Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1256

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
25-10-2016
Datum publicatie
15-12-2016
Zaaknummer
15/04768
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2873, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen van poging tot gekwalificeerde diefstal van een navigatiesysteem c.q. radio uit een auto. CAG: Kennelijk is het Hof ervan uitgegaan dat sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering. HR: art. 81.1 RO en verbeterde lezing kwalificatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 15/04768

Zitting: 25 oktober 2016 (bij vervroeging)

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 18 september 2015 de verdachte wegens “poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 90 uren, subsidiair 45 dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.1

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. R.I. Takens, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet voldoende met redenen is omkleed, aangezien het hof is uitgegaan van een onjuiste opvatting van het begrip “medeplegen”, althans het medeplegen van de verdachte in de zin van een nauwe en bewuste samenwerking niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen.

4. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

“hij op 8 maart 2015 te Utrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een personenauto (VW Golf, zwart), welke stond geparkeerd op/aan de [a-straat] aldaar, weg te nemen een radio/navigatiesysteem toebehorende aan [A] B.V. en zich daarbij de toegang tot die personenauto te verschaffen en dat weg te nemen radio/navigatiesysteem onder hun bereik te brengen door middel van braak, een ruit van die auto heeft ingeslagen en de omlijsting van dat radio/navigatiesysteem heeft verwijderd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

(i) Een op 8 maart 2015 bij de politie gedane aangifte van [betrokkene 1] namens [A] B.V., voor zover inhoudende:

“Ik ben namens de benadeelde gerechtigd tot het doen van aangifte. Ik doe aangifte van inbraak in mijn auto. Niemand had het recht of de toestemming om in te breken in mijn auto, noch om dit te doen door middel van braak of verbreking. Mijn auto is eigendom van leasemaatschappij [A], en ik ben de gebruiker. Derhalve ben ik gemachtigd tot het doen van aangifte. Ik verklaar het volgende:

Vandaag, zondag 8 maart 2015 omstreeks 00:10 uur, zat ik in de woonkamer van mijn woning. Mijn woning is gelegen aan de [a-straat] 193 te Utrecht. Vanuit de woonkamer van mijn woonkamer heb ik vrij zicht de [a-straat] in. Mijn auto, een Zwarte Volkswagen Golf met het kenteken [AA-00-BB], stond op de openbare weg geparkeerd, voor mijn woning. Derhalve had ik vanuit mijn woonkamer vrij zicht op mijn auto. Niets op de weg of in mijn huis belemmerde het zicht op mijn auto. Ook stond mijn auto onder een lantaarnpaal geparkeerd. Ik had vanuit mijn woning zicht op de bijrijderszijde van mijn auto. Ik heb mijn auto zonder schade en afgesloten achtergelaten.

Op het genoemde tijdstip hoorde ik plotseling een harde knal buiten. Ook hoorde ik glasgerinkel. Ik keek door mijn raam naar buiten en zag twee jongens ter hoogte van mijn auto staan. Ik zag dat ze ter hoogte van het bijrijdersportier stonden. Ik zag dat het raam van het bijrijdersportier was ingeslagen. Ik wist direct dat dit die klap die ik net hoorde moet zijn geweest. Ik heb direct de politie gebeld en al mijn bevindingen aan hen gedaan.

Ik kan de twee jongens als volgt omschrijven:

Jongen 1:

Normaal postuur

Zwart haar

Witte gewatteerde winterjas

Jongen 2:

Normaal postuur

Zwart haar

Zwarte winterjas

Het ging allemaal zo snel, en ook stonden ze met hun rug naar mij toe. Ik heb ze dus niet goed in hun gezicht gezien.

Ik zag vervolgens dat de jongen met de zwarte jas in het geopende portierraam ging hangen. Ik kon niet goed zien wat hij aan het doen was. De andere jongen stond er naast en was druk om zich heen aan het kijken. Plotseling kwam de jongen uit mijn auto en liepen de jongens met zijn tweeën naar een fiets. Ik zag dat de jongen met de witte jas op de fiets stapte en de jongen met de zwarte jas achterop de fiets stapte. Ik zag dat het tweetal wegfietste in de richting van de Henriette Roland Holststraat te Utrecht. Ik ben ze vervolgens uit het zicht verloren.

Even later is er een politieagent bij mij ter plaatse gekomen en hebben we samen bij mijn auto gekeken. Ik zag dat de omlijsting van het navigatiesysteem op de bijrijdersstoel lag. Deze zat toen ik de auto parkeerde nog om het navigatiesysteem. Het navigatiesysteem zat nog wel op de plek waar hij hoorde. Ze zullen hebben gepoogd mijn navigatiesysteem weg te nemen. Wellicht dat ze mij voor het raam hebben zien staan, waardoor ze het werk niet hebben kunnen afmaken.”

(ii) Een proces-verbaal van bevindingen van de politie van 8 maart 2015, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voor zover inhoudende als verklaring van de verbalisant:

“Op zondag 8 maart 2015 was ik belast met opvallende surveillance op de motor. Om 00:11 uur hoorde ik via de portofoon een melding van een diefstal uit auto. Ik hoorde dat 2 verdachten op de [a-straat] te Utrecht op dat moment in een auto aan het inbreken waren. Ik ben vervolgens die kant op gereden. Aanrijdend hoorde ik de centralist zeggen dat de verdachten op een fiets weg reden in de richting van de Bleekstraat te Utrecht. Ik hoorde de centralist zeggen dat de verdachten met zijn tweeën op de fiets zaten. Voorop zou een jongen zitten met zwart haar en een witte gewatteerde jas. Achterop zou een jongen met donker haar zitten met een donkerkleurige gewatteerde jas.

Op het moment dat ik de Bleekstraat in reed zag ik aan de andere kant van de tunnel 2 jongens tezamen op een fiets. Ik zag dat zij de straat oversteken. Ik zag dat zij globaal uit de richting van de [a-straat] kwamen. Ik zag dat zij aan de rechterzijde van de weg mij tegemoet fietsten. Ik zag dat de voorste een witte jas droeg en achterop zat een jongen met een zwarte jas. Qua tijdspanne zouden dit de verdachten moeten zijn. Ik zag namelijk verder in de Bleekstraat geen andere mensen op straat. Links op de Adema van Scheltemabaan en de Vaartsestraat, in de richting van de [a-straat] zag ik ook geen mensen op straat.

Hierop ben ik de jongens de tunnel uit gevolgd en heb ik ze omstreeks 00:15 uur staande gehouden op de Vondellaan te Utrecht.

Ik onderwierp een van de verdachten aan een veiligheidsfouillering. Mij is namelijk bekend dat de meeste autokrakers schroevendraaiers bij zich dragen om de autoruit te breken. Teneinde mijn staandehouding veilig te kunnen uitvoeren heb ik deze verdachte, welke later bleek te zijn genaamd [betrokkene 2], onderworpen aan een veiligheidsfouillering. In zijn rechterjaszak trof ik een schroevendraaier aan. Ik zag dat dit een klein model platte kop schroevendraaier was. Ik hoorde vervolgens collega [verbalisant 2] via de portofoon zeggen dat er daadwerkelijk een auto was open gebroken. Hierop heb ik verdachte [betrokkene 2] aangehouden op verdenking van diefstal uit auto in vereniging, door middel van braak en/of verbreking. Ik zag dat collega’s [verbalisant 3] en [verbalisant 4] verdachte [verdachte] aanhielden.

Van beide verdachten is de jas in beslag genomen. (...) Ten tijde van de aanhoudingen was [verdachte] gekleed in een witte jas en reed hij op de fiets. [betrokkene 2] droeg een donkere jas en zat achterop de fiets.”

6. Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, heeft de raadsman van de verdachte bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, aangezien er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd. De aangever heeft een erg generieke omschrijving gegeven, terwijl de politie geen fotoconfrontatie of sporenonderzoek heeft verricht. Het gegeven dat de verdachte en zijn medeverdachte met zijn tweeën op een fiets zaten en een donkere c.q. witte jas droegen, is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

7. Het hof heeft in reactie op dit verweer onder “overweging met betrekking tot het bewijs” het volgende overwogen:

“Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.”

8. Het in de onderhavige zaak bewezen verklaarde feit is mede geënt op de strafbepaling van art. 311, eerste lid, onder 4°, Sr. Het in die bepaling opgenomen bestanddeel "door twee of meer verenigde personen" kan worden opgevat als "medeplegen" in de zin van art. 47 Sr.2 Voor het bewijs van medeplegen is een bewuste en nauwe samenwerking vereist.3 Dit criterium veronderstelt dat de verdachte opzet had op de samenwerking en op het grondfeit.4 De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Als van medeplegen sprake is, kan de verdachte ook in strafrechtelijke zin aansprakelijk worden gehouden voor uitvoeringshandelingen die (uitsluitend) door de medeverdachte zijn verricht. Om van medeplegen van (poging tot gekwalificeerde) diefstal te kunnen spreken is een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn mededader vereist, welke samenwerking moet zijn gericht op de auto-inbraak. Het bestaan van uitdrukkelijke afspraken tussen de mededader en de verdachte is daarvoor niet doorslaggevend. De bewuste samenwerking kan ook stilzwijgend geschieden.

9. In de bewezenverklaring, in samenhang bezien met de gebezigde bewijsmiddelen, ligt als het oordeel van het hof besloten dat de verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met zijn medeverdachte [betrokkene 2] heeft geprobeerd een auto-inbraak te plegen. Dit oordeel geeft gelet op hetgeen hiervoor onder 8 is vooropgesteld geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

10. Kennelijk is het hof ervan uitgegaan dat sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering van de poging tot inbraak. Dat oordeel acht ik in het licht van de bewijsvoering niet onbegrijpelijk. De verdachte is ’s nachts samen met zijn medeverdachte [betrokkene 2] op pad gegaan om een auto-inbraak te plegen. Nadat één van hen het raam van het bijrijdersportier van de auto van [betrokkene 1] had ingeslagen, hebben de verdachte en [betrokkene 2] gezamenlijk enige tijd ter hoogte van die auto gestaan. Vervolgens heeft [betrokkene 2] in aanwezigheid van de verdachte in het ingeslagen portierraam gehangen, terwijl de verdachte druk om zich heen keek met de kennelijke bedoeling om in de gaten te houden of iemand hen zag. [betrokkene 2] heeft de omlijsting van het navigatiesysteem dan wel de radio in de auto afgehaald. Nog voordat [betrokkene 2] het navigatiesysteem/de radio kon wegnemen, is hij uit de auto gekomen, kennelijk omdat de verdachte [betrokkene 1] voor het raam van zijn woning heeft zien staan. De verdachte en [betrokkene 2] zijn gezamenlijk op de fiets gevlucht, waarbij de verdachte de fiets heeft bestuurd en [betrokkene 2] achterop zat. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte en zijn medeverdachte zowel tijdens als na afloop van het begane feit in vergaande mate samen zijn opgetrokken, terwijl de precieze rolverdeling, bijvoorbeeld ten aanzien van het inslaan van de ruit, in het midden is gebleven. Het hof heeft uit de feiten en omstandigheden die uit de bewijsmiddelen volgen, in hun onderlinge samenhang bezien, kunnen afleiden dat bij de poging tot inbraak sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking bestaande in een gezamenlijke uitvoering.5 De enkele omstandigheid dat [betrokkene 2] en niet de verdachte in het portier heeft gehangen en de omlijsting van het navigatiesysteem dan wel de radio heeft afgehaald doet hieraan niet af. In een andere opvatting zou de term ‘gezamenlijke uitvoering’ naar mijn mening te restrictief worden uitgelegd.6 Zo kon in een geval van medeplegen van een inbraak in een supermarkt het vooraf insluiten van een medeverdachte in een meterkast in de supermarkt, zodat deze na sluitingstijd de alarmkabels kon doorknippen, ook als een uitvoeringshandeling worden aangemerkt.7

11. Nu het in dezen gaat om een gezamenlijke uitvoering van het feit en de verdediging geen verweer heeft gevoerd ten aanzien van het ten laste gelegde medeplegen, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering. Meer in het bijzonder heeft de raadsman niets aangevoerd wat erop zou kunnen duiden dat de verdachte slechts handelingen zou hebben verricht die met medeplichtigheid in verband kunnen worden gebracht. Zowel op de terechtzitting in hoger beroep als op de terechtzitting in eerste aanleg is de verdachte niet verschenen, terwijl hij tijdens zijn verhoor door de politie ten aanzien van het feit een beroep heeft gedaan op zijn zwijgrecht. Het hof heeft uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de bijdrage van de verdachte aan de auto-inbraak is geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering daarvan. Dat betekent dat, anders dan de steller van het middel aanvoert, de rol van de verdachte niet slechts heeft bestaan uit het aanwezig zijn ten tijde van het door een ander uitgevoerde delict, het daarbij op de uitkijk staan en het faciliteren van de vlucht. De bewezenverklaring is voldoende met redenen omkleed.8

12. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.

13. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het hof heeft gelet op de bewezenverklaring als kwalificatie van dit feit kennelijk “poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak” bedoeld. De Hoge Raad kan de kwalificatie dienovereenkomstig verbeterd lezen.

2 Zie HR 11 februari 1997, NJ 1997/440, rov. 5.2 en HR 17 november 1981, NJ 1983/84 m.nt. Van Veen, rov. 6 en 8. Vgl. voorts HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395 m.nt. Mevis, rov. 3.2.2: Ook in een geval waarin de tenlastelegging het delictsbestanddeel “gepleegd door twee of meer verenigde personen” bevat, zal de rechter moeten beoordelen of de door de verdachte geleverde bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.

3 Zie ten aanzien van gevallen waarin medeplegen niet bestaat in een gezamenlijke uitvoering in het bijzonder HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3637, NJ 2015/391 m.nt. Mevis, rov. 3 en HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. Mevis, rov. 3. Naar aanleiding van vragen van de advocaat-generaal heeft de Hoge Raad deze arresten nader toegelicht in HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395 m.nt. Mevis, rov. 3.2, HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716, rov. 3.2 en HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:713, rov. 3.2. Vgl. voorts HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1323, NJ 2016/412, rov. 3, HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1321, NJ 2016/420, rov. 3 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315, NJ 2016/413, rov. 3. Zie nader J. de Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, zesde druk, zesde druk, Deventer: Kluwer 2015, p. 453-467.

4 Vgl. De Hullu, a.w., p. 463-467 en de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge (ECLI:NL:PHR:2013:885) onder 4.7 voorafgaand aan HR 8 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:882.

5 Vgl. ook HR 20 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2126, NJ 2016/420, m.nt. Rozemond.

6 Zie hierover nader de conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee voorafgaand aan HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1323, NJ 2016/412 (ECLI:NL:PHR:2016:583).

7 Zie HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:883, NJ 2015/396 m.nt. Mevis. In dit verband valt ook te wijzen op HR 24 juni 2014, nr. 13/00019 (niet gepubliceerd, art. 81 RO).

8 Vgl. HR 5 juli 2016, nr. 15/00568 (niet gepubliceerd, middel 1), HR 7 juni 2016, nr. 14/06519 (niet gepubliceerd), HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:883, NJ 2015/396, rov. 3, HR 6 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:10, NJ 2015/399 m.nt. Mevis, rov. 2 en HR 24 juni 2014, nr. 13/00019 (niet gepubliceerd; art. 81 RO, middel 1).