Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1250

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
15-11-2016
Datum publicatie
13-12-2016
Zaaknummer
15/03040
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2852, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Motiveringseisen opleggen gevangenisstraf ex art. 359.6 Sv. Het hof heeft de verdachte t.z.v. bedrieglijke bankbreuk bij rechtspersonen veroordeeld tot een gs van zes maanden, waarvan twee vw met een proeftijd van twee jaren, en daartoe overwogen dat “een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt”. HR: het hof heeft met zijn overweging uitdrukkelijk doen blijken dat alleen een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf te dezen passend en geboden is en aldus in overeenstemming met art. 359, zesde lid, Sv in het bijzonder de redenen opgegeven die de opgelegde gevangenisstraf hebben bepaald (vgl. HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR: 2016:2191, NJ 2016/437).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/03040

Zitting: 15 november 2016

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Den Haag heeft de verdachte wegens “als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon enig goed aan de boedel onttrokken hebben en als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon niet voldaan hebben aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en het bewaren en tevoorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in dat artikel bedoeld” veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

  2. Namens de verdachte heeft mr. H. Oldenhof, advocaat te 's-Gravenhage, twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel, dat slechts kan worden begrepen in combinatie met de daarbij opgenomen toelichting, begrijp ik aldus dat dit de klacht bevat dat het oordeel van het hof dat de gedragingen van de verdachte kunnen worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op de bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers, dat het niet anders kan zijn dan dat zijn opzet daarop was gericht, onbegrijpelijk is, dan wel ontoereikend is gemotiveerd.1

4. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

“hij op een of meer tijdstippen in de periode van 1 januari 2009 tot en met 29 maart 2012 in Nederland, als bestuurder van een rechtspersoon (te weten [A] ) welke bij vonnis van de Rechtbank te 's-Gravenhage op 18 augustus 2009 in staat van faillissement is verklaard, telkens ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers opzettelijk goederen van [A] aan de boedel heeft onttrokken, immers heeft verdachte voornoemde goederen niet verantwoord en gemeld aan de curator in dit faillissement en heeft hij voornoemde goederen ten eigen bate aangewend en niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en het bewaren en tevoorschijn brengen van boeken en bescheiden en gegevensdragers in dat artikel bedoeld.”

5. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. De ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 11 maart 2014 afgelegde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

U vraagt mij of de voorraad van [B] ' Ltd. was. Ja.

2. Het proces-verbaal van nader verhoor aangever van de politie Haaglanden, Bureau Recherche Expertise en Ondersteuning, Financiële Recherche Unit, d.d. 22 november 2013, met proces-verbaalnummer 2012190735. Dit proces-verbaal houdt onder meer in — zakelijk weergegeven -:

als de op 15 oktober 2013 tegenover opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :

Ik ben op 18 augustus 2009 door de arrondissementsrechtbank Den Haag aangesteld als curator in het faillissement van het bedrijf [A] t.h.o.d.n. [B] Ltd. Dit bedrijf werd op 18 augustus 2009 failliet verklaard. Het bedrijf was toen gevestigd op de [b-straat 1] te Den Haag . Op dezelfde dag ben ik naar genoemd adres gegaan. Aldaar sprak ik de mij uit eerdere faillissementen bekende [verdachte] , enig bestuurder van dit bedrijf.

Op de vragen die ik aan [verdachte] stelde, gaf hij of geen antwoord of een ontwijkend antwoord. Wat betreft [B] heb ik aan [verdachte] een lijst met vragen verstrekt betreffende het faillissement van [B] en hem duidelijk gemaakt dat hij deze moest invullen en aan mij moest retourneren.

Ik stelde een onderzoek in naar de gang van zaken in het bedrijf [B] . Aan de hand van een verzekeringspolis kwam ik erachter dat [B] mogelijk nog een voorraad marmer had ter waarde van € 450.000,-. Die voorraad zou zijn opgeslagen aan de [a-straat 1] in Voorburg-Leidschendam . Ik ben vervolgens naar dit pand gegaan. Er was een grote hoeveelheid marmer opgeslagen. Ik herkende de voorraad uit eerdere faillissementen waar [verdachte] bij betrokken was. Ik stelde een onderzoek in naar de eigenaar van de voorraad marmer. Op basis van de gebrekkige en/of afwezige administratie kon ik echter niet vaststellen wie de eigenaar van het marmer was. [verdachte] vertelde dat de voorraad eigendom was van een van zijn andere hoewel hij dit niet kon aantonen.

Er is een staat van inlichtingen ter invulling verstrekt aan [verdachte] ter zake van [B] . Ik heb geen, of in zeer beperkte mate, geschreven teksten van [verdachte] teruggekregen. Ik heb [verdachte] wel regelmatig gesproken, maar hij gaf dan altijd een vaag, een ontwijkend, of helemaal geen antwoord. Hij werkte niet mee aan de afwikkeling van het faillissement van [B] .

Het probleem bij [verdachte] was dat er geen overzicht was van wat er werd ingekocht, wat er werd verkocht en wat de opbrengsten waren van de verkopen. Door de opvolging van de ene op de andere B.V. en Ltd.-'s werd het steeds ondoorzichtiger, zodat niet meer was vast te stellen welk bedrijf nu precies welke rechtshandeling had verricht. Dit, in combinatie met de voorraad marmer, ben ik van mening dat er sprake was van het onttrekken van goederen aan de boedel. Naast de genoemde voorraad marmer heb ik ook gezien dat apparatuur zoals een snijmachine, van het ene bedrijf naar het andere over ging. [verdachte] heeft nooit een complete, laat staan een inzichtelijke, administratie overgelegd. De administratie was niet op orde en zeer onvolledig.

3. Het proces-verbaal van verhoor van de politie Haaglanden, Bureau Recherche Expertise en Ondersteuning, Financiële Recherche Unit, d.d. 6 december 2013, met proces-verbaalnummer 2012190735. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als de op 6 december 2013 tegenover opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van de verdachte:

Mijn dochter heeft het bedrijf [D] B.V. opgericht.

In werkelijkheid had ik de leiding.

Ik heb het bedrijf [A] Limited ( [B] Ltd.) in 2007 opgericht. [B] Ltd. kocht natuursteen uit Turkije en verkocht dit in Nederland.

In het bedrijf [D] B.V. stond allemaal marmer. Ik was het niet eens met de curator dat hij de boel op de [a-straat] verkocht want dat was eigendom van [D] B.V. en niet van [B] Ltd.

4. Een geschrift, zijnde een aangifte artikel 342 en eventueel ook 343 Sr, van [betrokkene 1] , curator [B] Ltd. d.d. 29 maart 2012. Dit geschrift houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

Na herhaaldelijk verzoek is de administratie slechts summier aangeleverd. Niet is voldaan aan het voeren van een administratie en/of de administratie is niet in ongeschonden staat tevoorschijn gebracht en hier kunnen de rechten en verplichtingen in de zin van art. 2:10 en 3:15i BW niet uit worden afgeleid.

De bestuurder van de failliet, [verdachte] , heeft eraan meegewerkt dat, zowel voorafgaand aan het faillissement als daarna, goederen aan de boedel zijn onttrokken, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers en kwam op die wijze niet de verplichtingen na die de wet aan hem in verband met het faillissement van de failliet oplegde.

[B] Ltd. is opgeheven op 27 juli 2009. Er bleek dat er nog een vennootschap was, genaamd [C] B.V. aan de [a-straat 1] . Op deze locatie is de curator geweest en heeft kunnen constateren dat aldaar grote hoeveelheden graniet en marmer opgeslagen liggen.

Uit de polissen van de Rabobank, Afdeling Verzekeringen, blijkt dat [B] Ltd. een voorraad heeft verzekerd ter hoogte van € 450.000,-- met als risicoadres [a-straat 1] . Dit is geen verzekering die afgesloten wordt door een vennootschap die 'leeg' is.

Ondanks uitdrukkelijk verzoek daartoe verschaft [verdachte] niet de aan hem gevraagde inlichtingen, althans verschaft hij onjuiste of onvolledige inlichtingen.

5. Een geschrift, zijnde een kopie van de Bedrijven Compact Polis van Interpolis betreffende verzekeringnemer [B] Ltd, met polisnummer [0001] , met wijzigingsdatum 10 juni 2009, prolongatiedatum 12 mei 2010 en einddatum 12 mei 2014. Dit geschrift houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

Bedrijfsmiddelen: ongewijzigd

200: voorraad

Risico-adres: [a-straat 1] te [...] Rijswijk Zh

Verzekerd bedrag: € 450.000,—

6. Een geschrift, zijnde een kopie van het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage, sector civiel recht - enkelvoudige kamer, met rekestnummer 340845/FT-RK 09.1380 en insolventienummer 09/595 F, d.d. 18 augustus 2009. Dit geschrift houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

De rechtbank verklaart in staat van faillissement:

Buitenlandse vennootschap,

[A] , overige handelsnaam [B] Ltd.

7. Een geschrift, zijnde een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel, met dossiernummer 27308436, d.d. 25 juni 2013. Dit geschrift houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

Naam rechtspersoon: [A]

Handelsnaam onderneming: [B] Ltd.

Naam bestuurder: [verdachte]

Bevoegdheid bestuurder: alleen/zelfstandig bevoegd.

8. Een geschrift, zijnde een verzoek om inlichtingen in het faillissement van [B] d.d. 18 augustus 2009, ingevuld door de verdachte op 23 september 2009 (als bijlage gevoegd bij een brief van de curator mr. [betrokkene 1] gericht aan [A] , t.h.o.d.n. [B] Ltd. d.d. 18 augustus 2009). Dit geschrift houdt, onder meer in - zakelijk weergegeven -:

Vraag: Bestaat er een reële dreiging dat derden-rechthebbenden zaken proberen weg te halen uit het bedrijfspand van curanda? Zo ja, wie en om welke zaken gaat het?

Antwoord: Ltd. Bezit niets behalve wat geld op de eigen rekening.”

6. Uit de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnotities blijkt dat de raadsvrouwe van de verdachte aldaar heeft bepleit dat de verdachte van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Het hof heeft dit verweer als volgt samengevat en gemotiveerd verworpen:

“Nadere bewijsoverweging

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte behoort te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Daartoe heeft zij - verkort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte opzet heeft gehad op de benadeling van de schuldeisers. Voorts blijkt volgens de raadsvrouw niet welke feitelijke handelingen de verdachte heeft verricht om de inventaris aan de boedel te onttrekken en dat de gedragingen opzettelijk door hem zijn gedaan.

Het hof overweegt als volgt.

Op basis van de gebezigde bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting staat vast dat de verdachte niet heeft gemeld dat er een partij marmer was die tot de boedel behoorde. De verdachte heeft ook nimmer duidelijk gemaakt aan wie deze partij marmer in eigendom toebehoorde; hij heeft dienaangaande juist wisselende en elkaar tegensprekende verklaringen afgelegd. Zo heeft hij eerst aan de curator gezegd dat de partij marmer eigendom was van één van zijn andere B.V.'s, welke verklaring hij tegenover de politie heeft herhaald, om vervolgens ter terechtzitting in eerste aanleg te verklaren dat de partij marmer grotendeels eigendom was van [B] Ltd. Vanaf de vondst van de partij marmer door de curator heeft de verdachte over het eigendom daarvan schimmig gedaan.

De gedragingen van verdachte kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zijnde zozeer gericht op de bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers dat het naar het oordeel van het hof niet anders kan zijn dan dat zijn opzet daarop gericht was.

Het hof verwerpt het verweer.”

7. De tenlastelegging is toegesneden op art. 343, aanhef en onder 1 en 4 (oud), Sr. De ten tijde van het ten laste gelegde geldende wettelijke bepaling luidt als volgt:

“Art. 343 Sr

De bestuurder of commissaris van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien hij ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon:

1° hetzij lasten verdicht heeft of verdicht, hetzij baten niet verantwoord heeft of niet verantwoordt, hetzij enig goed aan de boedel onttrokken heeft of onttrekt;

(…)

4° niet voldaan heeft of niet voldoet aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 15i, eerste lid, van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek of artikel 5, eerste lid, van de Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen in samenhang met artikel 10, eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in die artikelen bedoeld.”

8. In de aanhef van art. 343 (oud) Sr is het bestanddeel “ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers” opgenomen. De Hoge Raad oordeelde in 1929 dat de wetgever met het woord “ter” voor ogen had dat het oogmerk moest bestaan op de verkorting van rechten van de schuldeisers, maar dat de ratio van onder meer art. 343 (oud) Sr verbood een dergelijke bedoeling van de verdachte te vereisen, omdat het de dader bij zijn handelen veelal niet om de bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers te doen zal zijn geweest. Daarom is voor het bewijs van dit bestanddeel voldoende dat de wil bestaat om de rechten van de schuldeisers te verkorten, welke wil mede aanwezig is indien de dader weet of begrijpt dat door zijn handelen die rechten worden verkort.2 Uit latere rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat onder dit opzet voorwaardelijk opzet moet worden begrepen. Niet is vereist dat de rechten van de schuldeisers daadwerkelijk zijn verkort.3 Voldoende is dat de handeling van de verdachte de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers heeft doen ontstaan.4

9. De Hoge Raad heeft in enkele arresten geoordeeld dat de bewezenverklaring van het bestanddeel “ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers” door het hof ontoereikend was gemotiveerd. In deze zaken kwamen de bewezen verklaarde gedragingen van de verdachte er in de kern op neer dat de verdachte was tekortgeschoten in het bijhouden van de administratie van het failliet gegane bedrijf.5 Art. 343, aanhef en onder 4 (oud), Sr was ten laste gelegd. De Hoge Raad oordeelde in één van deze zaken dat het niet of onvoldoende voeren van de administratie niet zonder meer de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers doet ontstaan en voorts dat indien van een dergelijke aanmerkelijke kans sprake was geweest, niet duidelijk is geworden of de verdachte zich van die aanmerkelijke kans bewust is geweest.6

10. Uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof kunnen afleiden dat sprake is geweest van een partij marmer die eigendom was van [B] Ltd. (onder meer bewijsmiddelen 1, 2 en 4). De raadsvrouwe van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep opgemerkt dat de onttrokken partij marmer van [B] was.7 Ook in cassatie wordt zulks niet bestreden. Uit de bewijsvoering volgt voorts dat de betrokkenheid van de verdachte verder gaat dan het enkel niet goed bijhouden van de administratie van het failliete [B] Ltd. Zo heeft de verdachte het bestaan van de partij marmer ter waarde van € 450.000,- niet aan de curator gemeld en over de eigendom daarvan wisselende verklaringen afgelegd (bewijsmiddelen 1 en 3). Voorts blijkt dat de voorraad marmer aan de verbalisant bekend was uit eerdere faillissementen waarbij de verdachte was betrokken (bewijsmiddel 2). Kort na het faillissement van [B] Ltd – op 23 september 2009 – heeft de verdachte aan de curator verklaard dat “Ltd” niets bezat, behalve wat geld op de eigen rekening (bewijsmiddel 8). De curator ontdekte dat er een partij marmer elders lag opgeslagen toen hij stuitte op een verzekeringspolis van de ten behoeve van de partij marmer afgesloten verzekering, waarin [B] Ltd als de verzekeringsnemer werd genoemd (bewijsmiddelen 2 en 7). Aan de curator heeft de verdachte desgevraagd verklaard dat de voorraad eigendom was van één van zijn andere bv’s, maar hij kon dit niet aantonen (bewijsmiddel 2). Ten slotte volgt uit de door het hof tot het bewijs gebezigde verklaringen van de curator dat de verdachte herhaaldelijk heeft verzuimd om op verzoek van de curator nadere inlichtingen te verschaffen en een inzichtelijke administratie te overleggen en dat niet duidelijk was welke rechtshandeling door welke bv of Ltd was verricht (bewijsmiddelen 2 en 4). In het licht van deze uit de bewijsvoering blijkende feiten en omstandigheden, in hun onderlinge samenhang bezien, is het oordeel van het hof dat de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op de verkorting van de rechten van de schuldeisers, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans hierop bewust heeft aanvaard, niet onbegrijpelijk. Mede in het licht van hetgeen ter verdediging is aangevoerd, is het oordeel van het hof toereikend gemotiveerd.

11. Het middel faalt.

12. Het tweede middel klaagt dat de strafmotivering onvoldoende is gemotiveerd, omdat het hof geen opgave heeft gegeven van de redenen die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf.

13. Het hof heeft de opgelegde straf als volgt gemotiveerd:

“Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich als bestuurder van een rechtspersoon op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan bedrieglijke bankbreuk door een partij marmer aan de failliete bedoel te onttrekken en in strijd met een op hem rustende wettelijke verplichting na te laten een deugdelijke administratie te voeren, te bewaren en tevoorschijn te brengen. Door aldus te handelen heeft de verdachte de schuldeisers benadeeld en is het vertrouwen in het handelsverkeer ernstige schade toegebracht. Tevens is de afwikkeling van het faillissement door de curator bemoeilijkt.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.”

14. Ingevolge art. 359, zesde lid, Sv dient de rechter in het bijzonder de redenen op te geven die tot de keuze voor de oplegging van een vrijheidsbenemende straf of maatregel hebben geleid.8 Uit de strafmotivering zal expliciet moeten blijken dat de rechter onder ogen heeft gezien dat hij een straf of maatregel oplegt die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt door in de strafmotivering tot uitdrukking te brengen dat zodanige sanctie wordt opgelegd en die sanctieoplegging te verbinden met in de strafmotivering opgegeven redenen.9

15. De motivering van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf voldoet niet aan dit vereiste indien wordt volstaan met een zogenoemde standaardoverweging waarin slechts wordt overwogen dat “de na te melden strafoplegging” in overeenstemming is met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.10 Aanvullende overwegingen, zoals een meer of minder uitgebreide beschrijving van (de ernst van) het begane feit en/of de vaststelling dat de verdachte eerder is veroordeeld ter zake van al dan niet soortgelijke strafbare feiten, leiden er niet zonder meer toe dat de drempel van art. 359, zesde lid, Sv wordt gehaald.11 Waar het op aankomt is of de strafmotivering tot uitdrukking brengt dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. Het hof kan dit met zoveel woorden doen12, maar in de rechtspraak hebben zich ook gevallen voorgedaan waarin de overwegingen van het hof volgens de Hoge Raad aldus moesten worden begrepen dat het hof van oordeel was dat niet kon worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming meebrengt.13

16. De strafmotivering van het hof moet daarvoor wel voldoende aanknopingspunten bieden.14 In zijn conclusie voorafgaand aan een arrest van 15 september 201515 merkte mijn ambtgenoot Vegter op dat zijn indruk is dat de wat soepeler benadering van de Hoge Raad16 is verlaten en dat thans geldt dat uit het arrest expliciet moet blijken dat het hof aandacht heeft gehad voor de bijzondere redenen voor de vrijheidsbenemende straf. Het hof moet kennelijk uitdrukkelijk een signaal geven art. 359, zesde lid, Sv voor ogen te hebben gehad, aldus Vegter.17 Daarvoor is van belang dat in de strafmotivering zelf het vrijheidsbenemende karakter van de opgelegde sanctie tot uitdrukking komt. Die eis blijkt ook uit de wetsgeschiedenis18:

“Evenals het zesde lid vormt het zevende lid een uitwerking van de gedachte dat juist vrijheidsstraffen en enkele voor de veroordeelde als zeer belastend te beschouwen bijkomende straffen aan hoge eisen van motivering moeten voldoen. Worden dergelijke straffen geheel of gedeeltelijk onvoorwaardelijk opgelegd, dan moet worden gemotiveerd waarom niet met een voorwaardelijke straf kon worden volstaan. (...) De leden 6 en 7 vormen een signaal van de wetgever dat de nadruk op vermogensstraffen behoort te vallen. Acht de rechter desondanks een vrijheidsstraf (dan wel ontzettings- of ontzeggingsstraf) op zijn plaats, dan dient hij zo duidelijk mogelijk te maken op welke gronden die overtuiging steunt."

17. Doordat het hof uitdrukkelijk overweegt dat het een deels voorwaardelijke gevangenisstraf passend acht19, verschilt de strafmotivering van het hof in de voorliggende zaak van de door de Hoge Raad ongenoegzaam geachte motiveringen in verschillende arresten van 15 september 2015. In het arrest dat is gepubliceerd in NJ 2016/98 repte het hof in zijn strafmotivering in het geheel niet van een gevangenisstraf. In het andere arrest sprak het hof slechts over een gevangenisstraf bij de vermelding van een advies van de reclassering, terwijl het daarbij ging om een advies tot oplegging van een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf. In HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2193 had het hof overwogen geen aanleiding te zien af te wijken van de in eerste aanleg opgelegde straf, die het hof passend en geboden achtte. Die straf betrof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand. Mijn ambtgenoot Harteveld stelde zich op het standpunt dat in ’s hofs overwegingen als zijn oordeel besloten lag dat het hof van oordeel was dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming meebrengt. De Hoge Raad volgde hem daarin niet. Die benadering strookt met jurisprudentie waarin verwijzingen naar de “na te melden strafoplegging” ontoereikend werden bevonden.

18. Het gaat in de onderhavige zaak naar mijn mening om een grensgeval. Anders dan in zaken waarin de Hoge Raad tot een vernietiging kwam, heeft het hof in de strafmotivering in het bestreden arrest wel uitdrukkelijk gerefereerd aan de gevangenisstraf die het heeft opgelegd. Daarbij gaat het ook om een gevangenisstraf die vrijheidsbeneming meebrengt. Van een grensgeval zou geen sprake zijn als het hof had verwezen naar de deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf die het heeft opgelegd. Het hof heeft de opgelegde straf in de strafmotivering echter juist omschreven als een deels voorwaardelijke gevangenisstraf. Verdedigd zou kunnen worden dat het hof daarmee geen blijk heeft gegeven van oordeel te zijn dat niet kon worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming meebrengt. Een andere benadering heeft echter mijn voorkeur. Met de verwijzing naar het “deels” voorwaardelijk karakter van de opgelegde gevangenisstraf wordt tot uitdrukking gebracht dat de opgelegde straf vrijheidsontneming meebrengt. Hoewel het vrijheidsbenemende karakter met de term “deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf” in sterkere mate wordt geaccentueerd dan met de term “deels voorwaardelijke gevangenisstraf”, gaat het uiteindelijk om dezelfde straf. Het komt mij voor dat het hof ook met de omschrijving van een “deels” voorwaardelijke gevangenisstraf er blijk van heeft gegeven onder ogen te hebben gezien dat de opgelegde straf vrijheidsbeneming met zich brengt en dat niet met een lichtere of andere dan een vrijheidsbenemende sanctie kan worden volstaan. Daarmee voldoet de strafmotivering aan het bepaalde in art. 359, zesde lid, Sv.

19. Het middel faalt.

20. De middelen falen. Het eerste middel kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.

'21. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

22. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Hoewel in één zin ook wordt opgemerkt dat niet althans onvoldoende blijkt welke feitelijke handelingen de verdachte heeft verricht om de inventaris te onttrekken aan de failliete boedel, wordt deze zin ook in verband met het opzetvereiste besproken. Nu de zin overigens niet wordt toegelicht, zie ik daarin geen zelfstandige klacht.

2 HR 27 mei 1929, NJ 1929, p. 1269. Zie ook H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, 1891, deel I, p. 11 en J. de Hullu, Materieel strafrecht, zesde druk, Deventer: Kluwer 2015, p. 254-255.

3 HR 9 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BI4691, NJ 2010/104. Sinds de inwerkingtreding van de nieuwe wettelijke bepaling (Stb. 2016, 205) dienen de schuldeisers wel daadwerkelijk in hun rechten te zijn verkort. Dat volgt volgens de minister uit de nieuwe formulering “wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld”. Zie Kamerstukken II 2013/14, 33 994, nr. 3, p. 14 en 17.

4 HR 9 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BI4691, NJ 2010/104; HR 16 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4797, NJ 2010/504; HR 11 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7662; HR 5 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4391 en HR 14 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:54, NJ 2014/80.

5 HR 14 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:54, NJ 2014/80. Zie ook HR 16 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4797 en HR 5 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4391.

6 HR 14 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:54, NJ 2014/80, rov. 4.3.

7 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 28 mei 2015, p. 2.

8 Zie onder meer HR 15 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2579, NJ 2016/97 en HR 15 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2580, NJ 2016/98 m.nt. Keulen en voor een uitgebreid overzicht van de rechtspraak de conclusie van mijn ambtgenoot Vegter voor HR 15 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2580, NJ 2016/98 m.nt. Keulen, onderdeel 19 en HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2202.

9 HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2191.

10 Zie HR 14 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF1191, NbSr 2003/59, HR 11 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2307, NbSr 2003/99 en HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL8747.

11 Zie HR 29 augustus 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX3925, HR 29 augustus 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX6411, HR 14 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM8040 en HR 3 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU2898.

12 Zie bijvoorbeeld HR 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:518.

13 Zie HR 13 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5693 (niet gepubliceerd), HR 3 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3128, HR 3 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3133, HR 3 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4994, NJ 2007/412, HR 4 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB7122, HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN1716 en HR 16 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0011.

14 Vgl. HR 15 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2579, NJ 2016/97.

15 ECLI:NL:HR:2015:2580, NJ 2016/98 m.nt. Keulen.

16 Vegter verwijst naar de hiervoor in voetnoot 5 genoemde arresten van de Hoge Raad van 3 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3128 en 4 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB7122.

17 Zie onderdeel 19 van de conclusie. Zie ook de noot van Keulen onder het arrest. Op deze plaats kunnen voorts HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3061 en HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3702 worden genoemd: twee Antilliaanse zaken waarin de Hoge Raad oordeelde dat de strafmotiveringen van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie niet voldeden aan art. 402, vijfde lid, Sv BES respectievelijk art. 402, vijfde lid, SvC. Deze bepalingen zijn nagenoeg gelijkluidend aan art. 359, zesde lid, Sv.

18 Kamerstukken II 1977/78, 15 012, nr. 3, p. 54-55.

19 Vgl. ook de strafmotivering van het hof in HR 25 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4987 waarmee volgens de Hoge Raad was voldaan aan het voorschrift van art. 359, zesde lid, Sv.