Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1277

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-10-2016
Datum publicatie
21-12-2016
Zaaknummer
15/04458
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2909, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Mensenhandel, art. 273f.1 sub 3 Sr. 1. Middel betoogt dat de toepassing van de strafbaarstelling van art. 273f.1 sub 3 Sr in strijd is met het recht van de Europese Unie omdat de aanwerving van meerderjarigen voor vrijwillige prostitutiewerkzaamheden slechts strafbaar is gesteld voor zover deze personen uit het buitenland worden geworven. HR: Voor zover het middel berust op de opvatting dat het enkele aanwerven van personen t.b.v. het vrijwillig verrichten van prostitutiewerkzaamheden in een ander land, zonder meer strafbaar is op grond van art. 273f.1 sub 3 Sr, miskent het dat “uitbuiting” een impliciet bestanddeel is van art. 273f.1 sub 3 (vgl. ECLI:NL:HR:2016:857). Het hof heeft i.c. vastgesteld dat verdachte onder meer door dreiging met geweld X heeft geworven met het oogmerk van seksuele uitbuiting alsmede dat hij opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting. Ook i.c. berust de veroordeling derhalve niet uitsluitend daarop dat verdachte een persoon uit het buitenland heeft aangeworven en/of medegenomen. 2. In aanmerking genomen dat en waarom de klacht niet tot cassatie kan leiden is het verzoek om prejudiciële vragen te stellen niet voor inwilliging vatbaar. Samenhang met 15/04435.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 15/04458

Zitting: 11 oktober 2016

Mr. D.J.C. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is bij arrest van 21 september 2015 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens 1. “mensenhandel, meermalen gepleegd” en 2. “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.

2. De onderhavige zaak hangt samen met de zaak met nr. 15/04435, waarin ik vandaag eveneens concludeer.

3. Namens de verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, twee middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel keert zich met diverse deelklachten tegen het oordeel van het hof ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde.

5. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezen verklaard dat:

hij op één of meer tijdstippen in de periode van 27 mei 2013 tot en met 14 april 2014 te Utrecht en/of te Alkmaar en/of te ’s-Gravenhage en/of (elders) in Nederland telkens

- een ander, genaamd [betrokkene 1] door dreiging met geweld en/of door (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie, heeft geworven en/of vervoerd en/of overgebracht en/of gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van [betrokkene 1] en/of

(sub 1)

- [betrokkene 1] heeft aangeworven en/of medegenomen met het oogmerk [betrokkene 1] in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van (een) seksuele handeling(en) met of voor (een) derde(n) tegen betaling,

(sub 3)

- [betrokkene 1] door dreiging met geweld en/of door (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie en/of door misleiding heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard en/of

(sub 4)

- opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting van [betrokkene 1] en/of

(sub 6)

- [betrokkene 1] door dreiging met geweld en/of door (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie en/of door misleiding heeft gedwongen dan wel bewogen verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van haar, [betrokkene 1], seksuele handeling(en) met of voor (een) derde(n),

(sub 9)

immers heeft/is verdachte telkens

- met [betrokkene 1] een (liefdes)relatie aangegaan en/of onderhouden en/of [betrokkene 1] aldus (emotioneel) van hem, verdachte, afhankelijk gemaakt en/of

- een vliegticket voor [betrokkene 1] gekocht/geregeld voor de reis vanuit Bulgarije naar Nederland en/of

- voor [betrokkene 1] werkplek(ken) in Den Haag en/of Utrecht en/of Alkmaar en/of (elders) in Nederland geregeld/gehuurd en/of laten regelen alwaar [betrokkene 1] haar prostitutiewerkzaamheden kon/moest verrichten en [betrokkene 1] (aldaar) heeft laten werken als prostituee en/of

- [betrokkene 1] naar haar werkplek(ken) gebracht en van haar werkplek(ken) opgehaald en/of

- [betrokkene 1] ondergebracht in een woning en/of gehuisvest en met [betrokkene 1] samengewoond en/of

- [betrokkene 1] telefonisch gedreigd geweld toe te passen ten aanzien van [betrokkene 1] en uitgescholden en/of

- misbruik gemaakt van de toestand/positie waarin voornoemde [betrokkene 1] verkeerde, aangezien [betrokkene 1] de Nederlandse taal niet machtig was en/of

- zorggedragen voor controle en/of toezicht op de prostitutiewerkzaamheden van [betrokkene 1] en/of de verdiensten daaruit en/of [betrokkene 1] telefonisch verantwoording laten afleggen over haar werkzaamheden en/of verdiensten en/of

- tegen [betrokkene 1] gezegd dat zij meer geld moest verdienen, indien [betrokkene 1] volgens verdachte niet voldoende geld had verdiend en/of

- [betrokkene 1] een deel van haar verdiensten, laten afdragen aan verdachte en/of het door haar verdiende geld geheel of gedeeltelijk onder zich genomen/gehouden en/of haar aldus in een (verder) van verdachte afhankelijke positie gebracht en/of gehouden en/of

- [betrokkene 1] kosten voor levensonderhoud van verdachte laten betalen en [betrokkene 1] andere kosten zoals beltegoed voor verdachte te laten betalen en/of

- [betrokkene 1] gevraagd heeft en/of opdracht gegeven om een auto voor verdachte te kopen ter waarde van ongeveer twintigduizend euro.

6. Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de aanvulling op het arrest als bedoeld in art. 365a Sv.

7. Het hof heeft onder het kopje “Overweging met betrekking tot het bewijs” onder meer het volgende overwogen:

Periode

Ten aanzien van de ten laste gelegde periode is het hof - in tegenstelling tot de raadsman - van oordeel dat de bewezen verklaarde feiten hebben plaats-gevonden in de periode van 27 mei 2013 tot en met 14 april 2014.

Uit een mutatie van de Koninklijke Marechaussee d.d. 27 mei 2013 volgt dat verdachte die dag samen met [betrokkene 1] naar Nederland is gekomen. Bij de doorzoeking aan de [a-straat] in Utrecht, de verblijfplaats van verdachte en [betrokkene 1], zijn kwitanties van kamerverhuurder Wegra, raamexploitant op het Zandpad in Utrecht aangetroffen, waaruit blijkt dat [betrokkene 1] in week 22 tot en met week 29 van 2013 daar een kamer heeft gehuurd. De eerste dag van week 22 is 27 mei 2013, de dag van aankomst in Nederland. [betrokkene 1] is dus direct na aankomst weer in de prostitutie gaan werken.

Op grond van het voorgaande, in samenhang bezien met de overige bewijsmiddelen, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich van de ten laste gelegde begindatum 27 mei 2013 tot en met de verdachtes aanhouding op 14 april 2014 schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 ten laste gelegde.

Geloofwaardigheid [betrokkene 1]

Het in de tenlastelegging vermelde slachtoffer in deze zaak [betrokkene 1] heeft geen aangifte gedaan. [betrokkene 1] heeft bij de politie en in hoger beroep telkens verklaard het prostitutiewerk vrijwillig en zonder enige bemoeienis van verdachte te doen. Er zou sprake zijn van een liefdesrelatie tussen [betrokkene 1] en verdachte.

Het hof stelt vast dat [betrokkene 1], die ter zitting in hoger beroep als getuige is gehoord, bij de politie een verklaring heeft afgelegd die op onderdelen tegenstrijdig is met eerder door haar tegenover politie gegeven informatie. Het hof stelt vast dat dat [betrokkene 1] bij de politie dan wel bij het hof tegenstrijdigheden heeft verteld. Zo heeft ze tegenover de politie tijdens haar verhoor op 16 april 2014 verklaard dat ze de vrouw van de broer van verdachte, [betrokkene 2], die eveneens als prostituee werkzaam was, niet kende terwijl zij tevoren, in juli 2013, gezamenlijk in een vanaf het Zandpad rijdende taxi werden gesignaleerd door de politie en [betrokkene 1] destijds tegenover politie verklaarde [betrokkene 2] te kennen uit Bulgarije. Ter zitting van het hof heeft getuige [betrokkene 1] over het voorgaande niet een geloofwaardige verklaring afgelegd, namelijk dat zij die [betrokkene 2] na haar verhoor bij de politie in april 2014 heeft leren kennen. Het hof vindt ook daarin aanleiding de betrouwbaarheid van hetgeen [betrokkene 1] ter zitting van het hof heeft verklaard in twijfel te trekken. Daar komt bij dat het hof in de heldere inhoud van de tapgesprekken grond vindt de door [betrokkene 1] ter zitting in hoger beroep voorgestelde gang van zaken als onvoldoende aannemelijk terzijde te stellen. Dit brengt mee dat het hof niet gelooft dat er sprake is geweest van een zelfstandig werkende prostituee, die uit vrije wil werkte en over al haar verdiensten in volle vrijheid kon beschikken, zoals [betrokkene 1] en ook verdachte het hof heeft voorgespiegeld.

Alles afwegend, mede gelet op de ongelijkwaardige relatie tussen [betrokkene 1] en verdachte, gaat het hof er op grond van de tapgesprekken vanuit dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel.

- Sub 1

Voor een bewezenverklaring van mensenhandel art. 273f lid 1 sub 1 Sr moet er sprake zijn van (een) gedraging(en), (een) middel(en) en het oogmerk van uitbuiting.

Middelen

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte jegens [betrokkene 1] gebruik heeft gemaakt van middelen. Deze middelen bestaan niet alleen uit het dreigen met geweld en het gebruik maken van andere feitelijkheden, maar ook door het misbruik maken van de kwetsbare positie waarin [betrokkene 1] zich bevond en het misbruik dat verdachte maakte van het overwicht dat hij op haar had.

Verdachte heeft gebruik gemaakt van andere feitelijkheden, door met [betrokkene 1] een liefdesrelatie aan te gaan en door met haar samen te wonen, maar die hielden ook in dat hij [betrokkene 1] van en naar haar werkplek bracht en dat hij controle en toezicht hield op haar prostitutiewerkzaamheden en de verdiensten daaruit.

Verder heeft de meervoudige afhankelijkheid van [betrokkene 1] er - onder meer - uit bestaan dat zij afkomstig is uit een land waar de economische omstandigheden slecht zijn, zij de Nederlandse taal niet machtig is en er sprake was van een ongelijkwaardige relatie tussen verdachte en [betrokkene 1]. Verdachte controleerde [betrokkene 1], regelde de inkomsten en de werkomstandigheden van [betrokkene 1], terwijl [betrokkene 1] haar verdiende geld in elk geval deels aan hem moest afstaan. Verdachte heeft daarnaast gedreigd geweld tegen [betrokkene 1] te gebruiken en haar meermalen uitgescholden.

Nu verdachte gebruik heeft gemaakt van voornoemde middelen is voor een bewezenverklaring niet van belang of [betrokkene 1] al dan niet heeft ingestemd met het werken in de prostitutie. Door het gebruik van deze middelen heeft verdachte [betrokkene 1] in een uitbuitingssituatie doen belanden en verkeerde zij niet in een positie waarin zij vrijelijk kon beslissen om haar werkzaamheden te beëindigen.

Gedragingen

Het hof acht bewezen dat verdachte [betrokkene 1] heeft geworven, nu verdachte [betrokkene 1] er toe heeft gebracht om vanuit Bulgarije weer naar Nederland te komen om in de prostitutie te werken. Uit de gesprekken die gedurende [betrokkene 1]’s verblijf in Bulgarije zijn gevoerd blijkt duidelijk dat verdachte [betrokkene 1] er toe beweegt terug te komen naar Nederland. Daarnaast acht het hof bewezen dat verdachte [betrokkene 1] heeft vervoerd van en naar haar werk, alsook dat hij haar heeft gehuisvest, nu verdachte en [betrokkene 1] op hetzelfde adres aan de [a-straat] in Utrecht verbleven.

Gelet op het bovenstaande - in samenhang bezien met de bewijsmiddelen - is het hof van oordeel dat verdachte [betrokkene 1] door genoemde middelen heeft geworven, vervoerd en gehuisvest met het oogmerk van uitbuiting van [betrokkene 1] en dat verdachte zich aldus schuldig heeft gemaakt aan artikel 273f lid 1 sub 1 Sr.

- Sub 3

Onder aanwerven valt iedere daad waardoor een persoon wordt aangeworven teneinde die persoon in een ander land tot prostitutie te brengen, zonder dat hoeft te blijken dat de wijze van aanwerving de keuzevrijheid heeft beperkt. Voor de bewezenverklaring van sub 3 is geen (dwang)middel vereist.

Aangeworven

Op 27 mei 2013 komen [betrokkene 1] en verdachte samen vanuit Sofia aan op de luchthaven in Eindhoven. De verklaringen die zij daar bij een controle afleggen over hun onderlinge verhouding zijn op verschillende punten tegenstrijdig en daarmee deels ongeloofwaardig. Zo verklaart [betrokkene 1] dat zij niet komt om in de prostitutie te gaan werken, maar voor 2 à 3 weken op familiebezoek te zijn, terwijl uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt dat zij meteen vanaf haar aankomst in Nederland weer in de prostitutie is gaan werken en bovendien in Nederland is gebleven. Overigens komen de eerste verklaringen wel overeen waar deze zien op het regelen van de tickets, want dat heeft verdachte gedaan.

Medegenomen

Het hof acht bewezen dat verdachte [betrokkene 1] heeft medegenomen door haar bij de inreis op 27 mei 2013 te begeleiden en haar ticket te regelen, waarna zij in Nederland direct in de prostitutie is gaan werken. Daarnaast acht het hof bewezen dat verdachte [betrokkene 1] voorafgaand aan haar terugkomst in april 2014 heeft aangeworven door haar te bewegen vanuit Bulgarije terug naar Nederland te komen. Na haar terugkomst in Nederland op 3 april 2014 gaat zij vijf dagen later opnieuw in Alkmaar aan het werk als prostituee.

Het hof is van oordeel dat verdachte [betrokkene 1] heeft aangeworven en medegenomen met het oogmerk [betrokkene 1] in Nederland ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor derden tegen betaling. Het oogmerk blijkt duidelijk uit de inhoud van de tapgesprekken zoals die zullen worden opgenomen in het - in geval van het instellen van beroep in cassatie - op te stellen bewijsmiddelenoverzicht.

- Sub 4

Het hof is van oordeel dat verdachte in de ten laste gelegde periode door gebruik te maken van de onder sub 1 genoemde middelen [betrokkene 1] heeft bewogen zich in Nederland beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard, te weten prostitutiewerk.

- Sub 6 en 9

In tegenstelling tot de rechtbank en de raadsman, acht het hof - met de advocaat-generaal - de onderdelen van de tenlastelegging betreffende sub 6 en 9 wettig en overtuigend bewezen.

Uit de gegevens van Western Union volgt dat verdachte in 2013 in totaal € 4.747,- heeft verzonden naar [betrokkene 3], zijnde zijn ex-echtgenote en de moeder van zijn kinderen. Zij woont in Bulgarije. In 2014 was dit - tot de aanhouding van verdachte - in totaal € 1.900,-.

Verdachte heeft bij de politie, ter zitting in eerste aanleg en in hoger beroep, sterk wisselende verklaringen afgelegd met betrekking tot zijn werkzaamheden, verdiensten en uitgaven. Voor zover verdachte heeft verklaard in de ten laste gelegde periode over voldoende inkomsten uit eigen kapperswerkzaamheden te hebben beschikt, vindt deze verklaring geen enkele steun in het dossier, zodat het hof dit deel van zijn verklaring als ongeloofwaardig ter zijde schuift. Verdachte heeft tegenover de politie namelijk zelf verklaard geen werkzaamheden en inkomsten te hebben, hetgeen wordt bevestigd door de inhoud van tapgesprekken.

Het voorgaande brengt mee dat in zijn geheel niet aannemelijk is geworden dat verdachte inkomsten had uit andere bronnen dan de prostitutie-werkzaamheden van [betrokkene 1]. Het geld dat door verdachte is overgemaakt, is geld dat afkomstig is van de prostitutie van [betrokkene 1].

Uit de gegevens van Western Union blijkt ook dat verdachte in 2014 in totaal € 300,- heeft ontvangen van [betrokkene 1]. Dit geld, waarvan aannemelijk is dat het afkomstig is van de prostitutie, is door [betrokkene 1] tijdens haar korte verblijf in Bulgarije vanuit Bulgarije naar verdachte in Nederland gestuurd.

Ook hebben [betrokkene 1] en verdachte allebei verklaard dat [betrokkene 1] bijdroeg aan hun gezamenlijke huishouding. [betrokkene 1] betaalde onder meer (mee aan) de huur en boodschappen.

Uit het voorgaande, in samenhang met de gebezigde bewijsmiddelen, volgt dat verdachte [betrokkene 1] heeft bewogen hem te bevoordelen uit de opbrengst van haar prostitutiewerkzaamheden en daarnaast opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting van [betrokkene 1]. Verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan artikel 273f lid 1 sub 6 en 9 Sr.

8. Het hof heeft voorts in het kader van de strafmotivering onder meer het volgende overwogen:

De uitbuiting heeft ongeveer elf maanden geduurd. Het slachtoffer was volledig in de greep van verdachte. Verdachte heeft misbruik gemaakt van de kwetsbare positie waarin zij verkeerde. Het slachtoffer, dat zonder familie in Nederland was, had een relatie met verdachte, woonde bij verdachte en was bovendien de Nederlandse taal niet machtig. Verdachte had voortdurend bemoeienis met haar prostitutiewerkzaamheden. Hun onevenwichtige relatie maakte het slachtoffer zeer kwetsbaar. Verdachte werkte zelf niet en had geen inkomsten, maar leefde van het geld dat het slachtoffer verdiende. De positie van het slachtoffer was geenszins vergelijkbaar met die van een mondige Nederlandse prostituee en zij werd door verdachte in feite belemmerd in haar keuze om in vrijheid te bepalen of zij het werk wilde voortzetten of er mee wilde ophouden, al is niet gebleken van dwang.

9. Mensenhandel wordt vaak gekenmerkt door een waaier van gedragingen, gaande van enerzijds het voorwenden van affectie en het maken van complimenten tot anderzijds het gebruik van lichamelijk geweld.1 In de voorliggende zaak heeft het hof overwogen dat de verdachte jegens [betrokkene 1] gebruik heeft gemaakt van middelen die niet alleen bestaan uit het dreigen met geweld en het gebruik maken van andere feitelijkheden, maar ook uit het misbruik maken van de kwetsbare positie waarin zij zich bevond en het overwicht dat de verdachte op haar had.

10. In de toelichting op het eerste middel wordt met een reeks van argumenten, mede ontleend aan de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, tegen ‘s hofs bewijsoordeel opgekomen. Daarover het volgende.

11. De in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende bestanddelen ‘misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht’ en ‘misbruik van een kwetsbare positie’ zijn kennelijk gebezigd in de betekenis die daaraan toekomt in art. 273f Sr. Teneinde beter zicht te krijgen op de betekenis van deze bestanddelen, zal ik hieronder enkele beschouwingen wijden aan de wetsgeschiedenis.

12. Art. 273a (oud) Sr is op 1 januari 2005 in de plaats gekomen van art. 250a (oud) Sr, dat op zijn beurt art. 250ter (oud) Sr verving. Met ingang van 31 augustus 2006 is art. 273a (oud) Sr vernummerd tot art. 273f Sr. De totstandkomingsgeschiedenis van en de rechtspraak met betrekking tot art. 250a (oud) Sr en art. 250ter (oud) Sr hebben daarom niet hun belang verloren.2

13. In dit verband verdient opmerking dat art. 250ter (oud) Sr en art. 250a (oud) Sr het bestanddeel ‘misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht’ kenden. Art. 273a (oud) Sr en art. 273f Sr spreken daarentegen van ‘misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht’. Uit de parlementaire geschiedenis van deze bepalingen blijkt niet dat de wetgever met dit verschil in terminologie een wijziging in de betekenis en de reikwijdte van deze bestanddelen heeft beoogd. De parlementaire stukken bieden eerder aanwijzingen voor het tegendeel. Zo heeft de toenmalige minister van Justitie Korthals Altes met betrekking tot art. 250ter (oud) Sr reeds beide begrippen door elkaar gebruikt,3 terwijl de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot implementatie van Richtlijn 2011/36/EU4 – met voorbijgaan aan de genoemde wijziging in terminologie – vermeldt dat art. 273f Sr ‘misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht’ erkent als middel waarmee de keuzevrijheid van het slachtoffer wordt geschonden .5

14. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot art. 250ter (oud) Sr houdt in dat misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht wordt verondersteld indien de prostituee in een situatie verkeert of komt te verkeren die niet kan worden gelijkgesteld met de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren. Maatstaf is aldus of de betrokkene verkeert in een situatie waarin een onafhankelijke zelfstandige opstelling mogelijk is, vergelijkbaar met de opstelling van een mondige Nederlandse prostituee. Met ‘mondig’ wordt in dit verband gedoeld op een zekere rijpheid die de betrokkene in staat stelt de gevolgen van zijn of haar handelen te overzien en zelfstandig beslissingen te nemen.6

15. Er wordt hierbij een objectivering van de term ‘misbruik’ beoogd, waarmee bescherming wordt geboden aan personen die in de seksindustrie in een uitbuitingssituatie werkzaam zijn. De memorie van toelichting houdt in dat de hier bedoelde uitbuitingssituatie zich nogal eens zal voordoen ten aanzien van onder anderen personen die uit het buitenland komen.7

16. De wetgever heeft hierbij in het bijzonder gedacht aan personen die afkomstig zijn uit ontwikkelings- of derdewereldlanden. Naar de opvatting van de toenmalige minister Korthals Altes was, juist wanneer het gaat om vrouwen uit het buitenland, vooral als zij afkomstig zijn uit ontwikkelingslanden met een veel lager welvaartspeil, al gauw sprake van misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht.8 In de memorie van antwoord is opgemerkt dat een nauwe relatie bestaat tussen de uitbuitingssituatie van buitenlandse vrouwen en hun afkomst uit in het bijzonder derdewereldlanden. Omdat zij in een economisch afhankelijke en kwetsbare positie verkeren, lopen zij een verhoogd risico om door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht slachtoffer te worden van mensenhandel.9

17. Hoewel de wetgever dus in het bijzonder het oog heeft gehad op personen die afkomstig zijn uit ontwikkelings- of derdewereldlanden, meen ik dat ook bij prostituees die afkomstig zijn uit voormalige Oostbloklanden, zoals Roemenië en Bulgarije, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht al snel in beeld komt. Ook dit zijn landen met een significant lager welvaartspeil dan Nederland,10 zij het dat de economische situatie in die landen minder nijpend is dan in ontwikkelingslanden. Opmerking verdient in dit verband dat in de periode 2011-2015 de Roemeense en Bulgaarse nationaliteiten, na de Nederlandse, de meest voorkomende nationaliteiten zijn van de door het Coördinatiecentrum Mensenhandel geregistreerde mogelijke slachtoffers van seksuele uitbuiting in Nederland.11

18. De bestanddelen ‘misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht’ en ‘misbruik van een kwetsbare positie’ overlappen elkaar grotendeels. De minister heeft erop gewezen dat uit de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie volgt dat aan beide bestanddelen een ruime betekenis wordt gegeven en dat zij ruime bescherming beogen te bieden aan slachtoffers.12

19. Art. 273f, zesde lid, Sr luidt met ingang van 15 november 2013 aldus, dat onder ‘kwetsbare positie’ mede wordt begrepen een situatie waarin een persoon geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze heeft dan het misbruik te ondergaan. Deze omschrijving van het begrip ‘kwetsbare positie’ is ontleend aan art. 2, tweede lid, van Richtlijn 2011/36/EU. Om te voorkomen dat de definitie van de Richtlijn een beperkende werking zou hebben, is in art. 273f, zesde lid, Sr gekozen voor de bewoordingen ‘mede begrepen’. De minister heeft terecht opgemerkt dat de omschrijving uit de Richtlijn de ondergrens vormt en het de lidstaten vrij staat om slachtoffers van mensenhandel een ruimere strafrechtelijke bescherming te bieden.13

20. Ten slotte verwijs ik op dit punt naar – samenvattende – rechtspraak. De wetgever heeft bij ‘misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht’ naar het oordeel van de Hoge Raad het oog gehad op het brengen van een ander in een afhankelijke situatie waarin deze in diens keuzevrijheid wordt beperkt.14 De belemmering van de mogelijkheid een bewuste keuze te maken vanwege (bijvoorbeeld) misbruik van overwicht, is voldoende voor het bewijs van het misdrijf mensenhandel, aldus mijn ambtgenoot Machielse.15

21. Het middel klaagt in de eerste plaats over de overweging van het hof dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van andere feitelijkheden, door met [betrokkene 1] een liefdesrelatie aan te gaan en door met haar samen te wonen, maar die ook inhielden dat hij haar van en naar haar werkplek bracht en dat hij controle en toezicht hield op haar prostitutiewerkzaamheden en de verdiensten daaruit. Deze overweging zou in strijd zijn met de vaststellingen van het hof dat al eerder sprake is geweest van een liefdesrelatie en dat de verdachte [betrokkene 1] “soms” naar haar werk bracht en haar “soms” ophaalde.

22. Tegen de achtergrond van de bewezenverklaring, die – voor zover hier relevant – inhoudt dat de verdachte met [betrokkene 1] een (liefdes)relatie is aangegaan en/of heeft onderhouden, zie ik niet in waarom de in het middel bedoelde overweging van het hof zich niet zou verhouden met de vaststelling van het hof dat de verdachte en [betrokkene 1] reeds voor aanvang van de bewezenverklaarde periode een relatie met elkaar hadden.16 Ik vermag evenmin in te zien waarom de aangevallen overweging in strijd zou zijn met de vaststelling van het hof dat de verdachte [betrokkene 1] soms naar haar werk bracht en haar soms ophaalde.17

23. Het middel klaagt in de tweede plaats over de overweging van het hof dat de meervoudige afhankelijkheid van [betrokkene 1] er onder meer uit heeft bestaan dat zij afkomstig is uit een land waar de economische omstandigheden slecht zijn, zij de Nederlandse taal niet machtig is en er sprake was van een ongelijkwaardige relatie tussen haar en de verdachte. Deze overweging zou onbegrijpelijk zijn in het licht van de omstandigheid dat ook de verdachte uit Bulgarije afkomstig is en ook hij, blijkens het feit dat hij door middel van een tolk is gehoord,18 de Nederlandse taal niet machtig is.

24. Voor zover de steller van het middel tot uitgangspunt neemt dat het hof heeft overwogen dat [betrokkene 1] afkomstig is uit een land waar de economische omstandigheden slecht zijn en zij de Nederlandse taal niet machtig is en dus sprake was van een ongelijkwaardige relatie tussen beiden, berust de klacht op een verkeerde lezing van de bestreden uitspraak. Hierbij neem ik in aanmerking dat het hof in het kader van de strafoplegging heeft overwogen dat de gevoerde (tap)gesprekken de ongelijkwaardige relatie tussen de verdachte en [betrokkene 1] “kenmerken”. Daaruit volgt dat het hof de ongelijkwaardige relatie niet (enkel) heeft afgeleid uit de omstandigheid dat [betrokkene 1] afkomstig is uit een land waar de economische omstandigheden slecht zijn en zij de Nederlandse taal niet machtig is. Ook voor het overige faalt de klacht. In het licht van de gebezigde bewijsmiddelen, die onder meer inhouden dat [betrokkene 1] uit Bulgarije afkomstig is en zowel de Nederlandse als de Engelse taal niet machtig is,19 is de in het middel bedoelde overweging van het hof niet onbegrijpelijk. Het hof heeft voorts uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat sprake was van een ongelijkwaardige relatie tussen beiden.20

25. Het middel klaagt in de derde plaats dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte [betrokkene 1] controleerde, hij haar inkomsten en werkomstandigheden regelde en zij haar verdiende geld in elk geval deels aan hem moest afstaan.

26. Het als bewijsmiddel 9 gebezigde tapgesprek houdt in dat de verdachte, op de vraag van [betrokkene 1] hoe hij aan geld denkt te komen, antwoordt dat zij het bij elkaar moet verzamelen, dat zij het gaat kopen en dat zij het hem rechtstreeks komt brengen als alles klaar is. De verdachte zegt haar dat zij naar de meiden van Fercho gaat, dat hij geen tegenspraak duldt en dat het moet gebeuren zoals hij het zegt. Het als bewijsmiddel 10 gebezigde tapgesprek houdt voorts in dat de verdachte eerst tegen [betrokkene 1] zegt dat zij 700 à 800 euro per dag moet verdienen en vervolgens dat zij als nieuw meisje op straat niet onder de 1000 moet vallen. De verdachte zegt voorts dat zij niet moet denken dat zij de trucjes van de zigeunerin van Fercho kan gebruiken dat er geen klanten zouden zijn. Hij zegt dat [betrokkene 1] er goed op moet letten wat zij doet en hoe zij werkt en dat, als zij het niet goed doet, haar erge dingen zullen overkomen. De verdachte zegt daarbij dat hij niet in de buurt van haar zal staan, maar dat hij zal weten wat er aan de hand is. De verdachte zegt voorts dat hij een jeep ter waarde van 20.000 euro wil en dat het mogelijk is dit bedrag binnen een maand op straat bij elkaar te verzamelen. In het licht hiervan heeft het hof uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de verdachte [betrokkene 1] controleerde, hij haar inkomsten en werkomstandigheden regelde en zij haar verdiende geld in elk geval deels aan hem moest afstaan.

27. Het middel klaagt voorts tevergeefs dat uit de bewijsmiddelen niet, althans niet zonder meer, kan volgen dat de verdachte [betrokkene 1] heeft bewogen hem te bevoordelen uit de opbrengsten van haar prostitutiewerkzaamheden en dat hij opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting van [betrokkene 1]. Ik volsta hier met een verwijzing naar de hiervoor onder 7 weergegeven bewijs-overwegingen van het hof onder het kopje “Sub 6 en 9”. De daarin door het hof in aanmerking genomen feiten en omstandigheden kunnen uit de bewijsmiddelen worden afgeleid.21 Die overwegingen geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zijn niet onbegrijpelijk.

28. Het middel klaagt tevens dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed, omdat het hof tapgesprekken tot het bewijs heeft gebezigd die op de laatste dag van de bewezenverklaarde periode (14 april 2014) zijn gevoerd. De steller van het middel betoogt dat het feit dat de verdachte in deze gesprekken ‘minder juist taalgebruik’ heeft gebezigd, bezwaarlijk kan dienen om te onderbouwen dat de verdachte in de voorafgaande periode [betrokkene 1] door deze uitlatingen heeft uitgebuit.

29. De door de steller van het middel bedoelde tapgesprekken houden onder meer in dat de verdachte tegen [betrokkene 1] zegt dat hij haar kop kapot zal slaan en haar uit het raam zal gooien,22 dat hij haar haren eruit zal trekken (waarna zij begint te huilen)23 en dat hij haar strot zal afsnijden, haar zal verneuken en haar op de muur zal slaan.24 Zoals ik hiervoor reeds opmerkte, heeft het hof overwogen dat de gevoerde gesprekken de ongelijkwaardige relatie tussen de verdachte en [betrokkene 1] kenmerken. Mede gelet hierop kan niet worden gezegd dat de bedoelde tapgesprekken niet redengevend zijn voor het bewijs van het onder 1 bewezen verklaarde. Ik wijs er voorts op dat het hof uit bewijsmiddel 10 heeft kunnen afleiden dat de verdachte ook reeds op 30 maart 2014 [betrokkene 1] met geweld heeft bedreigd, aangezien het desbetreffende tapgesprek inhoudt dat hij zegt de armen van [betrokkene 1] te zullen breken.

30. Ten slotte klaagt het middel over het oordeel van het hof dat onder ‘aanwerven’ in de zin van art. 273f, eerste lid onder 3°, Sr iedere daad valt waardoor een persoon wordt aangeworven teneinde die persoon in een ander land tot prostitutie te brengen, zonder dat hoeft te blijken dat de wijze van aanwerving de keuzevrijheid heeft beperkt. Dit oordeel zou getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, althans de bewezenverklaring zou op dit punt onvoldoende met redenen zijn omkleed. Ik begrijp deze klacht, mede in het licht van de toelichting,25 als volgt. Het bordeelverbod in Nederland is opgeheven. Omdat prostitutie als zodanig een legale bedrijfstak is, mogen daarvoor binnen de gehele Europese Unie meerderjarige vrouwen worden geworven. Art. 273f, eerste lid onder 3°, Sr stelt strafbaar, voor zover hier relevant, het aanwerven van personen met het oogmerk hen ertoe te brengen zich in een ander land beschikbaar te stellen tot – kort gezegd – prostitutie. Het strafbaar stellen van het aanwerven van meerderjarige vrouwen in een andere EU-lidstaat voor de prostitutie in Nederland is in strijd met het Unierecht, in het bijzonder het vrij verkeer van werknemers en personen en het discriminatieverbod, omdat het niet strafbaar is om personen in Nederland aan te werven voor de prostitutie in Nederland, aldus de steller van het middel. Subsidiair wordt de Hoge Raad verzocht prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

31. Daarover het volgende. De term ‘aanwerven’ in de zin van art. 273f, eerste lid onder 3°, Sr omvat iedere daad waardoor een persoon wordt aangeworven teneinde die persoon in een ander land tot prostitutie te brengen, zonder dat behoeft te blijken dat de wijze van aanwerving de keuzevrijheid heeft beperkt.26 Het dienovereenkomstige oordeel van het hof geeft dan ook geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de in de bewezenverklaring voorkomende term ‘aanwerven’, welke term aldaar kennelijk is gebruikt in de betekenis die daaraan toekomt in art. 273f, eerste lid, onder 3°, Sr. Hiermee is evenwel nog niet de vraag beantwoord of sprake is van de door de steller van het middel bedoelde strijd met het Unierecht. Voor de beantwoording van die vraag is het volgende van belang.

32. ‘ ‘Uitbuiting’ moet worden aangemerkt als een impliciet bestanddeel van art. 273f, eerste lid, onder 3°, Sr. De in dit onderdeel van deze bepaling omschreven gedragingen zijn alleen strafbaar als zij zijn begaan onder omstandigheden die uitbuiting veronderstellen. Dit brengt mee dat die gedragingen eerst dan als ‘mensenhandel’ kunnen worden bestraft indien uit de bewijsvoering volgt dat is voldaan aan voormelde voorwaarde.27 ‘s Hofs bewijsvoering wijst uit dat aan die voorwaarde is voldaan. Dit roept de vraag op of de verdachte zich in het kader van zijn door art. 273f, eerste lid onder 3°, Sr bestreken activiteiten kan beroepen op het Unierecht.

33. In dit verband is het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 december 2010 (Josemans/Burgemeester Maastricht) van belang.28 In die zaak ging het, kort gezegd, om het volgende. Josemans exploiteerde in Maastricht een coffeeshop waarin (onder meer) softdrugs werden verkocht en gebruikt. Deze coffeeshop viel onder het Nederlandse gedoogbeleid. De burgemeester heeft de coffeeshop tijdelijk gesloten verklaard nadat was geconstateerd dat niet-ingezetenen van Nederland tot de coffeeshop waren toegelaten, hetgeen in strijd was met de toenmalige APV van de gemeente Maastricht. Josemans keerde zich tegen die sluiting met een beroep op het Unierecht. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in die zaak aan het toenmalige Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen onder meer de volgende prejudiciële vraag gesteld:

Valt een regeling, zoals in de hoofdzaak aan de orde, omtrent de toegang van niet-ingezetenen tot coffeeshops, geheel of gedeeltelijk binnen de werkingssfeer van het EG-Verdrag, in het bijzonder het vrij verkeer van goederen en/of diensten, dan wel het discriminatieverbod van artikel 12 [EG] in samenhang met artikel 18 [EG]?

34. Het Hof van Justitie van de Europese Unie overwoog naar aanleiding van deze vraag het volgende:

3. De noodzaak van drugsbestrijding, met name door de illegale handel daarin tegen te gaan en door het gebruik van verdovende middelen alsmede drugsverslaving te voorkomen, is in meerdere handelingen en instrumenten van de Unie erkend.

(…)

35. Met betrekking tot de verkoop van cannabis is Josemans van mening dat deze activiteit binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt en dat de regeling aan de orde in het hoofdgeding in strijd is met het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit. De Burgemeester van Maastricht, alsmede de Nederlandse, de Belgische, de Duitse en de Franse regering stellen daarentegen dat de betrokken activiteit noch onder de verkeersvrijheden noch onder het non-discriminatiebeginsel valt, gelet op het verbod op de verkoop van verdovende middelen. (…)

36. In die context zij eraan herinnerd dat de schadelijkheid van verdovende middelen, waaronder hennepproducten, zoals cannabis, algemeen is erkend, zodat de verhandeling ervan in alle lidstaten verboden is, afgezien van een strikt gecontroleerd handelsverkeer ten behoeve van gebruik voor medische en wetenschappelijke doeleinden (…).

37. Deze rechtstoestand is in overeenstemming met verschillende internationale instrumenten waaraan de lidstaten hebben meegewerkt of waarbij zij zich hebben aangesloten (…).

39. Wat meer in het bijzonder het Unierecht betreft, bepaalt artikel 2, lid 1, sub a, van kaderbesluit 2004/757 dat iedere lidstaat de nodige maatregelen neemt opdat onder meer de volgende opzettelijke gedragingen bestraft worden wanneer daarvoor geen rechtvaardigingsgrond aanwezig is: het aanbieden, te koop stellen, distribueren, verkopen, afleveren, ongeacht de voorwaarden, en de verhandeling van drugs. (…)


41. Hieruit volgt dat verdovende middelen die zich niet in een door de bevoegde autoriteiten strikt gecontroleerd circuit ten behoeve van gebruik voor medische en wetenschappelijke doeleinden bevinden, wegens hun aard onder een volstrekt invoer- en verhandelingsverbod in alle lidstaten vallen (…).

42. Daar het verboden is om verdovende middelen die geen deel uitmaken van een dergelijk strikt gecontroleerd circuit, in het economische en commerciële circuit van de Unie te brengen, kan de houder van een coffeeshop zich met betrekking tot de activiteit van verkoop van cannabis niet met een beroep op de verkeersvrijheden of op het beginsel van non-discriminatie verzetten tegen een gemeentelijke regeling als die van het hoofdgeding.

(…)


Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:

1) Een houder van een coffeeshop kan zich in het kader van zijn activiteit van verkoop van verdovende middelen die geen deel uitmaken van het door de bevoegde autoriteiten strikt gecontroleerde circuit ten behoeve van gebruik voor medische en wetenschappelijke doeleinden, niet met een beroep op de artikelen 12 EG, 18 EG, 29 EG of 49 EG verzetten tegen een gemeentelijke regeling als die aan de orde in het hoofdgeding, waarbij wordt verboden, niet in Nederland woonachtige personen tot die inrichtingen toe te laten. (…)

35. Het Hof van Justitie oordeelde dus dat een coffeeshophouder zich in het kader van de verkoop van verdovende middelen niet kan beroepen op de verkeersvrijheden of het beginsel van non-discriminatie, zoals die worden gewaarborgd door het Unierecht.29 In dat verband overwoog het Hof van Justitie dat de noodzaak van drugsbestrijding in meerdere handelingen en instrumenten van de Unie is erkend en dat de handel in verdovende middelen (behoudens, kort gezegd, gebruik voor medische en wetenschappelijke doeleinden) in alle lidstaten is verboden, welke rechtstoestand in overeenstemming is met verschillende internationale instrumenten waaraan de lidstaten hebben meegewerkt of waarbij zij zich hebben aangesloten, en waarbij ook wordt gewezen op een kaderbesluit dat de lidstaten voorschrijft de nodige maatregelen te nemen om de handel in verdovende middelen te bestraffen.

36. Wat de bestrijding van mensenhandel betreft, zijn in het bijzonder de volgende Unierechtelijke bepalingen van belang:

- art. 5, derde lid, van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie:

Mensenhandel is verboden.”

- art. 83, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU):

Het Europees Parlement en de Raad kunnen volgens de gewone wetgevingsprocedure bij richtlijnen minimumvoorschriften vaststellen betreffende de bepaling van strafbare feiten en sancties in verband met vormen van bijzonder zware criminaliteit met een grensoverschrijdende dimensie die voortvloeit uit de aard of de gevolgen van deze strafbare feiten of uit een bijzondere noodzaak om deze op gemeenschappelijke basis te bestrijden.

Het betreft de volgende vormen van criminaliteit: (…) mensenhandel en seksuele uitbuiting van vrouwen en kinderen (…).

- overweging 1 van de considerans van Richtlijn 2011/36/EU:

Mensenhandel is een ernstig, vaak in het kader van georganiseerde misdaad gepleegd misdrijf, een grove schending van de fundamentele rechten en uitdrukkelijk verboden door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Het voorkomen en bestrijden van mensenhandel is een prioriteit voor de Unie en de lidstaten.”

- art. 1 van Richtlijn 2011/36/EU:

Deze richtlijn stelt minimumregels vast betreffende de omschrijving van strafbare feiten en straffen op het gebied van mensenhandel. (…)”

- art. 2, eerste en derde lid, van Richtlijn 2011/36/EU:

1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om de hierna volgende opzettelijke gedragingen strafbaar te stellen:

het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen van personen, daaronder begrepen de wisseling of overdracht van de controle over deze personen, door dreiging met of gebruik van geweld of andere vormen van dwang, door ontvoering, bedrog, misleiding, machtsmisbruik of misbruik van een kwetsbare positie of het verstrekken of in ontvangst nemen van betalingen of voordelen, teneinde de instemming van een persoon te verkrijgen die controle heeft over een andere persoon, ten behoeve van uitbuiting.

3. Uitbuiting omvat ten minste uitbuiting van prostitutie van anderen (…).

37. Uit het voorgaande volgt dat mensenhandel door het Unierecht uitdrukkelijk is verboden. In dit verband verdient opmerking dat het Hof van Justitie in de zaak Josemans heeft overwogen dat prostitutie door het internationale recht of door het Unierecht niet is verboden, behalve wanneer het mensenhandel betreft (rov. 77). Nu uit de bewijsvoering van het hof volgt dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan seksuele uitbuiting van [betrokkene 1], is in dezen geen sprake van legale prostitutie, maar van mensenhandel. Onder deze omstandigheden komt aan de verdachte geen beroep toe op de Unierechtelijke verkeersvrijheden of het beginsel van non-discriminatie. De daarop gegronde klacht faalt.

38. Mede in het licht van arrest van het Hof van Justitie in de zaak Josemans zie ik geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. Het daartoe strekkende subsidiaire verzoek dient te worden afgewezen.

39. Het middel faalt.

40. Het tweede middel bevat de klacht dat de strafoplegging onvoldoende met redenen is omkleed. Daartoe klaagt het middel dat het hof rekening heeft gehouden met een eerdere veroordeling in Frankrijk voor een soortgelijk delict, terwijl deze veroordeling niet uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie kan volgen, althans dat het hof onvoldoende blijk heeft gegeven te hebben onderzocht of die veroordeling onherroepelijk is.

41. Het hof heeft de strafoplegging, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, als volgt gemotiveerd:

Het hof heeft gezien een verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 17 augustus 2015 en houdt rekening met het feit dat verdachte eerder in Frankrijk is veroordeeld voor een soortgelijk delict (koppelarij met meerdere slachtoffers) als het onder 1 bewezen verklaarde feit.”

42. Het door het hof bedoelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 17 augustus 201530 vermeldt geen veroordeling in Frankrijk. Doordat het hof dit uittreksel in één adem noemt met de eerdere Franse veroordeling, wekt de strafmotivering bij eerste lezing de indruk dat het hof die veroordeling aan dat uittreksel heeft ontleend. Dat staat er evenwel niet en kennelijk heeft het hof dat ook niet bedoeld. Het hof heeft naar ik begrijp niet meer bedoeld te overwegen dan dat (1) het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 17 augustus 2015, en (2) het hof rekening houdt met de genoemde Franse veroordeling, zonder dat een verband bestaat tussen (1) en (2).

43. De officier van justitie heeft ter terechtzitting van de rechtbank op 11 november 2014, na het vorderen van een bewezenverklaring van mensenhandel en bedreiging, in het kader van de strafeis onder meer het volgende aangevoerd:31

Het is bovendien niet de eerste keer dat verdachte voor dergelijke feiten met justitie in aanraking komt. Uit een antwoord van 10 juli 2014 op een uitgaand rechtshulpverzoek aan Frankrijk is gebleken dat verdachte in Frankrijk is veroordeeld wegens koppelarij onder verzwarende omstandigheden ten aanzien van meerdere slachtoffers. Het vonnis is van 23 november 2009 en verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar en een verbod om het land gedurende tien jaar te betreden.

44. Het door de officier van justitie bedoelde antwoord van 10 juli 2014 op een rechtshulpverzoek aan Frankrijk bevindt zich, evenals een Nederlandse vertaling daarvan, bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken. Dit antwoord houdt in dat de verdachte onderwerp is geweest van een veroordeling op 23 november 2009 wegens koppelarij onder verzwarende omstandigheden. Daaraan is gehecht een uitdraai van het nationaal strafregister van de Afdeling Criminele Zaken en Gratie van het Franse Ministerie van Justitie van 10 juli 2014. Deze uitdraai ten name van de verdachte vermeldt een veroordeling op tegenspraak door de Correctionele Rechtbank van Nice van 23 november 2009 ter zake van “KOPPERLARIJ ONDER VERZWARENDE OMSTANDIGHEDEN: MEERDERE SLACHTOFFERS (…)” waarbij de verdachte werd veroordeeld tot onder meer een jaar gevangenisstraf. De uitdraai vermeldt voorts: “18/07/2010: straf uitgevoerd”.

45. Het lijdt geen twijfel dat het hof de in zijn strafmotivering genoemde Franse veroordeling heeft ontleend aan het hiervoor weergegeven antwoord op het rechtshulpverzoek. Het hof heeft voorts kennelijk uit de vermelding “18/07/2010: straf uitgevoerd” afgeleid dat die veroordeling onherroepelijk is geworden. Dat is niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat door of namens de verdachte niet is aangevoerd dat die veroordeling niet in kracht van gewijsde is gegaan, terwijl de Franse veroordeling zowel in eerste aanleg als in hoger beroep in het kader van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte onderwerp van bespreking is geweest,32 en de bedoelde uitdraai van 10 juli 2014 geen aanknopingspunt biedt voor een aangewend rechtsmiddel.

46. Het middel faalt.

47. De middelen falen. Het tweede middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

48. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Machielse (ECLI:NL:PHR:2012:BU4004, onderdeel 3.9) voorafgaand aan HR 17 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU4004, NJ 2012/68.

2 HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, NJ 2010/598, m.nt. Buruma, rov. 2.4.1.

3 Handelingen II 1986/87, p. 3494

4 Voluit: Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan, en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad (PbEU L 101).

5 Kamerstukken II 2011/12, 33 309, nr. 3, p. 16.

6 Kamerstukken II 1988/89, 21 027, nr. 3, p. 3-4 en 8.

7 Kamerstukken II 1988/89, 21 027, nr. 3, p. 4.

8 Handelingen II 1987/88, u.c.v. nr. 32, p. 20. Zie ook Handelingen II 1986/87, p. 3494.

9 Kamerstukken I 1992/93, 21 027, nr. 54, p. 6 en 8. Zie ook Kamerstukken II 1990/91, 21 027, nr. 5, p. 2-3.

10 Volgens een bericht van het CBS, dat zich baseert op voor koopkracht gecorrigeerde cijfers van het Europese statistiekbureau Eurostat, behoorde Nederland in 2014 tot de meest welvarende landen in de EU. De omvang van de Nederlandse economie (het bbp) per hoofd van de bevolking bedroeg 131 procent van het EU-gemiddelde, terwijl Roemenië en Bulgarije onderaan de ranglijst staan met respectievelijk 55 en 47 procent van het bbp per hoofd in de EU. Zie: https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2015/50/nederland-zakt-naar-derde-plek-eu-ranglijst-bbp-per-hoofd.

11 Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen, Monitor Mensenhandel. Cijfers mogelijke slachtoffers 2011-2015, Den Haag: Nationaal Rapporteur 2016, p. 28 (tabel 4.1). Zie p. 7-8 voor een uitleg van het begrip ‘mogelijke slachtoffers’.

12 Kamerstukken II 2011/12, 33 309, nr. 3, p. 16, waarin nog wordt gesproken van ‘misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht’.

13 Kamerstukken II 2011/12, 33 309, nr. 3, p. 16.

14 HR 18 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1788, NJ 2000/443, rov. 3.3.1.

15 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Machielse (ECLI:NL:PHR:2012:BU4004, onderdeel 3.9) voorafgaand aan HR 17 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU4004, NJ 2012/68.

16 Zie bewijsmiddelen 1 en 19.

17 Zie bewijsmiddelen 4, 5 en 16.

18 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 7 september 2015 (p. 3) houdt in dat de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst en het onderzoek daarom plaatsvindt met bijstand van een tolk in de Bulgaarse taal.

19 Zie bewijsmiddel 13.

20 Zie in het bijzonder bewijsmiddelen 9, 10 en 20-26.

21 Zie in het bijzonder bewijsmiddelen 3, 6 en 12.

22 Bewijsmiddel 20.

23 Bewijsmiddel 23.

24 Bewijsmiddel 25.

25 Onder 1.13, 1.18 en 1.19.

26 Vgl. HR 18 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1788, NJ 2000/443, rov. 3.3.3.; HR 10 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:670, NJ 2015/443, m.nt. Klip, rov. 3.4.

27 HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:857, NJ 2016/314, rov. 2.4.1-2.4.2.

28 HvJ EU 16 december 2010, nr. C-137/09, ECLI:EU:C:2010:774, NJ 2011/290, m.nt. Klip.

29 Zie ook de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in de zaak Josemans, gewezen na de beantwoording van de prejudiciële vragen: ABRvS 29 juni 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ9684, rov. 2.7.2.

30 Dit uittreksel is door de strafgriffie van de Hoge Raad opgevraagd bij het hof naar aanleiding van een verzoek van de raadsman aan de rolraadsheer tot completering van het dossier.

31 Zie pagina 12 van het schriftelijke requisitoir.

32 Zie de processen-verbaal van de terechtzittingen van de rechtbank van 11 november 2014 (p. 4) en van het hof van 7 september 2015 (p. 9-10). Nadat de officier van justitie ter terechtzitting van 11 november 2014 melding had gemaakt van de Franse veroordeling, heeft de raadsman medegedeeld dat hij dit kort wilde bespreken met de verdachte. Het onderzoek werd vervolgens voor enkele ogenblikken onderbroken. Uit het proces-verbaal blijkt niet dat de verdachte of de raadsman na de hervatting van het onderzoek nog iets hebben opgemerkt over de Franse veroordeling.