Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1295

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
15-11-2016
Datum publicatie
21-12-2016
Zaaknummer
16/02840
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2928, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 273f.1 aanhef en onder 3 Sr. Mensenhandel. Uitbuiting. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2016:857. Slagende bewijsklacht nu uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat sprake is van “uitbuiting”.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/02840

Zitting: 15 november 2016 (bij vervroeging)

Mr. P.C. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 4 februari 2016 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch wegens “mensenhandel, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, waarvan één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met de aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr.

  2. Namens de verdachte heeft mr. L.E.M. Hendriks, advocaat te Maastricht, een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel richt zich met rechts- en motiveringsklachten tegen de veroordeling wegens mensenhandel.

  4. Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:

“hij meermalen in de periode van 1 november 2014 tot en met 6 november 2014 in Nederland een ander, te weten [betrokkene 1], telkens heeft medegenomen met het oogmerk die [verdachte] in een ander land (Duitsland) ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met en/of voor een derde tegen betaling”.

5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 7 november 2014, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte], zakelijk weergegeven:

Ik ben ongeveer 1 week geleden vanuit Roemenië naar Nederland gekomen om mijn vriendin te ontmoeten. (p. 37)

Mijn vriendin heet [betrokkene 1]. (p. 39)

Zij is met het vliegtuig gekomen. Ze is in België geland, volgens mij in (het hof begrijpt:) Charleroi. (p. 42)

Ik heb haar opgehaald. Daarna zijn we naar Nederland gegaan. Ik weet dat ze als prostituee werkt aan de [a-straat] te Aken. Ik heb haar naar Aken gebracht, zodat ze in Aken kon gaan werken in de prostitutie. (p. 43)

Ongeveer twee à drie keer heb ik haar gehaald en gebracht. (p. 44)

2. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 6 november 2014, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1], zakelijk weergegeven:

[verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte]) heeft mij een vriendschapsverzoek gestuurd via facebook toen ik nog in Roemenië woonde. We spraken af bij mij in het dorp in Roemenië. Ik ben met het vliegtuig gereisd. Op 2 november 2014 ben ik geland in Charleroi. Ik ben opgehaald door [verdachte]. (p. 127)

We konden verblijven in Vaals. Sinds ik in Nederland ben heb ik als prostituee gewerkt; van 3 november tot vandaag 12.00 uur. Ik heb gewerkt aan de [a-straat] in Aken. Ik verrichtte daar seksuele handelingen voor geld. Per klant kreeg ik ongeveer 30 euro per 20 minuten. Mijn vriend, [verdachte], bracht mij naar Aken om te werken. Ik werkte van 10.00 uur ’s morgens tot 23.00 uur ’s avonds. (p. 128)”.

6. Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts nog overwogen:

“De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Door de raadsman van verdachte is aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het plegen van mensenhandel ten aanzien van [betrokkene 1], aangezien - kort gezegd - niet is bewezen dat de verdachte [verdachte] in een ander land ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van betaalde seksuele handelingen.

Het hof overweegt ter zake als volgt.

Bij de strafbaarstelling van mensenhandel staat het belang van het individu tot behoud van zijn of haar geestelijke en lichamelijke integriteit en persoonlijke vrijheid voorop. Artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht (Sr) strekt tot uitvoering van een aantal mondiale en regionale verdragen en andere rechtsinstrumenten ter bestrijding van mensenhandel. De strekking van het artikel en de daarin gebezigde begrippen dienen dan ook te worden uitgelegd in het licht van deze internationale rechtsinstrumenten.

In lijn met de internationale ontwikkelingen wordt in de Nederlandse rechtspraak een ruime uitleg gegeven aan het delict mensenhandel, aangezien er tussen staten overeenstemming over bestaat dat mensenhandel een ernstig probleem is dat leidt tot aantasting van mensenrechten en derhalve streng dient te worden aangepakt.

Omdat artikel 273f lid 1 onder 3° Sr nagenoeg gelijkluidend is aan artikel 250a lid 1 onder 2° Sr (oud) zijn ook de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 250a Sr (oud) en de rechtspraak met betrekking tot die bepaling nog altijd van belang voor de interpretatie van de huidige delictsomschrijving (Vgl. HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7097, rov. 2.4.1).

Vooropgesteld zij dat om tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde internationale mensenhandel te kunnen komen allereerst opzettelijk handelen is vereist. De daartoe in de delictsomschrijving opgenomen gedragingen zijn neutraal en feitelijk bedoeld en zij moeten naar het oordeel van het hof praktisch en niet eng worden uitgelegd.

De onderhavige tenlastelegging ziet voor wat betreft de gedraging op het medenemen van een ander, in casu [betrokkene 1]. Naar het oordeel van het hof dient ‘medenemen’ te worden begrepen als ‘het met zich voeren van iemand’. Hierbij is niet van belang of die persoon heeft ingestemd met dit (grensoverschrijdend) vervoer en evenmin behoeft te blijken dat de wijze van medenemen zijn of haar keuzevrijheid heeft beperkt. Immers vereist lid 1 onder 3° niet dat - zoals ook de rechtbank heeft overwogen - sprake is geweest van enig dwangmiddel.

Op dit punt wijst het hof eveneens op de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 9 december 2004 tot uitvoering van internationale regelgeving ter bestrijding van mensensmokkel en mensenhandel (Stb. 2004, 645):

‘Nederland is wel partij bij het Internationaal Verdrag van Genève van 1933. Ter uitvoering daarvan is art. 250a, eerste lid, onderdeel 2°, Sr. tot stand gekomen. Daarin is strafbaar gesteld degene die een persoon aanwerft, meeneemt of ontvoert met het oogmerk die persoon in een ander land in de prostitutie te brengen. Het bestanddeel dwang ontbreekt in deze bepaling. Het aanwerven van een persoon voor prostitutie uit het buitenland (ook de EU) is dus strafbaar, ook al stemt de aangeworven persoon daarmee in.’ (Kamerstukken II, 2003/04, 29 291, nr. 3, p. 9).

Naar het oordeel van het hof geldt voornoemd uitgangspunt in gelijke zin voor het bestanddeel ‘medenemen’.

Vervolgens moet - om tot een bewezenverklaring te kunnen komen - dit medenemen door verdachte zijn geschied 'met het oogmerk die ander in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling’.

Het oogmerk van verdachte moet er aldus op zijn gericht dat [verdachte] zich in een ander land dan waar zij is meegenomen, beschikbaar stelde tot het verrichten van betaalde seksuele handelingen. Oftewel, verdachte moet met het medenemen van [verdachte] vanuit het ene land als doel dan wel als naaste doel hebben gehad haar te bewegen tot prostitutie in een ander land. Het daadwerkelijk gelegenheid bieden tot prostitutie in een ander land vormt een wezenlijk element van de gedragingen die de wetgever met de strafbaarheid van mensenhandel wil bestrijden.

Onder het ‘tot prostitutie brengen’ dient mede te worden verstaan iedere gedraging gericht tegen een persoon ertoe strekkende deze te belemmeren in zijn vrijheid met prostitutie op te houden ongeacht de omstandigheden of deze daarbij vrijwillig betrokken is geraakt dan wel reeds eerder bij prostitutie betrokken was (vgl. HR 6 juli 1999, ECLI:NL:HR:1999: AB9475, NJ 1999/701, rov. 3.3.5 en onder verwijzing hiernaar: HR 10 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:669, rov. 3.4).

Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte begin 2014 met [verdachte] contact heeft gezocht en dat hij haar in Roemenië heeft ontmoet. Een week voor zijn verhoor op 7 november 2014 is verdachte vanuit Roemenië met de auto naar Nederland gereisd. Hij heeft [verdachte] op 2 november 2014 in Charleroi (België) met de auto van het vliegveld opgehaald en is toen samen met haar naar Vaals (Nederland) gegaan, waar zij verbleven. Vanaf 3 november 2014, aldus daags na haar aankomst in Nederland, werkte [verdachte] in de prostitutie in Aken (Duitsland). Zij werkte vanaf 10:00 uur in de ochtend tot 23:00 uur in de avond en maakte dus werkdagen van 13 uur. Verdachte wist dat [verdachte] als prostituee werkzaam was in Aken en hij heeft haar meerdere keren vanuit Vaals naar Aken gebracht en haar daar ook weer opgehaald, zodat zij in de prostitutie kon gaan werken.

Het hof is van oordeel dat met het door verdachte in de auto vervoeren van [verdachte] (ophalen en wegbrengen) sprake van ‘medenemen’ in de zin van het onderhavige wetsartikel. Voorts blijkt uit de inhoud van de voornoemde bewijsmiddelen naar ’s hofs oordeel dat verdachte het oogmerk heeft gehad om [verdachte] in een ander land dan waar zij is meegenomen, te weten in Duitsland, ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling. De verdachte heeft met het vervoeren van [verdachte] faciliterende activiteiten verricht waardoor hij [verdachte] telkens feitelijk de gelegenheid heeft geboden om in Aken - wetende dat zij aldaar werkzaam was in de prostitutie - betaalde seksuele handelingen te kunnen verrichten.

Het hof acht mitsdien wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [verdachte] - na haar te hebben opgehaald van het vliegveld in België - meermalen vanuit Nederland heeft medegenomen telkens met het oogmerk haar in Duitsland ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling, zoals bedoeld in artikel 273f eerste lid aanhef en onder 3° Sr. Hetgeen de raadsman ter zake heeft aangevoerd maakt dit niet anders.

Het hof verwerpt het verweer.”

7. De tenlastelegging is toegesneden op art. 273f, eerste lid aanhef en onder 3°. Deze bepaling luidde in de bewezenverklaarde periode (en luidt ook thans nog), voor zover hier van belang:

“1 Als schuldig aan mensenhandel wordt met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie gestraft:

(…)

3°. degene die een ander aanwerft, medeneemt of ontvoert met het oogmerk die ander in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling”.

8. Ik behandel eerst de klacht uit de toelichting op het middel dat het hof de bewezenverklaring voor zover inhoudende dat de verdachte [verdachte] “ertoe heeft gebracht” zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling ontoereikend heeft gemotiveerd.

9. Het middel berust in zoverre op de opvatting dat in gevallen waarin het initiatief tot prostitutie niet van de van mensenhandel verdachte persoon is uitgegaan slechts dan van “ertoe brengen” kan worden gesproken indien die persoon handelingen heeft verricht die ertoe strekken het slachtoffer te belemmeren in zijn vrijheid met prostitutie op te houden. Die opvatting is echter te beperkt, zodat het middel in zoverre niet tot cassatie kan leiden.1

10. Voorts wordt in de toelichting op het middel geklaagd dat het hof het bewezenverklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als mensenhandel.

11. In zijn arrest van 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:857, NJ 2016/314 overwoog de Hoge Raad:

“2.4.1. Mede gelet op de wetsgeschiedenis en in aanmerking genomen dat handelen in strijd met art. 273f, eerste lid aanhef en onder 3º, Sr wordt gekwalificeerd als 'mensenhandel' en wordt bedreigd met een gevangenisstraf van acht jaren, moet worden aangenomen dat de in het derde onderdeel omschreven gedragingen alleen strafbaar zijn als zij zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld (vgl. HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR: 2015:3309).

2.4.2. Dit brengt mee dat die gedragingen eerst dan als 'mensenhandel' kunnen worden bestraft indien uit de bewijsvoering volgt dat voldaan is aan voormelde voorwaarde dat zij zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld. 'Uitbuiting' moet worden aangemerkt als een impliciet bestanddeel van art. 273f, eerste lid aanhef en onder 3º, Sr (vgl. HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR: 2016:556 ten aanzien van het vierde onderdeel van art. 273f, eerste lid, Sr).”

12. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte faciliterende activiteiten heeft verricht door [verdachte] te vervoeren en haar daardoor telkens feitelijk de gelegenheid te bieden seksuele handelingen te verrichten, terwijl hij wist dat zij in de prostitutie werkzaam was. Uit de bewijsvoering van het hof volgt niet zonder meer dat de gedragingen zijn begaan onder omstandigheden dat uitbuiting kan worden verondersteld. Daarbij merk ik op dat de omstandigheid dat lange werkdagen worden gemaakt erop kan duiden dat sprake is van mensenhandel, doch de enkele vaststelling dat van lange werkdagen sprake is nog niet zonder meer voldoende om dat oordeel te kunnen dragen.2 Het betrof hier ten hoogste aanwezigheid gedurende dertien uren op drie dagen en gedurende twee uren op de laatste dag. Daarmee wijst de duur van de tewerkstelling nog niet zonder meer in de richting van uitbuiting en nadere gegevens over de aard van de tewerkstelling ontbreken in de bewijsvoering. Ook geeft de bewijsvoering geen opheldering over de beperkingen die tewerkstelling met zich bracht of over het door verdachte behaalde economisch voordeel.

13. De klacht is terecht voorgesteld.

14. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het hof, teneinde deze op het bestaande beroep opnieuw te berechten en af te doen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie HR 20 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1174, NJ 2014/292, alsook de conclusie bij dat arrest van mijn ambtgenoot Aben (ECLI:NL:PHR:2014:413, onder 8-10). Het had wel voor de hand gelegen dat het hof aan deze kwestie meer woorden had gewijd. Mede gelet op het uiterst korte en weinig nader toegespitste middel kan worden volgehouden dat de motivering van ‘er toe brengen’ niet onbegrijpelijk is. Het voorafgaande vriendschapsverzoek en het afhalen van het vliegveld geven immers voldoende kleur.

2 HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, NJ 2010, 598, rov. 2.6.1.