Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1216

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
15-11-2016
Datum publicatie
07-12-2016
Zaaknummer
15/01214
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2780, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Afzien van rechtsbijstand ter zitting. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/01214

Zitting: 15 november 2016 (bij vervroeging)

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 23 februari 2015 door het gerechtshof Den Haag wegens “diefstal” veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 300,00 in termijnen te betalen, subsidiair zes dagen hechtenis, waarvan € 75,00 subsidiair één dag hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

  2. Namens de verdachte heeft mr. C. Waling, advocaat te 's-Gravenhage, één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel klaagt in de kern dat het hof er niet op heeft toegezien dat de verdachte niet tekort is gedaan aan zijn recht op een eerlijk proces door zijn keuze af te zien van feitelijke rechtsbijstand ter terechtzitting in hoger beroep en dat het hof zich er niet van heeft vergewist of de verdachte ondubbelzinnig, desbewust en vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht op rechtsbijstand, althans dat daartoe een nadere motivering ontbreekt.

  4. Blijkens het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte medegedeeld dat hij niet door zijn raadsvrouw wenst te worden bijgestaan:

"De voorzitter constateert dat de raadsvrouw van de verdachte mr. E. de Witte, advocaat te 's-Gravenhage, weliswaar is opgeroepen om heden ter terechtzitting te verschijnen doch dat zij thans niet in de zittingszaal aanwezig is.

Desgevraagd door de voorzitter deelt de verdachte mede dat zijn raadsvrouw zich buiten de zittingszaal bevindt. De verdachte deelt voorts mede dat hij niet door zijn raadsvrouw wenst te worden bijgestaan, omdat hij de eigen bijdrage van de kosten van rechtsbijstand niet kan betalen. Bovendien is de verdachte wegens ziekte niet in staat geweest om contact met zijn raadsvrouw op te nemen om samen de zaak voor te bereiden."

5. Een verdachte heeft het recht zich te laten bijstaan door een raadsman (art. 28, eerste lid, Sv en art. 18 GW). Ook heeft een verdachte ingevolge art. 6, derde lid onder c, EVRM het recht zichzelf te verdedigen, zodat hij niet gehouden is zich te laten bijstaan door een raadsman. De wetgever heeft evenwel in een aantal gevallen ambtshalve toevoeging van een raadsman aan de verdachte verplicht, zoals wanneer de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt of heeft bevonden (art. 41 Sv).1

6. Hoewel in deze zaak sprake was van een verdenking van diefstal en dus voorlopige hechtenis voor dit feit was toegelaten, heeft de verdachte in de onderhavige zaak niet in voorlopige hechtenis verbleven. De verdachte is daags na de inverzekeringstelling op 8 mei 2013 heengezonden. Aan de verdachte behoefde derhalve niet op grond van art. 41 Sv een raadsman ambtshalve te worden toegevoegd.

7. Blijkens de aantekening mondeling vonnis van 23 juni 2014 is de verdachte in eerste aanleg bijgestaan door mr. E. de Witte. Voorts heeft mr. De Witte als raadsvrouw van de verdachte een oproeping ontvangen voor de terechtzitting in hoger beroep. Volgens de mededeling van de verdachte op ’s hofs terechtzitting, bevond de raadsvrouw zich tijdens de behandeling van de zaak buiten de zittingszaal. Gezien de verklaring van de verdachte, waaruit kan worden afgeleid dat hij de eigen bijdrage van de kosten van rechtsbijstand zelf diende te betalen, ga ik ervan uit dat de raadsvrouw kennelijk op basis van art. 42, derde lid, Sv in verbinding met art. 44, eerste lid, Wet op de Rechtsbijstand was toegevoegd.

8. Uit de stukken van het geding, voor zover in cassatie voorhanden, blijkt niet van vermoedens dat bij de verdachte tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling in of ziekelijke storing van zijn geestvermogens bestond en derhalve evenmin van een aanleiding om ambtshalve tot toevoeging van een raadsman op de voet van art. 509c Sv over te gaan. En anders dan de steller van het middel kennelijk meent, was er overigens geen reden om toepassing te geven aan art. 45, vierde lid, Sv, nu blijkens de stukken van het geding geen sprake was van verhindering of ontstentenis van de raadsvrouw. De raadsvrouw van de verdachte was immers wel voor de behandeling van de zaak van de verdachte verschenen, maar kennelijk tijdens de terechtzitting op verzoek van de verdachte buiten de zittingszaal gebleven.

9. Naar de inhoud bezien, lijkt het middel te refereren aan het arrest van HR 17 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI2315, NJ 2010/143 m.nt. Schalken. 2 In dat arrest heeft de Hoge Raad, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“3.3.1. Art. 6, derde lid onder c, EVRM kent de verdachte het recht toe om zichzelf te verdedigen dan wel zich te laten bijstaan door een advocaat. Die verdragswaarborg komt ook tot uitdrukking in het Wetboek van Strafvordering. Ingevolge art. 28, eerste lid, Sv is de verdachte bevoegd zich door een of meer gekozen of toegevoegde raadslieden te doen bijstaan. De in dat wetboek voorziene toevoeging van een raadsman aan de verdachte is in een aantal gevallen verplicht, onder meer wanneer de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt of heeft bevonden (art. 41 Sv).

3.3.2. Of een verdachte zichzelf ter terechtzitting wil verdedigen dan wel zich wil laten verdedigen door een raadsman, is ter vrije keuze van de verdachte. Dat geldt ook indien aan de verdachte een raadsman is toegevoegd. De wet voorziet niet in de mogelijkheid dat een (toegevoegde) raadsman daadwerkelijk optreedt in het geval de verdachte ervoor kiest zichzelf te verdedigen en dus afstand doet van het recht op rechtsbijstand. De wet kent dus niet de mogelijkheid van rechtsbijstand tegen de wil van de verdachte. In dat verband verdient nog opmerking dat ingevolge Regel 9 van de voor advocaten geldende Gedragsregels 1992 het advocaten niet is toegestaan om handelingen te verrichten tegen de kennelijke wil van hun cliënt.

3.3.3. Voor enkele gevallen heeft de wetgever dat stelsel doorbroken. Zo komen, indien de verdachte de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, alle aan de verdachte toekomende bevoegdheden ook toe aan zijn raadsman (art. 503, eerste lid, Sv). Hetzelfde geldt ten aanzien van de berechting van een verdachte bij wie een zodanige gebrekkige ontwikkeling in of ziekelijke stoornis van de geestvermogens wordt vermoed dat hij ten gevolge daarvan niet in staat is zijn belangen behoorlijk te behartigen (art. 509a in verbinding met art. 509d, derde lid, Sv). In die gevallen is geen plaats voor afstand van het recht op rechtsbijstand.

De raadsman is dan bevoegd en gehouden op te treden, ook al geeft de verdachte te kennen dat hij geen rechtsbijstand wenst of zich niet kan verenigen met de wijze waarop de raadsman aan die bijstand invulling geeft.

3.4. Met die bijzondere regelingen is beoogd om verdachten die niet in staat moeten worden geacht hun positie in het strafproces te bepalen, te verzekeren van een effectieve verdediging. Dat betekent niet dat in de overige gevallen de zorg voor een dergelijke, door art. 6 EVRM vereiste verdediging steeds en zonder meer aan de verdachte kan worden gelaten. Dat geldt in het bijzonder indien een verdachte ten aanzien van wie de wetgever heeft voorzien in ambtshalve toevoeging van een raadsman, ervoor kiest om zichzelf te verdedigen en te kennen geeft afstand te willen doen van zijn recht op rechtsbijstand. Dan zal de rechter erop moeten toezien dat door die keuze aan het recht op een eerlijk proces niet wordt tekortgedaan. In een zodanig geval zal de rechter zich ervan moeten vergewissen dat de afstand van rechtsbijstand ondubbelzinnig, desbewust en vrijwillig is gedaan. Indien de rechter oordeelt dat daarvan sprake is en hij de keuze van de verdachte respecteert, zal hij tijdens de behandeling van de zaak bijzondere aandacht moeten schenken aan de positie van de verdachte. Dat geldt met name waar het gaat om het verstrekken van informatie die de verdachte voor zijn verdediging behoeft. In dat opzicht kan de verdachte immers tekortkomen omdat hij, anders dan met de regeling van de ambtshalve toevoeging is beoogd, geen bijstand van een rechtsgeleerde raadsman heeft. In dat tekort zal de rechter zoveel als mogelijk dienen te voorzien.”

10. De vraag die de aangehaalde overwegingen van de Hoge Raad oproept, is of de rechter ook gehouden is te onderzoeken of de verdachte ondubbelzinnig, desbewust en vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht op rechtsbijstand indien ambtshalve toevoeging van een raadsman niet wettelijk is voorgeschreven. Met het oog op die vraag is de navolgende overweging van HR 10 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:687, NJ 2013/579 m.nt. Schalken van betekenis:

"2.4.2. Ingevolge art. 28, eerste lid, Sv is de verdachte bevoegd zich door een of meer gekozen of toegevoegde raadslieden te doen bijstaan. Of een verdachte zichzelf ter terechtzitting wil verdedigen of zich wil laten verdedigen door een raadsman, is ter vrije keuze van de verdachte. Dat betekent niet dat de zorg voor de verdediging steeds en zonder meer aan de verdachte kan worden gelaten. Indien een verdachte ervoor kiest om zichzelf te verdedigen en te kennen geeft afstand te willen doen van zijn recht op rechtsbijstand, zal de rechter erop moeten toezien dat door die keuze aan het recht op een eerlijk proces niet wordt tekortgedaan (vgl. HR 20 november 2011, LJN BV0907, NJ 2012/29)."

In de zaak die tot dat arrest van 10 september 2013 heeft geleid, was ambtshalve toevoeging van een raadsman niet wettelijk voorgeschreven en werd de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep niet bijgestaan door een raadsman. Hoewel uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep dan wel enig ander processtuk niet was gebleken van een onderzoek door de rechter naar de vraag of de verdachte ondubbelzinnig, desbewust en vrijwillig afstand van rechtsbijstand had gedaan, overwoog de Hoge Raad verder:

"2.4.3. Het Hof heeft in de uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkende feiten en omstandigheden omtrent de persoon en de persoonlijkheid van de verdachte, klaarblijkelijk geen aanleiding gevonden voor nader onderzoek of de verdachte - met het oog op waarborging van haar recht op een eerlijk proces - bijstand van een raadsman behoefde. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Verweven als het is met aan het Hof voorbehouden waarderingen van feitelijke aard, kan dat oordeel niet verder op juistheid worden onderzocht. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk."3

11. Uit de hiervoor weergegeven overwegingen van de Hoge Raad, bezien in onderlinge samenhang en verband, leid ik af dat het hof gehouden is tot het doen van nader onderzoek – ten einde zich ervan te vergewissen of de verdachte ondubbelzinnig, desbewust en vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht op rechtsbijstand – of een verdachte met zijn keuze afstand te doen van rechtsbijstand niet aan zijn recht op een eerlijk proces tekort wordt gedaan, zo daartoe in feiten en omstandigheden aanleiding gevonden kan worden. Bijvoorbeeld, aldus HR 17 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI2315, NJ 2010/143 m.nt. Schalken, indien een verdachte ten aanzien van wie de wetgever in ambtshalve toevoeging van een raadsman heeft voorzien, te kennen geeft afstand te willen doen van zijn recht op rechtsbijstand. Zoals reeds volgt uit hetgeen hierboven in randnummer 6 is opgemerkt, doet deze situatie zich hier niet voor.

12. Nu in het onderhavige geval de voorzitter is voortgegaan met de behandeling van de zaak van de verdachte, heeft het hof klaarblijkelijk en niet onbegrijpelijk uit de mededeling van de verdachte afgeleid dat hij geen prijs (meer) stelde op rechtsbijstand van zijn raadsvrouw en dat het onderzoek ter terechtzitting kon plaatsvinden buiten haar aanwezigheid. In dit impliciete oordeel ligt tevens besloten dat het hof geen aanleiding heeft gezien nader te onderzoeken of met de keuze van de verdachte om af te zien van rechtsbijstand aan diens recht op een eerlijk proces niet wordt tekortgedaan. Ook dit oordeel van het hof acht ik niet onbegrijpelijk. Ik meen dat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, noch enig ander stuk van het geding, bijzondere omstandigheden in de persoon of persoonlijkheid van de verdachte laten zien die erop wijzen dat de zorg voor de verdediging niet aan de verdachte zelf kon worden gelaten. Daarbij merk ik op dat in deze zaak geen ingewikkelde juridische kwesties spelen. De verdachte wordt vervolgd voor diefstal van zes T-shirts en/of een riem. Dit feit heeft de verdachte ontkend, waarbij hij duidelijk onder woorden wist te brengen wat zijn standpunt is en wat zijn bezwaren tegen het vonnis zijn waarbij de verdachte tot een geldboete van € 350,00, subsidiair 7 dagen hechtenis is veroordeeld, welke straf in de eis van de advocaat-generaal bij het hof is teruggebracht tot een geldboete van € 300,00, eventueel te betalen in termijnen, subsidiair zes dagen hechtenis.

13. Uit de redenen die de verdachte heeft opgegeven om zich ter zitting niet te laten bijstaan door de raadsvrouw, haal ik geen enkele aanwijzing dat de verdachte de draagwijdte van die beslissing niet ten volle zou hebben kunnen overzien. Ik benadruk dat de reden voor de verdachte om af te zien van bijstand van de raadsvrouw ter terechtzitting primair was gelegen in het feit dat de verdachte de eigen bijdrage in de kosten van rechtsbijstand niet wilde betalen. Daarbij merk ik op dat, in tegenstelling tot hetgeen de steller van het middel kennelijk meent, art. 6, derde lid aanhef en onder c, EVRM er niet aan de weg staat dat een bijdrage wordt gevraagd voor de kosten van rechtsbijstand.4 Voorts heeft de verdachte blijkens het zittingsverbaal in hoger beroep verklaard dat hij “bovendien” door ziekte niet in staat is geweest contact op te nemen met zijn raadsvrouw om samen de zaak voor te bereiden. Anders dan de steller van het middel, ben ik van mening dat deze verklaring van de verdachte geenszins impliceert dat de verdachte onvoldoende tijd zou hebben gehad om zich op deze zaak voor te bereiden.

14. Naar mijn inzicht zijn er geen bijzondere omstandigheden die maken dat de verdachte, ter waarborging van diens recht op een eerlijk proces, bijstand behoefde van een raadsman.

15. Het middel faalt.

16. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie HR 1 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9383, NJ 1994/67 m.nt. Corstens. Zie voorts G.J.M. Corstens en M.J. Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, achtste druk 2014, p. 100.

2 Zie ook HR 20 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT6406, NJ 2012/29.

3 In gelijke zin HR 8 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:879.

4 EHRM 10 mei 1997, nr. 4716/99 (Tello Lopez).