Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1273

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
25-10-2016
Datum publicatie
21-12-2016
Zaaknummer
16/01334
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2905, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag, art. 552a Sv. Vervolg op ECLI:NL:HR:2015:3715. Coffeeshop Sky High. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 16/1232 B.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 16/01334 B

Zitting: 25 oktober 2016

Mr. W.H. Vellinga

Conclusie inzake:

[klager]

  1. Bij beschikking van 2 maart 2016 heeft de Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, het klaagschrift houdende beklag tegen voortduring van het conservatoir beslag op goederen, na terugwijzing bij arrest van de Hoge Raad van 25 november 2015, griffienr. 14/05841 B, ECLI:NL:HR:2015:3715, ongegrond verklaard.

  2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de griffienrs. 16/01232 B en 16/01334 B. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.

  3. Namens de verdachte hebben mr. J. Kuijper en mr. Th. O.M. Dieben, beiden advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

  4. Het middel klaagt dat de rechtbank het verweer dat de onderhavige procedure niet voldoet aan de eisen van art. 13 EVRM ten onrechte, althans op ontoereikende gronden heeft verworpen.

  5. De rechtbank heeft bedoeld verweer als volgt samengevat en verworpen:

“5.2 Ter terechtzitting van 10 februari 2016 heeft klager zich primair op het standpunt gesteld, zakelijk weergegeven, dat de rechtsbescherming die de beklagprocedure in artikel 552a Sv biedt tegen inbeslagname op grond van artikel 94a Sv feitelijk illusoir is geworden door de wijze waarop het 'hoogst onwaarschijnlijk'-criterium door de Hoge Raad in de onderhavige zaak en in andere zaken (o.a. de 'Happy-Days'-zaak, ECLI:NL:HR:2016:78) is ingevuld. Gesteld is dat daardoor op ontoelaatbare wijze inbreuk wordt gemaakt op klagers recht op een 'effective remedy' als bedoeld in artikel 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), ten aanzien van de beperking van het hem op grond van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (Eerste Protocol) toekomende eigendomsrecht. Om die reden voldoet volgens de raadsman de inbreuk op klagers recht op ongestoord genot van zijn eigendom niet aan de beperkingscriteria uit het Eerste Protocol bij het EVRM, zodat het (voortduren van het) beslag niet kan voortduren.

De verdragsbepalingen waarop klager zich beroept luiden als volgt:

Artikel 13 EVRM

Everyone whose rights and freedoms as set forth in this Convention are violated shall have an effective remedy before a national authority notwithstanding that the violation has been committed by persons acting in an official capacity.

Artikel 1, Eerste Protocol bij het EVRM

“Every natural or legal person is entitled to the peaceful enjoyment of his possessions. No one shall be deprived of his possessions except in the public interest and subject to the conditions provided for by law and by the general principles of international law.

The preceding provisions shall not, however, in any way impair the right of a state to enforce such laws at it deems necessary to control the use of property in accordance with the general interest or to secure the payment of taxes or other contributions or penalties.”

De rechtbank stelt voorop dat artikel 1, Eerste Protocol beoogt het ongestoord genot van eigendom te beschermen, maar tegelijkertijd toestaat dat de staat daarin beperkingen aanbrengt indien dat - kort gezegd - noodzakelijk is in het algemeen belang. Uit artikel 13 EVRM vloeit, in samenhang met artikel 1, Eerste Protocol bezien, voort dat in het nationale recht een reële mogelijkheid (‘effective remedy’) dient te worden geboden om in het verweer te komen tegen een inbreuk op het eigendomsrecht.

In de onderhavige zaak sprake is van inmenging van de staat in het eigendomsrecht van klager als bedoeld in artikel 1, Eerste Protocol, nu door het openbaar ministerie beslag is gelegd op onroerende goederen, zaken en vorderingen die klager toebehoren. Deze inmenging is het Nederlandse recht gegrond op artikel 94a Sv (conservatoir beslag), waartegen een rechtsmiddel kan worden aangewend op grond van artikel 552a Sv. De vraag die door klager is opgeworpen, is of dit rechtsmiddel inhoudelijk zodanige rechtsbescherming biedt dat de Nederlandse regelgeving verenigbaar is met de eisen die artikel 13 EVRM daaraan stelt.

De in Nederland geldende procedure houdt, voor zover hier van belang, het volgende in.

Het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv draagt een summier karakter. Dit betekent dat de rechter niet ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure dient te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel. Het beperkte karakter van de beklagprocedure komt tot uitdrukking in enkele van de aan te leggen toetsingsmaatstaven.

Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene gericht tegen een beslag als bedoeld in artikel 94a, eerste of tweede lid, Sv dient de rechter - ingevolge vaste jurisprudentie (onder andere: HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823)-te onderzoeken

a. ) of er ten tijde van zijn beslissing sprake was van verdenking van of veroordeling wegens en misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en

b. ) of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

(Vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823)

Uit de jurisprudentie kan voorts worden afgeleid dat de beklagrechter daarnaast in zijn oordeel mag betrekken of het (voortduren van) het beslag aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit voldoet. (Vgl. HR 24 mei 2005, LJN AS9296; HR 15 januari 2008, LJN BB9890 en HR 2 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:173)

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat enerzijds de omstandigheid dat in het licht van het summiere karakter van de procedure aan de invulling van het 'hoogst- onwaarschijnlijk'-criterium (hiervoor onder b) strenge eisen worden gesteld op zichzelf niet meebrengt dat klaagschriften feitelijk zelden of nooit meer gegrond worden verklaard, terwijl anderzijds voornoemd criterium niet uitputtend is aangezien ook andere maatstaven in de beoordeling kunnen worden betrokken. Dat brengt mee dat de stelling van klager dat het bestaande rechtsmiddel als gevolg van het beperkte 'hoogst onwaarschijnlijk'-criterium feitelijk illusoir is en derhalve geen 'effective remedy' biedt als bedoeld in artikel 13 EVRM, feitelijke grondslag mist. Het verweer wordt daarom verworpen.”

6. Zoals in de toelichting op het middel tot uitgangspunt wordt genomen is het vaste rechtspraak van het EHRM dat “the remedy required by Article 13 must be “effective" in practice as well as in law”, met dien verstande dat "the scope of the Contracting States’ obligations under Article 13 varies depending on the nature of the applicant’s complaint".1 Voorts verdient vermelding “that the Court’s approach can be very context dependant” 2 alsmede dat “the scope of the obligation under Article 13 varies depending on the nature of the Convention right relied on”.3

7. Volgens de toelichting op het middel is het oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk, althans niet voldoende gemotiveerd omdat een scenario waarin niet zal zijn voldaan aan het “hoogst onwaarschijnlijk”-criterium in ontnemingszaken een louter theoretisch scenario is.

8. Naar het oordeel van de rechtbank biedt de onderhavige procedure een “effective remedy” als bedoeld in art. 13 EVRM omdat enerzijds de omstandigheid dat het “hoogst onwaarschijnlijk”-criterium streng wordt ingevuld niet meebrengt dat klaagschriften feitelijk zelden of nooit meer gegrond worden verklaard, terwijl anderzijds dat criterium niet uitputtend is aangezien ook andere maatstaven - de rechtbank noemt proportionaliteit en subsidiariteit - in de beoordeling kunnen worden betrokken.

9. Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat het “hoogst onwaarschijnlijk”-criterium betekent dat klagen over beslag slechts in theorie een kans op succes heeft. De rechtbank oordeelt daarover anders. Hoe dit zij kan hier in het midden blijven. De vraag is of klager in het onderhavige geval een rechtsgang werd geboden die als een “effective remedy” kan worden aangemerkt.

10. Zoals de overwegingen van de rechtbank laten zien toetst de rechtbank niet alleen aan het “hoogst onwaarschijnlijk”-criterium (en daarbij aan het vertrouwensbeginsel c.q. van het verbod van willekeur) maar ook aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit:

“5.3 Subsidiair heeft klager zich op het standpunt gesteld dat de motivering van de rechtbank in de vernietigde beschikking thans juist is, nu het onderliggende vonnis van 25 februari 2014 onherroepelijk is geworden en dat toewijzing van een ontnemingsvordering (nog immer) hoogst onwaarschijnlijk is, gelet op de omstandigheden dat - zakelijk weergegeven - de vervolging in deze concrete zaak een trendbreuk vormt op het gedoogbeleid, dat er voor zorg is gedragen dat de coffeeshop paste in het lokale gedoogbeleid en aan de eisen van de lokaal opererende instanties voldeed, dat klager inzicht heeft gegeven in zijn financiën en dat geen - niet te verwachten - geldstromen zijn aangetroffen en hij is vrijgesproken van witwassen, en dat de coffeeshop een deugdelijke boekhouding heeft bijgehouden en dat aanzienlijke bedragen aan belasting zijn afgedragen.

De rechtbank heeft in haar - thans vernietigde - beschikking van 9 februari 2015 het volgende vastgesteld:

In het vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank, gewezen op 25 februari 2014 (hierna: het vonnis) heeft de rechtbank overwogen dat coffeeshop ‘ Sky High ’ te Zwolle (hierna: de coffeeshop) bewust en expliciet is gedoogd op grond van de zogenaamde AHOJG-criteria uit de Aanwijzing Opiumwet (Stcrt. 2000, nr. 250 en 2010, nr. 20611).

De rechtbank heeft in voormeld vonnis voorts overwogen dat uit de stukken van het dossier blijkt dat [klager] vanaf de opening van de coffeeshop zeer nauw betrokken is geweest bij de exploitatie van de coffeeshop en dat zijn werkzaamheden zo nauw verweven zijn geweest met de werkzaamheden van de exploitante van de coffeeshop, te weten [klaagster] , en zijn rol in het geheel aldus dermate groot is geweest dat hij ook met succes een beroep kan doen op de verleende gedoogvergunning.

In de hierboven genoemde ‘Aanwijzing Opiumwet’ is onder het kopje “Strakker gedoogbeleid’ weergegeven dat de maximale handelsvoorraad van gedoogde coffeeshops de 500 gram niet te boven mag gaan. In het vonnis heeft de rechtbank bewezenverklaard dat [klager] meer dan de hiervoor genoemde handelsvoorraad - door middel van stashes - aanwezig heeft gehad in en buiten de coffeeshop. Tegelijkertijd heeft de rechtbank overwogen dat de vervolging in deze concrete zaak een trendbreuk vormt op het sinds jaar en dag gevolgde gedoogbeleid, waarbij geen acht werd geslagen op de bevoorrading aan de achterdeur of de aanwezigheid van voorraden buiten de coffeeshop.

Op basis van de overwegingen uit het hiervoor genoemde strafvonnis heeft de rechtbank geconcludeerd dat er in het verleden steeds zorg voor is gedragen dat de coffeeshop ‘ Sky High ’ paste in het lokale gedoogbeleid en dat zij aan de eisen van alle lokaal opererende instanties voldeed. Tevens heeft de rechtbank in voormeld strafvonnis geoordeeld dat [klager] inzicht heeft gegeven in zijn financiën, die vastgelegd zijn in een echtscheidingsconvenant, en dat op basis van het strafrechtelijk onderzoek geen - niet te verwachten - geldstromen zijn aangetroffen anders dan door [klager] zelf reeds aangegeven. De rechtbank heeft [klager] vrijgesproken ter zake van witwassen.

Ter zitting in raadkamer is onweersproken naar voren gebracht dat de coffeeshop ‘ Sky High ’ een deugdelijke boekhouding heeft bijgehouden en dat aanzienlijke bedragen aan belasting zijn afgedragen. Van illegale geldstromen is niets gebleken. De hoge omzetten van de coffeeshop waren aldus bij de overheid bekend en over de omzet is telkens belasting betaald.

De rechtbank aanvaardt deze vaststelling nog immer als juist. Voornoemde omstandigheden doen er echter niet aan af dat er tegen klager een inmiddels onherroepelijk geworden veroordelend vonnis ligt op grond waarvan in beginsel een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig kan worden gemaakt, hetgeen inmiddels ook feitelijk aan de orde is. In de ontnemingsprocedure zijn schriftelijke rondes gelast en op 2 juni 2016 staat een regiezitting gepland. Gelet op deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank niet hoogst onwaarschijnlijk dat de ontnemingsrechter, later oordelend, aan klaagster een verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Deze verplichting kan namelijk ook worden opgelegd indien - zoals in dit geval - in de strafzaak sprake is van een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel als bedoeld in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Bij de beoordeling van de ontnemingsvordering zal ook betrokken dienen te worden de vraag of sprake is van wederrechtelijk voordeel, verkregen uit het strafbare feit waarvoor is veroordeeld, dan wel uit andere strafbare feiten, en zo ja, of er redenen zijn het te betalen bedrag lager vast te stellen dan het geschatte voordeel, waarbij de ontnemingsrechter een ruime beoordelingsvrijheid heeft. Voor een dergelijk oordeel is in de onderhavige beklagprocedure evenwel geen plaats.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat sprake is van een schending van het vertrouwensbeginsel c.q. van het verbod van willekeur nu het openbaar ministerie in de zaak betreffende coffeeshop Sky High wel een ontnemingsvordering heeft ingediend, terwijl dit in vergelijkbare gevallen niet gebeurt, en voorts dat het niet past om in het geval dat een coffeeshop zijn zaken op orde heeft, transparant is en fors bijdraagt aan de Nederlandse schatkist, aan de eigenaren van deze coffeeshop een ontnemingsmaatregel op te leggen. Ook op deze gronden is klager van mening dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de ontnemingsrechter de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

De rechtbank overweegt dat deze verweren, ook in onderlinge samenhang bezien en met het voorgaande beschouwd, thans niet reeds op voorhand tot de conclusie nopen dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende ontnemingsrechter een ontnemingsmaatregel zal opleggen, terwijl overigens een juridisch inhoudelijk oordeel met betrekking tot deze verweren is voorbehouden aan de ontnemingsrechter.

5.4 Meer subsidiair heeft klager zich op het standpunt gesteld dat het voortduren van het beslag, gelet op de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit, niet langer rechtmatig is. Daartoe is aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat de ten laste van klager bewezenverklaarde feiten zijn begaan in de context van een bona fide exploitatie van een gedoogde coffeeshop, dat de Belastingdienst de boekhouding van de coffeeshop telkens heeft bijgehouden en goed heeft bevonden, dat de omzetbelasting is betaald, dat van illegale geldstromen niet is gebleken en dat de coffeeshop bijgevolg telkens is gedoogd en de gedoogbeschikking nog immer ononderbroken is verlengd, terwijl klager als gevolg van het beslag reeds langdurig lijdt onder persoonlijke vleugellamlegging.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Het strafvorderlijke belang van het voortduren van het beslag is erin gelegen dat voorkomen wordt dat mogelijk wederrechtelijk verkregen voordeel wordt weggesluisd of opgesoupeerd. Aan conservatoir beslag is inherent dat de betrokkene in zijn bestedingsmogelijkheden en eigendomsrechten wordt beperkt en dus in zijn belangen wordt geschaad. De rechtbank constateert op basis van de stukken dat de geschatte waarde van (het totaal van) de inbeslaggenomen onroerende goederen, zaken en vorderingen lager ligt dan het bedrag dat in de tegen klager aanhangige ontnemingszaak wordt gevorderd als zijnde wederrechtelijk verkregen voordeel.

Tegen het strafvorderlijke belang van het voortduren van het beslag dient het persoonlijke belang van klager bij het ongestoorde genot van zijn eigendom te worden afgewogen.

De rechtbank heeft bij vonnis van 25 februari 2014 ten laste van klager bewezenverklaard dat hij meer dan de toegestane hoeveelheid handelsvoorraad aanwezig heeft gehad in de coffeeshop. De omstandigheden waaronder dit feit is gepleegd (zoals hierboven onder 5.2 vermeld), hebben ertoe geleid dat de rechtbank aan klager geen straf of maatregel heeft opgelegd. Dat doet er echter niet aan af dat er tegen klager een veroordelend vonnis ligt op grond waarvan in beginsel een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig kan worden gemaakt, hetgeen ook feitelijk aan de orde is, zoals hiervoor reeds is opgemerkt. Opmerking verdient dat een oordeel over de vraag of, gelet op de omstandigheden van het onderhavige geval, van (enig) wederrechtelijk verkregen voordeel sprake is, de aan te leggen toets in de beklagprocedure te buiten gaat en is voorbehouden aan de ontnemingsrechter.

Daarnaast is door klager - zonder nadere onderbouwing - gesteld dat hij als gevolg van het beslag persoonlijk vleugellam is gelegd. Deze stelling mist feitelijke grondslag nu uit de aan de pleitnotities van de raadsman gehechte (al dan niet voorlopige) aanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2012 tot en met 2016 genoegzaam blijkt dat verdachte een ruimschoots bovenmodaal inkomen geniet.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat het strafvorderlijke belang bij voortduring van het beslag dient te prevaleren boven het persoonlijk belang van klager bij het ongestoord genot van zijn eigendom. Het verweer wordt daarom verworpen.”

11. Tegen deze achtergrond kan moeilijk worden volgehouden dat klager door hantering van het “hoogst onwaarschijnlijkheids”-criterium in casu geen “effectieve remedy” als bedoeld in art. 13 EVRM is geboden en evenmin dat klager daardoor geen doeltreffende voorziening is geboden als bedoeld in art. 47 EU Handvest. Er is immers niet alleen getoetst aan het “hoogst onwaarschijnlijkheids”-criterium maar ook aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Bovendien is de klager onherroepelijk veroordeeld voor strafbare feiten waarvan de ervaring leert dat daarmee aanzienlijk wederrechtelijk voordeel pleegt te worden verkregen en is een ontnemingsvordering aanhangig. Daarin ligt besloten dat het beslag ook toetsing aan een strengere maatstaf zoals “waarschijnlijkheid” van toewijzing van een ontnemingsvordering, gelet op de praktijk van de strafrechtspleging en de omstandigheid dat er kennelijk geen probleem van draagkracht is4, zou kunnen doorstaan. Met andere woorden, het zwaartepunt in de toetsing van het beslag ligt door het stadium waarin de hoofdzaak verkeert niet in toetsing aan het “hoogst onwaarschijnlijkheids”-criterium maar in toetsing aan proportionaliteit en subsidiariteit.

12. De toelichting op het middel bevat voorts de klacht dat art. 1 Eerste Protocol EVRM is geschonden omdat in het oordeel van de rechtbank besloten ligt dat rekwirant, ook zonder dat het beslag voortduurt, in staat zal zijn een mogelijk in de toekomst opgelegde ontnemingsvordering te voldoen. In het licht van die omstandigheid, aldus de toelichting op het middel, is onbegrijpelijk het oordeel van de rechtbank dat het conservatoire beslag voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Deze opvatting deel ik niet. Ter motivering van het belang van het beslag wijst de rechtbank erop dat daarmee wordt voorkomen dat mogelijk wederrechtelijk verkregen voordeel wordt weggesluisd of opgesoupeerd. De omstandigheid dat klager, ook zonder dat het beslag voortduurt, in staat zal zijn een mogelijk in de toekomst opgelegde ontnemingsvordering te voldoen, wil nog niet zeggen dat geen gevaar bestaat dat mogelijk wederrechtelijk verkregen voordeel wordt weggesluisd of opgesoupeerd.

13. Voorts wordt nog geklaagd dat de motivering die de rechtbank aan haar oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de ontnemingsrechter, later oordelend, aan klaagster een verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen, ontoereikend is. Daartoe wordt er op gewezen dat de motivering van de rechtbank alleen ziet op de vraag of de ontnemingsrechter een oordeel zal vellen over de ontnemingsvordering, niet op de uitkomst van dat oordeel.

14. Deze klacht mist feitelijke grondslag. De rechtbank overweegt immers dat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de ontnemingsrechter een verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Daarbij wijst de rechtbank er bovendien op dat deze verplichting ook kan worden opgelegd indien - zoals in dit geval - in de strafzaak sprake is van een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel als bedoeld in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank laat er dan ook geen misverstand over bestaan dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat aan de klager een verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal worden opgelegd.

15. Voorts heeft de rechtbank haar waarschijnlijkheidsoordeel voldoende gemotiveerd. In aanmerking dient immers te worden genomen dat de klager onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten waarvan de ervaring leert dat daarmee aanzienlijk wederrechtelijk voordeel pleegt te worden verkregen, terwijl een ontnemingsvordering aanhangig is en de geschatte waarde van (het totaal van) de inbeslaggenomen onroerende goederen, zaken en vorderingen lager ligt dan het bedrag dat in de tegen klager aanhangige ontnemingszaak wordt gevorderd als zijnde wederrechtelijk verkregen voordeel.

16. Het middel faalt.

17. Gezien hetgeen ik hiervoor onder 6-11 heb uiteengezet leent de onderhavige zaak zich niet voor beantwoording van de vraag of het “hoogst onwaarschijnlijk”-criterium zo “streng” is dat beklagprocedures waarin dat wordt gehanteerd (geen “effectieve remedy” vormen als bedoeld in art. 13 EVRM en) geen doeltreffende voorziening zijn als bedoeld in art. 47 EU Handvest. Redenen voor het stellen van prejudiciële vragen als in de toelichting op het middel voorwaardelijk voorgesteld zie ik dan ook niet.

18. Het middel faalt.

19. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

20. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 O.a. EHRM 26 oktober 2000, Appl.no. 30210/96, (Kudla v. Poland), ECLI:NL:XX:2000:AD5181, m.nt. Alkema, par. 157.

2 D.J. Harris e.a., Law of the European Convention on Human Rights, Oxford University Press 2014, derde druk, p. 769.

3 D.J. Harris e.a., p. 769, onder verwijzing naar Hasan and Chaush v. Bulgaria 2000-XI; 34 EHRR para 98.

4 Klager stelt dat hij, ook zonder dat het beslag voortduurt, in staat zal zijn een mogelijk in de toekomst op te leggen ontnemingsvordering te voldoen.