Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1246

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-10-2016
Datum publicatie
13-12-2016
Zaaknummer
15/00794
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2848
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Ruchtbaarheid geven ex art. 262.1 Sr (laster). Bewezen is verklaard dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander aan diverse personen heeft medegedeeld dat X in het bezit was van kinderporno; dat X haar kleinzoon en andere kinderen seksueel had misbruikt; dat alle kinderen in de klas zouden worden gecontroleerd door een schoolarts in verband met mogelijk misbruik; dat X die binnenkort gearresteerd zou worden in het bezit was van kinderporno, terwijl zij wist dat deze feiten in strijd met de waarheid waren. HR: onder “ruchtbaarheid geven” als bedoeld in art. 261 Sr dient te worden verstaan “het ter kennis van het publiek brengen”. Met zodanig “publiek” is een bredere kring van betrekkelijk willekeurige derden bedoeld. Van “het kennelijke doel om ruchtbaarheid te geven” kan ook sprake zijn indien de mededeling aan niet meer dan één persoon is gedaan (ECLI:NL:HR:2008:BC9186, HR 3 november 1964, NJ 1965/109). Het oordeel van het hof dat door mededeling van de in de bewezenverklaring vermelde aantijgingen aan de daarin genoemde personen is gehandeld met het kennelijke doel om aan die aantijgingen ruchtbaarheid te geven, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Daarbij neemt de HR in aanmerking dat het hof heeft vastgesteld dat de uitlatingen zijn gedaan tegenover meerdere personen en dat uit de aan deze personen gestelde vragen kan worden afgeleid dat is beoogd dat de aantijgingen bekend zouden worden respectievelijk onder een breder publiek besproken zouden worden. Samenhang met 15/00812.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 15/00794

Zitting: 11 oktober 2016 (bij vervroeging)

Mr. P.C. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 9 december 2014 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “medeplegen van laster en laster, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar, en een taakstraf voor de duur van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis. Verder heeft het hof de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard.

  2. Er bestaat samenhang met de zaak 15/00812. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Namens de verdachte heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, vier middelen van cassatie voorgesteld.

  4. Het eerste middel klaagt dat het oordeel van het hof dat aan het klachtvereiste zoals vervat in art. 164, eerste lid, Sv is voldaan blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel onbegrijpelijk is.

  5. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 25 november 2014 houdt – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende in:

“De raadsman van de verdachte deelt vervolgens mede:

Ik ben van mening dat zonder onderzoek van de zaak zelf de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging van de verdachte kan blijken. Dit heeft te maken met het grote tijdsverloop, een gebrek aan voortvarendheid aan de zijde van het openbaar ministerie en strijd met de beginselen van een behoorlijke en goede procesorde, alsmede - voor wat betreft het onder 2 ten laste gelegde - met het ontbreken, althans het niet tijdig doen van een klacht door aangever [betrokkene 1] .

De raadsman van de verdachte voert daarop het woord aan de hand van de door hem overlegde pleitnota.”

6. De bedoelde pleitnotities houden – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – in:

“Is het OM ontvankelijk in de vervolging.

Allereerst enige opmerkingen over de “klacht” in de zaak van aangever [betrokkene 1] .

Die aangifte zal zijn gedaan op 4 maart 2010 en niet op 4 maart 2011 (pag. 4 van het p.v.), zulks gelet op de overige processtukken. Die aangifte houdt niet een klacht in.

Een uitdrukkelijk verzoek om tot vervolging over te gaan ontbreekt. [betrokkene 1] stelt alleen: "het verspreiden van laster moet stoppen”.

Eerst op 2 september 2011 volgt een klacht.

De Hoge Raad oordeelde op 11 januari 1994 (ECLI:NL:HR:1994:ZC8448) dat in een dergelijk geval niettemin het bestaan van een klacht kan worden aangenomen indien op grond van het onderzoek ter terechtzitting is vastgesteld dat de klager ten tijde van het opmaken van dat stuk de bedoeling had dat een vervolging zou worden ingesteld.

Zulks blijkt niet uit de klacht van 2 september 2011.

Voorts stelt [betrokkene 1] zelf dat hij de informatie van [betrokkene 4] al vernam in september 2009 (pag. 18 van het p.v.). Dan is een klacht sowieso al te laat (zie art. 66 Sr).

Het OM dient in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging.”

7. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 25 november 2014 houdt voorts – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – nog het volgende in:

“De advocaat-generaal voert vervolgens het woord als volgt.

Op 4 maart 2010 deed aangever [betrokkene 1] aangifte van smaad en laster over de periode van maart 2009 tot en met maart 2010. Uit de aangifte blijkt dat aangever [betrokkene 1] zich in zijn eer en goede naam aangetast voelde door de verhalen die de verdachte en haar dochter, de medeverdachte [medeverdachte] , over hem hebben verteld tegen onder meer de moeders van enkele medeleerlingen van [betrokkene 5] , de zoon van de medeverdachte. Juist is dat aangever [betrokkene 1] pas op 2 september 2011 heeft verzocht om over te gaan tot strafvervolging van de mogelijke dader of daders van de smaad en laster, waarvan hij aangifte had gedaan. Ik ben echter van mening dat op grond van de inhoud van de aangifte van 4 maart 2010 buiten twijfel kan worden aangenomen dat aangever van meet af aan de wens had dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] strafrechtelijk vervolgd zouden worden. Uit die aangifte blijkt immers dat aangever tegen de moeders van de medeleerlingen heeft gezegd dat hij in het verleden reeds aangifte had gedaan van bedreigingen en smaad en laster en dat hij met behulp van het schoolbestuur en een advocaat bekijkt welke mogelijkheden er zijn dit te doen stoppen. Hieruit volgt naar mijn mening onmiskenbaar dat aangever de uitdrukkelijke wens had dat de bevoegde autoriteiten tegen de voortdurende smaad en laster iets zouden ondernemen, namelijk het instellen van strafvervolging tegen de verdachte en haar dochter. Aan het einde van de aangifte van 4 maart 2010 maakt aangever dat nog eens heel duidelijk met de woorden: “Het verspreiden van laster moet stoppen omdat ik daar ontiegelijk veel last van heb”.

Uit de formele klacht van 2 september 2011 blijkt dat aangever [betrokkene 1] nog steeds wil dat er een strafvervolging wordt ingesteld tegen de dader of daders van de smaad en laster waarvan hij aangifte had gedaan. En gezien de opmerkingen van aangever wil dat er een strafvervolging wordt ingesteld tegen de dader of daders van de smaad ten behoeve van de behandeling van de zaak in hoger beroep heeft ingediend, geldt die wens thans nog steeds.

(…)

Ik vorder dat het hof het verweer in al zijn onderdelen zal afwijzen.

De raadsman van de verdachte voert bij wijze van repliek het woord als volgt.

Het formele verzoek van aangever [betrokkene 1] om tot de strafvervolging van de verdachte over te gaan dateert pas van 2 september 2011. Gebreken met betrekking tot de klacht kunnen volgens de Hoge Raad hersteld worden, maar voorwaarde is dan dat de rechter op grond van het onderzoek ter terechtzitting moet kunnen vaststellen dat de wens dat tot strafvervolging zal worden overgegaan al eerder aanwezig was.

Anders dan de advocaat-generaal ben ik van mening dat die expliciete wens niet kan worden aangenomen op grond van de thans beschikbare stukken. Ik merk in dit verband nog op dat de verwijzing van de advocaat-generaal naar de inhoud van het wensenformulier dat aangever als benadeelde partij ten behoeve van de behandeling van de zaak in hoger beroep heeft ingediend geen betekenis heeft. Ook in dat wensenformulier meldt aangever niet dat hij al vanaf 4 maart 2010, de datum waarop hij aangifte deed, wilde dat tot strafvervolging zou worden overgegaan.

(…)

De voorzitter onderbreekt daarop het onderzoek voor beraad. Na de hervatting van het onderzoek ter terechtzitting deelt de voorzitter mede:

a. (…)

b. Met betrekking tot de klacht van aangever [betrokkene 1]

Vooropgesteld moet worden dat met het formele klachtvereiste enigszins soepel kan worden omgegaan indien uit de stukken afgeleid kan worden dat bij de aangever de wens bestaat dat tot strafvervolging wordt overgegaan. In deze zaak gaat het om de aangifte van aangever [betrokkene 1] van 4 maart 2010, gericht tegen de verdachte en haar dochter, de medeverdachte [medeverdachte] , die zich volgens aangever hadden schuldig gemaakt aan laster en smaad. Het formele verzoek om tot strafvervolging van de dader of daders over te gaan dateert van 2 september 2011. Behalve de aangifte van 4 maart 2010 bevindt zich in het dossier ook nog de aangifte van aangever [betrokkene 1] van 3 februari 2009, waarin hij tegen de medeverdachte [medeverdachte] aangifte doet van bedreiging, laster en smaad naar aanleiding van de door hem, aangever, ontvangen brieven. Weliswaar waren die brieven niet door de medeverdachte [medeverdachte] ondertekend, maar niettemin bestond bij aangever het vermoeden dat die brieven van haar afkomstig waren. In zijn aangifte van 3 februari 2009 heeft aangever uitdrukkelijk te kennen gegeven dat hij wenste dat tegen deze persoon, te weten de medeverdachte [medeverdachte] , een strafvervolging wordt ingesteld.

In aanmerking nemende dat aangever in zijn aangifte van 4 maart 2010 verwijst naar zijn aangifte van 3 februari 2009 en gelet op de samenhang tussen beide aangiften en de in de eerste aangifte neergelegde wens dat tot strafvervolging wordt overgegaan, moet naar het oordeel van het hof worden aangenomen dat aangever ook ten aanzien van de feiten waarvan hij op 4 maart 2010 aangifte deed, strafvervolging van de dader of daders wenste. Die wens is vervolgens nog eens geformaliseerd in de klacht van 2 september 2011. Het hof acht derhalve het openbaar ministerie ontvankelijk in de strafvervolging van het aan de verdachte onder 2 ten laste gelegde. Het verweer wordt derhalve ook in zoverre verworpen.”

8. Vervolging van (medeplegen van) laster is slechts mogelijk op klacht van degene tegen wie het misdrijf is gepleegd (art. 269 jo 262 Sr). Indien een (als klacht bedoeld) stuk wel een aangifte bevat maar geen verzoek tot vervolging inhoudt, kan niettemin het bestaan van een klacht als omschreven in art. 164, eerste lid, Sv worden aangenomen, indien op grond van het onderzoek op de terechtzitting is vastgesteld dat de klager ten tijde van het opmaken van dat stuk de bedoeling had dat een vervolging zou worden ingesteld.1 De rechter mag gelet hierop op basis van hetgeen tijdens de behandeling ter terechtzitting is gebleken vast stellen dat de aangever ten tijde van het doen van de aangifte verlangde dat de in zijn aangifte aangewezen verdachte ter zake zou worden vervolgd.

9. Anders dan de steller van het middel meen ik dat het hof de juiste maatstaf heeft aangelegd. In de eerste zin van de motivering van de verwerping van het verweer heeft het hof weliswaar niet met zoveel woorden tot uitdrukking gebracht dat de wens tot vervolging moet bestaan ten tijde van de aangifte, maar dat het hof in het vervolg van de motivering beoordeelt of de wens tot vervolging al aanwezig was ten tijde van de aangifte is glashelder. De klacht berust op een te selectieve lezing van een enkele zin (de eerste) van de overweging van het hof en het oordeel van het hof getuigt dus niet van een onjuiste rechtsopvatting.

10. Op grond van art. 66, eerste lid, Sr kan een klacht ingediend worden gedurende drie maanden na de dag waarop de tot klacht gerechtigde kennis heeft genomen van het gepleegde feit. Nu in onderhavige zaak op 2 september 2011 een formele klacht is ingediend ter zake van feiten die zich tussen 1 maart 2009 en 4 maart 2010 hebben afgespeeld, is die klacht niet binnen de gestelde termijn ingediend. Het hof heeft geoordeeld dat desalniettemin aan het klachtvereiste zoals vervat in art. 164, eerste lid, Sv is voldaan, nu uit de stukken volgt dat de aangever ten aanzien van de feiten waarvan hij op 4 maart 2010 aangifte deed, strafvervolging van de dader(s) wenste.

11. Voor zover wordt geklaagd dat het hof de vaststelling van de aanwezigheid van een tijdige klacht louter heeft gestoeld op een klacht uit het verleden (3 februari 2009) ter zake van andere feiten wijs ik op het volgende. Het oordeel dat er tijdig een klacht is ingediend berust volgens het hof op de aangifte van 4 maart 2010. Het hof wijst er op dat in die aangifte uit 2010 de aangever zelf verwijst naar de klacht uit 2009. Uit die verwijzing leidt het hof af dat aangever ook op 4 maart 2010 vervolging wenst. Dat is mijn inziens niet onbegrijpelijk onder meer ook omdat niet goed voorstelbaar is dat aangever met zijn tweede aangifte een ander doel dan vervolging voor ogen stond. De aangifte van 2009 betreft weliswaar een ander feitencomplex (verzenden van anonieme brieven), maar het hof wijst terecht op de samenhang tussen beide aangiften. Het gaat immers in de aangifte van 2009 in de kern om soortgelijke feiten (bedreiging, laster en smaad). De slotsom is dat de motivering van het hof niet onbegrijpelijk is.

12 Het eerste middelfaalt.

13. Het tweede middel klaagt dat het hof het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in verband met het tijdsverloop, een gebrek aan voortvarendheid aan de zijde van het openbaar ministerie en strijd met beginselen van een behoorlijke en goede procesorde ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen.

14. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 25 november 2014 houdt – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende in:

“De raadsman van de verdachte deelt vervolgens mede:

Ik ben van mening dat zonder onderzoek van de zaak zelf de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging van de verdachte kan blijken. Dit heeft te maken met het grote tijdsverloop, een gebrek aan voortvarendheid aan de zijde van het openbaar ministerie en strijd met de beginselen van een behoorlijke en goede procesorde, alsmede - voor wat betreft het onder 2 ten laste gelegde - met het ontbreken, althans het niet tijdig doen van een klacht door aangever [betrokkene 1] .

De raadsman van de verdachte voert daarop het woord aan de hand van de door hem overlegde pleitnota.”

15. De bedoelde pleitnotities houden – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – in:

“(…)

Voorts wordt er ook een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van het OM in de ingestelde vervolging in verband met het grote tijdsverloop, een gebrek aan voortvarendheid aan de zijde van het OM en strijd met de beginselen van een behoorlijke en goede procesorde. Ten onrechte liet de rechtbank in eerste aanleg in deze zaken zich niet uit over de beweerde strijd met die beginselen.

Waar het betreft “undue delay”: spreker is op de hoogte van het arrest van uw hof d.d. 14 november 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:4696.

Uw hof verwijst op pag. 5 van het arrest naar de vaste/bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad dienaangaande.

In de onderhavige zaken spelen echter ook beginselen van een behoorlijke procesorde een rol.

Opmerking verdient voorts dat uw hof in zijn eerdere arrest - in een andere zaak - d.d. 16 januari 2013 (ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ0191) wel tot niet-ontvankelijkheid kwam, ondanks die jurisprudentie van de Hoge Raad.

Toelichting.

Het gaat inmiddels om feiten, vermoedelijk begaan in het jaar 2009.

Alleen feit 3 in de zaak van [medeverdachte] kent een pleegperiode tot en met 4 maart 2010.

Hetzelfde geldt in de zaak van [betrokkene 2] met betrekking tot feit 2.

De zaken werden voor het eerst aangebracht tegen de zitting van de rechtbank in eerste aanleg van 7 juni 2013.

[medeverdachte] wordt aangehouden op 5 februari 2009, de dag waarop [betrokkene 5] uit huis geplaatst wordt. Het gaat dan ook al om de zaak [betrokkene 1] . Die deed aangifte naar aanleiding van een door hem ontvangen brief, ondertekend door [betrokkene 6] . Hij verdacht echter [medeverdachte] van betrokkenheid.

(…)

Er volgt een tweede aangifte van [betrokkene 1] en wel op 4 maart 2010. Dat p.v. wordt eerst gesloten op 10 november 2011.

Het OM pakt de zaak aldus in het geheel niet voort varend aan. En dan komt de zaak pas op zitting in juni 2013.

(…)

Opmerking verdient trouwens dat zij [medeverdachte [medeverdachte] ; PV] eerst in juni 2011 voor het eerst wordt uitgenodigd voor een verhoor. Dit geldt ook voor [betrokkene 2] .

[betrokkene 7] doet al aangifte op 23 maart 2009, [betrokkene 8] op 8 april 2009. Ook hier is het OM passief: eerst in juni 2013 diende de zaak ter zitting van de rechtbank. Dit terwijl het p.v. werd afgesloten op 9 augustus 2010 en het LEBZ-rapport dateert van 22 november 2010.

Het OM vindt de zaken kennelijk niet erg ernstig. De zaken worden niet met spoed afgewikkeld.

De zaken zijn niet gecompliceerd. Het dossier is echter lijvig en onoverzichtelijk, omdat er zo’n 7 zaken bij zitten die al in februari 2011 zijn afgedaan. Ook toen had al een dagvaarding uit kunnen gaan in de onderhavige zaken. Voorts is het dossier niet doorgenummerd en zijn er ook dubbele stukken. Een chaotisch geheel.

Inmiddels verstreken na februari 2011 alweer 28 maanden en diende de zaak voor het eerst in juni 2013. Ook na februari 2011 liet het OM deze zaken nog ruim 2 jaren op de plank liggen.

Bij dit alles komt dat het in de ogen van de wetgever niet gaat om zware en ernstige delicten. De strafmaxima zijn in verhouding erg laag (maximum 2 jaar).

Dus geen feiten waarop, bijvoorbeeld naar de wettelijke omschrijving, een maximum gevangenisstraf van 6 of 8 jaren staat.

Cliënten verkeren hierdoor gedurende jaren in onzekerheid.

(…)

Voorts wordt aan cliënten door het zeer grote tijdsverloop de mogelijkheid ontnomen tot het voeren van een adequate verdediging, althans wordt die verdediging sterk bemoeilijkt. Het is een feit van algemene bekendheid dat herinneringen van getuigen in de loop der tijd vervagen en verbleken.

Feitenrechters gaan de laatste jaren er steeds vaker toe over om het OM af te straffen in dergelijke gevallen door dat OM niet-ontvankelijk te verklaren in de ingestelde vervolging (ondanks de rechtspraak van de Hoge Raad, inzake ‘undue delay’).

Ik verwijs daartoe naar artikelen in het NJB van 28 juni 2013 en de Nieuwsbrief Strafrecht van 21 juni 2013. Deze artikelen werden door de raadsman ter terechtzitting in eerste aanleg overgelegd.

(…)2

Er wordt dan ook verzocht om het OM niet-ontvankelijk te verklaren in de zaak van [medeverdachte] . Het OM heeft in dezen het recht om nog te vervolgen verspeeld.

In de zaak [betrokkene 2] wordt verwezen naar hetgeen ik al naar voren bracht in de zaak van cliënte [medeverdachte] . De eerder in die zaak genoemde feiten en argumenten zijn grotendeels ook van toepassing in de zaak van [betrokkene 2] . Ook in de zaak van cliënte [betrokkene 2] dient naar mijn mening het OM niet-ontvankelijk te worden verklaard in de ingestelde vervolging. Dat is de enige passende reactie, omdat thans de belangen van de verdachte dienen te prevaleren.”

16. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 25 november 2014 houdt voorts – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – nog het volgende in:

“De raadsman van de verdachte voert bij wijze van repliek het woord als volgt.

(…)

Met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn wijs ik nog op de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 november 2014, waarin het hof overwoog dat het, anders dan de advocaat-generaal, in de rechtspraak van de Hoge Raad niet het uitgangspunt ziet dat overschrijding van de redelijke vervolgingstermijn nimmer aanleiding zou kunnen zijn om het openbaar ministerie in de vervolging niet-ontvankelijk te verklaren.

(…)

De voorzitter onderbreekt daarop het onderzoek voor beraad. Na de hervatting van het onderzoek ter terechtzitting deelt de voorzitter mede:

“a. Met betrekking tot het beroep op artikel 6 EVRM:

Naar het oordeel van het hof is het recht van de verdachte op een openbare behandeling van haar zaak binnen een redelijke termijn in eerste aanleg geschonden.

Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens de verdachte een handeling is verricht waaruit zij heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen had tegen haar een strafvervolging in te stellen. Het hof ziet evenwel, anders dan door de raadsman is betoogd, geen aanleiding om af te wijken van de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad. Dit betekent dat het hof, niettegenstaande de geconstateerde termijnoverschrijding, het openbaar ministerie in de strafvervolging van de verdachte ontvankelijk acht. Het verweer wordt derhalve in zoverre verworpen. Het hof zal, indien het tot een bewezenverklaring komt, de termijnoverschrijding in aanmerking nemen bij de eventuele strafoplegging.”

17. De kern van de klacht is dat het hof het verweer heeft gereduceerd tot een beroep op overschrijding van de redelijke termijn waardoor – andere door de raadsman ter terechtzitting naar voren gebrachte – ‘belangrijke aspecten’ klaarblijkelijk niet werden meegewogen bij de beantwoording van de vraag naar de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De steller van het middel noemt (kennelijk als belangrijke aspecten) de onoverzichtelijkheid van het dossier, de aard en geringe ernst van de feiten, de lange periode van onzekerheid bij verzoekster, de onmogelijkheid om als gevolg als gevolg van het zeer grote tijdsverloop nog een adequate verdediging te voeren en het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging.

18. De constatering van de steller van het middel dat het hof in de motivering van de verwerping van het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie geen afzonderlijke aandacht heeft besteed aan de door hem genoemde ‘belangrijke aspecten’ is juist. Daarbij moet het volgende voor ogen worden gehouden. Bij het voeren van verweer in feitelijke aanleg is in het midden gebleven, althans is geen standpunt ingenomen over de vraag, of de genoemde aspecten betekenis hebben voor het vaststellen van de duur van de redelijke termijn (is er een schending of niet?) dan wel voor het aan het overschrijden van de redelijke termijn te verbinden rechtsgevolg. Uit de strafmotivering (p. 8 van het arrest) komt naar voren dat het hof constateert dat de redelijke termijn is geschonden. Hoewel het hof een taakstraf van 80 uren in beginsel passend acht, wordt de termijnoverschrijding zo verdisconteerd dat een taakstraf van 60 uren wordt opgelegd. De schending van de redelijke termijn is daarmee kennelijk zo ernstig geacht dat deze heeft geleid tot een strafreductie van 25%. Een dergelijke forse reductie valt mijns inziens alleen te begrijpen indien het hof ook rekening heeft gehouden met de door de steller van het middel genoemde ‘belangrijke aspecten’. Het betreft ook bijna steeds aspecten die volgens de vaste rechtspraak in aanmerking kunnen worden genomen bij het vaststellen van de duur van de redelijke termijn.3 Voor zover het naar het oordeel van de verdediging een enkel aspect betreft dat in het kader van het vaststellen van de duur van de termijn geen of minder betekenis heeft, heeft de raadsman in feitelijke aanleg daarvoor geen bijzondere aandacht gevraagd om zo een afzonderlijke beslissing van het hof over dat aspect in het kader van de beslissing over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie te bewerkstelligen.

19. Het tweede middel faalt, omdat het hof gelet op de wijze waarop het verweer in feitelijke aanleg is ingekleed, niet was gehouden aan de ‘belangrijke aspecten’ in het kader van de verwerping van het beroep op niet-ontvankelijkheid aandacht te besteden.

20. Het derde middel klaagt dat het hof een te ruime uitleg heeft gegeven aan het in de tenlastelegging en bewezenverklaring opgenomen delictsbestanddeel “met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven”, zodat het oordeel van het hof dat daaraan in voldaan blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is.

21. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard:

“2.
dat zij in de periode 1 maart 2009 tot en met 4 maart 2010 te Werkendam tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk de eer en/of goede naam van [betrokkene 1] heeft aangerand door telastlegging van bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers hebben verdachte en haar mededader met voormeld doel aan diverse personen in Werkendam, te weten [betrokkene 2] en [betrokkene 3] - zakelijk weergegeven - medegedeeld:

- dat [betrokkene 1] haar, verdachtes, kleinzoon en andere kinderen seksueel had misbruikt,

terwijl verdachte wist dat deze te last gelegde feiten in strijd met de waarheid waren

en

dat zij in de periode 1 maart 2009 tot en met 4 maart 2010 te Werkendam opzettelijk de eer en/of goede naam van [betrokkene 1] heeft aangerand door telastlegging van bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft verdachte met voormeld doel aan diverse personen in Werkendam, onder wie [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] - zakelijk weergegeven - medegedeeld:

- dat [betrokkene 1] in het bezit was van kinderporno en/of

- dat [betrokkene 1] haar, verdachtes, kleinzoon en andere kinderen seksueel had misbruikt en/of

- dat alle kinderen in de klas zouden worden gecontroleerd door een schoolarts in verband met mogelijk misbruik en/of

- dat [betrokkene 1] binnenkort gearresteerd zou gaan worden

terwijl verdachte wist dat deze te last gelegde feiten in strijd met de waarheid waren.”

22. Het hof heeft – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende overwogen:

“Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

(…)

C.

Met het oog op de bepleite vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman van de verdachte voorts betoogd dat de in de tenlastelegging nader omschreven uitlatingen door de verdachte niet zijn gedaan met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven. Hiermee wordt immers volgens de Hoge Raad bedoeld het ter kennis brengen van het publiek, waarbij onder ‘publiek’ een bredere kring van betrekkelijk willekeurige derden bedoeld wordt. Volgens de verdediging is daarvan in deze zaak geen sprake, nu uit de tenlastelegging volgt dat verdachte de beweerde uitlatingen slechts aan enkele personen in haar naaste omgeving zou hebben gedaan. Verdachte heeft haar uitlatingen bijvoorbeeld niet op het internet gedaan. Door de verdediging is er voorts op gewezen dat uitlatingen die een vertrouwelijk karakter hebben, doordat zij in besloten kring worden gedaan, volgens de literatuur buiten het bereik van het strafrecht moeten blijven, omdat ‘een beschuldiging die in de beslotenheid van de huiskamer wordt gedaan, niet is gedaan met het kennelijke doel daaraan ruchtbaarheid te geven’.

D.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

D1.

Onder het begrip ‘ruchtbaarheid geven’, zoals bedoeld in de delictsomschrijving in artikel 261 van het Wetboek van Strafrecht moet worden verstaan ‘het ter kennis van het publiek brengen’. Met ‘publiek’ wordt bedoeld een bredere kring van betrekkelijk willekeurige derden. De stelling van de verdediging dat geen bewezenverklaring kan volgen omdat de gewraakte uitlatingen in deze zaak slechts aan enkele concrete personen uit de omgeving van de verdachte zijn gedaan vindt geen steun in de wet en het recht. Het hof neemt hierbij in aanmerking, zoals ook door de rechtbank is overwogen, dat de wetgever ook de zogenoemde ‘kruipende laster’ strafbaar heeft willen stellen. Het gaat daarbij om het doen van kwaadaardige aantijgingen waarvan verwacht kan worden dat die worden doorverteld en zo een groot publiek zullen bereiken.

D2.

Voor zover het hof uit het dossier kan opmaken heeft de verdachte de uitlatingen over aangever gedaan tegenover ‘betrekkelijk willekeurige personen’. Uit het gegeven dat de verdachte de uitlatingen deed tegenover betrekkelijk willekeurige personen - en dus niet tegenover personen die op de een of andere wijze betrokken waren bij de vermeende kwaadaardige gedragingen van aangever - kan naar het oordeel van het hof reeds worden afgeleid dat de verdachte de kennelijke bedoeling had om aan die aantijgingen ruchtbaarheid te geven. Kenmerkend hiervoor acht het hof dat de verdachte, nadat zij en de medeverdachte [medeverdachte] tijdens het huisbezoek aangever [betrokkene 1] hadden beschuldigd van het plegen van ontucht met verdachtes kleinzoon en andere kinderen, op enig moment aan de getuige [betrokkene 3] heeft gevraagd of zij al meer wist over de beschuldiging van [betrokkene 1] (hof: [betrokkene 1] ). Hieruit volgt dat het de verdachte er kennelijk om te doen was dat de door haar tegenover de getuige [betrokkene 3] gedane uitlatingen verder verspreid en door een breder publiek besproken zouden worden.”

23. Onder ‘ruchtbaarheid geven’ als bedoeld in art. 261 Sr dient te worden verstaan “het ter kennis van het publiek brengen”. Met zodanig ‘publiek’ is een bredere kring van betrekkelijk willekeurige derden bedoeld.4 Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld informatie die in de beslotenheid van een huiskamer aan een beperkte kring geadresseerden wordt toevertrouwd.5 Niet vereist is dat de informatie publiek is gemaakt of aan meer dan één persoon is medegedeeld. Het kennelijk doel moet zijn dat de kwaadaardige aantijgingen worden doorverteld en zo een publiek bereiken dat tenminste wordt gevormd door een bredere kring van betrekkelijk willekeurige derden.6 De bewijsconstructie moet zo zijn ingericht dat naar voren komt dat de uitlating is gedaan met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven.7

24. Mijn ambtgenoot Knigge is in zijn conclusie voor HR 5 juli 2011, ELCI:NL:HR:2011:BQ2009, nader ingegaan op de vraag wat onder het bestanddeel ‘met het kennelijke doel daaraan ruchtbaarheid te geven’ moet worden verstaan. Hoewel de Hoge Raad vooralsnog geen nadere omschrijving van dat begrip heeft gegeven, blijkt uit de rechtspraak dat ‘het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven’ – zoals al naar voren kwam – niet kan worden aangenomen als de aantijgingen slechts tot ruchtbaarheid leiden bij een beperkte groep van betrokkenen. Ik geef een paar voorbeelden. ‘Het kennelijke doel om ruchtbaarheid te geven’ kon niet uit de bewijsmiddelen worden afgeleid in een zaak waar een verdachte een e-mailbericht van hem aan zijn ex-partner in kopie had gestuurd aan het algemene e-mailadres van het kinderdagverblijf waar zijn dochter opvang genoot om het kinderdagverblijf te informeren over wat zich in de voorbereiding op de Sinterklaasviering tussen hem en zijn ex-partner had afgespeeld. Dat de medewerkers van het kinderdagverblijf die mededeling onder ogen hebben gekregen, deed daar niet aan af.8 Hetzelfde gold voor het versturen van een brief aan de burgemeester van Amsterdam met daarin feiten die betrekking hadden op een vorige bewoner9, het versturen van faxen met feiten betrekking hebbende op de curator in zijn faillissement aan het kantoor van deze curator alsmede een afschrift daarvan aan de rechter-commissaris die als zodanig optrad in dat faillissement10 en tot slot het versturen van een anonieme brief aan een moeder waarin de vader beschuldigd werd van ontuchtige handelingen met hun dochter, terwijl de inhoud van die brief ter kennis is gebracht van de vader en de huisarts.11

25. Nu enkele voorbeelden van gevallen waarin er wel voldoende bewijs was voor ‘het kennelijk doel om ruchtbaarheid te geven’. Gewezen kan worden op een geval waar een verdachte mededelingen had gedaan aan een persoon waarvan hij wist dat hij als journalist werkte voor het Algemeen Dagblad en ook in die hoedanigheid contact met hem had.12 Hetzelfde gold voor het als journalist plaatsen van smadelijke feiten in de krant13 en het versturen van een faxbericht naar de redactie van het Utrechts Nieuwsblad14. Dit ligt voor de hand, nu in deze gevallen (mogelijk) ruchtbaarheid wordt gegeven aan alle lezers van de betreffende krant, zodat zonder meer het doel om de informatie ter kennis van het publiek te brengen kan worden vastgesteld. Een ander geval betrof het publiceren van een beschuldiging op weliswaar een afgeschermde Hyves-pagina, maar die wel door 20-25 personen te lezen is geweest. Daarbij werd overwogen dat geen sprake was van het doen van een mededeling in de beslotenheid van de huiskamer aan een beperkte kring van geadresseerden en dat de personen naar eigen inzicht en zonder enige restrictie over de uitlating konden beschikken, terwijl voor de verdachte voorzienbaar en op voorhand feitelijk te verwachten was dat de uitlating verder zou worden verspreid.15 Tot slot wijs ik nog op het geval waar een verdachte een persoon tegenover twee verschillende personen, zij het door tenlastelegging van verschillende feiten, had zwart gemaakt. De Hoge Raad volstond met de overweging dat het bewezenverklaarde uit de bewijsmiddelen kon worden afgeleid. Uit de conclusie van de AG kan worden opgemaakt dat de verdachte deze persoon ook nog tegenover een derde persoon had zwart gemaakt. Volgens de AG kon uit het feit dat de verdachte in korte tijd de persoon tegenover drie verschillende personen had zwart gemaakt, in onderlinge samenhang en mede in aanmerking genomen dat de verdachte bij de mededeling aan één van deze personen had toegevoegd ‘dat meerdere mensen hiervan afwisten’, worden afgeleid dat de verdachte in beide gevallen had gehandeld met het kennelijke doel om aan die feiten ruchtbaarheid te geven.16

26. Uit het voorgaande leid ik af dat indien de mededelingen aan een beperkte groep van personen is gedaan, van het kennelijke doel om ruchtbaarheid te geven sprake kan zijn indien het één of enkele willekeurige derden betreft, waarbij tevens uit de omstandigheden van het geval kan worden afgeleid dat het doel gericht was op het bereiken van een bredere kring van willekeurige derden. Erg hoog lijken de eisen die de Hoge Raad aan dit bewijs stelt niet te zijn. Ik zou mij daarom voor kunnen stellen dat in bepaalde gevallen, het kennelijke doel om ruchtbaarheid te geven kan worden afgeleid uit enkel het feit dat de mededeling is gedaan aan één of enkele willekeurige derden. Het dient dan wel te gaan om een mededeling waarvan, gelet op het karakter daarvan, voorzienbaar en feitelijk te verwachten is dat de mededeling zal worden doorverteld en zo een breder publiek zal bereiken. Daarbij dienen er geen contra-indicaties aanwezig te zijn. Zo’n contra-indicatie kan gelegen zijn in de aanwezigheid van een ander doel, of bijvoorbeeld wanneer er om geheimhouding is verzocht of op andere wijze is gepoogd te voorkomen dat de informatie in bredere kring bekend zou worden. Als het om een enkele persoon gaat, is daarbij van belang dat het juist door mededeling aan die persoon onontkoombaar lijkt dat de mededeling een breder publiek zal bereiken en dat, gelet op de omstandigheden waaronder de mededeling is gedaan, de mededeling een vertrouwelijk karakter mist.

27. Het eerste onder 2 bewezenverklaarde feit houdt in dat de verdachte en haar mededader de mededeling hebben gedaan aan twee met naam genoemde personen, terwijl het tweede onder 2 bewezenverklaarde feit drie personen bij naam noemt aan wie door de verdachte mededelingen zijn gedaan. Het eerste en tweede onder 2 bewezenverklaarde kan echter in samenhang bezien worden, omdat in beide feiten dezelfde persoon wordt belasterd. Het hof constateert dat de mededelingen zijn gedaan aan betrekkelijk willekeurige personen. Dat oordeel wordt niet betwist en ik vind dat oordeel ook niet onbegrijpelijk in het licht van de constatering van het hof dat het ging om personen die niet op een of andere wijze betrokken waren bij de in de mededelingen geschetste kwaadaardige gedragingen.

28. De kring van personen aan wie de mededelingen door de verdachte en haar mededader zijn gedaan is beperkt. Het hof heeft in de bewijsoverweging nader toegelicht dat de mededelingen aan enkele willekeurige personen wel gedaan zijn met het doel om daaraan (bredere) ruchtbaarheid te geven.

29. Het hof heeft overwogen dat uit het feit dat de verdachte bij één van de personen waaraan de mededeling is gedaan nadien nader heeft geïnformeerd of zij daarover al meer wist, volgt dat het er de verdachte kennelijk om te doen was dat de mededelingen verder zou worden verspreid en door een breder publiek besproken zouden worden.

30. Het hof heeft toereikend nader gemotiveerd dat de mededelingen aan enkele willekeurige personen er op gericht waren een bredere kring van personen te bereiken. Bij het oordeel van het hof dat het kennelijke doel om aan de mededelingen ruchtbaarheid te geven is bewezen kan ook het karakter van de uitlatingen in aanmerking worden genomen. Immers de mededelingen waren van een aard dat voorzienbaar en feitelijk te verwachten was dat deze doorverteld zouden worden en zo een groter publiek zouden bereiken. Het oordeel van het hof dat de verdachte handelde met het kennelijke doel om aan de feiten ruchtbaarheid te geven getuigt derhalve niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.

31 Het derde middel faalt.

32. Het vierde middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM in de cassatiefase is overschreden.

33. Namens de verdachte is op 18 december 2014 cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezet stempel op 18 maart 2016 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Deze overschrijding kan niet meer met een bijzonder voortvarende afdoening in cassatie worden gecompenseerd. Het middel is dan ook terecht voorgesteld. Dit dient te leiden tot strafvermindering.

34. De voorgestelde middelen falen. Het eerste en tweede middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

35. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de hoogte van de opgelegde straf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 11 januari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC8448, NJ 1994/278.

2 Verdere verwijzingen naar de rechtspraak van in hoofdzaak feitenrechters heb ik hier weggelaten (PV).

3 HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis en HR 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2465, NJ 2016/40.

4 HR 8 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9186, NJ 2008/430.

5 HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2009, NJ 2011/325.

6 A.L.J. M. Janssens, Strafbare belediging, Thela-Thesis, Amsterdam 1998, p. 122-126.

7 HR 30 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2198, NJ 2001/183 en HR 2 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8770, NJ 2004/691.

8 HR 27 mei 2014: ECLI:NL:HR:2014:1243, NJ 2014/337.

9 HR 2 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8770, NJ 2004/691.

10 HR 30 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2198, NJ 2001/183.

11 HR 8 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9186, NJ 2008/430.

12 HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7947, NJ 2012/382.

13 HR 17 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX5765, NJ 2007/25.

14 HR 15 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO8810.

15 HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2009, NJ 2011/325.

16 HR 3 november 1964, ECLI:NL:HR:1964:AB3645, NJ 1965/109.