Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:122

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
09-02-2016
Datum publicatie
22-03-2016
Zaaknummer
13/01623
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:457, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 395.2 Sv (opmaken pv van de tz) en 395a.1 Sv (stempelvonnis). De verdachte heeft binnen drie maanden na de uitspraak van de Ktr beroep in cassatie ingesteld. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat het vonnis geen vonnis betreft a.b.i. 410a.1 Sv, heeft de Ktr ten onrechte volstaan met een door hem gewaarmerkte aantekening a.b.i. art. 395a.1 Sv. Het verzuim pv op te maken a.b.i. 395.2.ahf onder c Sv leidt tot nietigheid van het onderzoek ttz en van de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/01623

Zitting: 9 februari 2016

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De Rechtbank Almelo heeft bij vonnis van 7 oktober 2011 de verdachte ter zake van "overtreding van het bepaalde in artikel 2:44, eerste lid, Algemene Plaatselijke Verordening Rijssen/Holten" (kort gezegd: het vervoeren van inbrekerswerktuigen) schuldig verklaard zonder oplegging van straf of maatregel.

2. De verdachte heeft op 7 oktober 2011 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de Kantonrechter. In de aantekening mondeling arrest van 7 maart 2013 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, het volgende overwogen:

“De kantonrechter te Almelo heeft bij vonnis waarvan beroep toepassing gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Nu op grond van artikel 404, tweede lid, sub a van het Wetboek van Strafvordering tegen een dergelijk vonnis geen rechtsmiddel openstaat, zal verdachte in het door hem ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Nu het [te]lastegelegde feit een overtreding van een Algemene Plaatselijke Verordening betreft, staat cassatie bij de Hoge Raad der Nederlanden open. Het dossier zal daarom naar de Hoge Raad worden verzonden.

beslissing:

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”

3. Een preliminair punt is hoe de beslissing van het Hof moet worden gelezen. In het dictum van ’s Hofs beslissing is weliswaar de niet-ontvankelijkheid van de verdachte in zijn hoger beroep uitgesproken, maar uit de daarvoor weergegeven overweging blijkt overduidelijk dat het Hof tot een conversie van het (verkeerde) rechtsmiddel wilde komen. Dat is een beslissing “sui generis”, er op neer komende dat de rechter “verstaat” dat het juiste rechtsmiddel is ingesteld – hier dus beroep in cassatie en niet hoger beroep. Een niet-ontvankelijkverklaring op het (foutief) ingestelde rechtsmiddel behoort daarbij niet te worden uitgesproken.1 Naar aanleiding van een conversiebeslissing behoeft ook niet nog eens het juiste rechtsmiddel te worden ingesteld, de behandeling door de juiste rechterlijke instantie volgt (als het goed is) ‘vanzelf’, aangezien de conversiebeslissing gepaard gaat met het insturen van de processtukken naar het bevoegde gerecht. Hier dus: de Hoge Raad de Nederlanden, alwaar de stukken ook inderdaad zijn binnengekomen en waar de afwikkeling geschiedt als ware van meet af aan het juiste rechtsmiddel – zijnde beroep in cassatie - ingesteld. Het lijkt mij, gelet op dit “systeem”, dat bevredigend functioneert, dat de niet-ontvankelijkverklaring van verdachte in het hoger beroep als een kennelijke misslag moet worden beschouwd en verbeterd zal kunnen worden gelezen – dus als ongeschreven kan worden beschouwd.

4. Bij het voorgaande behoort nog de constatering dat het Hof geheel en al terecht heeft overwogen dat niet hoger beroep, maar cassatie het juiste rechtsmiddel was, gelet op de einduitspraak van de Rechtbank Almelo. Hoger beroep tegen dat vonnis stuit af op art. 404, tweede lid, onder a Sv maar cassatieberoep is wel mogelijk, zo stelt het vierde lid van dat artikel, aangezien het vonnis een overtreding van een verordening van een gemeente betreft. Voorts moet ik opmerken dat de behandeling van het cassatieberoep om te betreuren administratieve redenen veel te lang stil heeft gelegen.

5. Namens de verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, een middel van cassatie voorgesteld.

6. Het middel klaagt dat het proces-verbaal van de terechtzitting met daarin de aantekening van het vonnis zoals voorgeschreven in art. 395, tweede lid, Sv, ten onrechte niet is opgemaakt.

7. De bestreden uitspraak is aangetekend op de wijze als voorzien in art. 395a, eerste lid, Sv.

8. Volgens art. 395a, vierde lid, Sv in verbinding met art. 395, tweede lid aanhef en onder c, Sv dient een vonnis van de Kantonrechter, indien binnen drie maanden na de uitspraak van dit vonnis een gewoon rechtsmiddel wordt aangewend, te worden aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting op een wijze als door de Minister van Justitie te bepalen. In dit geval heeft de verdachte binnen drie maanden, op 7 oktober 2011, hoger beroep ingesteld tegen het bestreden vonnis van 7 oktober 2011. Dat tegen dat vonnis geen hoger beroep heeft opengestaan maar beroep in cassatie, doet daaraan niet af. Aangenomen moest immers worden dat de verdachte tegen het bestreden vonnis het rechtsmiddel heeft willen aanwenden dat daartegen volgens de wet openstond. Bij de stukken van het geding bevindt zich enkel een aantekening mondeling vonnis van de Kantonrechter van 7 oktober 2011. Een proces-verbaal van de terechtzitting bevindt zich niet bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken. 2

9. De Kantonrechter had, in aanmerking genomen hetgeen hiervoor is overwogen, niet mogen volstaan met een aantekening als bedoeld in art. 395a Sv, het zogenaamde stempelvonnis. Bedoeld verzuim brengt mee dat, nu niet kan worden vastgesteld of de in art. 80, tweede lid, RO bedoelde vormen zijn nageleefd, het bestreden vonnis niet in stand kan blijven en terugwijzing moet volgen.3

10. Het middel is derhalve terecht voorgesteld.

11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot terugwijzing van de zaak naar de Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, opdat de zaak op de bestaande dagvaarding opnieuw zal worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie Van Dorst, Cassatie in strafzaken, achtste druk, p. 48 e.v.

2 Navraag bij de Rechtbank Almelo heeft niets opgeleverd zodat het er voor gehouden moet worden dat het proces-verbaal niet is opgemaakt.

3 Cf. HR 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3934; vgl. HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:BO2956 (meerdere middelen).