Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1243

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-11-2016
Datum publicatie
13-12-2016
Zaaknummer
15/01565
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2838
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:417, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Geluidsopnamen gehecht aan het proces-verbaal van de terechtzitting. Eisen p.-v. t.z. ex art. 326 Sv. Art. 326 Sv voorziet niet in de (gedeeltelijke) vervanging van het schriftelijk p.-.v. t.z. door een geluidsopname van hetgeen t.t.z. aan de orde is geweest. Indien de wetgever dit aangewezen acht kan een voorziening in het leven worden geroepen op grond waarvan, ingeval een geluidsopname van het verhandelde t.t.z. is gemaakt, die opname wordt verstrekt aan procespartijen met het oog op de controle van de verslaglegging in het p.v. De cassatieprocedure is een doorgaans volledig schriftelijk proces dat niet geëigend is voor het uitluisteren van geluidsopnames en in voorkomende gevallen het bieden van een mogelijkheid tot het maken van op- en aanmerkingen door partijen. HR stelt voorzitter en griffier van het hof in de gelegenheid een p.-v. op te maken dat voldoet aan de eisen van art. 326 Sv. CAG: verdachte heeft geen belang bij cassatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2017/19 met annotatie van M.L.C.C. de Bruijn-Lückers
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/01565

Zitting: 1 november 2016

mr. P.C. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 11 december 2014 door het hof Arnhem-Leeuwarden wegens 1. “doodslag”, 2. “doodslag”, 3. “poging tot doodslag”, 4. “poging tot doodslag”, 5. “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd”, en 6. “poging tot zware mishandeling”, veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes jaren. Voorts heeft het hof gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en bevolen dat hij van overheidswege zal worden verpleegd. Tot slot heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en in dit verband de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

  2. Namens de verdachte heeft mr. M.C. van Linde, advocaat te Groningen, zes middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het gaat in deze zaak om een veroordeling ter zake van een zestal ernstige levens- en geweldsdelicten op 13 april 2011 in het Groningse Baflo. Er vallen twee doden te betreuren. De uit Benin afkomstige verdachte heeft zijn vriendin gedood onder meer door haar met een brandblusser tegen het hoofd te slaan (feit 1) en hij heeft vervolgens na een worsteling een politieman met zijn eigen dienstwapen doodgeschoten (feit 2). Het hof heeft het vonnis van de rechtbank waarbij verdachte was veroordeeld tot een gevangenisstraf van 28 jaar vernietigd. Bij de behandeling van de zaak in hoger beroep is veel aandacht besteed aan de vraag of verdachte leed aan een psychische stoornis en de vraag of de feiten hem kunnen worden toegerekend. De inzichten van de deskundigen liepen uiteen: geen aantoonbaar aanwezige stoornis, een kortdurende psychose en/of een delirium. Het hof oordeelde dat sprake was van een acute stress gerelateerde, kortdurende psychotische stoornis, dat het eerste feit niet aan verdachte kon worden toegerekend en de overige feiten wel (zij het in belangrijk verminderde mate) en dat dwangverpleging nodig was. Het tweede en derde middel vormen de kern van de schriftuur en bestrijden die oordelen.

  4. Het eerste middel klaagt dat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 en 14 november 2014 niet voldoet aan de daaraan op grond van art. 326 en art. 415 Sv te stellen eisen.

  5. In de toelichting wordt gesteld dat het niet in de juiste tijdsvolgorde in het proces-verbaal opnemen van het verhandelde ter terechtzitting van 12 november 2014 met zich brengt dat wegens het ontbreken van de juiste (schriftelijke1) context een verkeerd of onduidelijk beeld ontstaat van hetgeen precies ter zitting is voorgevallen. Dit verzuim strijdt zozeer met een behoorlijke procesorde dat het moet leiden tot nietigheid, aldus het middel.

6. De omstandigheid dat de inhoud van het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting niet aan de daaraan ingevolge art. 326 Sv te stellen eisen voldoet, kan een verzuim zijn dat zozeer strijdt met een behoorlijke procesorde dat het nietigheid van het onderzoek en de op grond daarvan gedane uitspraak meebrengt.2

7. Uit de aanhef van het proces-verbaal van de zitting van 12 en 14 november 2014 valt op te maken dat de in het proces-verbaal vervatte verklaringen van de diverse ter zitting gehoorde getuigen-deskundigen niet zijn opgenomen in de chronologische volgorde waarin ze zijn afgelegd, maar in de volgorde waarin de verklaringen door het hof zijn gebruikt in zijn arrest.

8. Met de zinsnede ‘waarin achtereenvolgens aanteekening geschiedt’ in het eerste lid van art. 326 Sv is gelet op de gekozen bewoordingen, naar ik met de steller van het middel aanneem, bedoeld dat de griffier de gebeurtenissen ter terechtzitting naar tijdsorde, of chronologisch, opneemt in het proces-verbaal. Dat is in de onderhavige zaak niet gebeurd. De vraag is of het proces-verbaal daarmee ook zonder meer nietig is. Ik meen van niet. Daartoe het volgende.

9. Het proces-verbaal van de zitting vormt in beginsel de enige kenbron van het ter zitting voorgevallene.3 Nietigheid van het proces-verbaal ter terechtzitting volgt bijvoorbeeld wanneer het (i) in het geheel niet is opgemaakt en de raadsman in cassatie hierover klaagt, of (ii) wanneer het niet op de voorgeschreven wijze is vastgesteld en herstel niet meer mogelijk is. De raadsman kan op grond van het tweede en vierde lid van art. 326 Sv verzoeken dat een (getuigen)verklaring woordelijk wordt opgenomen, en/of dat een bepaalde omstandigheid, verklaring of opgave wordt aangetekend. Wanneer de raadsman achteraf een onjuistheid of onvolledigheid bemerkt in het zittingsproces-verbaal dient hij de voorzitter van het gerecht te verzoeken om samen met diens griffier een aanvullend proces-verbaal op te maken waarin een en ander wordt hersteld. Zo’n herstelproces-verbaal zal dan als (vervangende/aanvullende) kenbron kunnen gelden. Op de inhoud van (slechts) een brief (aan de voorzitter) van de raadsman over een achteraf gebleken onjuistheid of onvolledigheid wordt in cassatie geen acht geslagen. Ook kan in cassatie niet worden geklaagd over een verzuim van de griffier om in het proces-verbaal melding te maken van een bepaalde omstandigheid, waardoor art. 326 Sv geschonden zou zijn.4

10. Voorts is vaste rechtspraak dat in cassatie niet kan worden geklaagd dat afgelegde verklaringen onjuist zijn weergegeven in het zittingsproces-verbaal. De ratio hierachter is dat de Hoge Raad normaliter niet bij machte is om zelfstandig na te gaan of de afgelegde verklaringen juist zijn weergegeven.5 Dit doet de vraag rijzen of dat in onderhavige zaak wellicht wat anders zou liggen. Aan het proces-verbaal van de zittingen van 12 en 14 november 2014 is immers een geluidsopname van de zitting van 12 november 2014 gehecht. Vooralsnog is evenwel ook vaste rechtspraak dat de (‘interne’) aantekeningen van de griffier of een audioregistratie van de zitting, gemaakt ten behoeve van het op te maken proces-verbaal van de zitting niet tot de processtukken worden gerekend.6

11. In cassatie wordt slechts in algemene termen geklaagd over het opgemaakte proces-verbaal. Niet wordt bijvoorbeeld geklaagd dat een specifieke getuigenverklaring niet juist is weergegeven7, of dat een specifieke verklaring uit zijn verband is getrokken met nadelige gevolgen voor verdachte. Nu een dergelijke concrete klacht ontbreekt, zie ik niet waarin het belang bij cassatie van verdachte gelegen is. Evenmin begrijp ik zonder nadere toelichting waarom het verzuim zozeer in strijd is met een behoorlijke procesorde dat nietigheid van het onderzoek en de uitspraak moet volgen.

12. Het middel faalt.

13. Het tweede middel klaagt dat het hof het beroep van de verdediging op volledige ontoerekeningsvatbaarheid, dat is gedaan ten aanzien van alle tenlastegelegde feiten, op onbegrijpelijke gronden heeft verworpen.

14. Ter terechtzitting in hoger beroep van 14 november 2014 heeft de raadsman van verdachte bij pleidooi een beroep gedaan op volledige ontoerekeningsvatbaarheid ten aanzien van alle tenlastegelegde feiten en het hof verzocht verdachte op die grond te ontslaan van alle rechtsvervolging. Onder verwijzing naar diverse deskundigenrapporten heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte ten tijde van het begaan van de feiten in een delirium, respectievelijk psychose verkeerde en dat de feiten hem daarom niet kunnen worden toegerekend. In de toelichting op het middel vallen drie klachten te lezen.

15. De eerste klacht houdt in dat door het hof “ten onrechte - althans onvoldoende gemotiveerd - het verweer [is] verworpen dat verdachte ten tijde van de aan hem verweten gedragingen handelde onder invloed van een door paroxetine geïnduceerd delirium, dat uiting heeft gekregen in de verschijningsvorm acathisie.” Bij de verwerping van het ‘delirium-verweer’ heeft het hof het navolgende overwogen:

“De raadsman heeft onder verwijzing naar het rapport van de door hem ingeschakelde deskundige drs. S.J.M. Eikelenboom-Schieveld aangegeven dat er ook sprake kan zijn geweest van een delirium. De vijf gedragsdeskundigen hebben op vragen ter zitting van het hof verklaard dat een delirium een psychiatrisch ziektebeeld is en in het bijzonder psychiater Koerselman heeft met grote stelligheid aangegeven dat die diagnose hier niet gesteld kan worden, omdat er bij een delirium sprake moet zijn van een gestoorde waarneming, hetgeen bij verdachte niet het geval was. Eikelenboom is geen gedragsdeskundige en heeft daarmee niet de specifieke deskundigheid om een dergelijke diagnose vanuit dat vakgebied te stellen. Het hof is op grond hiervan van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde leed aan een dergelijk delirium.”

16. Het hof heeft het oordeel van Eikelenboom ter terechtzitting afgewogen tegen het (andersluidende) oordeel van vijf gedragsdeskundigen en daarbij laten meewegen dat Eikelenboom zelf geen gedragsdeskundige is (maar arts8), terwijl wordt gevraagd om de diagnose van een psychiatrisch ziektebeeld. Daarmee is kennelijk tot uitdrukking gebracht dat voor een dergelijke diagnose het vakgebied (kennis, ervaring en vaardigheden) van een gedragsdeskundige meer geëigend is dan dat van een arts. Voorts is in aanmerking genomen dat voor de diagnose van een delirium een gestoorde waarneming is vereist, terwijl dat niet bij verdachte is vastgesteld. Ik vind dat niet onbegrijpelijk.

17. In de toelichting op de klacht wordt nog betoogd dat de motivering van het oordeel van het hof over het delirium te kort schiet nu geen enkele aandacht is besteed aan de rapportage van prof. Loonen. Loonen is een arts/klinisch farmacoloog die op 8 februari 2013 onder meer naar aanleiding van door hem uitgebrachte rapportage ter zitting van de rechtbank is gehoord. De raadsman heeft in zijn pleidooi voor het hof (pleitnotities nr. 65) het standpunt van Loonen in het bijzonder voor wat betreft de invloed van het gebruik van paroxetine weergegeven. Als ik het goed zie hebben de deskundige Eikelenboom en Loonen voor wat de invloed van het gebruik van paroxetine een soortgelijk standpunt: het kan leiden tot een delirium. In bovenstaande overweging heeft het hof (als niet relevant) in het midden gelaten of paroxetine kan leiden tot een delirium en doorslaggevend geoordeeld dat van een delirium geen sprake was nu geen gestoorde waarneming bij verdachte is vastgesteld. Ik zie niet in dat die redenering gebrekkig zou zijn, omdat het oordeel van Loonen daarbij niet is betrokken. Loonen heeft zijn deskundigenoordeel gegeven over de mogelijke invloed van medicatie en heeft geen onderzoek gedaan naar de toestand van de verdachte.

18. Voorts bevat de toelichting op de klacht nog de opmerking dat door de raadsman in feitelijke aanleg er op is gewezen dat “Eikelenboom zich baseerde op de definitie in de DSM en de publicaties van psychiaters over dit onderwerp.” Kennelijk wordt de motivering van het hof dat er geen sprake was van een delirium ook in dit opzicht niet begrijpelijk geacht. Met de verwijzing naar de DSM als grondslag voor het onderzoek van Eikelenboom wordt er mogelijk geklaagd dat in feitelijke aanleg is aangevoerd dat Eikelenboom, anders dan het hof heeft overwogen, voldoende gekwalificeerd is, althans net zo gekwalificeerd is als een gedragsdeskundige. Het is niet onbegrijpelijk dat het hof anders heeft geoordeeld. De omstandigheid dat een arts zich baseert op een definitie in de DSM lijkt mij in ieder geval niet toereikend om te oordelen dat die arts het vakgebied van de gedragsdeskundige beheerst. Voor zover wordt betoogd dat omdat uit publicaties van psychiaters naar voren komt dat genetische varianten betekenis hebben voor de werking van paroxetine, de motivering van het hof onbegrijpelijk is, kan ik dat niet volgen. Ook hier geldt dat in het midden kan blijven of er verband is met de genetica nu het hof immers los van het gebruik van paroxetine heeft vastgesteld dat er geen sprake was van een delirium omdat de waarneming niet was gestoord.

19. Er is in cassatie voor een toets die verder gaat dan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof, dus een inhoudelijke toets van de diverse deskundigenoordelen (en die in cassatie mogelijk wordt gewenst), geen plaats en de klacht faalt daarmee in alle onderdelen9.

20. De tweede klacht houdt in dat door het hof “ten onrechte geen onderscheid [is] gemaakt met betrekking tot de beoordeling van de toerekeningsvatbaarheid tussen feit 2, 3 en 4 enerzijds en feit 5 en 6 anderzijds.” In de toelichting op de klacht wordt er op gewezen dat er drie plaatsen delict zijn: Heerestraat (feit 1), Sasmaweg (feit 2, 3 en 4) en station (feit 5 en 6). Als ik de toelichting op de klacht goed begrijp zouden de waarnemingen van getuigen bij het station (PD 3) en daarna maken dat voor wat betreft het toerekenen een onderscheid tussen de feiten 5 en 6 en de andere feiten niet begrijpelijk is. De waarnemingen bij de feiten 5 en 6 leiden kennelijk tot een mate van (niet) toerekenen die zonder meer van toepassing is op de andere feiten. Ik kan dat niet volgen en omdat het niet nader is toegelicht, meen ik dat de klacht in ieder geval afstuit omdat deze onvoldoende duidelijk is.

21. De derde klacht houdt in dat door het hof “ten onrechte het verweer is verworpen dat de verdachte met betrekking tot de feiten 2 t/m 6 volledig ontoerekeningsvatbaar was.” In de toelichting wordt het onderscheid dat het hof in het kader van het toerekenen heeft gemaakt tussen feit 1 (niet toe te rekenen wegens een psychische stoornis) en de overige feiten (wel toerekenen omdat de handelingen weliswaar in belangrijke mate, maar niet volledig door de stoornis zijn bepaald) bestreden.

22. Aan de betekenis van de stoornis voor het toerekenen heeft het hof uitvoerige overwegingen gewijd. Ik citeer:

“Feiten 2 tot en met 6

Tussen het doden van [slachtoffer 1] en het doden van [slachtoffer 2] zijn ongeveer 20 minuten verstreken. In die periode is verdachte het eerst geconfronteerd met de getuige [getuige] , een medebewoner van [slachtoffer 1] . [getuige] kwam naar beneden en zag [slachtoffer 1] in de hal op de grond liggen met de brandblusser op haar lichaam. Verdachte kwam vervolgens uit de kamer van [slachtoffer 1] gelopen en hij heeft de getuige gestompt en hem een stuk achterna gezeten de trap op.

Verdachte heeft verklaard dat hij daarna dacht dat hij het pand beter kon verlaten, omdat deze man de politie wel zou bellen na wat er met [slachtoffer 1] was gebeurd. Vervolgens heeft verdachte volgens getuigen het pand verlaten en is rustig weggelopen. Hij heeft kort daarop verschillende mensen gebeld. Hij telefoneerde onder meer naar vrienden en naar familie in Benin. Tijdens die gesprekken vertelde hij onder meer dat [slachtoffer 1] was overleden en dat hij een probleem had.

De deskundigen Koenraadt, Koerselman en Takkenkamp besteden in hun rapporten geen aandacht aan het tijdsverloop, het kennelijke bewustzijn van verdachte dat [slachtoffer 1] was overleden en dat hij ervan uit ging dat de politie zou worden gebeld, zijn rustige gedrag en het telefonisch informeren van zijn familie in Benin.

Op vragen aan de deskundigen ter zitting wanneer een kortdurende psychose eindigt, heeft het hof geen duidelijk antwoord gekregen. Dat is blijkbaar moeilijk vast te stellen achteraf. Wel heeft Koerselman ter zitting verklaard dat het niet uitgesloten is dat bij het verloop van een psychose er een opbouw plaatsvindt met een climax en dat daarna verdachte weer gedeeltelijk bij zijn positieven komt. Verder heeft hij verklaard dat hij het telefoongesprek naar Benin niet als positieve aanwijzing kon plaatsen in een hypothese van waan en psychose.

Gezien deze verklaringen is onvoldoende aannemelijk geworden dat de psychose verdachtes handelingen toen volledig stuurde.

Opvallend is verder dat verdachte in zijn verhoren bij de politie heeft aangegeven dat hij op [slachtoffer 2] afstapte toen die een pistool op hem richtte of in zijn beleving op hem schoot. Hij dacht dat hij - verdachte zelf - dan maar dood moest, omdat het hem allemaal niets meer kon schelen. Verdachte dacht: ‘maak mij maar dood dan’.

Koerselman vermeldt in zijn rapport dat betrokkene volgens zijn eigen verhaal niet in een toestand van rationele afweging verkeerde. Hij zegt dat verdachte weliswaar belt met zijn familie dat er iets ergs is gebeurd, maar hij zou ook irrationeel hebben gebeld met zijn vriendin. Dit laatste is echter niet juist, zoals de advocaat-generaal terecht heeft opgemerkt. Deze poging tot telefonisch contact met het toestel van [slachtoffer 1] vond veel eerder plaats, nog voor het doden van [slachtoffer 1] . Ook aan het de weg kwijt raken nadat verdachte [slachtoffer 1] had gedood en het pand had verlaten, kent Koerselman betekenis toe voor het handelen in de waan. Het is volgens Koerselman tegen deze achtergrond niet aannemelijk dat verdachte in die situatie op een adequate manier de politieagent heeft uitgeschakeld.

Koerselman besteedt geen aandacht aan de discrepantie tussen de verklaring van verdachte tijdens de anamnese, waarin hij aangeeft dat hij bang was dat mensen het op zijn leven hadden voorzien, en de door verdachte meermalen bij de politie opgegeven wijze waarop hij op [slachtoffer 2] afstapte, namelijk denkend dat ze hem - verdachte - dan maar dood moesten maken. Dat geldt ook ten aanzien van de daarop volgende incident(en) met de politieagenten. Verdachte heeft verklaard dat hij politiemensen zag en dat die op hem begonnen te schieten (pagina 3004, map 7) en dat hij dacht dat het zijn laatste dag was (pagina, 3006, map 7).

Op vragen heeft Koerselman ter zitting van het hof verklaard dat ook indien de door hem genoemde, onjuiste omstandigheden van het telefoontje naar [slachtoffer 1] en het al dan niet schieten door [slachtoffer 2] niet zouden meewegen in zijn oordeelsvorming, hij bij zijn conclusie zou blijven met betrekking tot de invloed die de waan had op het gedrag van verdachte.

Verder is de omstandigheid dat verdachte in de politieverhoren geen melding heeft gemaakt van zijn gedachte dat mensen het op zijn leven hadden voorzien, anders dan wat hij in de anamnese heeft verteld aan Koerselman, geen reden om tot een andere diagnose te komen.

Waar Koerselman in de situatie rond het doden van [slachtoffer 1] duidelijk beschrijft hoe die waan werkte, is die beschrijving daarvan minder duidelijk in de situatie nadat verdachte de woning heeft verlaten. De feitelijke situatie waarin verdachte zich toen bevond, komt immers sterk overeen met hetgeen Koerselman beschrijft als de waan, namelijk dat hij werd bedreigd door de politie. Daar komt nog bij dat uit die beschrijving twee aspecten wegvallen (het bellen van [slachtoffer 1] en het schieten door [slachtoffer 2]), omdat niet vaststaat dat ze hebben plaatsgevonden.

Koenraadt heeft in zijn rapport aangegeven dat verdachte niet volledig het stuur en de controle over zijn gedrag miste, maar dat hij dit grotendeels miste. Op zitting heeft hij toegelicht dat hierbij een rol speelt het geconstateerde verschil in de verklaringen van verdachte bij de politie en bij de gedragsdeskundigen, in het bijzonder dat hij bij de politie niet verklaarde bang te zijn dat mensen het op zijn leven hadden voorzien. Koenraadt komt daarmee niet tot de conclusie dat het hele gedrag van verdachte verklaard kan worden vanuit de geconstateerde psychose.

Takkenkamp heeft in zijn rapport aangegeven dat verdachte buiten een onbekende man zag die een pistool op hem richtte, wat logischerwijs verder zijn waan bevestigde dat men hem wilde vermoorden. Waar ook hier de feitelijke situatie overeenkomt met hetgeen hij in een waan zou ervaren, is niet duidelijk hoe de waan dan doorwerkt in verdachtes handelen. Met betrekking tot de andere feiten geeft Takkenkamp geen verdere uitleg over de werking van de waan. Verder heeft hij zich ter zitting aangesloten bij de opvatting van Koerselman dat de omstandigheid dat verdachte nooit eerder bij de politie heeft aangegeven dat iedereen hem wilde vermoorden, geen verandering bracht in de door hem geformuleerde conclusie.

Het hof is van oordeel dat de conclusie van Koerselman en Takkenkamp dat verdachte volledig door zijn waan werd gestuurd bij het doden van [slachtoffer 2] en de daarop volgende gebeurtenissen, in het licht van de genoemde omstandigheden niet goed navolgbaar is.

Gelet op het vorengaande is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat het gedrag van verdachte met betrekking tot het doden van [slachtoffer 2] volledig door de psychose werd gestuurd. De gedragingen zullen dus aan verdachte worden toegerekend.

Er zijn overeenkomsten in de aard van de handelingen van verdachte bij het doden van [slachtoffer 2] en die ten opzichte van de slachtoffers kort na het doden van [slachtoffer 2] . Uit de deskundigenrapporten, waarbij zij slechts de invloed van de waan bij het doden van [slachtoffer 2] bespreken, en de toelichting van de gedragsdeskundigen op de zitting is niet aannemelijk geworden dat het gedrag van verdachte hier volledig werd gestuurd door de psychose en ook overigens blijkt hiervan niet. Die handelingen van verdachte zijn immers deels te duiden als een reactie op een tegen hem gekeerde, werkelijke dreiging met wapens, namelijk het doen stoppen van verdachte door de politie met pistolen en een omstander met een bijl.

Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte ten tijde van de onder 2 tot en met 6 bewezen verklaarde feiten leed aan een ziekelijke stoornis, te weten een acute stress gerelateerde, kortdurende psychotische stoornis. Zijn handelingen werden daardoor weliswaar in belangrijke mate, maar niet volledig door die stoornis bepaald.

Het hof zal deze gedragingen daarom aan verdachte toerekenen.

Het hof zal verdachte gelet op het voorgaande strafbaar verklaren voor de onder 2, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde feiten nu ook anderszins niet blijkt van omstandigheden die verdachte niet strafbaar doen zijn.”

23. De steller van het middel constateert terecht dat het hof in het kader van het gemaakte onderscheid in het toerekenen betekenis heeft toegekend aan het tijdsverloop tussen het doden van [slachtoffer 1] en het doden van [slachtoffer 2] . In die tussentijd heeft verdachte een telefoongesprek gevoerd met Benin. De steller van het middel vervolgt: “Daarbij is volgens het hof ook van belang dat Koerselman het telefoongesprek met Benin niet als een positieve aanwijzing kon plaatsen in de hypothese van waan en psychose.” Blijkens bovenvermeld citaat heeft het hof inderdaad in het arrest overwogen: “Verder heeft hij (bedoeld is: Koerselman) verklaard dat hij het telefoongesprek naar Benin niet als positieve aanwijzing kon plaatsen in een hypothese van waan en psychose.” Volgens de steller van het middel heeft Koerselman niet gezegd dat het telefoongesprek uitsloot dat er (op dat moment nog) sprake was van een psychose. Het door de steller van het middel hier geïntroduceerde woord ‘uitsloot’ heeft Koerselman inderdaad niet gebruikt en dat heeft het hof Koerselman ook niet in de mond gelegd. Ik stel vast dat er hier anders dan de steller van het middel meent geen sprake is van denaturering van de verklaring van Koerselman. Dat iemand (nog) in staat is te telefoneren sluit niet uit dat hij lijdt aan psychose, maar het ondersteunt daarmee de hypothese van een psychose niet.

24. Ik voeg hier nog toe dat de steller van het middel weliswaar verwijst naar het arrest van het hof, maar niet duidelijk aangeeft op welke verklaring of welk rapport van Koerselman wordt gedoeld. Voor zover gedoeld op de verklaring van Koerselman ter terechtzitting van het hof van 12 en 14 november 2014 (proces-verbaal van de zitting van het hof p. 23) citeer ik: “Wat ik niet kan verklaren is wat hij in dat telefoontje naar Benin heeft gezegd, omdat ik hem ook niet specifiek naar de reden daarvan heb gevraagd. Er is wellicht reden dat nog te vragen. Je kunt je afvragen of je daar nu nog een betrouwbaar antwoord over krijgt. Ik denk dat in het hele plaatje geen dingen zijn waarvan ik zeg dat haalt die hypothese van de kortdurende psychotische waan onderuit, zij het dat ik dat element van het telefoontje er niet als positief element in kan plaatsen.” Op de laatste bijzin van deze verklaring sluit de overweging van het hof naadloos aan. Van onbegrijpelijke motivering is geen sprake.

25. Als ik het goed zie berust de motiveringsklacht voorts nog op de betekenis die het hof heeft toegekend aan de rapportage en de verklaring van de deskundige Koenraadt. Terecht wordt er op gewezen dat Koenraadt geen verschil maakt tussen de betekenis van de stoornis voor feit 1 enerzijds en de overige feiten anderzijds. Volgens de steller van het middel kan het niet anders dan dat Koenraadt heeft geoordeeld dat verdachte voor alle feiten volledig ontoerekeningsvatbaar is. Het hof heeft het standpunt van Koenraadt in de hierboven geciteerde overweging verwerkt. Volgens het hof is Koenraadt van oordeel dat verdachte niet volledig het stuur en de controle over het gedrag miste, maar wel grotendeels. Hij komt niet tot de conclusie dat het hele gedrag van verdachte verklaard kan worden vanuit de geconstateerde psychose.

26. Dat het hof het standpunt van Koenraadt mede ten grondslag legt aan de conclusie dat de feiten 2 t/m 6 aan verdachte zijn toe te rekenen, acht ik niet onbegrijpelijk. Het hof heeft het standpunt van Koenraadt zo weergegeven en geduid dat verdachte nog wel enige speelruimte had bij zijn gedrag. Dat Koenraadt een lelijke - hier niet nader te bespreken - verschrijving in zijn rapport van 10 april 2014 heeft hersteld, maakt dit niet anders. En evenmin wordt het anders door de in de schriftuur geciteerde passage uit de forensisch psychologische beschouwing (par. 12.1) van zijn rapport waarin hij adviseert “om betrokkene ontoerekeningsvatbaar te achten, omdat hij het stuur en de controle over zijn gedrag zowel in fysiek, cognitief en emotioneel opzicht volledig kwijt was.” Uit de verklaring van Koenraadt ter terechtzitting van het hof is zonneklaar dat hij niet komt tot een volledige ontoerekeningsvatbaarheid, maar wel tot een bijna volledige ontoerekeningsvatbaarheid.10

27. Het tweede middel faalt in alle onderdelen.

28. Het derde middel klaagt er over dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd de maatregel van TBS met bevel tot verpleging aan verdachte heeft opgelegd.

29. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat geen van de in de zaak betrokken deskundigen heeft geadviseerd tot TBS met dwangverpleging en dat noch namens het openbaar ministerie, noch namens de verdachte oplegging van TBS is bepleit. Nu voorts het hof ter zitting op generlei wijze heeft laten blijken dat hij overwoog om een last tot terbeschikkingstelling te geven, wekt de oplegging van TBS met dwangverpleging verbazing, aldus begrijp ik het middel.

30. Vooropgesteld moet worden dat geen rechtsregel vereist dat de maatregel van terbeschikkingstelling slechts kan worden opgelegd indien en voor zover (medisch) deskundigen en/of specialisten adviseren dat een opname van de verdachte in een tbs-inrichting met dwangverpleging moet plaatsvinden. De beslissing tot het opleggen van terbeschikkingstelling al dan niet met dwangverpleging berust bij de rechter, die daartoe mede op grond van de ernst van het door de verdachte gepleegde strafbare feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, kan besluiten indien naar zijn oordeel aan de in de art. 37a en 37b Sr gestelde voorwaarden in voldaan.11

31. Het hof heeft in onderhavige zaak naast gevangenisstraf tevens de maatregel van TBS met dwangverpleging opgelegd en daartoe het volgende overwogen:

“Oplegging maatregel

Het hof dient te beoordelen of een maatregel aan verdachte dient te worden opgelegd.

Zoals hiervoor reeds is vastgesteld, bestond bij verdachte ten tijde van het begaan van de bewezen verklaarde feiten een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Er is ten aanzien van het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 bewezen verklaarde sprake van geweldsdelicten zoals bedoeld in artikel 37a lid 1 onder 1 van het Wetboek van Strafrecht. Tevens is er sprake van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

De deskundigen Takkenkamp, Koerselman en Koenraadt hebben zich uitgelaten over de kans op recidive en de aard en duur van de noodzakelijke behandeling en begeleiding. Ook hebben zij geadviseerd over de wijze waarop het recidiverisico kan worden teruggedrongen.

Takkenkamp heeft hierover in zijn rapport vermeld dat sprake is van de tweede en mogelijk de derde keer dat verdachte een kortdurende psychotische periode doormaakt in grofweg tien jaren. Hij beveelt een langdurig gebruik van medicatie in de vorm van een SSRI en een anti-psychoticum aan. Hij adviseert een ambulante forensisch psychiatrische behandeling en begeleiding in het kader van een TBS met voorwaarden. De voorwaarden zouden dienen te bestaan uit het houden aan de aanwijzingen van de behandelend psychiater en het op diens aanwijzing innemen dan wel het laten toedienen van medicatie. Hij zag op het moment dat hij rapporteerde geen toegevoegde waarde in een terbeschikkingstelling met verpleging. Er was toen namelijk geen psychiatrisch beeld in engere zin waarneembaar. Verdachte is met medicatie en langdurige FACT-behandeling/-begeleiding vele jaren tot 13 april 2011 niet gevaarlijk geweest. En in detentie leek hij ten tijde van de rapportage stabiel.

Koerselman heeft in zijn rapport over de kans op recidive overwogen dat vaststaat dat betrokkene verhoogd kwetsbaar is om psychotisch te reageren op ernstige vormen van stress. Dat heeft zich in 2002-2003 en in 2005 in totaal twee maal gemanifesteerd in de vorm van een kortdurende psychotische stoornis, die aanleiding heeft gegeven tot een psychiatrische opname. Hij merkt op dat, anders dan bij bijvoorbeeld schizofrenie, na een kortdurende psychotische stoornis herstel optreedt naar een normaal beoordelingsvermogen en dus ook naar normaal gedrag. In die zin is geen sprake van een verhoogd gevaar voor recidief. Anderzijds staat volgens Koerselman wel vast dat betrokkene verhoogd kwetsbaar is om psychotisch te reageren op ernstige vormen van stress.

Daaruit vloeit volgens hem geen noodzaak tot een intramurale behandeling voort. Wel acht hij het van belang dat betrokkene onder controle blijft van een psychiater c.q. een GGZ- instelling. Het doel van die controle zou moeten zijn om de ontwikkeling van ernstig stressvolle situaties tijdig op te merken, om verdachte te leren daarmee adequaat om te gaan c.q. hem daarbij hulp te bieden en om zo nodig tijdig te starten met anti-psychotische medicatie. Koerselman acht het aannemelijk dat verdachte vrijwillig aan ambulante begeleiding zal meewerken. Er is namelijk geen sprake van een psychiatrische ziekte die tot chronische psychotische verschijnselen leidt. Verdachte heeft volgens Koerselman een reëel zicht op de ernst van wat er is gebeurd en er zijn geen redenen om een antisociale persoonlijkheidsstoornis aan te nemen. Hij beveelt aan de behandeltrouw van verdachte te volgen en om eventueel, wanneer de ontwikkelingen daartoe toch aanleiding zouden geven, alsnog behandeldwang op te leggen.

Koenraadt schrijft in zijn rapport eveneens over de in 2002-2003 en in 2005 vastgestelde kortdurende psychotische stoornissen bij verdachte. Daarnaast vermeldt hij dat de behandelend psychiater van verdachte eind augustus 2009 heeft aangegeven dat verdachte, ter voorkoming van een recidief psychose en een toename van angst, onderhoudsmedicatie gebruikte. Verdachtes leven zou dan onder de toenmalige omstandigheden draaglijk zijn. Bij afbouw, staken of onregelmatig gebruik van deze medicatie bestond een grote kans op recidief psychose. Ten gevolge van die kwetsbaarheid had verdachte een voortdurende medische en psychosociale begeleiding nodig om zich maatschappelijk te kunnen handhaven.

In zijn diagnostische overwegingen schrijft Koenraadt dat verdachte psychisch kwetsbaar is. Daarmee bedoelt hij dat verdachte bij toename van stress en spanning zijn gevoelens, gedachten en handelingen niet meer adequaat kan reguleren en op elkaar kan afstemmen, waardoor hij de controle over zijn gedrag kan verliezen.

Over de zorgprognose en mogelijkheden tot beïnvloeding van verdachte schrijft Koenraadt dat verdachte beschikt over het besef en het zelfinzicht waardoor verdachte in staat is externe steun in te schakelen wanneer zijn psychische conditie bergafwaarts dreigt te gaan. Koenraadt meent dat ambulante begeleiding en goed afgestemde controle van psychofarmaceutische behandeling noodzakelijk is. Die behandeling dient volgens hem permanent te zijn. Bij een goed ingestelde behandeling is volgens Koenraadt een residentieel klinisch verblijf uit een oogpunt van beveiliging niet nodig.

Voorts overweegt Koenraadt dat de kans op herhaling zoals het ten laste gelegde aanwezig is. Hij acht de kans hierop afhankelijk van de trouw waarmee betrokkene de noodzakelijke medicamenteuze behandeling volgt.

Uit deze rapporten volgt dat de deskundigen recidiverisico aanwezig achten, maar dat zij een behandeling in een gedwongen klinische omgeving nog niet nodig achten.

Het hof overweegt dat verdachte onder omstandigheden kwetsbaar is voor psychoses. Ten tijde van het ten laste gelegde was hij reeds onder behandeling en begeleiding van een psychiater en een sociaal psychiatrisch verpleegkundige. Ook gebruikte hij op aanwijzingen van deze psychiater medicatie.

Toch hebben de zeer ernstige feiten plaatsgevonden in 2011.

Het hof gaat in die zin met de bevindingen en conclusies van de deskundigen mee dat verdachte gezien zijn zwakke psychische kwetsbaarheid strakke begeleiding en behandeling nodig heeft.

Maar het hof heeft niet alleen te beoordelen of behandeling van verdachte nodig is. Het moet ook vaststellen of de door de deskundigen voorgestelde wijze van behandeling voldoende waarborgen biedt tegen een nieuwe gewelddadige psychotische doorbraak.

Het hof acht de door de deskundigen gegeven argumenten om verdachtes begeleiding en behandeling te beperken tot een ambulante omgeving niet overtuigend. Het risico is te groot dat verdachte zonder een gedwongen klinische behandeling weer geweldsdelicten zal plegen zodra hij in stressvolle situaties terecht komt.

Het hof betwijfelt of verdachte wel zo medicatietrouw is geweest als door sommigen is gesuggereerd. Dat blijkt uit het volgende. Bij verdachte thuis zijn de dag na zijn aanhouding bij een doorzoeking van zijn kamer diverse doosjes medicijnen aangetroffen. Daaronder bevonden zich vele (ook onaangebroken) doosjes Seroquel, een anti-psychoticum. De data van afgifte dateerden vanaf 2008. Deze medicijnen waren door de apotheek op naam van verdachte afgegeven. Uit de verklaring van [betrokkene 1], de sociaal psychiatrisch verpleegkundige die verdachte onder behandeling had, blijkt dat verdachte Seroquel voor psychotische klachten kreeg en dat deze medicatie vanaf eind februari 2011 helemaal was afgebouwd. [betrokkene 1] verklaring ter zake wordt bevestigd door drs. J.W. Bloemers, de psychiater die verdachte sinds 2002 behandelde. Hij heeft verklaard dat verdachte weliswaar in 2009 tijdelijk andere medicijnen heeft voorgeschreven gekregen, maar dat in 2010 weer is overgegaan op (onder andere) Seroquel. Vanaf december 2010 is Seroquel geleidelijk afgebouwd.

Een ander aspect waar het hof acht op slaat, is dat een van de stress veroorzakende factoren bij verdachte zijn vreemdelingenstatus en de daarbij behorende procedures is en dat die factor medebepalend is geweest voor het ontstaan van de psychose. De ambulante en sociale ondersteuning hebben verdachte kennelijk niet geholpen om adequaat met die stressfactor om te gaan, terwijl de vreemdelingenstatus van verdachte niet is gewijzigd.

Verder had verdachte voordat hij de bewezen verklaarde feiten pleegde een sociaal netwerk, waaronder een relatie met [slachtoffer 1] en haar omgeving. Ook die opvang heeft onvoldoende bescherming geboden.

Het hof acht het van belang dat verdachtes behandeling plaats vindt in een kader waarin de maatschappij maximaal wordt beschermd. Een ambulante setting acht het hof hiervoor, gelet op voornoemde omstandigheden, dus niet afdoende.

Gelet op het voorgaande stelt het hof vast dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege eist. Het hof zal dan ook deze maatregel opleggen.

Het hof stelt voorts vast dat de terbeschikkingstelling wordt opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit heeft gelet op artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht als gevolg dat deze maatregel niet gemaximeerd is en derhalve een periode van vier jaren te boven kan gaan.”

32. Door aldus te oordelen heeft het hof geen rechtsregel miskend en als ik het goed zie wordt daarover ook niet geklaagd. De vraag die in cassatie overblijft is dan ook of het oordeel van het hof begrijpelijk is. De keuze om TBS (met dwangverpleging of met voorwaarden) op te leggen is van feitelijke aard en die keuze kan in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Dat er behandeling is aangewezen staat hier buiten discussie. Volgens het hof kan niet volstaan worden met een ambulante behandeling bijvoorbeeld in de vorm van TBS met voorwaarden, zoals ook door de deskundigen geadviseerd. Beveiliging tegen recidive in de vorm van TBS met dwangverpleging is volgens het hof aangewezen om drie (nu zeer kort samengevatte) redenen: twijfel aan de medicatietrouw, de stresserende verblijfsstatus en een niet (meer) toereikend (sociaal) netwerk.

33. Deze beargumenteerde keuze wordt betwist, maar ook hier geldt dat het primair om een feitelijke weging gaat waarbij alleen de vraag naar de onbegrijpelijkheid daarvan aan de orde is. De pijlen worden niet op de twijfel bij de medicatietrouw en de stresserende verblijfsstatus gericht, maar er wordt zakelijk samengevat betoogd dat het netwerk ten tijde van het delict niet meer volledig functioneerde, maar dat dit niet uitsluit dat alsnog voorzien wordt in een dergelijk netwerk zodat dwangverpleging niet nodig is. Ik laat maar daar dat er dan nog twee andere bepalende factoren resteren. Hoe dan ook heeft het hof kennelijk aangenomen dat een (goed functionerend) netwerk onvoldoende bescherming biedt en dat is niet onbegrijpelijk zelfs niet in het licht van de omstandigheid dat het functioneren van dat netwerk kennelijk stagneerde.

34. Er worden nog drie andere argumenten aangevoerd ter ondersteuning van de stelling dat de motivering van de oplegging van TBS met dwangverpleging (niet toereikend of) onbegrijpelijk is. Allereerst zou TBS met dwangverpleging een verrassingsbeslissing zijn. Ik wijs er op dat in de onderhavige zaak niet alleen sprake was van advisering tot TBS, maar ook dat de ernst van de delicten en de aanwezigheid van een stoornis die er toe leidt dat feiten niet of in belangrijke mate niet kunnen worden toegerekend bepaald indicatief voor TBS met dwangverpleging kunnen zijn. Van een verrassing kan geen sprake zijn.

35. Opmerkelijk is dat zelfs (het tweede argument) wordt aangevoerd dat geen sprake is van een psychiatrische ziekte. Als daarmee gedoeld wordt op het standpunt van Koerselman dat geen sprake is van een psychiatrische ziekte die tot chronische psychotische verschijnselen leidt, kan worden volstaan met de vaststelling dat Koerselman gelet op de beperking tot bepaalde verschijnselen daarmee nog niet zegt dat er geen sprake is van een psychiatrische ziekte. Ook als gedoeld zou worden op een psychiatrische ziekte in engere zin, betekent dat geenszins dat de rechter op basis van de rapportage niet kan vast stellen dat er sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis als bedoeld in art. 37a, eerste lid, Sr.

36. Dan wordt als derde argument tegenstrijdigheid in de overwegingen van het hof te berde gebracht. Enerzijds heeft het hof overwogen dat verdachte er geen verwijt van kan worden gemaakt dat hij zich zelf in de situatie waarin delicten plaatsvonden bracht, terwijl anderzijds wordt geconstateerd dat ambulante hulp binnen het bestaande netwerk ontoereikend was. Ik zie daarin geen tegenstrijdigheid. Soms is het triest genoeg te moeten constateren dat een adequate bescherming van de maatschappij niet valt te realiseren, ook als een verdachte alleszins bereid is mee te werken en hem overigens ook geen enkele verwijt is te maken. Het hof heeft het gevaar kennelijk domweg te omvangrijk geacht.

37. Het middel faalt.

38. Het vierde middel klaagt dat het hof het verweer dat bij de strafoplegging rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat verdachte een vreemdeling is zonder rechtmatig verblijf in Nederland en derhalve geen recht heeft op voorwaardelijke invrijheidstelling, ten onrechte althans op onbegrijpelijke gronden heeft verworpen.

39. Het hof heeft, naast de TBS, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 jaar opgelegd en daartoe het volgende overwogen:

“Verdachte heeft op 13 april 2011 zijn vriendin [slachtoffer 1] om het leven gebracht. Hiervoor is reeds overwogen dat aan verdachte dit feit niet kan worden toegerekend. Het hof zal die doodslag dan ook niet betrekken bij de bepaling van de op te leggen sancties.

Verdachte heeft politieambtenaar [slachtoffer 2] gedood. Dat heeft hij gedaan door [slachtoffer 2] met diens eigen dienstpistool van dichtbij in het hoofd en het lichaam te schieten. Verdachte heeft hiermee dit slachtoffer het hoogste denkbare goed, zijn leven ontnomen en hij heeft daarmee bij de nabestaanden van [slachtoffer 2] leed teweeggebracht. Dat blijkt uit de verklaringen ter zitting van het hof van zijn kinderen, weduwe en broer, die mede namens zijn ouders sprak. Binnen het politiekorps heeft de dood van [slachtoffer 2] grote indruk gemaakt.

Verder heeft verdachte getracht [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] te doden door met een vuurwapen op hen te schieten. [slachtoffer 3] werd hierbij in zijn been geraakt. Ook voor hem hebben de gebeurtenissen op 13 april 2011 grote fysieke en psychische gevolgen gehad, zoals blijkt uit zijn ter zitting van het hof afgelegde slachtofferverklaring. [slachtoffer 4] is niet geraakt, maar de ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke ernstige schietincidenten hiervan lange tijd psychisch nadelige gevolgen kunnen ondervinden.

Daarnaast heeft verdachte de politieambtenaren [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3], toen zij hem wilden aanhouden, met het voornoemde vuurwapen bedreigd en heeft hij geprobeerd [verbalisant 1] zwaar te mishandelen.

Verdachte heeft ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Hij heeft gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht. In de eerste plaats bij de slachtoffers, maar ook bij omwonenden. De grote ernst en het indringende karakter van de feiten hebben een grote schok in de samenleving teweeg gebracht.

Verdachte heeft oprecht spijt betuigd dat hij zijn vriendin en een politieambtenaar heeft gedood en voor wat hij de andere slachtoffers heeft aangedaan.

Het hof houdt bij de bepaling van de hoogte van de straf voor de bewezenverklaarde feiten 2 tot en met 6 die hem worden toegerekend ook rekening met de psychotische toestand waar verdachte in verkeerde en die zijn handelen weliswaar niet volledig, maar wel in belangrijke mate heeft beïnvloed. Daarnaast is het hof van oordeel dat gelet op de redenen om de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen met de uitvoering van die maatregel op korte termijn een aanvang moet kunnen worden genomen.

Op grond van al het vorenstaande, in samenhang beschouwd, is het hof van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes jaren passend en geboden is.

(…)

De raadsman heeft verder aangevoerd, dat bij het opleggen van een straf rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat verdachte een vreemdeling is zonder rechtmatig verblijf in Nederland en derhalve geen recht heeft op voorwaardelijke invrijheidsstelling. Gelet op de hiervoor besproken maatregel behoeft dit verweer geen verdere bespreking.”

40. In de toelichting wordt uitvoerig uiteengezet dat en waarom verdachte geen recht heeft op vervroegde invrijheidstelling. Dit leidt er volgens de steller toe dat daar waar men bij een Nederlander of een vreemdeling met een verblijfstatus op 2/3 van de straf (dus na 4 jaar) zou aanvangen met de TBS, dit bij verdachte pas na de volledig uitgezeten 6 jaar zal gebeuren. Tot slot wordt aangevoerd dat het hof niet op grond van art. 37b, tweede lid, Sr een advies heeft opgenomen omtrent het tijdstip waarop de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege dient aan te vangen. Door te overwegen dat het verweer niet relevant is nu er tevens TBS is opgelegd, getuigt dit oordeel van het hof van een onjuiste rechtsopvatting en is het onbegrijpelijk, aldus het middel.

41. Kennelijk gaat de steller van het middel ervan uit dat wanneer verdachte een Nederlander of een vreemdeling met een verblijfsstatus was geweest, het hof eveneens 6 jaar gevangenisstraf naast de TBS had opgelegd. Ik begrijp het oordeel van het hof anders. Het hof heeft de gevangenisstraf aanzienlijk gematigd en wel om twee redenen: (1) verminderde toerekeningsvatbaarheid ten tijde van het plegen van de feiten 2 t/m 6, en (2) de oplegging van de maatregel van de TBS en de redenen daarvoor brengen mee dat met de uitvoering van de TBS op korte termijn een aanvang moet worden genomen. In dit tweede onderdeel van zijn oordeel ligt besloten dat het hof rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat in het specifieke geval van verdachte de TBS pas kan starten na ommekomst van de volledige gevangenisstraf en daarin (eveneens) grond heeft gezien voor matiging. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, noch is het onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering was het hof dan ook niet gehouden.

42. Het middel faalt.

43. Het vijfde middel klaagt dat het hof het beroep op de schending van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep ten onrechte althans op onbegrijpelijke gronden heeft verworpen.

44. Het bestreden arrest houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“(…)

Door de raadsman is nog aangevoerd, dat zowel ten aanzien van de behandeling in eerste aanleg als ook de behandeling in hoger beroep sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Deze overschrijding is op geen enkele manier aan de verdediging toe te rekenen.

Dit zou gevolgen moeten hebben voor de op te leggen straf, aldus de raadsman.

De strafzaak tegen verdachte betreft zeer ernstige feiten. Er hebben uitgebreide onderzoeken plaatsgevonden, zowel in de opsporingsfase en tijdens de behandeling in eerste aanleg als in de fase van de behandeling door het hof.

Nadat de vervolging van verdachte is begonnen, zijn de termijnen die als uitgangspunt gelden weliswaar overschreden, maar gelet op de geschetste ernst en omvang van de zaak niet zodanig dat sprake is geweest van een onredelijke overschrijding van die termijnen.

(…)”

45. Vooropgesteld moet worden dat het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Van onbegrijpelijkheid zal niet licht sprake zijn omdat een dergelijk oordeel sterk verweven pleegt te zijn met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan een beoordeling door de cassatierechter. Het staat de feitenrechter voorts vrij om - na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn - te volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM.12

46. Het hof heeft in respons op het verweer van de verdediging vastgesteld dat nadat de vervolging van verdachte is begonnen de termijnen die als uitgangspunt gelden zijn overschreden. Voorts heeft het hof overwogen dat in alle fases van het proces het gedane onderzoek zeer uitgebreid is geweest en de zaak daarmee omvangrijk en - naar ik begrijp - ingewikkeld. Deze vaststelling wordt in het middel niet betwist. Geklaagd wordt dat het hof niet (inhoudelijk) heeft gerespondeerd op alle door de verdediging naar voren gebrachte omstandigheden en niet kenbaar acht heeft geslagen op alle door Uw Raad in het arrest van 17 juni 2008 genoemde aspecten die bij de verwerping van een dergelijk verweer een rol spelen.13

47. De steller gaat eraan voorbij dat de rechter niet gehouden is op alle subonderdelen van een verweer een gemotiveerde reactie te geven. In cassatie gaat het erom of het oordeel van het hof in zijn geheel begrijpelijk is. Het hof heeft duidelijk en gemotiveerd te kennen gegeven waarom hij de geconstateerde overschrijding van de termijnen in eerste aanleg en in hoger beroep niet onredelijk vindt. De zeer ernstige feiten en daarmee de omvang en de complexiteit van de zaak die zich onder meer heeft geuit in de vele voor de rechter benodigde - en, zo merk ik op, ook deels door de verdediging gewenste - onderzoeken kunnen dit zelfstandig verklaren. In dit niet onbegrijpelijke oordeel ligt tevens besloten dat voor zover er enige vertraging te wijten is geweest aan de wijze waarop de bevoegde autoriteiten de zaak hebben behandeld, dit bezien in het licht van het bovenstaande nog (steeds) niet voldoende aanleiding geeft om gevolgen te verbinden aan de termijnoverschrijdingen. Uitgaande van de termijnoverschrijdingen in eerste aanleg en in hoger beroep zoals die naar voren komen uit de stukken14, te weten respectievelijk ca. 6 en 5 maanden, komt mij dat niet onbegrijpelijk voor. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden.

48. Het middel faalt.

49. Het zesde middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is overschreden.

50. Namens de verdachte is op 23 december 2014 cassatie ingesteld15. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezet stempel op 4 december 2015 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van 6 maanden16 is overschreden. Dit pleegt te leiden tot strafvermindering.

51. Het eerste, tweede, derde, vierde en vijfde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Het zesde middel slaagt.

52. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

53. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf in de mate als de Hoge Raad gepast acht en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Aan het proces-verbaal is (immers) een geluidsopname gehecht van hetgeen de gehele zittingsdag van 12 november 2014 aan de orde is geweest. Volgens de steller van het middel is dat echter niet relevant, ‘nu het proces-verbaal juist op schrift is gesteld’.

2 Vgl. HR 20 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:94.

3 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: 2015, p. 197-206.

4 W.H. Jebbink, in: Handboek strafzaken, 24.4.2.c tot en met 24.4.2.e (geactualiseerd t/m 1 april 2010).

5 Van Dorst, a.w., p. 199.

6 Zie HR 12 november 2002, ECLI:NL:HR:ZD8086 en W.H. Jebbink, in: Handboek strafzaken, 24.4.2.c tot en met 24.4.2.e (geactualiseerd t/m 1 april 2010). Vgl. ook hof Den Haag 1 maart 2007, ECLI:NL:GHSGR:2007:AZ9644.

7 Had de raadsman wel een dergelijke klacht voorgesteld en het geschade belang van verdachte daarbij gemotiveerd naar voren gebracht, had wellicht met de audioregistratie in de hand een en ander gecontroleerd kunnen (en moeten?) worden.

8 Zie het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 en 14 november 2014, p. 3.

9 De vraag welke deskundige ‘gelijk’ heeft, of anders geformuleerd, welk deskundigenadvies de rechter tenslotte mede ten grondslag legt aan zijn beoordeling van – uiteindelijk – het juridisch verweer van art. 39 Sr, is een kwestie van feitelijk aard en leent zich derhalve niet voor de toets in cassatie. Eenstemmigheid onder deskundigen ontbreekt overigens, zie J. Bijlsma, Stoornis en strafuitsluiting. Op zoek naar een toetsingskader voor ontoerekenbaarheid, (academisch proefschrift VU) Oisterwijk: 2016.

10 Proces-verbaal van de zitting van 12 en 14 november 2014, p. 25.

11 HR 20 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF3162, NJ 2009/324, m.nt. Mevis, en recenter HR 6 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2922 (art. 81 RO) met conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee (PHR:2015:1760).

12 Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis, rov. 3.23.

13 Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis, rov. 3.13.1.

14 De zaak tegen de verdachte heeft een aanvang genomen met zijn arrestatie op de dag dat hij de feiten pleegde, te weten 13 april 2011. De rechtbank heeft op 5 maart 2013 eindvonnis gewezen. Dat is derhalve ruim 6 maanden na de ommekomst van de redelijke termijn die heeft te gelden voor verdachte (preventief gedetineerd: 16 maanden). Op 14 maart 2013 is hoger beroep ingesteld. Het hof heeft zijn eindarrest gewezen op 11 december 2014, derhalve 5 maanden na de ommekomst van de redelijke termijn in hoger beroep (wegens voortdurende preventieve hechtenis wederom 16 maanden).

15 Het door het OM ingestelde cassatieberoep van 18 december 2014 is op 7 april 2015 weer ingetrokken.

16 Ten tijde van het instellen van het cassatieberoep alsook ten tijde van de betekening van de aanzegging cassatie bevond verdachte zich in preventieve detentie.