Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1260

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
09-12-2016
Datum publicatie
03-03-2017
Zaaknummer
16/02022
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:360, Gevolgd
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Personen- en familierecht. Kinderalimentatie. Draagkracht ouder die kindgebonden budget ontvangt; betekenis prejudiciële beslissing HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3011, NJ 2015/465. Onjuiste rechtsopvatting hof?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2017/68 met annotatie van prof. mr. P. Vlaardingerbroek
JIN 2017/93 met annotatie van M.E.M. Beijersbergen
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. 16/02022

mr. R.H. de Bock

Zitting 9 december 2016

Conclusie inzake:

[de man]

verzoeker tot cassatie

tegen

[de vrouw]

verweerster in cassatie

1. Feiten 1 en procesverloop

1.1 Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit die relatie is op [geboortedatum] 2003 geboren de thans nog minderjarige [de dochter] (hierna: de minderjarige). De man heeft de minderjarige erkend en de vrouw oefent alleen het ouderlijk gezag uit over haar.

1.2 Bij inleidend verzoekschrift, ingekomen op 17 april 2014, heeft de vrouw de rechtbank te Rotterdam verzocht om de man te veroordelen om aan haar met ingang van 7 januari 2014 een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de minderjarige (hierna: kinderalimentatie) te betalen van € 500,- per maand.

1.3 De man heeft verweer gevoerd. Hij heeft verzocht om het verzoek van de vrouw af te wijzen dan wel te bepalen dat hij aan de vrouw vanaf de datum van de te wijzen beschikking een kinderalimentatie dient te betalen van € 94,75 per maand.

1.4 Op 4 september 2014 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Nadat de man vervolgens conform afspraak ter zitting een aantal stukken in het geding had gebracht, waarop de vrouw heeft gereageerd, heeft de rechtbank bij beschikking van 29 oktober 2014 bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van 17 april 2014 een kinderalimentatie dient te betalen van € 176,- per maand, wat betreft de na 29 oktober 2014 te verschijnen termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

1.5 Tegen de beschikking van 29 oktober 2014 heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Zij heeft het hof verzocht om de beschikking te vernietigen en te bepalen dat de man aan haar met ingang van 7 januari 2014 een kinderalimentatie van € 488,50 per maand dient te bepalen.

1.6 In het door hem ingestelde incidenteel hoger beroep heeft de man het hof verzocht om de bestreden beschikking te vernietigen en de door hem aan de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2015, dan wel met ingang van de datum van de door het hof te geven beschikking, te bepalen op € 13,60 per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, en met ingang van 1 november 2015 op nihil.

1.7 Op 26 augustus 2015 heeft het hof een tussenbeschikking (deelbeschikking) gegeven. Het hof heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd en, opnieuw beschikkende, de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie in de periode van 7 januari 2014 tot 16 mei 2014 bepaald op € 215,- per maand en in de periode van 16 mei 2014 tot 1 januari 2015 op € 268,- per maand. Het hof heeft verder, in afwachting van het antwoord van de Hoge Raad op de door het gerechtshof Den Haag in zijn uitspraak van 3 juni 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1288 gestelde prejudiciële vragen, de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor de periode van 1 januari 2015 tot 1 juli 2015 voorlopig bepaald op € 176,- per maand en met ingang van 1 juli 2015 voorlopig op € 13,- per maand, wat de na 26 augustus 2015 te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen. Het hof heeft iedere verdere beslissing met betrekking tot de definitieve kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2015 en de proceskosten aangehouden. Het hof overwoog met betrekking tot de kinderalimentatie ingang van 1 januari 2015 het volgende:

Periode 1 januari 2015 tot 1 juli 2015

14. Het hof volgt in deze zaak de aanbevelingen van de Expertgroep zoals die gelden per 1 januari 2015. Het hof hecht eraan, gezien het besprokene ter zitting, het volgende op te merken. Vanaf 1 januari 2013 beveelt de Expertgroep aan het Kindgebonden Budget in mindering te brengen op het zogenaamde ‘Eigen Aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen’. Met de inwerkingtreding op 1 januari 2015 van de Wet Hervorming Kindregelingen wordt het Kindgebonden Budget - in de daarvoor in aanmerking komende gevallen - verhoogd met de zogeheten ‘alleenstaande ouderkop’. In november 2014 heeft de Expertgroep ten aanzien van dit aldus verhoogde Kindgebonden Budget de aanbeveling gedaan om de per 1 januari 2013 ingezette lijn te continueren en dus ook de ‘alleenstaande ouderkop’ op het Eigen Aandeel in mindering te brengen. Het hof is bekend met de lopende discussie naar aanleiding van laatstgenoemde aanbeveling. In die discussie wordt bepleit de aanbeveling ter zake van de behoeftevaststelling niet te volgen. Als minst vergaande variant wordt geopperd om in alle gevallen (als de onderhavige) de alleenstaande ouderkop niet (meer) in mindering te brengen op de behoefte van minderjarige kinderen, maar te beschouwen als inkomen aan de zijde van de onderhoudsgerechtigde in het kader van de draagkrachtvergelijking om te bepalen welke ouder hoeveel moet bijdragen aan de kosten van de kinderen. Die benadering wordt ingegeven door de gedachte dat toepassing van de aanbeveling in strijd kan zijn met het wettelijk uitgangspunt dat de ouders naar draagkracht bijdragen in de behoefte van hun kind(eren). Het hof heeft besloten vooralsnog de aanbeveling te volgen tot dat de Hoge Raad de prejudiciële vragen die het hof hierover heeft gesteld, heeft beantwoord. Bij het maken van die keuze is door het hof als appelrechter doorslaggevende betekenis toegekend aan de rechtseenheid en de rechtszekerheid.

15. Daarnaar gevraagd hebben beide partijen ter zitting van het hof verzocht de beslissing over de kinderalimentatie vanaf 1 januari 2015 aan te houden teneinde het antwoord van de Hoge Raad op de prejudiciële vragen af te willen wachten. Om die reden zal het hof, zoals met partijen is besproken, de kinderalimentatie wat betreft de periode van 1 januari 2015 tot 1 juli 2015 voorlopig bepalen op het door de rechtbank vastgestelde bedrag van € 176,- per maand, mede gezien het feit dat de man ter terechtzitting heeft medegedeeld dat hij die alimentatie heeft betaald.

Periode vanaf 1 juli 2015

16. Het hof volgt de man in zijn stelling dat het kindgebonden budget, inclusief de alleenstaande ouderkop, gezien het inkomen van de vrouw, met ingang van 1 januari 2015 € 340,- zal bedragen en met ingang van 1 november 2015, in verband met het bereiken van de twaalfjarige leeftijd van de minderjarige, € 359,- per maand. Aangezien het hof een voorlopige alimentatie vaststelt houdt het hof vooralsnog het bedrag van € 340,- aan. Dit bedrag strekt in mindering op de behoefte van de minderjarige van € 353,- per maand, zodat de resterende behoefte van de minderjarige € 13,- per maand [bedraagt, A-G].

17. De draagkracht van de man is in deze periode ongewijzigd gebleven en gezien het feit dat de vrouw een uitkering op grond van de Participatiewet ontvangt acht het hof het niet redelijk dat de vrouw een aandeel levert in de kosten van de minderjarige.”

1.8 Op 9 oktober 2015 heeft de Hoge Raad een prejudiciële beslissing gegeven op de door het gerechtshof Den Haag in zijn beschikking van 3 juni 2015 gestelde vragen.2 Na partijen in de gelegenheid te hebben gesteld om een reactie te geven op die beslissing heeft het hof bij eindbeschikking van 13 januari 2016 de beschikking van de rechtbank, voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen, vernietigd en, opnieuw beschikkende, de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2015 bepaald op € 353,- per maand, wat de na 13 januari 2016 te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen, met dien verstande dat de bedragen die de man vanaf 1 januari 2015 tot 13 januari 2016 heeft betaald daarop in mindering strekken. Het hof heeft verder de kosten van het geding in hoger beroep aldus gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt en het heeft het in hoger beroep meer of anders verzochte afgewezen.

1.9 Bij verzoekschrift, ter griffie ingekomen op 13 april 2016, heeft de man - tijdig - beroep in cassatie ingesteld tegen de tussenbeschikking van 26 augustus 2015 en de eindbeschikking van 13 januari 2016.3 De vrouw heeft een verweerschrift ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel bevat eerst een algemene inleiding en een inleiding op de klachten. Het middel bevat vervolgens twee onderdelen (I en II).

Onderdeel I

2.2

Onderdeel I valt uiteen in verschillende klachten. De onderdelen I.1 tot en met I.5 zijn gericht tegen rov. 4 van de eindbeschikking van 13 januari 2016. Daarin heeft het hof het volgende overwogen (voor de leesbaarheid wordt ook rov. 3 geciteerd):

Behoefte

3. Bij beschikking van 26 augustus 2015 heeft het hof de behoefte van de minderjarige, rekening houdend met een kindgebonden budget van € 85,- per maand, vastgesteld op € 268,- per maand. De uitspraak van de Hoge Raad leidt ertoe dat het kindgebonden budget niet in mindering dient te worden gebracht op de behoefte van de minderjarige, maar, inclusief de alleenstaande ouderkop (in beginsel) bij het inkomen van de vrouw moet worden geteld.
Gelet hierop stelt het hof de behoefte van de minderjarige met ingang van 1 januari 2015 vast op € 353,- per maand.

Draagkracht vrouw vanaf 1 januari 2015

4. Uit de aan het hof overgelegde stukken is gebleken dat de vrouw een uitkering op grond van de Participatiewet ontvangt (productie 11 bij V-formulier van 17 juni 2015) en dat zij daarnaast met ingang van 1 februari 2015 tot 1 januari 2016 bijzondere bijstand ter zake de woonlasten ontvangt. Gelet hierop acht het hof het niet redelijk dat de vrouw een aandeel levert in de kosten van de minderjarige.”

2.3

De onderdelen I.1 tot en met I.4 richten zich blijkens onderdeel I.6 ook tegen rov. 17 van de tussenbeschikking, voor zover het hof daarin tot uitgangspunt heeft genomen dat gezien het feit dat de vrouw een uitkering op grond van de Participatiewet ontvangt het niet redelijk is dat zij een aandeel levert in de kosten van de minderjarige.

2.4

Onderdeel 1.1 klaagt dat het oordeel dat het niet redelijk is dat de vrouw een aandeel in de kosten levert omdat zij vanaf 1 januari 2015 een uitkering op grond van de Participatiewet ontvangt en vanaf 1 februari 2015 een toeslag voor de woonlasten, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting over art. 1:404 lid 1 BW j° art. 1:397 lid 1 BW. Ter toelichting stelt het onderdeel dat uit het wettelijk systeem voortvloeit dat beide ouders naar draagkracht in de kosten van hun kind moeten voorzien en dat er voor die draagkracht geen ondergrens is. Volgens het onderdeel is er ook bij een (zeer) geringe draagkracht de plicht tot onderhoud en bestaat er geen rechtsregel dat, indien de ene ouder verhoudingsgewijs veel meer draagkracht heeft dan de andere ouder, de eerstgenoemde ouder op grond van de redelijkheid en billijkheid alle kosten moet voldoen. Het onderdeel voegt hieraan toe dat de man bij de klacht mede belang heeft omdat het “waardeoordeel” van het hof een eigen leven gaat leiden. Het onderdeel stelt dat de man mede wil voorkomen dat de vrouw hem later kan tegenwerpen dat haar totale inkomen ten tijde van de beslissing van het hof niet tot enig aandeel in de kosten van de minderjarige leidt en dat haar aandeel alleen over het meerdere moet worden berekend.

Onderdeel 1.2 klaagt dat het hof met zijn oordeel buiten het partijdebat is getreden. Het voert in dat verband aan dat de vrouw niet heeft aangevoerd (i) dat de ontvangst van een uitkering op grond van de Participatiewet met zich brengt dat het niet redelijk is dat zij een aandeel in de kosten van de minderjarige levert, en (ii) dat zulks niet redelijk is omdat zij een tegemoetkoming in de woonkosten ontvangt. Het onderdeel klaagt dat het hof zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan een verboden aanvulling van de feitelijke gronden.

Onderdeel I.3 neemt tot uitgangspunt dat rov. 4 aldus moet worden gelezen dat de vrouw voor het leveren van een aandeel in de kosten van de minderjarige geen draagkracht heeft. Het onderdeel klaagt dat het hof alsdan geen inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang en daarmee een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven. Ter toelichting wijst het onderdeel erop dat het kindgebonden budget met de alleenstaande ouderkop vanaf 1 januari 2015 € 340,- per maand bedraagt en vanaf 1 november 2015 € 359,- per maand, en dat deze bedragen ingevolge de prejudiciële beslissing van 9 oktober 2015 bij de draagkracht van de vrouw worden geteld. Volgens het onderdeel leidt die optelsom ertoe dat de vrouw (enige) draagkracht heeft en dat dit ook volgt uit de Trema draagkrachttabel 2015.4

Onderdeel I.4 gaat er vanuit dat het hof in rov. 4 tot uitgangspunt heeft genomen dat voor de draagkracht van de vrouw vanaf 1 januari 2015 tot 1 februari 2015 alléén haar uitkering op grond van de Participatiewet telt en vanaf 1 februari 2015 alléén die uitkering plus de woonkostentoeslag. Het onderdeel klaagt dat dat oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting over de prejudiciële beslissing van 9 oktober 2015, nu daarin is geoordeeld dat bij de draagkracht het kindgebonden budget plus de alleenstaande ouderkop moet worden geteld. Volgens het onderdeel had het hof aldus met die tegemoetkomingen rekening moeten houden en had het de draagkracht van de vrouw moeten berekenen.

Onderdeel 1.5 gaat ervan uit dat het hof in rov. 4 tot uitgangspunt heeft genomen dat de vrouw vanaf 1 januari 2015 alleen een uitkering op grond van de Participatiewet ontvangt en vanaf 1 februari 2015 alleen een dergelijke uitkering vermeerderd met een tegemoetkoming in de woonkosten, en dat zij geen kindgebonden budget en een alleenstaande ouderkop ontvangt. Het onderdeel klaagt dat dat uitgangspunt onbegrijpelijk is nu de vrouw, zoals het hof in rov. 16 van de tussenbeschikking heeft overwogen, tevens een kindgebonden budget met alleenstaande ouderkop ontvangt. Volgens het onderdeel is het veronderstelde uitgangspunt daarmee ook innerlijk tegenstrijdig.

Volgens onderdeel 1.6 zijn de onderdelen I.1 tot en met I.4 ook gericht tegen rov. 17 van de tussenbeschikking, voor zover het hof daarin tot uitgangspunt heeft genomen dat op grond van de omstandigheid dat de vrouw een uitkering ontvangt op grond van de Participatiewet, het niet redelijk is dat zij een aandeel in de kosten van de minderjarige levert en rov. 4 van de eindbeschikking daarop voortbouwt.

2.5

Bij de bespreking van de onderdelen is het volgende voorop te stellen. In HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3011, NJ 2015/465 m.nt. S.F.M. Wortmann heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:

“3.1 Het gaat in deze procedure om vaststelling van de door de man te betalen bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de twee minderjarige kinderen uit het door echtscheiding ontbonden huwelijk tussen hem en de vrouw.

3.2.1

Op 1 januari 2015 is de Wet Hervorming Kindregelingen (WHK, Wet van 25 juni 2014, Stb. 2014, 227) in werking getreden. Bij deze wet zijn de regelingen met betrekking tot de bijdrage van de overheid in de kosten van verzorging en opvoeding van kinderen herzien. In dat kader is de zogenoemde alleenstaande ouderkop geïntroduceerd als onderdeel van het kindgebonden budget (…).

3.2.2

In hoger beroep is in verband met deze herziening de vraag gerezen of bij de vaststelling van kinderalimentatie voor de periode vanaf 1 januari 2015 de alleenstaande ouderkop en het overige deel van het kindgebonden budget in aanmerking moeten worden genomen bij de berekening van de behoefte van de kinderen, dan wel bij de draagkracht van de verzorgende ouder. (…)

3.3.1

De wetgever heeft in de loop der jaren diverse, ten dele inkomensafhankelijke, regelingen getroffen om ouders tegemoet te komen in de financiële lasten verbonden aan de verzorging en opvoeding van kinderen. Tot die regelingen behoort sinds 1 januari 2008 het kindgebonden budget. Het betreft een langs fiscale weg uitgekeerde, inkomensafhankelijke toeslag, die in de plaats is gekomen van de voordien geldende kinderkorting. Alleenstaande, één of meer kinderen verzorgende, ouders konden tot 1 januari 2015 aanspraak maken op aanvullende inkomensondersteuning in de vorm van een alleenstaande oudertoeslag in het kader van een bijstandsuitkering en een alleenstaande ouderkorting in zin van de Wet Inkomstenbelasting 2001.

3.3.2

De alleenstaande ouderkop vervangt de hiervoor in 3.3.1 genoemde alleenstaande oudertoeslag en alleenstaande ouderkorting. Blijkens een brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Tweede Kamer van 22 april 2015 (Kamerstukken II 2014/15, 33 716, nr. 32, p. 3) is met deze tegemoetkoming beoogd twee doelen na te streven: aanvullende inkomensondersteuning van de alleenstaande ouder, overeenkomend met de doelstelling van de oude regelingen, en, als onderdeel van het kindgebonden budget, een tegemoetkoming in de kosten van kinderen.

3.3.3

De Expertgroep Alimentatienormen (…) heeft in de periode van 1 januari 2009 tot 1 januari 2013 aanbevolen om het kindgebonden budget in het kader van de berekening van kinderalimentatie in aanmerking te nemen bij de vaststelling van de draagkracht van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. Met ingang van laatstgenoemde datum heeft de Expertgroep aanbevolen om het kindgebonden budget in mindering te brengen op de behoefte van het kind. Deze aanbeveling is eind 2014 gehandhaafd. De Expertgroep baseerde deze aanbeveling, aldus de toelichting, op antwoorden van de minister bij de behandeling van het wetsvoorstel WHK in de Eerste Kamer (Handelingen I, 2013/14, 33716, nr. 33, item 15, p. 10).

3.3.4

De aanbeveling van de Expertgroep kan ertoe leiden dat de, voor de berekening van de alimentatie vast te stellen, behoefte van het kind sterk vermindert, met als gevolg een dienovereenkomstige verlaging van de door de niet-verzorgende ouder te betalen alimentatie (Kamerstukken II 2014/15, 33 716, nr. 32, p. 5). Om die reden is de aanbeveling niet door alle gerechten gevolgd.

3.3.5

Uit recente uitlatingen van de minister (…) valt op te maken dat de wetgever bij de invoering van de WHK geen keuze heeft willen maken met betrekking tot de wijze waarop het kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop bij de berekening van kinderalimentatie in aanmerking dient te worden genomen.

3.4.1

Ingevolge art. 1:404 lid 1 BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Deze kosten vormen de behoefte van het kind. De verplichting van de ouders daarin te voorzien bestaat ongeacht de behoeftigheid van het kind (art. 1:392 lid 2 BW), dus ook indien het zelf in zijn behoefte zou kunnen voorzien.

3.4.2

De hiervoor in 3.3.1 en 3.3.2 vermelde overheidsregelingen om ouders tegemoet te komen in de financiële lasten verbonden aan de verzorging en opvoeding van kinderen, verminderen de behoefte van het kind niet. Deze wordt immers gevormd door wat het kind nodig heeft. Het bestaan van de bedoelde regelingen laat voorts onverlet dat het aan de ouders is om in de behoefte van hun kind te voorzien. De overheidsondersteuning is dan ook daarop gericht: met het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop is beoogd de verzorgende ouder, respectievelijk de verzorgende alleenstaande ouder, inkomensondersteuning te bieden om in de behoefte van zijn kind of kinderen te voorzien (zie hiervoor in 3.3.2). Deze tegemoetkomingen verhogen dan ook de draagkracht van die ouder.

3.4.3

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop niet in aanmerking dienen te worden genomen bij de bepaling van de behoefte van het kind, maar bij de berekening van de draagkracht van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. Nu de alleenstaande ouderkop en het overige deel van het kindgebonden budget dezelfde aard en strekking hebben, bestaat er geen grond om de gestelde vraag voor deze beide onderdelen van het kindgebonden budget verschillend te beantwoorden.”

2.6

Na in haar noot onder de uitspraak voorop te hebben gesteld dat de alimentatienormen tot nu toe geen recht zijn in de zin van art. 79 RO,5 schrijft Wortmann dat de door het hof in die zaak gestelde prejudiciële vragen uitsluitend betroffen de wijze waarop rekening zou moeten worden gehouden met het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop, dat wnd. A-G Hammerstein dit als rechtsvragen beschouwt, waarbij het gaat om een nadere bepaling van de wettelijke begrippen draagkracht en behoefte, en dat de Hoge Raad de gestelde vragen beantwoordt en er daarmee kennelijk van uitgaat dat het rechtsvragen betreft (punt 11). Dit laatste zal bij de bespreking van de onderdelen ook tot uitgangspunt worden genomen.

Op te merken is verder dat de Expertgroep Alimentatienormen het Rapport Alimentatienormen na de uitspraak heeft aangepast. In de versie van januari 2016 is opgenomen dat het kindgebonden budget gelet op de uitspraak niet (meer) in mindering op de (tabel)behoefte wordt gebracht.6 In zijn recente beschikking van 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2229, NJ 2016/428 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het op 9 oktober 2015 gegeven oordeel niet alleen betrekking heeft op de regeling van het kindgebonden budget met alleenstaande ouderkop zoals deze geldt sinds de inwerkingtreding op 1 januari 2015 van de Wet Hervorming Kindregelingen, maar ook op de regeling van het kindgebonden budget zoals die vóór 1 januari 2015 gold. Met de uitspraak van 30 september 2016 heeft het hof in de bestreden beschikking geen rekening kunnen houden.

2.7

Bij de beoordeling van de onderdelen is tot uitgangspunt te nemen dat beide ouders ingevolge art. 1:404 lid 1 BW verplicht zijn om naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Bij de vaststelling van kinderalimentatie kunnen beide ouders derhalve worden beschouwd als draagplichtig. Uitgangspunt bij de alimentatiebepaling is dat de onderhoudsplichtige ouders voor zichzelf wel ten minste het bestaansminimum moeten behouden. Dit bestaansminimum wordt bepaald door de bijstandsnorm, waarmee wordt bedoeld het bedrag dat de onderhoudsplichtige bij afwezigheid van eigen middelen van bestaan als bijstandsuitkering zou ontvangen. Dit bedrag is afhankelijk van zijn (nieuwe) gezinssituatie. Indien beide ouders na de scheiding een inkomen hebben dat hoger is dan de bijstandsnorm voor een alleenstaande,7 rijst de vraag wie welk deel van de behoefte van een kind moet dragen. Ter bepaling van ieders aandeel wordt van de ouders (en indien van toepassing, een stiefouder) een draagkrachtvergelijking gemaakt. Indien de rechter, na een berekening te hebben gemaakt, heeft vastgesteld dat er aan de zijde van een ouder draagkracht is, dan moet hij daarmee bij het vaststellen van kinderalimentatie rekening houden.

2.8

In rov. 16 van de tussenbeschikking van 26 augustus 2015, in cassatie niet bestreden, heeft het hof overwogen dat het de man volgt in zijn stelling dat het kindgebonden budget (inclusief de alleenstaande ouderkop) gezien het inkomen van de vrouw met ingang van 1 januari 2015 € 340,- per maand zal bedragen en met ingang van 1 november 2015, in verband met het bereiken van de twaalfjarige leeftijd van de minderjarige, € 359,- per maand. Genoemde bedragen zijn netto bedragen. Op grond van de prejudiciële beslissing van 9 oktober 2015 dienen het kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop in aanmerking te worden genomen bij de berekening van de draagkracht van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. In de onderhavige zaak is dat de vrouw. In rov. 3 van de eindbeschikking heeft het hof overwogen dat dit “(in beginsel)” moet gebeuren. Dit is evenwel niet juist, nu de Hoge Raad in zijn arrest van 9 oktober 2015 heeft beslist dat het kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop in aanmerking dient te worden genomen bij de berekening van de draagkracht van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. Een “in beginsel” regel - waarop dan uitzonderingen denkbaar zijn - is hierin niet te lezen. Voor het geval op de geformuleerde regel wel uitzonderingen denkbaar zijn, meen ik dat onvoldoende gemotiveerd is waarom in het onderhavige geval een uitzondering op de door de Hoge Raad gegeven regel moet worden aangenomen.

2.9

Voor de lezing dat de vrouw geen enkele draagkracht heeft voor het leveren van een aandeel in de kosten van de minderjarige,8 valt in de bestreden beschikking naar mijn mening geen steun te vinden. Voor zover het hof dat wel heeft geoordeeld, is de eindbeschikking niet voldoende gemotiveerd. Uit de beschikking blijkt namelijk niet dat het hof bij het vaststellen van de draagkracht van de vrouw rekening heeft gehouden met de genoemde nettobedragen van € 340,- respectievelijk € 359,- per maand aan kindgebonden budget, inclusief alleenstaande ouderkop. Indien in het bestreden oordeel besloten ligt dat het hof meent dat het met de genoemde bedragen geen rekening hoefde te houden, geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het hof heeft geoordeeld dat de redelijkheid en billijkheid mee kunnen brengen dat geen bijdrageplicht bestaat, ondanks het bestaan van een positieve draagkracht, dan is dat oordeel eveneens onjuist.

2.10

In het licht van het bovenstaande slagen de onderdelen I.1, I.3, I.4, I.5 en I.6. Onderdeel I.2 hoeft geen bespreking meer. Na vernietiging zal de verwijzingsrechter de draagkracht van de vrouw moeten vaststellen met inachtneming van het kindgebonden budget dat zij thans ontvangt en in het verleden heeft ontvangen. Nu het hof geen rekening heeft kunnen houden met de hiervoor genoemde recente uitspraak van 30 september 2016 staat het de verwijzingsrechter mijns inziens vrij om partijen in de gelegenheid stellen om zich over de gevolgen ervan voor hun situatie uit te laten. Dit is in ieder geval het meest praktisch.

Onderdeel II

2.11

Het onderdeel keert zich tegen rov. 6 van de eindbeschikking, voor zover het hof daarin tot uitgangspunt heeft genomen dat de man in de volledige kosten moet voorzien, alsmede tegen het dictum van de eindbeschikking. In het licht van het feit dat een groot deel van de klachten van onderdeel I slaagt, kunnen ook de door onderdeel II bestreden oordelen geen stand houden.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikkingen en tot verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Zie hiervoor de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.3 van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 29 oktober 2014.

2 HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3011, NJ 2015/465 m.nt. S.F.M. Wortmann, JPF 2015/120 m.nt. P. Vlaardingerbroek en JIN 2015/128 m.nt. I. Vledder. Zie over de prejudiciële beslissing de Groene Serie Personen- en Familierecht, art. 404, aant 2B (S.F.M. Wortmann).

3 De man heeft zich daarbij op blz. 1 (onderaan) van het beroepschrift het recht voorbehouden om zijn cassatiemiddel te wijzigen en/of aan te vullen, zodra hij beschikt over het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof van 8 juli 2015. Van dat voorbehoud is geen gebruik gemaakt.

4 Het onderdeel stelt dat uitgaande van alleen een uitkering op grond van de Participatiewet (zonder woonkostentoeslag) en vermeerderd met de bedragen uit hoofde van de kindregelingen uit de Tabel een draagkracht van € 67,- is af te leiden.

5 Zie onder meer HR 1 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0400, NJ 1992/30.

6 Rapport alimentatienormen versie januari 2016, blz. 6.

7 Zie hiervoor het Rapport alimentatienormen versie januari 2016, blz. 15.

8 Deze lezing wordt verdedigd door de vrouw, in onderdeel 3 van het verweerschrift in cassatie.