niet tevens toepasselijk zijn op de concreetheid van het voor te bereiden of te bevorderen misdrijf waarop het oogmerk gericht moet zijn als bedoeld in het tweede lid van art. 96 Sr. Dat in het kader van deze laatste bepaling het om oogmerk gaat, terwijl het in het kader van art. 46 Sr gaat om opzet en bestemming maakt dit niet anders. Ik zoek dus voor de uitleg van art. 96, tweede lid, Sr aansluiting bij het algemenere art. 46 Sr en wijs nog op de bijzondere deelneming van art. 10a OW.11

18. Met betrekking tot voorbereiding in de zin van art. 46 Sr heeft de Hoge Raad12 overwogen:

“3.5. De tenlastelegging is toegesneden op art. 46 (oud) Sr. Die bepaling stelt kort gezegd strafbaar de uit bepaalde handelingen bestaande voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld. Het gaat dus om een situatie waarin het beoogde misdrijf of een begin van uitvoering daarvan niet is gevolgd, zodat in de regel een concrete omschrijving van de wijze waarop het voorbereide misdrijf gepleegd zou gaan worden niet mogelijk is. Voor een veroordeling is noodzakelijk dat vaststaat op welk soort misdrijf met een strafmaximum van acht jaren of meer de voorbereidingshandelingen waren gericht. Dat dient dan ook in de tenlastelegging te worden opgenomen. Maar dat betekent niet dat alle bestanddelen van dat misdrijf in de tenlastelegging moeten worden opgesomd. Voldoende is dat op grond van de tenlastelegging duidelijk is op welk in de strafwet omschreven misdrijf met een strafbedreiging van acht jaren gevangenisstraf of meer, de nader omschreven voorbereidingshandelingen volgens de steller van de tenlastelegging waren gericht.”

En voorts13:

“Voldoende is dat uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat de bewezenverklaarde gedragingen strekten ter voorbereiding van feiten als in de bewezenverklaring bedoeld en dat het opzet van de verdachte op het begaan daarvan was gericht.”

19. Ik wijs voorts op de (bijzondere) voorbereiding in de zin van de Opiumwet. De Hoge Raad14 overwoog:

“De voorbereiding of bevordering van een misdrijf als bedoeld in het derde of vierde lid van art. 10 van de Opiumwet is in art. 10a, eerste lid, van de Opiumwet dus als zelfstandig delict strafbaar gesteld. Voor de verwezenlijking van dat delict is niet vereist dat van de handelingen reeds bekend is ter voorbereiding of bevordering van welk concreet misdrijf (als bedoeld in het derde of vierde lid van art. 10) deze dienen.”

20. Het voorgaande betekent niet dat er steeds een volledig concreet plan moet zijn voorbereid tot het plegen van het misdrijf.15 Een nadere bepaling (de term wordt ook gebezigd door de Hoge Raad in het recente arrest over de voorbereiding van een (winkel)roof op een koopavond in Arnhem16) van het voornemen tot doodslag of moord zal veelal zonder meer kunnen betekenen dat er sprake is van opzet of oogmerk op dat misdrijf. Bij de nadere bepaling van het misdrijf kunnen factoren in aanmerking worden genomen als (voorgenomen) plaats, tijd, persoon(slachtoffer) of object en wijze van uitvoering.17 Afhankelijk van de feitelijke omstandigheden zullen soms een of twee factoren al voldoende kunnen zijn om te kunnen spreken van toereikende nadere bepaling. Zo oordeelde de Hoge Raad in de Arnhemse zaak dat het hof door de vaststelling van een aantal feitelijke omstandigheden tot uitdrukking had gebracht “dat verdachte en zijn medeverdachten een plan hadden voorbereid om het, naar tijd en plaats nader bepaald, in de bewezenverklaring omschreven misdrijf te plegen.”18 Uitsluitend nadere bepaling van tijd en plaats kan dus onder omstandigheden toereikend zijn.

21. Nadere bepaling (enige concretisering) is iets anders dan vergaande detaillering, terwijl louter kwalificatie nauwelijks enige concrete betekenis heeft. Een gedetailleerd plan is in ieder geval niet nodig. De vraag is dan vervolgens wanneer de nadere bepaling voldoende is. Die vraag leent zich niet voor algemene beantwoording, reeds omdat bijvoorbeeld de verschillende factoren elkaar onderling kunnen versterken. De nadere bepaling van het misdrijf in de hierboven genoemde Arnhemse roofzaak bestond uit een voorverkenning, een routebeschrijving en een vooraf bepaalde (globale) aankomsttijd. Daarmee zijn de eisen die aan de nadere bepaling worden gesteld niet hoog, in het bijzonder niet als in aanmerking wordt genomen dat in de bedoelde zaak het precieze object van de roof niet is vastgesteld. In het verlengde hiervan kan mijns inzien onder omstandigheden en mede in het licht van de aard van het delict als plaats een nader genoemd land in aanmerking komen, als tijd de komende weken of maanden, als persoon aanhangers van een bepaalde partij en als wijze van uitvoering schieten met een vuurwapen. In dit verband verwijst de steller van het middel naar de toelichting bij de Tweede Nota van wijziging van de WTM. Ik herhaal hier de onder 16 al vermelde passage19 die mijns inziens dus tevens betekenis heeft voor het tweede lid van art. 96 Sr:

“Net zo min als bij artikel 46 Sr is bij de strafbaarstelling van samenspanning vereist dat het tijdstip waarop het overeengekomen misdrijf gepleegd zou dienen te worden, al is bepaald, dan wel de wijze van uitvoering. Wel dient in voldoende mate duidelijkheid te bestaan over de juridische kwalificatie van het voorgenomen misdrijf, teneinde vast te kunnen stellen of het overeengekomen misdrijf behoort tot de misdrijven waarvan samenspanning strafbaar is gesteld.”

22. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte onderweg was naar Syrië om zich aan te sluiten bij de gewapende strijd en dat hij zich gelegenheid en middelen heeft getracht te verschaffen. Deze vaststellingen worden in cassatie niet betwist. In het licht van deze vaststellingen is niet zonder meer uitgesloten dat daaronder ook valt het plegen van moord en doodslag met een terroristisch oogmerk, nu dit een wezenlijk onderdeel vormt van de gewapende strijd in Syrië. In die zin zou dan ook sprake kunnen zijn van voorbereidingshandelingen gericht op het voldoende concrete strafbare feit ‘moord, dan wel doodslag, met een terroristisch oogmerk’.

23. Het hof heeft vervolgens de juiste maatstaf vooropgesteld, namelijk dat het misdrijf dat wordt voorbereid of bevorderd in zoverre zal moeten vaststaan dat kan worden bepaald of het een misdrijf betreft waarvan de voorbereiding en bevordering als bedoeld in art. 96, tweede lid, Sr strafbaar is en overweegt vervolgens dat tijd, plaats en wijze van uitvoering om daaraan te voldoen enigszins concreet dienen vast te staan. Welke eisen het hof aan deze concreetheid stelt blijkt niet. De conclusie van het hof is dat in de onderhavige zaak de moord, dan wel doodslag die de verdachte zou hebben voorbereid niet aan bovengenoemde eis van concreetheid voldoet. Tot zover is niet uitgesloten dat het hof de juiste maatstaf heeft gehanteerd.

24. De kernvraag in de onderhavige zaak is of - nu volgens het hof bewezen kan worden dat verdachte zich gelegenheid en middelen heeft trachten te verschaffen - het in de woorden van het hof uitgesloten is alleen op grond van het plan van verdachte om zich op enig moment bij de gewapende strijd aan te sluiten, de voorbereiding van moord en/of doodslag bewezen te verklaren. Of nog korter: is het uitgesloten voorbereiding van moord of doodslag met terroristisch oogmerk te bewijzen als - naast het trachten te verschaffen van gelegenheid en middelen - niet meer vast staat dan dat de dader op enig moment van plan is zich aan te sluiten bij de gewapende strijd in Syrië. Mij lijkt dat niet zonder meer uitgesloten.20 Degene die zich aansluit bij die gewapende strijd heeft immers het plan opgevat om in het kader van die strijd anderen te doden. Het doden van anderen behoort tot de kern van de in Syrië woedende gewapende strijd. Voor het bewijs van het oogmerk komt betekenis toe aan de dagelijkse moord en doodslag in het gebied waar de gewapende strijd plaats vindt.21 Ik voeg daar aan toe dat ik de tijdsbepaling ‘enig moment’ hier lees in de context van de door het hof vastgestelde feiten. Dat betekent dat verdachte op weg was naar zijn broer die deelnam aan die gewapende strijd. Enig moment kan daarmee nader bepaald en beperkt worden geacht tot het einde van de reis. Syrië (en dus bijvoorbeeld niet nog veel concreter Palmyra) kan mijns inziens een toereikende nadere plaatsbepaling opleveren. De nadere bepaling van de wijze van uitvoering te weten door deelname aan de gewapende strijd en daarmee dus het gebruik van dodelijke wapens jegens de tegenstander kan ook voldoende worden geacht.

25. Als gezegd kan dus het zich op enig moment aansluiten bij de gewapende strijd in Syrië op zich zelf wel een voldoende nadere bepaling van het terroristisch misdrijf moord of doodslag opleveren, maar wellicht is daarop ook een uitzondering mogelijk. Daarmee komt de slotzin van de overweging van het hof in beeld: “In het dossier bevindt zich geen enkel bewijsmiddel dat verdachte bezig was met de voorbereiding van een concrete moord of doodslag.” Dat is kennelijk uiteindelijk bepalend voor het hof. Deze slotzin verschaft echter niet of nauwelijks opheldering. Immers in welk opzicht de moord of doodslag onvoldoende concreet is, blijft volledig in het midden. Nu deelname aan de gewapende strijd in Syrië niet uitsluit dat de voorgenomen doodslag en moord voldoende nader zijn bepaald, had het hof dit mijns inziens niet in het midden mogen laten.

26. Het voorgaande leidt tot de volgende conclusies. Voor zover in de overweging van het hof besloten ligt dat verdachte, hoewel hij zich gelegenheid en middelen heeft trachten te verschaffen als bedoeld in art. 96, tweede lid, Sr en van plan was zich op enig moment aan te sluiten bij de gewapende strijd in Syrië, geen voldoende nader bepaald misdrijf heeft voorbereid, getuigt dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het oordeel inhoudt dat niet vaststaat dat verdachte een (enigszins) concrete moord of doodslag voorbereidde, zoals vereist voor de strafbare voorbereiding als bedoeld in art. 96, tweede lid, Sr is dit oordeel zonder nadere motivering die ontbreekt niet toereikend dan wel onbegrijpelijk.

27 Het eerste middel slaagt.

28. Het tweede middel richt zich tegen de vrijspraak van het onder 3 primair ten laste gelegde, met de klacht dat het hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het begrip ‘werven’ in art. 140, vierde lid, Sr en mitsdien met verlating van de grondslag van de tenlastelegging heeft vrijgesproken van iets anders dan is tenlastegelegd.

29. Aan de verdachte is onder 3 primair ten laste gelegd dat:

“hij, op één (of meer) tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van de maand januari 2013 tot en met 14 augustus 2013 te Arnhem, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven, zoals bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht, te weten (onder meer):

- moord en/of doodslag, te plegen met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289 en artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of voorbereiding van moord en/of doodslag, te plegen met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 46 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht), en/of

- de samenspanning tot het in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf (zoals bedoeld in artikel 289a lid 1 van het Wetboek van Strafrecht), en/of

- het verrichten van één (of meer) handeling(en) met het oogmerk om dat misdrijf voor te bereiden of te bevorderen (zoals bedoeld in artikel 96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk, en/of

- voorbereiding van moord te begaan met terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 46 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht), en/of

- de samenspanning tot het in artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf te begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289a lid 1 van het Wetboek van Strafrecht), en/of

- het verrichten van één (of meer) handeling(en) met het oogmerk om dat misdrijf voor te bereiden of te bevorderen (zoals bedoeld in artikel 96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk, door geldelijke en/of andere stoffelijke steun te verlenen aan die organisatie, alsmede door het werven van gelden en/of personen ten behoeve van die organisatie.”

30. Het hof heeft – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende overwogen:

Vrijspraak

Feit 3 primair

Verdachte wordt onder dit feit ten laste gelegd dat hij heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie.

Het hof is van oordeel dat er geen sprake is van een voltooid delict. Verdachte heeft een aantal voorbereidingshandelingen verricht om deel te nemen aan een terroristische organisatie, maar niet kan worden bewezen dat hij (al) behoorde tot die organisatie.

Met betrekking tot het ten laste gelegde werven van gelden overweegt het hof dat in artikel 140, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht is bepaald dat onder deelneming, als omschreven in het eerste lid, mede wordt begrepen het werven van gelden ten behoeve van de daar omschreven organisatie. Het hof is van oordeel dat weliswaar kan worden vastgesteld dat verdachte gelden heeft geworven, maar niet dat deze (al) ten goede van de organisatie waren gekomen.

Gelet op het bovengenoemde zal verdachte van dit feit worden vrijgesproken.

31. De hier toepasselijke wettelijke voorschriften luiden als volgt:

“Art. 140 Sr:

1. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2. Deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard of van rechtswege is verboden of ten aanzien waarvan een onherroepelijke verklaring als bedoeld in artikel 122, eerste lid, van Boek 10 Burgerlijk Wetboek is afgegeven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie. 3. Ten aanzien van de oprichters, leiders of bestuurders kunnen de gevangenisstraffen met een derde worden verhoogd.
4. Onder deelneming als omschreven in het eerste lid wordt mede begrepen het verlenen van geldelijke of andere stoffelijke steun aan alsmede het werven van gelden of personen ten behoeve van de daar omschreven organisatie.”

Art. 140a Sr:

“1. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of gelboete van de vijfde categorie.

2. Oprichters, leiders, of bestuurders worden gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie.

3. Het vierde lid van artikel 140 is van overeenkomstige toepassing.”

32. In cassatie doet de vraag zich voor of eerst dan sprake is van het werven van gelden als bedoeld in art. 140, vierde lid, Sr als die gelden ten goede zijn gekomen aan de in dat artikel bedoelde organisatie.

33. De Wet Terroristische misdrijven heeft eveneens geleid tot invoering van art. 140a en toevoeging van een vierde lid aan art. 140 Sr, welke toevoeging op grond van het derde lid van art. 140a Sr op laatst vermelde bepaling van overeenkomstige toepassing is verklaard. In de wetsgeschiedenis is, voor zover ik kan overzien, geen aandacht besteed aan de term ‘werven’ in het vierde lid van art. 140 Sr. In diezelfde wet is in art. 205 Sr de term ‘aanwerft’ vervangen door ‘of gewapende strijd werft’.22 Daarover is in de wetsgeschiedenis23 het volgende opgemerkt:

“De reden voor vervanging van het begrip «aanwerven» is in de eerste plaats gelegen in het feit dat voor het «aanwerven» nodig is dat een bepaalde verbintenis tot stand is gekomen. Onder «aanwerven» wordt verstaan «elke handeling welke tot strekking heeft (welke geëigend is en ten doel heeft) iemand tot vreemde krijgsdienst te verplichten» (vgl. Noyon-Langemeijer-Remmelink, suppl. 96, blz 537). Blijkens de wetsgeschiedenis is daarbij van belang dat sprake is van een bepaalde tegenprestatie, zoals handgeld of ander voordeel. De voorgestelde wijziging van het begrip «aanwerven» in «werven» beoogt aan de strafbaar gestelde handeling een minder formele betekenis te geven. De eerdergenoemde voorwaarde van de totstandkoming van een overeenkomst komt te vervallen; voor het ontstaan van strafrechtelijke aansprakelijkheid volstaat het enkele ronselen van personen voor vreemde krijgsdienst of gewapende strijd. Of het werven tot een bepaald resultaat heeft geleid, zal voor de strafbaarheid niet meer relevant zijn. Het voorgestelde delict zal voltooid zijn wanneer een handeling die ertoe strekt om iemand tot aansluiting te bewegen, zich heeft geopenbaard. Een dergelijke handeling behoeft niet samen te gaan met of te bestaan uit het bieden van een tegenprestatie. Van «werven» kan bijvoorbeeld sprake zijn wanneer mensen vis-à-vis – te denken valt aan schoolpleinen, clubhuizen en uitgaansgelegenheden – worden benaderd teneinde hen te overreden deel te nemen aan een gewapende strijdgroep. Ook zal het bespelen van personen met behulp van communicatiemiddelen, zoals bijvoorbeeld een internetsite, «werven» in de zin van artikel 205 Sr kunnen opleveren.

(…) Door de wijziging wordt het zwaartepunt in de strafbepaling enigszins verlegd naar degene van wie het initiatief uitgaat: de werver. Een vergelijking is in dit verband te trekken met de strafbepaling inzake actieve, ambtelijke omkoping (artikel 177 Sr); ook bij dat misdrijf is het actieve handelen van de omkoper voor de strafbaarheid voldoende. Of de ambtenaar een gift aanneemt is irrelevant. Het potentiële gevaar dat rekrutering ten behoeve van de jihad tot gevolg kan hebben, rechtvaardigt mijns inziens het voorstel om de strafbepaling meer toe te snijden op de verantwoordelijkheid van degene die iemand tracht te bewegen tot iets.”

34. De Hoge Raad24 overwoog hieromtrent:

“Zoals expliciet is verwoord in de nota naar aanleiding van het verslag, volstaat voor het ontstaan van strafrechtelijke aansprakelijkheid ter zake van art. 205 Sr het enkele ronselen van personen voor - onder meer - de gewapende strijd. Daarbij komt het dus aan op de gedraging van degene die werft, zonder dat op zichzelf van belang is hoe degene die wordt geworven, op dat moment tegenover die strijd staat, en of het werven resultaat heeft of niet.”

35. Het komt mij voor dat deze interpretatie van het begrip werven van betekenis is voor het werven van gelden als bedoeld in het vierde lid van art. 140 Sr. Dan volstaat het enkele werven van gelden ten behoeve van de organisatie, zonder dat op zichzelf van belang is of deze gelden ook daadwerkelijk bij deze organisatie terecht komen. De steller van het middel merkt terecht op dat anders ook niet valt in te zien wat het verschil is met het verlenen van geldelijke steun, eveneens genoemd in het vierde lid van art. 140 Sr. Dit sluit overigens ook aan bij de taalkundige betekenis van het begrip in de Van Dale online, namelijk “overhalen of trachten over te halen zich aan te sluiten bij een vereniging, een partij enz.”.

36. Met betrekking tot het ten laste gelegde werven van gelden heeft het hof overwogen “dat in artikel 140, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht is bepaald dat onder deelneming, als omschreven in het eerste lid, mede wordt begrepen het werven van gelden ten behoeve van de daar omschreven organisatie”. Door te overwegen dat niet kan worden bewezen dat de verdachte (al) behoorde tot de organisatie, omdat weliswaar kan worden vastgesteld dat verdachte gelden heeft geworven, maar niet dat deze (al) ten goede van de organisatie waren gekomen, heeft het hof een onjuiste uitleg gegeven aan het begrip ‘werven’ in art. 140, vierde lid, Sr.

37 Het tweede middel slaagt.

38. Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het cassatieberoep. Voorts strekt deze conclusie tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van de onder 1, 2A en 3 ten laste gelegde feiten, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2016:2015 en in eerste aanleg rechtbank Gelderland 9 februari 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:756. De uitspraak in eerste aanleg is besproken door Van Noorloos, DD 2015/56.

2 Kamerstukken II, 1919-1920, 428 nr. 1-2, p. 2.

3 Kamerstukken II, 2001-2002, 28463 nr. 3, p. 1 en Wet van 21 juli 2004, Stb 2004, 373, in werking getreden op 10 augustus 2004.

4 Wet van 24 juni 2004, Stb 2004, 290.

5 Zei daarover ook Van Noorloos DD 2015/56, par. 4 en J.M. Lintz, De plaats van de Wet terroristische misdrijven in het materiële strafrecht, Wolf Legal Publishers, Nijmegen 2007, p. 212.

6 Kamerstukken II, 1919-1920, 428 nr. 5, p. 11.

7 Lintz heeft omtrent art. 96, tweede lid, Sr opgemerkt dat tijd, plaats en wijze van uitvoering enigszins concreet vast moeten staan (J.M. Lintz, Commentaar op het wetboek van Strafrecht, art. 79 (80, 83, 83a, 92 t/m 96, 108, 114 t/m 114b), par. C2, SDU 2015).

8 Mols heeft, na de uitbreiding van het bereik van art. 96, tweede lid, Sr in het kader van de terrorismebestrijding, opgemerkt dat niet bepaald is dat het om een duidelijk, ook naar tijd en plaats omschreven terroristisch misdrijf moet gaan (G.P.M.F. Mols, Terrorisme en strafrecht: een latrelatie, Strafblad 2015/71, par. 3).

9 Kamerstukken II, 2002-2003, 28463 nr. 10, p. 23.

10 Kamerstukken II, 2002-2003, 28463 nr. 8, p. 6.

11 Zie voor een soortgelijke benadering rechtbank Rotterdam 29 augustus 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:6681.

12 HR 17 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4200, NJ 2002/626.

13 HR 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1233, NJ 2014/338 m.nt. Rozemond. In de schriftuur wordt ter onderbouwing ook nog gewezen op HR 5 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6691, NJ 2011/316 m.nt. Mevis.

14 HR 13 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0494, NJ 2001/338.

15 Met een beroep op G.P.M.F. Mols, Terrorisme en strafrecht: een latrelatie, Strafblad 2015/71, par. 3, formuleert de steller van het middel: “(..) niet vereist (…) dat bewijs voor handen zou moeten zijn op welke concrete plaats, op welk concreet tijdstip en/of op welke concrete wijze de voorbereide moord of doodslag, waarop het oogmerk van de verdachte is gericht, zou moeten plaatsvinden.”

16 HR 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2025.

17 Zie voor enkele van die factoren J.M. Lintz, Commentaar op het wetboek van Strafrecht, art. 79 (80, 83, 83a, 92 t/m 96, 108, 114 t/m 114b), par. C2, SDU 2015.

18 HR 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2025.

19 Kamerstukken II 2002/2003, 28463, nr. 8, p. 6.

20 In die zin ook rechtbank Rotterdam 29 augustus 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:6681. Zie ook rechtbank Noord-Holland 26 mei 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:4313: “Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat aan de eis van concreetheid ten aanzien van tijd, plaats en wijze van uitvoering is voldaan. Het is algemeen bekend dat de jihadistische strijdgroepen in Syrië om hun doel te bereiken dagelijks dood en verderf zaaien onder ieder die hun extreem fundamentalistische geloof niet deelt. Het geweld dat deze groepen gebruiken, heeft mede de uitdrukkelijke bedoeling grote delen van de bevolking ernstige vrees aan te jagen. Voor de verdachte, die, zoals hij zelf heeft verklaard, een grote belangstelling had voor de ontwikkelingen in Syrië en op de hoogte was van de daar actieve jihadistische terroristische organisaties, moet dit volstrekt duidelijk zijn geweest voordat hij richting Syrië vertrok om zich daar bij IS aan te sluiten om zijn aandeel te leveren aan de gewelddadige jihad. Deelname aan de gewelddadige jihad betekent in de praktijk deelname aan gevechtshandelingen, met het doel tegenstanders te doden en het risico burgers te doden. Het onder deze omstandigheden doden van mensen moet gekwalificeerd worden als moord en doodslag met een terroristisch oogmerk. Met het enkele uitreizen naar Syrië, ook al heeft hij het Syrisch grondgebied uiteindelijk niet bereikt, heeft de verdachte aan een kwade intentie een (aller)eerste gevolg gegeven.”

21 Voor het oogmerk in het kader van art. 140 Sr kan eveneens rekening worden gehouden met reeds begane misdrijven. Zie HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502, NJ 2008/559 m.nt. Mevis.

22 Wet van 24 juni 2004, Stb 2004, 290.

23 Kamerstukken II, 2002-2003, 28463, nr. 10, p.11 resp. p. 15.

24 HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP7585, NJ 2012/35.