Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1275

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
15-11-2016
Datum publicatie
20-12-2016
Zaaknummer
15/04670
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2907, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Harlinger moordzaak. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:963 m.b.t. voorbedachte raad. 's Hofs oordeel dat verdachte ondanks meerdere gelegenheden om zich rustig over haar handelen en het handelen van de mededader te beraden kennelijk welbewust ervoor heeft gekozen hun voorgenomen besluit om het slachtoffer om het leven te brengen ten uitvoer te leggen en dat zij derhalve "met voorbedachte raad" heeft gehandeld, is - gelet op de vaststellingen van het Hof en op hetgeen door de HR is vooropgesteld m.b.t. voorbedachte raad - toereikend gemotiveerd. Samenhang met 15/04930.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/04670

Zitting: 15 november 2016

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 1 oktober 2015 de verdachte wegens primair “medeplegen van moord” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.

  2. Deze zaak hangt samen met de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] (nr. 15/04930), waarin ik vandaag eveneens concludeer.

  3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

  4. Het middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring niet naar de eis van de wet voldoende met redenen is omkleed, aangezien uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte als medepleger en met voorbedachte raad heeft gehandeld.

  5. Deze zaak, die in de (lokale) media bekend staat als de “Harlinger moordzaak”, gaat om het volgende. Op 20 mei 2013 zaten de verdachte en haar medeverdachte [medeverdachte] , die op dat moment beiden bij [slachtoffer] in huis woonden, in de tuin van de woning van [slachtoffer] in Harlingen samen met [slachtoffer] en [betrokkene 1] te kijken naar de Elfstedentocht voor motoren, die die dag werd verreden. Op enig moment is er een ruzie ontstaan tussen [medeverdachte] en [slachtoffer] , die later op de avond steeds verder is geëscaleerd. Daarbij heeft de verdachte een aluminium honkbalknuppel tevoorschijn gehaald, waarmee de verdachte en [medeverdachte] [slachtoffer] in een tijdsbestek van een aantal uren in elkaar hebben geslagen. Vervolgens hebben de verdachte en [medeverdachte] [slachtoffer] in ernstig gewonde toestand achtergelaten in zijn woning, waarna deze uiteindelijk is overleden. In eerste aanleg heeft de rechtbank de verdachte ter zake van medeplichtigheid aan moord veroordeeld, terwijl de verdachte in hoger beroep is veroordeeld ter zake van medeplegen van moord.

  6. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

“zij op 20 mei 2013 te Harlingen (in een woning gelegen aldaar aan de [a-straat] ) tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en/of haar mededader met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- [slachtoffer] meermalen met kracht met gebalde vuisten tegen het gezicht en op het hoofd en tegen andere lichaamsdelen geslagen en

- [slachtoffer] (terwijl hij op de grond lag) meermalen met kracht met geschoeide voeten tegen het hoofd en op het hoofd en in het gezicht en andere lichaamsde(e)l(en) geschopt/getrapt/gestampt en

- [slachtoffer] meermalen met kracht met een honkbalknuppel tegen het hoofd en in het gezicht en tegen de hals en tegen de rug en de buik en benen en armen en ribben en heupen geslagen,

ten gevolge van welk fors uitwendig geweld voornoemde [slachtoffer] is overleden.”

7. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

(i) Een op 22 mei 2013 bij de politie afgelegde verklaring van [medeverdachte] , voor zover inhoudende:

“We zaten afgelopen maandag met zijn drieën buiten. [verdachte] kwam rond 16:00/16:30 uur erbij. Op een gegeven moment gaan we naar binnen. [slachtoffer] zat ons te kleineren. Ik weet niet meer wat hij zei. [slachtoffer] had het over [verdachte] , wat ze daar doet, dat hij liever heeft dat ze naar de camping zou gaan. [slachtoffer] had het ook over het neefje van [betrokkene 1] . [slachtoffer] zat erover door te zagen en toen gaf [betrokkene 1] [slachtoffer] uiteindelijk ook een paar klappen. Ik ging uit mijn plaat. Ik sloeg [slachtoffer] met mijn rechtervuist op zijn gezicht. Hij klapte door de benen op zijn zij en toen op zijn rug volgens mij, of andersom. Hij viel als een plank op de grond. Ik weet niet hoe laat het was toen [betrokkene 1] wegging. Daarna heb ik hem een paar klappen gegeven tegen zijn linkerzij. Hij lag toen plat op zijn rug. Ik zag dat [verdachte] hem ook een paar trappen gaf, tegen zijn linkerzij en tegen zijn hoofd. Ik gaf hem ook trappen tegen zijn hoofd. [verdachte] kwam met een honkbalknuppel. Ik zag dat [verdachte] hem sloeg met die knuppel. [slachtoffer] lag nog steeds. Ze sloeg hem op zijn gezicht, op zijn buik, op zijn hoofd. Ik pakte haar die knuppel af en toen heb ik hem zelf geslagen met die knuppel. Ik heb hem geslagen op de buik, bij die striemen en tegen zijn gezicht. In het begin was [slachtoffer] bij kennis. Hij ademde nog. Toen wij weggingen was hij ook nog aan het ademen. [slachtoffer] kon niet meer praten, maar hij ademde wel. Hij verweerde zich niet. Hij bewoog niet. Ik zag dat zijn borst/buik bewoog van het ademhalen. Ik heb geen flauw idee hoe vaak en waar ik [slachtoffer] precies raakte. [verdachte] trapte hem volgens mij met de linkervoet tegen zijn gezicht. Ze stampte hem op het gezicht ter hoogte van zijn neus en zijn mond. Ze was heel boos. Ze schreeuwt als ze boos is. Dat deed ze toen ook.

Ik ben heel makkelijk beïnvloedbaar en dan zijn er mensen die zeggen: “Doorgaan, doorgaan, doorgaan”. Dat zei [verdachte] afgelopen maandag ook.”

(ii) De op de terechtzitting in eerste aanleg van 5 maart 2014 afgelegde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende:

“Op 20 mei 2013 kom ik rond 16:00 uur bij de woning van [slachtoffer] aan de [a-straat] te Harlingen aan. [slachtoffer] , [verdachte] en [betrokkene 1] zijn daar dan al aanwezig. [betrokkene 3] ligt boven te slapen. Er wordt bier gedronken in de voortuin. Op een gegeven moment gaan wij naar de achtertuin. Daar ontstaat ruzie tussen [medeverdachte] en [slachtoffer] . [medeverdachte] slaat [slachtoffer] en deze valt op de grond. [medeverdachte] geeft [slachtoffer] meerdere klappen en schoppen, terwijl [slachtoffer] op de grond ligt.

Hij geeft met zijn legerschoenen aan keiharde schoppen. [slachtoffer] slaat niet terug, dat doet hij nooit. [medeverdachte] heeft in de achtertuin ook een breekijzertje of koevoet in zijn handen gehad. [betrokkene 1] zegt tegen hem: “Dit doen we niet”. [slachtoffer] gaat rond 16:45 uur naar binnen en wij willen ook de woning binnengaan. We gaan naar binnen. De ruzie is even afgelopen en we drinken allemaal weer een potje bier. Ik zie geen verwondingen bij [slachtoffer] . Ik ga daarna met [betrokkene 1] bier halen in de supermarkt. Bij terugkomst escaleert het snel. [slachtoffer] staat onder de douche en [medeverdachte] haalt hem van boven. Er ontstaat weer ruzie tussen [medeverdachte] en [slachtoffer] . [slachtoffer] drinkt al de hele dag en begint over [betrokkene 4] te praten. Er ontstaat irritatie. [betrokkene 1] is nijdig. We komen er achter dat [slachtoffer] stiekem biertjes drinkt in de keuken. [medeverdachte] begint [slachtoffer] te beledigen en te vernederen. Dit vindt [slachtoffer] niet leuk. Ik pak mijn aluminium honkbalknuppel en plaats deze op harde wijze op de grond. Het wordt weer rustig en daarna ontstaat er opnieuw een ruzie. Het gaat weer over [betrokkene 4] en daarop reageert [betrokkene 1] . Hij wordt witheet en vliegt [slachtoffer] aan. [slachtoffer] schrikt hiervan en het wordt weer even rustig. Daarna begint [medeverdachte] [slachtoffer] weer te vernederen. [medeverdachte] slaat [slachtoffer] met zijn vuisten en maakt een zwaaibeweging met de knuppel in de hand. Hij schopt [slachtoffer] keihard tegen het achterhoofd aan. [slachtoffer] wil weggaan, maar valt. [medeverdachte] slaat [slachtoffer] vervolgens overal, keihard. Met de knuppel raakt [medeverdachte] [slachtoffer] vooral op zijn lichaam. [slachtoffer] gaat in een foetushouding liggen. Het geweld stopt weer en [medeverdachte] gooit de knuppel richting de hal. [betrokkene 1] verlaat de woning. Het is niet normaal wat er gebeurt.

De voorzitter houdt mij het door [betrokkene 1] op 20 mei 2013 om 19:31 uur op de telefoon van [betrokkene 2] ingesproken voicemailbericht voor. Ik zeg dat [slachtoffer] weer omhoog moest komen. Hij komt ook omhoog en gaat op de bank zitten. Hij neemt een biertje en alles is weer normaal.

Ik heb een rondje gelopen met mijn hondje van vijf minuten. Na terugkomst zie ik dat [slachtoffer] naar boven wil en van de trap valt. Ik zie [slachtoffer] van de trap gegooid worden. Hij komt met zijn hoofd tegen een kastje aan. [medeverdachte] slaat [slachtoffer] vervolgens met de honkbalknuppel op zijn lichaam en achterhoofd. Er komt bloed uit het hoofd van [slachtoffer] . [slachtoffer] zegt niets en gaat weer naar de bank en gaat bier drinken. Ook [medeverdachte] en ik drinken nog een biertje. Er gebeurt ongeveer een uur niets.

Ik laat mijn hondje hierna nog een keer uit. Ik denk dat dit om ongeveer 21:00 uur is geweest. Als ik terugkom zie ik dat [slachtoffer] in de hal ligt te snurken, wat hij vaker doet, en ik loop om hem heen. Ik ga zitten op de bank en zie dat er bloed onder zijn hoofd ligt. [slachtoffer] is zwaar gewond aan zijn achterhoofd. Ik denk: “Hoeveel bloed kan een mens verliezen”. [slachtoffer] komt op eigen kracht omhoog. Nadat [slachtoffer] omhoog komt, slaat [medeverdachte] hem keihard in zijn nek. [slachtoffer] zegt: “Au, au”. Hij valt voorover en krijgt wederom diverse schoppen en klappen met de knuppel. Dan draait hij zich om op zijn rug en krijgt hij van [medeverdachte] een trap in het gezicht. Op het moment dat [medeverdachte] en ik uit de woning vertrekken, ligt [slachtoffer] te snurken. [medeverdachte] en ik vertrekken in mijn autootje eerst richting de begraafplaats, waar wij de knuppel achterlaten. Na het bezoek aan de begraafplaats pin ik geld - ik heb op een bankafschrift gezien dat dit ongeveer om 22:40 uur was - en vervolgens gaan we naar café [A] . [medeverdachte] en ik keren ten slotte terug naar de woning en dan blijkt [slachtoffer] te zijn overleden.”

(iii) De op de terechtzitting in hoger beroep van 17 september 2015 afgelegde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende:

“ [medeverdachte] schopt [slachtoffer] keihard tegen zijn achterhoofd en slaat hem keihard met de knuppel. [slachtoffer] gaat in foetushouding op de grond liggen. [slachtoffer] krijgt nog een schop. [slachtoffer] maakt zwaaibewegingen met de knuppel, alsof hij staat te golfen. Ik keek [betrokkene 1] aan. [betrokkene 1] is sprakeloos.

[betrokkene 1] belde zijn ex-vrouw. Ook heeft hij ingesproken op haar voicemail. Op dat moment was de situatie net wat rustiger. Op de voicemail hoor je mij roepen: “Omhoog, omhoog”.”

(iv) Een proces-verbaal van politie betreffende de opname van een voicemail gesprek, opgemaakt door de desbetreffende opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:

“Binnen het onderzoek werd een voicemail gesprek veilig gesteld. Deze opname was ter beschikking gesteld door [betrokkene 2] en zij verklaarde dat de stem van degene die haar belde die van haar ex-man [betrokkene 1] was.

Op 29 mei 2013 luisterden wij, verbalisanten, naar deze geluidsopname. Daarop is het volgende te horen:

[betrokkene 1]

1. persoon onbekend

2. persoon onbekend

Computerstem: Volgende bewaarde voicemail bericht, ontvangen op maandag 20 mei om 19:31 uur:

[betrokkene 1]: “Hallo”

Persoon 1: Hier doorheen andere stem... onverstaanbaar en dan: “Overal de bek appie” [betrokkene 1]: “Ben je er al bijna poppie? Hallo hier”

Persoon 1 : “Toe nou gaan omhoog”

[betrokkene 1]: “Jezus Christus, di’s niet normaal”

Persoon 1 : “Omhoog”

Persoon 2: “Hoog”

[betrokkene 1]: “Dit is niet normaal hier”

Persoon 2: “Hou vest”

Persoon 1 : “Toe nou”

[betrokkene 1]: “Gaan traks op mijn fiets”

Persoon ? : “[medeverdachte]” (niet te horen wie dat zegt)

Persoon 2: “en wanneer is”

Persoon 1 : “Omhoog”

Persoon 2: (onverstaanbaar woord) ... “Omhoog”

Persoon 1 : “Hee grote bek. Omhoog.”

[betrokkene 1]: “Niet normaal hier. Niet normaal [betrokkene 2]. Geloof je. Tot later”.

Persoon 2: “Omhoog”

Persoon 1: “Hee luister even. Toe maar. Omhoog”.

(v) Een op 22 mei 2013 bij de politie afgelegde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende:

“ [betrokkene 1] ging weg. [betrokkene 1] werd opgehaald door zijn vriendin. Ik stond toen in de hal. [medeverdachte] en [slachtoffer] waren in de woonkamer.”

(vi) Een op 21 mei 2013 bij de politie afgelegde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende:

“Vraag verbalisant: Je gaat een blokje om. Je komt thuis en dan zie je [slachtoffer] op de grond. Wat is het eerste wat je opvalt als je binnenkomt?

Antwoord verdachte: Bloed. Ik denk dat hij dood is.”

(vii) Een op 23 mei 2013 bij de politie afgelegde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende:

“Ik ben even weggeweest. Ik kom terug en dan zie ik [slachtoffer] in het bloed in de hal liggen. [slachtoffer] lag met zijn hoofd achterover in een plas bloed. [slachtoffer] lag in de hal te snurken. Ik zei hem dat hij moest opstaan. [slachtoffer] stond zelf op en liep naar de woonkamer. Onderwijl kreeg hij van [medeverdachte] weer klappen op de kop. Ik zag dat hij viel in de woonkamer en dan zie ik dat [slachtoffer] twee striemen op zijn buik/zijde heeft. Ik zag ook dat [medeverdachte] hem daar sloeg. Hij zei "au, au". Ik zag dat [slachtoffer] zijn achterhoofd in puin lag. Dit zag ik toen hij van de hal naar de woonkamer liep.”

(viii) Een op 22 mei 2013 bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 2] , voor zover inhoudende:

“Rond 19:25 uur kreeg ik [betrokkene 1] aan de telefoon. Ik hoorde heel veel kabaal op de achtergrond. Hij vroeg aan mij of ik hem op kwam halen. Hij klonk heel angstig. Hij zei: “het loopt hier uit de hand, haal me bij [slachtoffer] weg, want daar zit ik”. Ik hoorde veel kabaal en kloink, kloink. Het klonk als iets wat tegen metaal aan sloeg. Ik ben in de auto gestapt en richting de [a-straat] gereden. Ik zag dat [betrokkene 1] naar buiten kwam. Ik zag dat [betrokkene 1] bij mij in de auto stapte. Ik hoorde dat [betrokkene 1] tegen mij zei: “Dit is niet normaal [betrokkene 2], dit is niet normaal”. Hij zei dat [medeverdachte] tegen het hoofd van [slachtoffer] aanschopte. Binnen ging het steeds verder en escaleerde het steeds meer. [betrokkene 1] heeft in eerste instantie de knuppel van [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) afgepakt. [verdachte] stond tegenover [slachtoffer] met de honkbalknuppel. [betrokkene 1] zei dat [verdachte] had gezegd, dat als [slachtoffer] niet ophield hij een klap met die honkbalknuppel zou krijgen.”

(ix) Een rapport pathologie van het Nederlands Forensisch Instituut van 5 september 2013, opgemaakt door de arts en patholoog P.M.I. Driessche, voor zover - voor de beoordeling van het middel van belang - inhoudende:

“(…)

Conclusie

Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1979, wordt het intreden van de dood zonder meer verklaard door verbloeding ten gevolge van talrijke letsels, bij leven opgelopen door meermalen heftige inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend, samendrukkend en deels schavend en krassend geweld. Mogelijk heeft verstikking bijgedragen aan het intreden van de dood.”

(x) Een proces-verbaal van politie van 30 september 2013 betreffende “onderzoek [a-straat] Harlingen”, opgemaakt door de desbetreffende verbalisanten, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten :

“Op dinsdag 21 mei 2013 hebben wij verbalisanten, werkzaam bij de Forensische Opsporing, een onderzoek ingesteld naar aanleiding van een moord/doodslag van een man, waarvan door de politie Eenheid Noord Nederland proces-verbaal is opgemaakt.

Gelet op het aangetroffen sporenbeeld en de sporen op en aan het slachtoffer verklaren wij verbalisanten:

Het merendeel van de aangetroffen bloedspatpatronen, zoals op de keukenkastjes, in de hal en de woonkamer, op de banken en de wand achter het slachtoffer, gaven ons de indicatie dat deze waren ontstaan terwijl het slachtoffer zich laag bij de grond bevond.”

8. Zoals blijkt uit de op de terechtzitting in hoger beroep van 17 september 2015 overgelegde pleitaantekeningen, heeft de raadsman van de verdachte op verschillende gronden bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd. De verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte] en van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] kunnen niet tot het bewijs worden gebezigd. Aan de verklaringen van [medeverdachte] kan geen waarde worden gehecht, omdat [medeverdachte] een “doorgesnoven, buitengewoon agressieve fantast” is. [betrokkene 1] heeft inconsistent verklaard en kan daarom niet als een betrouwbare getuige worden aangemerkt. De verklaring van [betrokkene 2] is ongeloofwaardig, omdat zij niet aanwezig is geweest bij de gebeurtenissen en het onaannemelijk is dat zij enig zicht heeft kunnen hebben op hetgeen zich afspeelde in de woning. De verklaring van de verdachte sluit aan bij de meest objectieve beschrijving van het feitencomplex. De verdachte heeft verklaard dat zij pas omstreeks 16:00 uur bij de woning was aangekomen, dat [slachtoffer] al in de tuin klappen kreeg van [medeverdachte] , dat zij [slachtoffer] niet heeft geslagen en dat zij met haar hond wandelde toen [betrokkene 1] de woning van [slachtoffer] verliet.
Voorts is er volgens de raadsman geen sprake van een dusdanig nauwe en bewuste samenwerking bij de uitvoering van het doden van [slachtoffer] dat de verdachte als medepleger kan worden aangemerkt. De verdachte greep niet in maar daarvoor bestond ook geen gelegenheid, aangezien zij niet bij machte was om voldoende tegenwicht te bieden aan de extreem agressieve [medeverdachte] .
Bovendien kan niet worden aangenomen dat er sprake is geweest van voorbedachte raad op de dood van [slachtoffer] . Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad om na te denken over de gevolgen en de betekenis van hetgeen zich in de woning heeft afgespeeld en zich daar rekenschap van te geven, terwijl er belangrijke contra-indicaties aanwezig zijn tegen het bestaan van voorbedachte raad.

9. Het hof heeft in reactie op deze verweren in de bestreden uitspraak onder “overweging met betrekking tot het bewijs” het volgende overwogen:

“Door de raadsman is ter zitting van het hof betoogd, dat verdachte van het primair en subsidiair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende en sluit zich voor de vastgestelde feiten grotendeels aan bij de overwegingen van de rechtbank. Het hof kan zich verenigen met de hierna (cursief) geciteerde overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne.

Vastgestelde feiten

“In de vroege middag van 20 mei 2013 hebben het latere slachtoffer [slachtoffer] , de medeverdachte [medeverdachte] en een derde persoon, [betrokkene 1] , zich verzameld in de voortuin van de woning aan de [a-straat] in Harlingen, onder meer om te kijken naar de Elfstedentocht voor motoren die die dag verreden werd.

Later in de middag, waarschijnlijk zo rond 16.00 uur, heeft verdachte zich bij dit gezelschap gevoegd en is men naar de achtertuin verhuisd. In de achtertuin is vervolgens ruzie ontstaan tussen [slachtoffer] en [medeverdachte] , waarbij van de zijde van [medeverdachte] fysiek geweld is gebruikt. Nadien is het gezelschap in de woonkamer gaan zitten. Hier is de ruzie weer opgelaaid, waarbij opnieuw door [medeverdachte] tegen [slachtoffer] fysiek geweld is gebruikt. Op enig moment is door verdachte een honkbalknuppel tevoorschijn gehaald. [medeverdachte] heeft deze honkbalknuppel gebruikt om [slachtoffer] mee te slaan.

Rond 19.30 uur is [betrokkene 1] bij de woning opgehaald door zijn ex-vrouw, [betrokkene 2] . Na het vertrek van [betrokkene 1] is [medeverdachte] doorgegaan met het plegen van fysiek geweld tegen [slachtoffer] , waarbij naast slaan en schoppen wederom is geslagen met de honkbalknuppel.

Later op de avond, waarschijnlijk zo rond 21.30 of 22.00 uur, hebben verdachte en [medeverdachte] de woning verlaten. [slachtoffer] was op dat moment ernstig gewond. Verdachte en [medeverdachte] hebben vervolgens een pinautomaat, de algemene begraafplaats en café [A] in Harlingen bezocht. Na het bezoek aan het café zijn zij gezamenlijk naar de woning van [slachtoffer] aan de Domela Nieuwenhuisstraat 33 te Harlingen teruggekeerd. Op 21 mei 2013 om 00.42 uur heeft [medeverdachte] vanaf deze woning 112 gebeld en bij de alarmdienst gemeld dat hij [slachtoffer] dood in de woning had aangetroffen. ”

Verklaringen [betrokkene 1]

Door de raadsman is ter zitting van het hof aangevoerd, dat de verklaringen van [betrokkene 1] ten aanzien van de rol van verdachte in het op [slachtoffer] uitgeoefende geweld op belangrijke punten inconsistent zijn en dat het aannemelijk is dat [betrokkene 1] door derden is beïnvloed, waardoor hij belastend over verdachte is gaan verklaren. Zijn verklaringen zijn onbetrouwbaar en kunnen niet voor het bewijs gebruikt worden, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent, dat [betrokkene 1] inderdaad op verschillende momenten wisselend heeft verklaard over al dan niet door hem waargenomen geweldshandelingen gepleegd door verdachte in de richting van het slachtoffer. Het hof acht het mogelijk dat de herinneringen van [betrokkene 1] zoals deze naar voren komen in de op verschillende momenten door hem afgelegde verklaringen op dit punt onvoldoende betrouwbaar zijn. Het hof zal zijn verklaringen daarom niet gebruiken voor het bewijs. Wel zal het hof de inhoud van het door [betrokkene 1] bij [betrokkene 2] ingesproken voicemailbericht gebruiken (zoals hierna wordt besproken), nu dit een geobjectiveerd bewijsmiddel is. Ook bruikbaar voor het bewijs acht het hof de verklaring van [betrokkene 2] , voor zover inhoudende hetgeen [betrokkene 1] meteen tegen haar heeft verteld nadat hij bij haar in de auto was gestapt.

Verklaringen [medeverdachte]

Door de verdediging is ter zitting van het hof aangevoerd, dat de voor verdachte belastende verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] onbetrouwbaar zijn en niet voor het bewijs dienen te worden gebruikt.

[medeverdachte] heeft verklaard dat verdachte mede betrokken is geweest bij het tegen het slachtoffer gepleegde geweld, doordat zij degene is geweest die met de knuppel aan kwam zetten. Bovendien heeft zij (naast het geweld dat hijzelf jegens [slachtoffer] heeft uitgeoefend) het slachtoffer met de honkbalknuppel tegen zijn hoofd en tegen zijn lichaam geslagen, hem een aantal keren tegen zijn lichaam en het hoofd getrapt en op zijn gezicht gestampt. Verder heeft verdachte [medeverdachte] opgeruid door hem aan te sporen geweld te (blijven) gebruiken tegen het slachtoffer, aldus [medeverdachte] .

Verdachte heeft tegenover de politie en de rechter-commissaris en ter zitting van de rechtbank en het hof ontkend dat zij enige vorm van geweld tegen het slachtoffer heeft gebruikt. Zij erkent dat zij de knuppel op een gegeven moment heeft gepakt, maar dat was slechts om haar woorden kracht bij te zetten die inhielden dat de aanwezigen ‘moesten ophouden’. Verder ontkent verdachte dat zij [medeverdachte] heeft opgeruid om geweld te (blijven) gebruiken. Door de raadsman is aangevoerd dat [medeverdachte] een belang heeft om belastend over verdachte te verklaren en dat zijn verklaringen als onbetrouwbaar terzijde moeten worden geschoven.

Het hof gaat voor zover het betreft het aandeel van verdachte in het geweld tegen [slachtoffer] in weerwil van wat de verdediging heeft aangevoerd uit van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte] . [medeverdachte] heeft vanaf het tweede verhoor bij de politie (op 22 mei 2013) openheid van zaken gegeven en verklaard dat verdachte de knuppel in de situatie heeft ingebracht en dat niet alleen hijzelf, maar ook verdachte geweld tegen [slachtoffer] heeft gebruikt. Ook heeft hij bij die gelegenheid verklaard dat verdachte hem heeft opgeruid tot het gebruiken van geweld tegen het slachtoffer. Los van het feit dat elke verdachte in een strafzaak een belang heeft om op een bepaalde manier te verklaren, ziet het hof geen concrete aanknopingspunten voor de stelling van de raadsman dat [medeverdachte] ten onrechte belastend over verdachte zou hebben verklaard. Bovendien wordt de verklaring van [medeverdachte] op belangrijke punten ondersteund door ander, betrouwbaar geacht bewijs.

Overig bewijs

De verklaring van [medeverdachte] vindt steun in het feit dat verdachte - ook volgens haar eigen verklaring - op 20 mei 2013 vanaf het begin tot het eind in de directe nabijheid aanwezig is geweest bij het op het slachtoffer uitgeoefende geweld en ook daarna nog met hem is blijven optrekken. Dit in tegenstelling tot getuige [betrokkene 1] , van wie is gebleken dat hij die dag ook enig geweld heeft uitgeoefend op het slachtoffer. [betrokkene 1] belde rond 19:30 naar zijn ex-vrouw [betrokkene 2] met het verzoek om hem op te halen, omdat hij het geweld dat op [slachtoffer] werd uitgeoefend, niet langer kon aanzien. Voor verdachte heeft dat moment zich kennelijk niet voorgedaan. Zij is weliswaar naar eigen zeggen tweemaal met haar hondje een blokje om gaan lopen - overigens telkens op momenten dat het rustig was en er geen sprake was van geweldsuitoefening jegens het slachtoffer -, maar is daarna telkens weer teruggegaan naar de woning. Toen [betrokkene 1] vlak na zijn eerste telefoontje een tweede keer naar [betrokkene 2] belde, kreeg hij haar voicemail en sprak hij hierop in. Dit voicemailbericht is later door de politie veilig gesteld. Uit de op schrift gestelde weergave van dit bericht blijkt dat [betrokkene 1] informeert of [betrokkene 2] er al bijna is, en er blijkt van paniek en ontzetting bij [betrokkene 1] , veroorzaakt door de situatie ter plekke. Naast de stem van [betrokkene 1] zijn twee andere stemmen te horen die een andere persoon meermalen in de gebiedende wijs toespreken om omhoog te komen. Een van deze stemmen was die van verdachte. Ter zitting van het hof heeft zij verklaard dat zij [slachtoffer] op dat moment vermaande om omhoog te komen nadat hij door geweld dat op hem was uitgeoefend, op de grond terecht was gekomen.

Uit de verklaring van [betrokkene 2] blijkt dat [betrokkene 1] haar, nadat hij bij haar in de auto was gestapt toen ze hem ophaalde, onder meer vertelde dat verdachte in eerste instantie met een knuppel tegenover [slachtoffer] had gestaan, en daarbij had gezegd dat als [slachtoffer] niet ophield, hij een klap met die honkbalknuppel zou krijgen.

Medeplegen en opzet

Gelet op voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden dat verdachte de knuppel heeft gepakt om deze tegen [slachtoffer] te gebruiken, dat zij evenals [medeverdachte] daadwerkelijk geweld heeft gebruikt tegen [slachtoffer] en dat zij [medeverdachte] heeft opgeruid om geweld tegen [slachtoffer] te (blijven) gebruiken. Hieruit blijkt van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] , die gericht was op de dood van het slachtoffer.

Dat verdachte en [medeverdachte] ook daadwerkelijk opzet hadden op de dood van het slachtoffer, blijkt uit hun gedragingen. Zij hebben tegen vitale delen van het lichaam van het slachtoffer geslagen en geschopt, ook toen het slachtoffer op de grond lag. Deze gedragingen kunnen onder de weergegeven omstandigheden naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood van [slachtoffer] , dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte en haar medeverdachte [medeverdachte] doelbewust het desbetreffende gevolg hebben aanvaard en daarmee met het vereiste opzet hebben gehandeld. Contra-indicaties zijn niet gebleken dan wel aannemelijk geworden.

Voorbedachte raad

Voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en zij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat er vanaf de namiddag van 20 mei 2013 sprake is geweest van een agressieve houding van in eerste instantie alleen [medeverdachte] maar later ook van verdachte jegens het slachtoffer, die zich op een aantal momenten heeft geuit in uitbarstingen van hevig geweld. In ieder geval vanaf het moment dat verdachte de knuppel inbracht om deze tegen [slachtoffer] te gebruiken en deze door [medeverdachte] en verdachte ook daadwerkelijk gebruikt is tegen het slachtoffer, is het geweld qua intensiteit en door het inzetten van het slagwapen zodanig geïntensiveerd, dat vanaf dat moment gesproken kan worden van potentieel dodelijk geweld. Zoals hiervoor reeds is overwogen moet verdachte zich dat hebben gerealiseerd. Dit moment van inbrengen en gebruiken van de knuppel tegen [slachtoffer] is ergens voor 19:30 uur, in ieder geval vóór het vertrek van [betrokkene 1] geweest.

Zo al moet worden aangenomen dat de eerste slagen met een honkbalknuppel zijn voortgekomen uit een plotselinge opwelling of hevige gemoedsbeweging, geldt dat voor de rest van de avond, na het vertrek van [betrokkene 1] , in ieder geval niet meer. Uit de bewijsmiddelen blijkt immers dat het geweld enige tijd gestopt is op en na het moment dat [betrokkene 1] de woning verliet. Verdachte was bij dit afscheid aanwezig, zo blijkt uit haar verklaring afgelegd bij de politie. Verdachte heeft in de tussenliggende tijd voldoende gelegenheid gehad om te kalmeren, hetgeen ook blijkt uit de rustige wijze waarop bij het vertrek van [betrokkene 1] afscheid van elkaar is genomen. Daarna is verdachte een rondje gaan lopen met haar hondje en is het, toen zij daarna weer in de woning kwam, een uur rustig geweest, zodat het redelijk is om aan te nemen dat zij gebruik heeft gemaakt van deze gelegenheid om zich rekenschap te geven van de betekenis en gevolgen van haar handelen en dat van [medeverdachte] indien het eerder gepleegde geweld op dezelfde wijze zou worden voortgezet. Toch is vervolgens weer hevig geweld uitgeoefend tegen [slachtoffer] .

Ook later op de avond zijn er gelegenheden geweest voor verdachte om zich te bezinnen op haar eigen gedrag en dat van [medeverdachte] . Immers uit de verklaring van verdachte blijkt dat zij, nadat het daarna weer rustig was geworden, wederom met haar hondje is gaan lopen, en dat zij, toen zij terugkwam, het slachtoffer hevig bloedend liggend op de grond van de hal aantrof. [medeverdachte] was op dat moment niet bezig het slachtoffer te mishandelen. Uit de bewijsmiddelen blijkt hoe ernstig [slachtoffer] er toen reeds aan toe was en ook dat dit voor verdachte duidelijk kenbaar was. Gelet op het voorgaande acht het hof het onmogelijk dat [slachtoffer] op dat moment nog enige (nieuwe) aanleiding tot geweld heeft kunnen geven.

Toch is daarna nogmaals hevig geweld op het slachtoffer uitgeoefend door verdachte en/of haar medeverdachte.

Uit het voorgaande volgt dat zich hier niet de situatie heeft voorgedaan waarbij verdachte pas kort voor of tijdens de uitvoering van de laatste door [medeverdachte] en/of verdachte gepleegde gewelddadigheden tot het besef kan zijn gekomen dat hun handelen de dood van het slachtoffer tot gevolg zou kunnen hebben. Integendeel, dat besef moet er bij verdachte al in een vroeg stadium, in ieder geval vanaf het vertrek van [betrokkene 1] , zijn geweest. Ondanks meerdere gelegenheden om zich rustig over hun handelen te beraden, hebben verdachte en [medeverdachte] er kennelijk welbewust voor gekozen om hun voorgenomen besluit om het slachtoffer om het leven te brengen, ten uitvoer te leggen. Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat er bij verdachte en [medeverdachte] op enig moment na het vertrek van [betrokkene 1] sprake was van voorbedachte raad.

Alternatief scenario

Door de raadsman is ter zitting van het hof een mogelijk aanvullend scenario gepresenteerd. Niet valt uit te sluiten dat [medeverdachte] na het verlaten van de woning met Hiemstra, is teruggegaan naar de woning en daar [slachtoffer] de finale dodelijke klappen heeft toegebracht, aldus de raadsman. De raadsman baseert dit mogelijke scenario op de verklaringen van een buurman, Van der Heide, die rond 00:00 een schim heeft gezien in het huis van [slachtoffer] . Bovendien past dit scenario in het tijdsverloop, nu [medeverdachte] die avond een periode niet in café [A] zou zijn geweest.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Het hof acht dit alternatieve scenario volstrekt niet aannemelijk geworden. De onderbouwing van het scenario door de raadsman is hiervoor onvoldoende, en ook anderszins is de aannemelijkheid van dit scenario niet gebleken.”

10. Zoals blijkt uit de toelichting, bevat het middel in de eerste plaats de klacht dat het bewezen verklaarde medeplegen ontoereikend is gemotiveerd.

11. Voor het bewijs van medeplegen is een bewuste en nauwe samenwerking vereist.1 Dit criterium veronderstelt dat de verdachte opzet had op de samenwerking en op het grondfeit.2 De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Als van medeplegen sprake is, kan de verdachte ook in strafrechtelijke zin aansprakelijk worden gehouden voor uitvoeringshandelingen die (uitsluitend) door de medeverdachte zijn verricht. Om van medeplegen van moord te kunnen spreken is een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn mededader vereist, welke samenwerking moet zijn gericht op de dood van het slachtoffer. Het bestaan van uitdrukkelijke afspraken tussen de mededader en de verdachte is daarvoor niet doorslaggevend. De bewuste samenwerking kan ook stilzwijgend geschieden.

12. In de hiervoor onder 9 weergegeven nadere bewijsoverwegingen ligt als het oordeel van het hof besloten dat de verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met haar medeverdachte [medeverdachte] opzettelijk en met voorbedachte raad [slachtoffer] van het leven heeft beroofd en dat de betrokkenheid van de verdachte heeft plaatsgevonden in het kader van een gezamenlijke uitvoering van die moord. Dit oordeel geeft gelet op hetgeen hiervoor onder 11 is vooropgesteld geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

13. Het hof is ervan uitgegaan dat er sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering van de moord. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat ook de verdachte geweld heeft gepleegd door [slachtoffer] met gebalde vuisten en met geschoeide voet tegen zijn hoofd en lichaam te slaan en te schoppen. Het is bovendien de verdachte geweest die op enig moment een honkbalknuppel van aluminium heeft ingebracht. Het hof is er niet onbegrijpelijk van uitgegaan dat de verdachte de honkbalknuppel heeft gepakt om deze tegen [slachtoffer] te gebruiken. De verdachte en [medeverdachte] hebben beiden daadwerkelijk met deze honkbalknuppel tegen het hoofd en tegen het lichaam van [slachtoffer] geslagen. Hoewel [betrokkene 1] de woning na verloop van tijd heeft verlaten, is de verdachte in de woning gebleven en heeft zij zich op geen enkele wijze gedistantieerd van de geweldshandelingen, maar is zij ook na het vertrek van [betrokkene 1] zelf actief blijven bijdragen aan het gepleegde geweld jegens [slachtoffer] , terwijl zij tot aan het overlijden van [slachtoffer] met [medeverdachte] is opgetrokken. Zij is daarmee van het begin tot het einde van het geweld in de directe nabijheid van het [medeverdachte] en [slachtoffer] geweest. Daarbij komt dat de verdachte niet heeft getracht [medeverdachte] te weerhouden door te gaan met het plegen van geweld, zelfs niet nadat zij had gezien dat het achterhoofd van [slachtoffer] “in puin lag”. Daarentegen heeft de verdachte enerzijds [medeverdachte] aangespoord door te gaan met het slaan en het schoppen en heeft zij anderzijds [slachtoffer] gesommeerd op te staan, nadat deze ten gevolge van het tegen hem gepleegde geweld op de grond terecht was gekomen. De verdachte en [medeverdachte] hebben uiteindelijk gezamenlijk de woning verlaten, nadat zij [slachtoffer] in ernstig gewonde toestand hadden achtergelaten. Zij hebben samen de bij de moord gebruikte honkbalknuppel naar een begraafplaats gebracht, waarna zij samen naar een café zijn gegaan. Ten slotte zijn de verdachte en [medeverdachte] gezamenlijk teruggekeerd naar de woning van [slachtoffer] . Daar hebben zij geconstateerd dat [slachtoffer] was overleden.

14. Uit het voorgaande volgt dat de verdachte en haar medeverdachte zowel tijdens als na afloop van de gepleegde moord in vergaande mate samen zijn opgetrokken, terwijl zij beiden een belangrijk aandeel hebben gehad in het uitgeoefende geweld. Het hof heeft uit de feiten en omstandigheden die uit de bewijsvoering volgen, in hun onderlinge samenhang bezien, kunnen afleiden dat bij de moord sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking bestaande in een gezamenlijke uitvoering. In aanmerking genomen dat het in dezen gaat om een gezamenlijke uitvoering van het feit en gelet op de onderbouwing van het door de raadsman gevoerde verweer ten aanzien van het ten laste gelegde medeplegen, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering. De bewezenverklaring is in zoverre voldoende met redenen omkleed.3

15. Voor zover het middel klaagt over het bewijs van medeplegen, is het tevergeefs voorgesteld.

16. Zoals blijkt uit de toelichting behelst het middel voorts de klacht dat het bewijs van de bewezen verklaarde voorbedachte raad tekort schiet.

17. Bij de beoordeling van deze klacht dient het volgende te worden vooropgesteld. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel "voorbedachte raad" moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

18. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door het hof, waarbij het hof het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, maar behoeft het hof er niet van te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient het hof, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.

19. In geval vaststaat dat de verdachte de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft gehad, is het redelijk aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. In dat verband kan worden gewezen op het overleg en nadenken dat in de wetsgeschiedenis is geplaatst tegenover de ogenblikkelijke gemoedsopwelling.4

20. In de hiervoor onder 9 weergegeven overwegingen heeft het hof geoordeeld dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, aangezien de verdachte en zijn medeverdachte Hiemstra er welbewust voor hebben gekozen om hun voorgenomen besluit om [slachtoffer] om het leven te brengen ten uitvoer te leggen, hoewel zij herhaaldelijk in de gelegenheid zijn geweest om zich rustig over hun handelen te beraden. Dit oordeel geeft gelet op hetgeen hiervoor onder 17 tot en met 19 is vooropgesteld geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Ook overigens heeft het hof het in de rechtspraak van de Hoge Raad ontwikkelde toetsingskader tot uitgangspunt genomen. In het licht van de hiervoor onder 7 weergegeven inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, in samenhang bezien met de nadere bewijsoverwegingen van het hof, is het oordeel evenmin onbegrijpelijk.

21. Daarbij wijs ik op het volgende. Het hof heeft een uitgebreide motivering gewijd aan de voorbedachte raad van de verdachte en daarin uiteengezet dat in het handelen van de verdachte en haar medeverdachte [medeverdachte] verschillende fasen kunnen worden onderscheiden. Uit de bewijsvoering kunnen de volgende fasen worden afgeleid:
(i) Het geweld begint in de namiddag in de tuin van de woning aan de Domela Nieuwenhuisstraat 33 te Harlingen. Korte tijd na 16:00 uur heeft het gepleegde geweld bestaan uit het slaan met gebalde vuisten en het schoppen met geschoeide voet tegen het hoofd en het lichaam van [slachtoffer] .
(ii) Het geweld vindt nadien plaats in de woonkamer van de desbetreffende woning. Op enig moment vóór 19:30 uur heeft de verdachte een honkbalknuppel ingebracht en hebben de verdachte en [medeverdachte] met deze knuppel tegen het hoofd en het lichaam van [slachtoffer] geslagen.
(iii) Rond 19:30 uur heeft [betrokkene 1] de woning verlaten, omdat hij het geweld niet langer kon aanzien, waarna de verdachte en [medeverdachte] alleen met [slachtoffer] in de woning waren. Vervolgens hebben de verdachte en [medeverdachte] weer hevig geweld tegen [slachtoffer] uitgeoefend, onder meer met de honkbalknuppel.
(iv) Tussen 21:30 uur en 22:00 uur hebben de verdachte en [medeverdachte] de woning verlaten, terwijl zij [slachtoffer] , zwaar gewond en liggend op de grond hebben achtergelaten. Zij hebben de honkbalknuppel meegenomen en deze vervolgens neergelegd op een begraafplaats.
(v) Enige tijd later zijn de verdachte en [medeverdachte] teruggekeerd naar de woning en hebben zij geconstateerd dat de verdachte was overleden, waarna [medeverdachte] omstreeks 00:42 uur het alarmnummer (112) heeft gebeld.

22. Uit het voorgaande volgt dat de verdachte en [medeverdachte] in de woning van [slachtoffer] urenlang ernstig geweld hebben gepleegd jegens de weerloze [slachtoffer] door hem over zijn gehele lichaam en tegen zijn hoofd te slaan en te schoppen en door [slachtoffer] met een honkbalknuppel van aluminium te slaan, onder meer op het moment dat hij op de grond lag, terwijl de verdachte en [medeverdachte] [slachtoffer] in ernstig gewonde staat hebben achtergelaten. [slachtoffer] is overleden ten gevolge van de talrijke letsels die hij door dit geweld heeft opgelopen. Het hof heeft de geweldsincidenten kennelijk niet los van elkaar gezien, maar met elkaar in verband gebracht. Een dergelijke langdurige tijdspanne is van belang in verband met het bestaan van gelegenheid zich te beraden.5

23. In HR 15 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5678 had het hof ten aanzien van zijn oordeel dat sprake was van voorbedachte raad vooral belang toegekend aan de geruime tijd die de verschillende in de bewijsoverweging nader omschreven handelingen van de verdachte in beslag hadden genomen, aan het ontbreken van enige aanwijzing voor de mogelijkheid dat het handelen van de verdachte het gevolg was geweest van enige ogenblikkelijke gemoedsbeweging en aan de aanwezigheid van aanwijzingen voor het tegendeel. De Hoge Raad oordeelde dat het hof zijn oordeel dat de verdachte had gehandeld met voorbedachte raad aldus toereikend had gemotiveerd.
In HR 27 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3167, NJ 2016/112 m.nt. Rozemond had het hof het handelen van de verdachte eveneens in fasen onderscheiden. In de eerste fase handelde de verdachte volgens het hof in een plotselinge woede, in de tweede met voorbedachte raad. De Hoge Raad achtte het oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad had gehandeld toereikend gemotiveerd, mede in aanmerking genomen dat sprake was van een relevante langdurige tijdspanne, een samenstel van gedragingen en verschillende beslismomenten die zij in zich hadden.

24. In de bestreden uitspraak heeft het hof een redeneertrant gevolgd die in zekere zin doet denken aan die in de laatstgenoemde zaak. Ten aanzien van het ontbreken van contra-indicaties heeft het hof overwogen dat, zelfs als wordt aangenomen dat de eerste slagen met de honkbalknuppel uit een plotselinge opwelling of hevige gemoedsbeweging zouden zijn voortgekomen, dat na het vertrek van [betrokkene 1] in ieder geval niet meer geldt. Uit de bewijsvoering volgt dat ook nadien sprake is geweest van hevig geweld jegens [slachtoffer] , waarbij onder meer gebruik is gemaakt van een honkbalknuppel. Het handelen van de verdachte en [medeverdachte] heeft zich afgespeeld gedurende een langdurige tijdsspanne, terwijl er sprake is geweest van een samenstel van gedragingen die verschillende beslismomenten in zich hadden. De verdachte en [medeverdachte] hebben verschillende keren de gelegenheid gehad te stoppen met hun gewelddadige handelingen, te meer omdat van [slachtoffer] , liggend op de grond, geen gevaar te duchten viel. Daarbij komt dat het hof feitelijk en niet onbegrijpelijk heeft vastgesteld dat het tussen de geweldshandelingen door op verschillende momenten “rustig was geworden” in de woning. Daarbij heeft het hof verwezen naar (i) de rustige wijze waarop afscheid is genomen van [betrokkene 1] , (ii) de rustige tijd nadien en (iii) latere rustmomenten, onder meer ten tijde van het uitlaten van een hond door de verdachte. Daarmee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat de verdachte en [medeverdachte] meermalen in de gelegenheid zijn geweest zich over hun handelen rustig te beraden. Anders dan de steller van het middel aanvoert, heeft het hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk aangenomen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van deze gelegenheid om zich rekenschap te geven van de betekenis en de gevolgen van haar handelen en dat van [medeverdachte] .

25. Uit het voorgaande volgt dat, anders dan de steller van het middel betoogt, het hof zijn oordeel dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad, niet uitsluitend heeft gegrond op de omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat de verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.

26. Aldus heeft het hof het door de raadsman gevoerde verweer ten aanzien van het ten laste gelegde voorbedachte raad op goede gronden en toereikend gemotiveerd verworpen. Gelet op hetgeen de raadsman ter onderbouwing van dit verweer heeft aangevoerd, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering. De bewezenverklaring is ook in zoverre voldoende met redenen omkleed.6

27. Zoals blijkt uit de toelichting, keert de klacht zich ten slotte tegen de vaststelling van het hof in zijn nadere bewijsoverwegingen dat de verdachte “al in een vroeg stadium, in ieder geval vanaf het vertrek van [betrokkene 1] ” moet hebben beseft dat het handelen van de verdachte en [medeverdachte] de dood van [slachtoffer] tot gevolg zou kunnen hebben.

28. Deze vaststelling van het hof, die van feitelijke aard is, acht ik gelet op de aard van het geweld en de mate waarin het geweld is toegepast niet onbegrijpelijk. [betrokkene 1] heeft rond 19:30 uur de woning verlaten. Het geweld is in de namiddag begonnen en heeft geduurd tot ongeveer 21:30 uur. Daarbij is op enig moment vóór 19:30 uur een honkbalknuppel van aluminium gebruikt. Gedurende die periode is vanaf het begin ernstig geweld gepleegd jegens [slachtoffer] , terwijl deze op geen enkel moment de woning heeft kunnen verlaten.

29. Voor zover het middel klaagt over het bewijs van voorbedachte raad, is het eveneens tevergeefs voorgesteld.

30. Het middel faalt. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

31. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie ten aanzien van gevallen waarin medeplegen niet bestaat in een gezamenlijke uitvoering in het bijzonder HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3637, NJ 2015/391 m.nt. Mevis, rov. 3 en HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. Mevis, rov. 3. Naar aanleiding van vragen van de advocaat-generaal heeft de Hoge Raad deze arresten nader toegelicht in HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395 m.nt. Mevis, rov. 3.2, HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716, rov. 3.2 en HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:713, rov. 3.2. Vgl. voorts HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1323, NJ 2016/412, rov. 3, HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1321, NJ 2016/420, rov. 3 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315, NJ 2016/413, rov. 3. Zie nader J. de Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, zesde druk, zesde druk, Deventer: Kluwer 2015, p. 453-467.

2 Vgl. De Hullu, a.w., p. 463-467 en de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge (ECLI:NL:PHR:2013:885) onder 4.7 voorafgaand aan HR 8 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:882.

3 Vgl. HR 5 juli 2016, nr. 15/00568 (niet gepubliceerd, middel 1), HR 7 juni 2016, nr. 14/06519 (niet gepubliceerd), HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:883, NJ 2015/396, rov. 3, HR 6 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:10, NJ 2015/399 m.nt. Mevis, rov. 2 en HR 24 juni 2014, nr. 13/00019 (niet gepubliceerd; art. 81 RO, middel 1). Vgl. voorts HR 20 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2126, NJ 2016/420 m.nt. Rozemond, rov. 2.

4 Zie de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de vaststelling van het Wetboek van Strafrecht. Zie H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, tweede deel, tweede druk herzien door J.W. Smidt, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1891, p. 460. Vgl. onder meer HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1520, rov. 2.3, HR 19 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1249, rov. 2.3, HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, NJ 2014/156, rov. 3.3 en 3.4 en HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, NJ 2012/518 m.nt. Keulen, rov. 2.7.3.

5 Zie in dit verband ook de noot van Rozemond onder HR 1 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3426, NJ 2016/113.

6 Vgl. HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1520, rov. 2, HR 27 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3167, NJ 2016/112 m.nt. Rozemond, rov. 2, HR 19 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1249, rov. 2, HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:204, rov. 2 en HR 5 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1113, NJ 2014/158 m.nt. Keulen, rov. 3.