Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1276

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-10-2016
Datum publicatie
21-12-2016
Zaaknummer
15/04435
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2908, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 285a Sr. Beïnvloeden van een getuige door het geven van juridische voorlichting of juridisch advies? HR herhaalt ECLI:NL:HR:2010:BM4212, ECLI:NL:HR:2005:AT7093 en ECLI:NL:HR:2008:BC7910. Het middel miskent dat het geven van juridische voorlichting of juridisch advies nimmer ertoe kan of mag strekken dat iemand in zijn verklaringsvrijheid wordt beknot. Het Hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat van juridische voorlichting of juridisch advies a.b.i. het middel i.c. geen sprake was. Samenhang met 15/04458

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 15/04435

Zitting: 11 oktober 2016

Mr. D.J.C. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is bij arrest van 21 september 2015 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens 1, 2 en 3 telkens “mensenhandel, meermalen gepleegd” en 4. “opzettelijk mondeling zich jegens een persoon uiten, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en zes maanden met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.

2. De onderhavige zaak hangt samen met de zaak met nr. 15/04458, waarin ik vandaag eveneens concludeer.

3. Het beroep is ingesteld namens de verdachte. Blijkens de daarvan opgemaakte akte is het beroep in cassatie niet gericht tegen “de gegeven vrijspraken onder parketnummer 21-007250-14”. Nu het hierbij niet gaat om een beperking van het cassatieberoep tot beslissingen over (cumulatieve, alternatieve en/of primaire) onderdelen van de tenlastelegging waarin een zelfstandig strafrechtelijk verwijt is omschreven, moet aan deze beperking worden voorbijgegaan.1

4. Namens de verdachte heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

5. Het eerste middel behelst de klacht dat het onder 1 en 2 bewezenverklaarde, voor zover inhoudende dat de verdachte misbruik heeft gemaakt van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of misbruik heeft gemaakt van een kwetsbare positie, niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Het middel klaagt ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde ten tweede dat niet uit de bewijsmiddelen kan volgen dat de verdachte [betrokkene 1] heeft laten doorwerken terwijl zij een blaasontsteking en een bloeding had.

6. Ten laste van de verdachte is onder 1 en 2 bewezen verklaard dat:

1.

hij op één of meer tijdstippen in de periode van 17 juni 2010 tot en met 03 april 2014 te Utrecht en/of elders in Nederland telkens,

- een ander, te weten [betrokkene 1], door feitelijkheden en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie, heeft vervoerd, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van [betrokkene 1] en/of

(sub 1)

- [betrokkene 1] door feitelijkheden en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard en/of

(sub 4)

- opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting van [betrokkene 1] en/of

(sub 6)

- [betrokkene 1] door feitelijkheden en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft bewogen verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van haar, [betrokkene 1], seksuele handeling(en) met of voor (een) derde(n),

(sub 9)

immers heeft/is verdachte telkens

- met [betrokkene 1] een liefdesrelatie aangegaan en/of

- [betrokkene 1] naar haar werkplek(ken) laten brengen of van haar werkplek(ken) laten ophalen en/of

- [betrokkene 1] als prostituee laten werken en/of toegezien op (een minimum aan) (de) inkomsten van [betrokkene 1] als prostituee en/of

- [betrokkene 1] door heeft laten werken terwijl ze een blaasontsteking en bloedingen had en/of

- [betrokkene 1] in de gaten gehouden of in de gaten laten houden en/of middels bel-/sms-contact gecontroleerd en/of gedirigeerd en aldus de keuze-/bewegingsvrijheid van [betrokkene 1] als prostituee ingeperkt en/of
- misbruik gemaakt van de toestand/positie waarin voornoemde [betrokkene 1] verkeerde, aangezien [betrokkene 1] de Nederlandse taal niet machtig was en/of

- [betrokkene 1] als prostituee laten werken en (het) door [betrokkene 1] met/in de prostitutie verdiende geld geheel of gedeeltelijk door [betrokkene 1] aan hem, verdachte, doen afdragen.

2.

hij op één of meer tijdstippen in de periode van 30 maart 2012 tot en met 03 april 2014 te Utrecht en/of (elders) in Nederland (telkens),

- een ander, te weten [betrokkene 2], door feitelijkheden en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie, heeft vervoerd en/of gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van [betrokkene 2] en/of

(sub 1)

- [betrokkene 2] door feitelijkheden en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard en/of

(sub 4)

- opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting van [betrokkene 2] en/of

(sub 6)

- [betrokkene 2] door feitelijkheden en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht heeft bewogen verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van haar, [betrokkene 2], seksuele handelingen met of voor (een) derde(n),

(sub 9)

immers heeft/is verdachte telkens

- met [betrokkene 2] een seksuele relatie is aangegaan en/of

- [betrokkene 2] naar haar werkplekken gebracht en/of laten brengen of van haar werkplekken opgehaald en/of laten ophalen en/of

- [betrokkene 2] als prostituee laten werken en/of toegezien of laten toezien op (een minimum aan) (de) werktijd(en) en (de) inkomsten van [betrokkene 2] als prostituee en/of

- [betrokkene 2] in de gaten gehouden of in de gaten laten houden en/of middels bel-/sms-contact gecontroleerd en/of gedirigeerd en (aldus) de keuze-/bewegingsvrijheid van [betrokkene 2] als prostituee ingeperkt en/of
- [betrokkene 2] als prostituee laten werken en (het) door [betrokkene 2] met/in de prostitutie verdiende geld geheel of gedeeltelijk onder zich genomen/gehouden en/of door [betrokkene 2] aan hem, verdachte, doen afstaan en/of doen afdragen.”

Deze bewezenverklaringen steunen op de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de aanvulling op het arrest als bedoeld in art. 365a Sv.

7. Het hof heeft onder het kopje “Overweging met betrekking tot het bewijs” geen afzonderlijke overwegingen gewijd aan het bewijs van de in het middel bedoelde bestanddelen van art. 273f Sr.2 Wel heeft het hof in het kader van de strafoplegging overwogen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan mensenhandel gepleegd jegens twee Bulgaarse vrouwen, onder wie zijn echtgenote, en een Roemeense vrouw.3 Nadat het hof is ingegaan op de situatie waarin het slachtoffer van het onder 3 bewezen verklaarde verkeerde, heeft het onder meer het volgende overwogen:

Ten aanzien van de twee andere vrouwen kan worden vastgesteld dat verdachte misbruik heeft gemaakt van de kwetsbare positie waarin zij verkeerden. Verdachte had voortdurend bemoeienis met hun prostitutie-werkzaamheden. Zo heeft hij één van zijn slachtoffers zelfs laten werken terwijl zij een blaasontsteking had en bloed plaste. De onevenwichtige relatie tussen verdachte en zijn slachtoffers maakte hen bovendien zeer kwetsbaar. Verdachte werkte zelf niet en had geen inkomsten, maar leefde van het geld dat de slachtoffers verdienden. De positie van beide vrouwen was geenszins vergelijkbaar met die van een mondige Nederlandse prostituee en zij werden door verdachte in feite belemmerd in hun keuze om in vrijheid te bepalen of zij het werk wilden voortzetten of er mee wilden ophouden, al is niet gebleken van dwang.”

8. Ik vang aan met een bespreking van de tweede klacht, namelijk de stelling dat niet uit de bewijsmiddelen kan volgen dat de verdachte [betrokkene 1] heeft laten doorwerken terwijl zij een blaasontsteking en een bloeding had. Hiertoe zijn de volgende bewijsmiddelen van belang:

27. Een geschrift, te weten de uitwerking van een tapgesprek d.d. 01-04-14 20:36:05, tussen NNman4590A (het hof begrijpt: de gebruiker van een telefoonnummer eindigend op 4590 (verdachte)) en de gebruiker van telefoonnummer [001] ([betrokkene 1]) inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 812):

A: Vandaag zal ik niet neuken!

H: Waarom?

A: omdat ik een blaasontsteking heb opgelopen en ik bloed...

H: Wie heeft dit tegen jou gezegd?

A: De arts zei dit tegen me en ik heb bloed in de urine toen ik urine gaf voor onderzoek. En ik kreeg antibioticum...

H: Aa... wat een pech hebben wij! Wij zien wel... Jij bloed maar...

28. Een geschrift, te weten de uitwerking van een tapgesprek d.d. 01-04-14 23:18:17, tussen NNman4590A (het hof begrijpt: de gebruiker van een telefoonnummer eindigend op 4590 (verdachte)) en de gebruiker van telefoonnummer [001] ([betrokkene 1]) inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 818):


A: Ik heb spijt dat ik gekomen ben...

H: Waarom?

A: Omdat ik kan niet werken. Halyo, als ik plas moet ik huilen Ik bloed, heb ik jou verteld...

H: Hoe is dit ontstaan?

A: Door verkoudheid en viezigheid... Dat is een bacterie die mijn vlees eet...

van binnen...

H: Jij hebt blaasontsteking opgelopen.

A: Ja. Ik moet wel huilen als ik plas.

(…)

A: Ja. Het doet heel erg pijn... Laat maar zwijgen over neuken...

H: Dat...

A: Als ik zit doet het pijn. Goed dat ik NUROFEN heb geslikt zodat ik kan staan. Het doet pijn.

H: Hebben zij jou antibioticum gegeven?

A: Ik kreeg wel antibioticum maar die begint effect te hebben pas op de derde dag
H: Mooi dan. Doei!


(…)

32. Een proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle d.d. 11 november 2014, inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:


Ik ben getrouwd met [betrokkene 1]. (...) Ik kan mij het telefoongesprek dat wij voerden toen zij blaasontsteking had nog goed herinneren. (...) Ik heb haar klachten niet serieus genomen. (...)

9. Ik begrijp de klacht aldus dat uit de mededeling van [betrokkene 1] “vandaag zal ik niet neuken” kan worden afgeleid dat [betrokkene 1] tijdens haar blaasontsteking en bloedingen niet als prostituee heeft gewerkt.

10. De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen houden in dat [betrokkene 1] die mededeling op 1 april 2014 om 20:36 uur heeft gedaan, dat de verdachte daarop reageerde met de woorden “jij bloedt maar”, dat [betrokkene 1] die avond om 23:18 uur zegt dat zij spijt heeft dat zij is gekomen en dat het goed is dat zij Nurofen heeft geslikt zodat zij kan staan en dat de verdachte zegt: “Mooi dan. Doei!” De tot het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte houdt voorts in dat hij de klachten van [betrokkene 1] niet serieus heeft genomen. Het kennelijke oordeel van het hof dat uit deze bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte mw. [betrokkene 1] heeft laten doorwerken terwijl zij een blaasontsteking en bloedingen had, is dan ook geenszins onbegrijpelijk.

Daarbij merk ik ten overvloede nog op dat in de door de steller van het middel bedoelde mededeling van [betrokkene 1] dat zij niet zal neuken in elk geval niet besloten ligt dat zij geen andere prostitutiewerkzaamheden heeft verricht. Deze klacht faalt.

11. Thans kom ik toe aan de eerste klacht van het middel, dat de in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende bestanddelen ‘misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht’ en ‘misbruik van een kwetsbare positie’ te berde brengt. Deze termen zijn in de tenlastelegging (en in de bewezenverklaring) kennelijk gebezigd in de betekenis die daaraan toekomt in art. 273f Sr. Teneinde beter zicht te krijgen op de betekenis van deze bestanddelen, zal ik hieronder enkele beschouwingen wijden aan de wetsgeschiedenis.

12. Art. 273a (oud) Sr is op 1 januari 2005 in de plaats gekomen van art. 250a (oud) Sr, dat op zijn beurt art. 250ter (oud) Sr verving. Met ingang van 31 augustus 2006 is art. 273a (oud) Sr vernummerd tot art. 273f Sr. De totstandkomingsgeschiedenis van en de rechtspraak met betrekking tot art. 250a (oud) Sr en art. 250ter (oud) Sr hebben daarom niet hun belang verloren.4

13. In dit verband verdient opmerking dat art. 250ter (oud) Sr en art. 250a (oud) Sr het bestanddeel ‘misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht’ kenden. Art. 273a (oud) Sr en art. 273f Sr spreken daarentegen van ‘misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht’. Uit de parlementaire geschiedenis van deze bepalingen blijkt niet dat de wetgever met dit verschil in terminologie een wijziging in de betekenis en de reikwijdte van deze bestanddelen heeft beoogd. De parlementaire stukken bieden eerder aanwijzingen voor het tegendeel. Zo heeft de toenmalige minister van Justitie Korthals Altes met betrekking tot art. 250ter (oud) Sr reeds beide begrippen door elkaar gebruikt,5 terwijl de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot implementatie van Richtlijn 2011/36/EU6 – met voorbijgaan aan de genoemde wijziging in terminologie – vermeldt dat art. 273f Sr ‘misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht’ erkent als middel waarmee de keuzevrijheid van het slachtoffer wordt geschonden.7

14. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot art. 250ter (oud) Sr houdt in dat misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht wordt verondersteld indien de prostituee in een situatie verkeert of komt te verkeren die niet kan worden gelijkgesteld met de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren. Maatstaf is aldus of de betrokkene verkeert in een situatie waarin een onafhankelijke zelfstandige opstelling mogelijk is, vergelijkbaar met de opstelling van een mondige Nederlandse prostituee. Met ‘mondig’ wordt in dit verband gedoeld op een zekere rijpheid die de betrokkene in staat stelt de gevolgen van zijn of haar handelen te overzien en zelfstandig beslissingen te nemen.8

15. Er wordt hierbij een objectivering van de term ‘misbruik’ beoogd, waarmee bescherming wordt geboden aan personen die in de seksindustrie in een uitbuitingssituatie werkzaam zijn. De memorie van toelichting houdt in dat de hier bedoelde uitbuitingssituatie zich nogal eens zal voordoen ten aanzien van onder anderen personen die uit het buitenland komen.9

16. De wetgever heeft hierbij in het bijzonder gedacht aan personen die afkomstig zijn uit ontwikkelings- of derdewereldlanden. Naar de opvatting van de toenmalige minister Korthals Altes was, juist wanneer het gaat om vrouwen uit het buitenland, vooral als zij afkomstig zijn uit ontwikkelingslanden met een veel lager welvaartspeil, al gauw sprake van misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht.10 In de memorie van antwoord is opgemerkt dat een nauwe relatie bestaat tussen de uitbuitingssituatie van buitenlandse vrouwen en hun afkomst uit in het bijzonder derdewereldlanden. Omdat zij in een economisch afhankelijke en kwetsbare positie verkeren, lopen zij een verhoogd risico om door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht slachtoffer te worden van mensenhandel.11

17. Hoewel de wetgever dus in het bijzonder het oog heeft gehad op personen die afkomstig zijn uit ontwikkelings- of derdewereldlanden, meen ik dat ook bij prostituees die afkomstig zijn uit voormalige Oostbloklanden, zoals Roemenië en Bulgarije, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht al snel in beeld komt. Ook dit zijn landen met een significant lager welvaartspeil dan Nederland,12 zij het dat de economische situatie in die landen minder nijpend is dan in ontwikkelingslanden. Opmerking verdient in dit verband dat gemeten over de periode 2011-2015 de Roemeense en Bulgaarse nationaliteiten, na de Nederlandse, de meest voorkomende nationaliteiten zijn van de door het Coördinatiecentrum Mensenhandel geregistreerde mogelijke slachtoffers van seksuele uitbuiting in Nederland.13

18. De bestanddelen ‘misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht’ en ‘misbruik van een kwetsbare positie’ overlappen elkaar grotendeels. De minister heeft erop gewezen dat uit de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie volgt dat aan beide bestanddelen een ruime betekenis wordt gegeven en dat zij ruime bescherming beogen te bieden aan slachtoffers.14

19. Art. 273f, zesde lid, Sr luidt met ingang van 15 november 2013 aldus, dat onder ‘kwetsbare positie’ mede wordt begrepen een situatie waarin een persoon geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze heeft dan het misbruik te ondergaan. Deze omschrijving van het begrip ‘kwetsbare positie’ is ontleend aan art. 2, tweede lid, van Richtlijn 2011/36/EU. Om te voorkomen dat de definitie van de Richtlijn een beperkende werking zou hebben, is in art. 273f, zesde lid, Sr gekozen voor de bewoordingen ‘mede begrepen’. De minister heeft terecht opgemerkt dat de omschrijving uit de Richtlijn de ondergrens vormt en het de lidstaten vrij staat om slachtoffers van mensenhandel een ruimere strafrechtelijke bescherming te bieden.15

20. Ten slotte verwijs ik op dit punt naar – samenvattende – rechtspraak. De wetgever heeft bij ‘misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht’ naar het oordeel van de Hoge Raad het oog gehad op het brengen van een ander in een afhankelijke situatie waarin deze in diens keuzevrijheid wordt beperkt.16 De belemmering van de mogelijkheid een bewuste keuze te maken vanwege (bijvoorbeeld) misbruik van overwicht, is voldoende voor het bewijs van het misdrijf mensenhandel, aldus mijn ambtgenoot Machielse.17

21. Terug naar de onderhavige zaak. De klacht dat het misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en het misbruik van een kwetsbare positie niet uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid, moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van het voorgaande. In dit verband is van belang dat het hof heeft vastgesteld dat [betrokkene 1] afkomstig is uit Bulgarije en de Nederlandse taal niet machtig is (bewijsmiddelen 1 en 2). De als bewijsmiddel 33 gebezigde verklaring van [betrokkene 2] houdt onder meer in: “Ik heb in Roemenië de Algemene school gedaan, erna niks meer. (…) In Roemenië met een normale baan kan je niet rondkomen.”

22. De steller van het middel betoogt (niettemin) dat uit de bewijsmiddelen volgt dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] mondige vrouwen waren die in staat waren zelf te kiezen of zij al dan niet prostitutiewerkzaamheden zouden verrichten. Daartoe wordt een beroep gedaan op een aantal in de bewijsmiddelen opgenomen uitlatingen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Ik merk hierbij op dat het beroep op het als bewijsmiddel 43 gebezigde sms-bericht faalt, reeds omdat de steller van het middel ten onrechte ervan uitgaat dat dit bericht door [betrokkene 2] is verzonden.18

23. Hiervoor heb ik uiteengezet dat het hof uit de bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden dat de verdachte [betrokkene 1] heeft laten doorwerken terwijl zij een blaasontsteking en bloedingen had. De in de toelichting op het middel betrokken stelling dat [betrokkene 1] als mondige vrouw de zelfbeschikking over haar eigen lichaam uitoefende, mist dan ook feitelijke grondslag.

24. Het als bewijsmiddel 46 gebezigde tapgesprek d.d. 22 maart 2014 houdt in dat de verdachte tegen [betrokkene 2] zegt dat zij voor de auto’s moet gaan staan om die te dwingen te stoppen, zij niet moet slapen, zij haar ogen goed open moet houden, zij moet zorgen dat zij werk krijgt en zij hem moet bellen als zij gewerkt heeft. Bewijsmiddel 71 houdt in dat [betrokkene 2] vanaf 10 maart 2014 tot en met 25 maart 2014, op één dag na, iedere avond van omstreeks 19:00 uur tot omstreeks 01:00 uur heeft gewerkt op de tippelzone aan de Europalaan in Utrecht, hetgeen onder andere blijkt uit het feit dat [betrokkene 2] dan wel [betrokkene 1] doorgeeft hoeveel klanten [betrokkene 2] heeft gehad en hoe druk het is, alsmede dat uit historische mastgegevens van de Europalaan in Utrecht blijkt dat sinds 3 september 2013 bijna iedere dag één of meerdere keren per avond/nacht contact is geweest tussen de telefoontoestellen in gebruik bij [betrokkene 2] en de verdachte. Het hof heeft voorts uit de bewijsmiddelen (zie in het bijzonder bewijsmiddelen 40, 41 en 70) niet onbegrijpelijk afgeleid dat de verdachte kon beschikken over het door [betrokkene 2] verdiende geld.

25. Gelet op het voorafgaande heeft het hof uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] niet verkeerden in een situatie waarin een onafhankelijke zelfstandige opstelling mogelijk is, vergelijkbaar met de opstelling van een mondige Nederlandse prostituee. In dit verband heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat uit de door de steller van het middel aangehaalde uitlatingen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2], in het licht van de overige inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, niet volgt dat zij mondige vrouwen waren die in staat waren zelf te kiezen of zij al dan niet prostitutiewerkzaamheden zouden verrichten. Het oordeel van het hof dat zij door de verdachte werden belemmerd in hun keuze om in vrijheid te bepalen of zij het werk wilden voortzetten of ermee wilden ophouden, is voorts niet onbegrijpelijk. Het hof heeft het misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en het misbruik van een kwetsbare positie dan ook uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden.

26. Ik merk hierbij nog op dat de steller van het middel tevergeefs aanvoert dat het gaat om meerderjarige vrouwen die reeds in de prostitutie werkzaam waren. Ten aanzien van meerderjarigen geldt dat vrijwilligheid ontbreekt indien de prostituee niet of slechts in verminderde mate de mogelijkheid heeft een bewuste keuze te maken met betrekking tot het al dan niet voortzetten van zijn of haar relatie met de exploitant, hetgeen niet anders is indien de relatie aanvankelijk op vrijwillige basis werd aangegaan.19 Het hof heeft niet onbegrijpelijk geoordeeld dat daarvan in dezen sprake is geweest. De omstandigheid dat een slachtoffer van mensenhandel reeds eerder in de prostitutie werkzaam was, behoeft bovendien geen aanwijzing te zijn voor vrijwilligheid en het ontbreken van een uitbuitingssituatie.20

27. Het middel faalt.

28. Het tweede middel keert zich tegen het onder 4 bewezen verklaarde. Het middel bevat in de eerste plaats de klacht dat de bewezenverklaring, voor zover inhoudende “terwijl hij verbleef op het politiebureau te Den Haag en in beperkingen zat”, niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Het middel klaagt in de tweede plaats dat het bewezen verklaarde, voor zover inhoudende dat de verdachte tegen [betrokkene 1] heeft gezegd dat zij zich moet beroepen op haar zwijgrecht, geen strafbaar feit behelst en het hof de verdachte in zoverre ten onrechte strafbaar heeft geacht.

29. Ten laste van de verdachte is onder 4 bewezen verklaard dat:

hij op 8 april 2014 te Den Haag zich opzettelijk mondeling jegens [betrokkene 1] heeft geuit, kennelijk om haar vrijheid om naar waarheid (…) of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij, verdachte, wist of ernstige reden had te vermoeden dat die verklaring zou worden afgelegd, immers heeft hij, verdachte, terwijl hij verbleef op het politiebureau te Den Haag en in beperkingen zat, opzettelijk telefonisch tegen [betrokkene 1] gezegd dat zij zich moet beroepen op haar zwijgrecht en dat ze alle kaarten van de telefoon moet weggooien en dat ze niet moet bevestigen dat het zijn, verdachtes, telefoonnummer is.”

30. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

114. Een geschrift, te weten de uitwerking van een tapgesprek d.d. 08-04-14 20:26:40, tussen de gebruiker van een telefoonnummer [001] ([betrokkene 1] (het hof begrijpt: [betrokkene 1]) en de gebruiker van telefoonnummer [002] (het hof begrijpt: verdachte [verdachte]), inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 932):

Onderwerp: 261 [verdachte] belt vanuit hvb te Den Haag naar [betrokkene 1]

(A) wgd [verdachte] (H)

A: Ja ik hoor jou..

H: Jullie moeten helemaal niet praten.. helemaal niks zeggen.. je moet niks zeggen..! Hoor je mij?

A: Ja ik heb het gehoord..!

H: Helemaal niks.. helemaal niks...Zij zullen jullie hoe dan ook ophalen en proberen te laten praten maar helemaal niks zeggen.. helemaal niks zeggen/praten..!

A: Ik begrijp het..!

H: Maar helemaal niks he...Wanneer zij komen moet je dus helemaal niet praten..

A: In orde..!

H: Je moet ook helemaal nergens ondertekenen/je handtekening plaatsen..! Begrijp je het?

A: Ik begrijp het..!

(...)

H: En verder.. dinges... dat dinges... Ehh...Wanneer er daar over gesproken wordt, over dat gene dat is helemaal niet van mij... jullie moeten daarover helemaal geen antwoord op geven. Jullie moeten helemaal nergens antwoord opgeven. zij zullen jullie oproepen/op laten halen...! Begrijpen jullie het? Als zij willen over mijn dingessen.. ehh.. hoor je mij?

A: Ja ik hoor jou..!

H: Je moet zeggen dat je het niet weet..! Dat je het niet weet.. dat je het niet weet..! Welke mijn nummer is en zo, zeg gewoon dat je het niet weet.. Dinges..

A: ..(huilt)..!

H: Jullie weten het gewoon niet, luister naar mij, jullie beiden weten het gewoon niet..!

A: Ik begrijp het..!

H: Jullie moeten gewoon helemaal niks zeggen... Je moet gewoon helemaal geen woord opnoemen/zeggen... Je moet gewoon zeggen dat je niet wil praten. Zij zullen jullie op laten halen. Als jullie het op deze wijze gaan doen dan zal ik vrijkomen..!

A: Ik begrijp het..!

H: Het is nodig dat jullie dinges doen, hoor je mij?

A: Ja..!

(....)

H: Dat gene is niet van mij... Dat is niet van mij... Je moet gewoon zeggen: Dit zijn wij niet… niks meer en minder... Zowel jij als zij..! Gewoon dit zo zeggen en niks meer..! Zij kunnen niks doen, klaar..! wanneer er een woord gezegd wordt, dus dat gene van mij zou zijn, dat dinges dan is het klaar.. Dan zal ik zeker binnen vast blijven zitten..!

Begrijpen jullie het?

A: Ik begrijp het..

H: Niks.. zij kunnen jullie niks maken .. Begrijp je het?

A: Ik begrijp het..! (...)

H: (…) jullie moeten zeggen: Wij willen niet praten. Jullie moeten helemaal niet praten en ook niet nergens onderteken...! Wat zij ook willen zeggen dan nog, moeten jullie beslist niet praten of iets zeggen..! In orde?

A: In orde! (…)

H: Ha...jullie moeten jullie geen zorgen maken maar nogmaals Wanneer jullie niks zeggen, kunnen zij ook niks maken..! Jullie moeten helemaal nergens antwoord op geven.. Zij zullen veel vragen.. zij zullen heel veel gaan vragen op verschillende wijze blijven proberen, maar nogmaals jullie moeten nergens antwoord op geven...niks meer of minder..!

A: In orde..

H: Ook jij ehh... helemaal niks zeggen, ook niet over Grilll

A: Goed.. (...)

H: Einde oefening! Jullie dingessen ... niets... Als men niet vertelt, als men niet ondertekent... kunnen zij me niets doen... Ook als zij me voor de rechtzaak halen/voor de rechter slepen...

A: Goed... (zucht).

H: En die dinges.., gooien jullie ze weg! Gooi jij die dinges weg en zij moet ze weggooien! En dan zeg jij “Deze dingen zijn niet van ons”... Jij zegt dat en zij ook. “Dit is niet zijn nummer” zeg Jij. Hoor jij me! [betrokkene 1]?

A: Ja.

H: Zij hebben alleen dit... de telefoongesprekken…dat hebben zij alleen... Niets anders... jullie praten te veel via de telefoons... stomme dingen... Zie jij van stomme dingen wat voor pech op ons hoofd kwam... Hoor jij me? (...) jullie moeten op niets antwoord geven... Begrijp jij me?

A: Ja.

(...) H: Jullie worden veel verhoord… maar als jullie dit doen.., ben ik hier uit! Ik heb niets misdaan. En zo. Zij zullen dit en dat, aan jullie laten luisteren... Luister jij?

H: Zij zullen dit en dat laten horen. “Dat zijn wij niet” Einde! “Dat ben ik niet... Dat zijn wij niet!“ Nee... jij zal geen antwoord geven op niets... Niet “Dat ben ik niet... Dat zijn wij niet! “ “Ik zal zwijgen...Ik zal zwijgen... Hij is mijn man…”Zij is jouw vriendin… en is onze vriendin... Ik zal nu ophangen (...) Iets anders ...jullie moeten niet bevestigen dat dit mijn telefoonnummer is. dat is niet mijn telefoonnummer... is dat duidelijk?

A: Ja.

H: Dat moet niet bevestig zijn, [betrokkene 1]! Zij zullen dit en dat afspelen...

A: Jouw advocaat, daar zal ik mijn nieuwe nummer aan geven... een nieuwe voor 10 euro...Ik begrijp het..

H: Zij mogen afluisteren! Gooi deze kaarten! Waarom gooien jullie niet die kaarten... Gooi deze kaart ook jij! (…)

H: (...) Doe vervangen alles.., en neem dinges... gooi deze dingen... (...)

H: (...) jij hebt het recht te zwijgen... Dat is wat zij als eerste tegen jou zeggen... Dus dat zwijgrecht heb je en dat is het. Als jij iets zegt dan gaan zij daarop ingaan... van zo een ding... [betrokkene 1] (NG)

(...)

H: Gooien jullie de dingen weg en vervang de luiers van het kind...

(...)

H: (...) En denk aan de dingen die ik jou heb gezegd... Jij hebt het recht om te zwijgen...

A: Goed.

H: Vervang de dingen. Als jullie dit doen ben ik buiten... Jullie praten over niets. Einde! Luister jij, [betrokkene 1]?

A: Ja.

H: Jullie praten überhaupt niet. Ik zal niet meer kunnen opbellen.

115. Een proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle d.d. 11 november 2014, inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

U houdt mij het tapgesprek d.d. 08 april 2014 te 20:26:40 uur voor. Dit was een gesprek met mijn echtgenote. Ik heb dit gesprek gevoerd. (...) Ik heb gezegd dat ze niets moest zeggen. Ik heb dit meerdere malen herhaald.

31. Het hof heeft voorts, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, het volgende overwogen:

Het hof stelt vast dat de uitingen van verdachte kennelijk bedoeld waren om de vrijheid van [betrokkene 1] om naar waarheid of geweten een verklaring af te leggen, te beïnvloeden. Weliswaar zou een deel van die uitingen - los beschouwd - nog kunnen worden geduid als voorlichting aan [betrokkene 1] over haar positie, maar uit hetgeen verdachte heeft gezegd over de telefoonkaarten en de telefoonnummers blijkt wel degelijk de bedoeling van beïnvloeding.

32. De eerste klacht van het middel is op zichzelf terecht voorgesteld. De bewezenverklaring, voor zover inhoudende “terwijl hij verbleef op het politiebureau te Den Haag en in beperkingen zat”, kan niet uit de gebezigde bewijsmiddelen volgen. Bewijsmiddel 114 houdt in dit verband in dat [verdachte] “vanuit hvb te Den Haag” belt naar [betrokkene 1], waarmee kennelijk is bedoeld dat de verdachte het desbetreffende telefoongesprek vanuit het huis van bewaring in Den Haag heeft gevoerd. Dit gebrek in de motivering van de bewezenverklaring behoeft evenwel bij gebrek aan belang niet tot cassatie te leiden. Ook indien de hiervoor weergegeven zinsnede uit de bewezenverklaring wordt geschrapt, kan niet worden volgehouden dat daarmee aan de aard en ernst van het bewezen verklaarde wezenlijk afbreuk wordt gedaan, terwijl niet is aangevoerd dat en waarom de verdachte niettemin een rechtens te respecteren belang heeft bij de vernietiging van het arrest en een nieuwe behandeling.21 Hierbij neem ik in aanmerking dat uit de strafmotivering in het bestreden arrest niet blijkt dat het hof de precieze plek waar de detentie werd ondergaan (op een politiebureau dan wel in een huis van bewaring) of het al dan niet van kracht zijn van beperkingen, bij de straftoemeting heeft betrokken. De strafmotivering houdt in dit verband immers slechts in dat de verdachte tijdens zijn voorlopige hechtenis kans heeft gezien om contact op te nemen met zijn vrouw.

33. De tweede klacht houdt in dat een mededeling die ertoe strekt dat gebruik zal worden gemaakt van het zwijgrecht niet kan worden aangemerkt als een wederrechtelijke, strafbare beïnvloeding van een getuige. De toelichting op het middel houdt in dit verband in dat het de verdachte vrij stond om zijn echtgenote juridisch advies te geven. Volgens de steller van het middel blijkt uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 285a Sr niet dat de wetgever het geven van juridische voorlichting onder ‘beïnvloeden’ in de zin van deze bepaling heeft willen begrijpen. Het ging de wetgever om het strafbaar stellen van intimidatie, aldus de steller van het middel.

34. Voorop kan worden gesteld dat art. 285a, eerste lid, Sr in het bijzonder ertoe strekt de vrijheid van personen te beschermen om onbelemmerd ten overstaan van een rechter of een ambtenaar een verklaring te kunnen afleggen.22

35. De klacht faalt reeds, omdat zij ten onrechte tot uitgangspunt neemt dat in dezen slechts sprake is van het geven van juridische voorlichting of (vrijblijvend) juridisch advies. Het hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk uit bewijsmiddel 114 afgeleid dat de verdachte bij herhaling op uiterst dwingende en gebiedende toon zijn echtgenote ertoe heeft aangezet geen verklaring af te leggen. De door de steller van het middel getrokken vergelijkingen met een verhorende politieambtenaar die een verdachte de cautie geeft en een advocaat die zijn cliënt adviseert zich op diens zwijgrecht te beroepen, gaan dan ook mank.

36. Het middel steunt bovendien kennelijk op de opvatting dat voor een veroordeling ter zake van het in art. 285a, eerste lid, Sr voorziene misdrijf is vereist dat komt vast te staan dat van de zijde van de verdachte sprake is geweest van enige vorm van intimidatie jegens de in die bepaling bedoelde persoon. Voor die opvatting is in de tekst van de bepaling geen steun te vinden, terwijl strekking noch geschiedenis van die bepaling nopen tot een uitleg als in het middel wordt voorgestaan.23

37. Het middel faalt.

38. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

39. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:857, NJ 2016/314, rov. 1, onder verwijzing naar HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1610.

2 Het arrest bevat in dit verband uitsluitend de overwegingen (1) dat de raadsvrouw heeft aangevoerd dat de feitelijkheden – die wellicht bewezen kunnen worden op grond van de tapgesprekken – geen bewijs leveren voor de bestanddelen van de verschillende sub-leden van art. 273f Sr, en (2) dat de namens de verdachte gevoerde verweren strekkende tot vrijspraak van het ten laste gelegde worden weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen.

3 Onderaan pagina 9 van het bestreden arrest duidt het hof het slachtoffer van het onder 3 bewezen verklaarde abusievelijk aan als een Roemeense vrouw. Bewijsmiddel 100 houdt in dat zij de Bulgaarse nationaliteit heeft.

4 HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, NJ 2010/598, m.nt. Buruma, rov. 2.4.1.

5 Handelingen II 1986/87, p. 3494

6 Voluit: Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan, en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad (PbEU L 101).

7 Kamerstukken II 2011/12, 33 309, nr. 3, p. 16.

8 Kamerstukken II 1988/89, 21 027, nr. 3, p. 3-4 en 8.

9 Kamerstukken II 1988/89, 21 027, nr. 3, p. 4.

10 Handelingen II 1987/88, u.c.v. nr. 32, p. 20. Zie ook Handelingen II 1986/87, p. 3494.

11 Kamerstukken I 1992/93, 21 027, nr. 54, p. 6 en 8. Zie ook Kamerstukken II 1990/91, 21 027, nr. 5, p. 2-3.

12 Volgens een bericht van het CBS, dat zich baseert op voor koopkracht gecorrigeerde cijfers van het Europese statistiekbureau Eurostat, behoorde Nederland in 2014 tot de meest welvarende landen in de EU. De omvang van de Nederlandse economie (het bbp) per hoofd van de bevolking bedroeg 131 procent van het EU-gemiddelde, terwijl Roemenië en Bulgarije onderaan de ranglijst staan met respectievelijk 55 en 47 procent van het bbp per hoofd in de EU. Zie https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2015/50/nederland-zakt-naar-derde-plek-eu-ranglijst-bbp-per-hoofd.

13 Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen, Monitor Mensenhandel. Cijfers mogelijke slachtoffers 2011-2015, Den Haag: Nationaal Rapporteur 2016, p. 28 (tabel 4.1). Zie p. 7-8 voor een uitleg van het begrip ‘mogelijke slachtoffers’.

14 Kamerstukken II 2011/12, 33 309, nr. 3, p. 16, waarin nog wordt gesproken van misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht.

15 Kamerstukken II 2011/12, 33 309, nr. 3, p. 16.

16 HR 18 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1788, NJ 2000/443, rov. 3.3.1.

17 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Machielse (ECLI:NL:PHR:2012:BU4004, onderdeel 3.9) voorafgaand aan HR 17 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU4004, NJ 2012/68.

18 Zie de in bewijsmiddel 43 vermelde telefoonnummers van de “beller” (mede blijkens bewijsmiddel 8 in gebruik bij de verdachte) en de “gebelde” (in gebruik bij [betrokkene 2]).

19 Kamerstukken II 1990/91, 21 027, nr. 5, p. 7.

20 Vgl. HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, NJ 2010/598, m.nt. Buruma, rov. 2.5.2, onder verwijzing naar HR 6 juli 1999, ECLI:NL:HR:1999:AB9475, NJ 1999/701.

21 Vgl. HR 27 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:133, rov. 2.6.2.

22 HR 30 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7093, NJ 2005/544, rov.3.5; HR 20 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5961, NJ 2008/302, rov. 3.6.

23 HR 14 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4212, NJ 2010/499, rov. 3.6.