Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1212

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
25-10-2016
Datum publicatie
06-12-2016
Zaaknummer
15/02236
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2776, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Poging tot afpersing, in vereniging, art. 317 Sr. HR: de klacht berust kennelijk op de opvatting dat geen sprake kan zijn van een poging tot het dwingen tot afgifte van enig goed a.b.i. art. 317 Sr, indien het goed op het moment van de uitvoeringshandeling van de poging (nog) niet tot het vermogen van het slachtoffer behoort en deze daarover (nog) geen beschikkingsmacht heeft. Die opvatting is echter onjuist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 15/02236

Zitting: 25 oktober 2016 (bij vervroeging)

mr. P.C. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 29 april 2015 door het hof Amsterdam, onder gedeeltelijke bevestiging en aanvulling van het vonnis van de rechtbank
    Noord-Holland van 31 oktober 2013, wegens “poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”, veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van negen maanden met aftrek als bedoeld in
    art. 27 Sr.

  2. Namens de verdachte hebben mr. B.P. de Boer en mr. R. van Leusden, beiden advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel klaagt over de bewezenverklaring van de poging tot afpersing en in het bijzonder (1) dat het dwingen tot afgifte in de zin van art. 317 Sr niet kan volgen uit de bewijsmiddelen en (2) dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat sprake was van het oogmerk tot wederrechtelijke bevoordeling.

  4. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij en/of zijn mededader in de periode van 1 augustus 2012 tot en met
7 september 2012 in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [betrokkene 1] te dwingen tot de afgifte van grondstoffen voor de productie van verdovende middelen, geheel of ten dele toebehorende aan een of meer onbekend gebleven personen, contact heeft gemaakt met [betrokkene 1] , waarna/waarbij verdachte en/of zijn mededader

* meermalen [betrokkene 1] telefonisch dreigend de woorden heeft toegevoegd: “Lever ons de grondstoffen, anders maken we je af”, althans woorden van gelijke dreigende en/of dwingende aard of strekking en

* [betrokkene 1] , terwijl deze in een ziekenhuis was opgenomen, in het ziekenhuis heeft opgezocht en toegesproken en daarbij dreigend de woorden heeft toegevoegd: “de deal moet doorgaan anders maak ik je af”, en

* met [betrokkene 1] bij het Van der Valk restaurant in Akersloot heeft afgesproken en vervolgens [betrokkene 1] aldaar dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Ga mee, anders maak ik je af” en

* op de voicemail van [betrokkene 1] heeft ingesproken: “Laat ik je niet moeten komen zoeken want ik schiet je hele hele wereld overhoop” en “Hou op met deze kinderachtige ding want het gaat helemaal verkeerd aflopen”,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

5. De bewezenverklaring steunt op de volgende door de rechtbank en het hof gehanteerde bewijsmiddelen1:

“1.

Het proces-verbaal van aangifte met nummer PL10ZK 2012100465-1 van 8 september 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] .

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 8 september 2012 tegenover verbalisant [verbalisant 1] voornoemd afgelegde verklaring van [betrokkene 1] (blz. 10 e.v.):

U heeft mij hier uitgenodigd om aangifte te doen van de bedreigingen die gister naar mij zijn geuit door handje. Handje is zijn bijnaam. Ik weef dat zijn echte naam [betrokkene 2] [de rechtbank leest: [betrokkene 2] ] [betrokkene 2] is. Ik ben de afgelopen weken al meerdere malen bedreigd door die Bolle. Dat is ook een bijnaam. Ik weet dat de echte naam van die bolle [verdachte] is.

Ik heb in het verleden, 1991, een groothandel in chemicaliën gehad. Omdat ik dit bedrijf had, was het voor mij makkelijk grondstoffen te bestellen die gebruikt konden worden voor het maken van verdovende middelen. Ik heb in die tijd handel gehad met meerdere mensen uil het criminele circuit.

Ik heb samen met [betrokkene 3] een transportbedrijfje. Hierbij lease ik ook auto's aan particulieren. Medio juli kwam [verdachte] bij mij om twee auto's te leasen. Hij leasete eerst één auto van mij, een Golf. Die is vervangen door de Golf die u gister in beslag heeft genomen. Na ongeveer een maand heeft hij ook een Mercedes B180 geleased.

Ongeveer drie weken geleden vroeg [verdachte] aan mij of ik aan de grondstoffen voor speed kon komen. Hij vroeg aan mij of ik kon komen aan alpha-methylacetoacetonetrile. Hij wilde vier of vijf ton hiervan hebben. Ik vertelde [verdachte] dat ik dat niet wilde leveren. [verdachte] werd op dat moment boos op mij en zei dat ik moest leveren omdat de rekeningen van de auto's dan niet meer betaald zouden worden. Hij zei dat hij mij zou slopen en dat hij daar best de gevangenis voor in wilde.

Vanaf dat moment is hij mij elke dag gaan bellen op de telefoon die ik van hem had gekregen. Over deze telefoon werd de druk steeds opgevoerd dat ik de grondstoffen wel moest leveren. Ik bleef dit weigeren en daarop heeft hij mij meerdere malen bedreigd. Hij heeft vaak tegen mij gezegd dat hij mij dood zou maken en dat er dingen met mij zouden gebeuren. Tijdens het gesprek werd het mij duidelijk dat mij dan erge dingen zouden overkomen. Ik ben de afgelopen drie weken dagelijks door hem gebeld en bedreigd. Als ik [verdachte] zag had hij meestal [betrokkene 2] (handje) [de rechtbank begrijpt: verdachte] bij zich. Vorige week dinsdag heb ik een hartaanval gehad waardoor ik een tijdje in het ziekenhuis heb gelegen. De eerste dag dat ik in het ziekenhuis lag kwam [verdachte] langs. Hij zei tegen mij dat hij kwam om te kijken of ik wel echt een hartaanval heb gehad en dat ik niet probeerde om onder een levering uit te komen.

Ik heb daar twee dagen gelegen en heb toen op donderdag een hersenbloeding gekregen terwijl ik bij mijn compagnon [betrokkene 3] in de auto zat. Ik ben toen in het Rode Kruis ziekenhuis geraakt en daar kwam [betrokkene 2] de eerste dag gelijk al langs. Hij wist dat ik daar lag omdat ik telefonisch contact had gehad met [verdachte] . [betrokkene 2] kwam de eerste dag alleen en kwam nog eens benadrukken dat ik wel moest leveren. De tweede dag kwam hij langs met [verdachte] en toen heeft [verdachte] nogmaals benadrukt dat ik moest leveren. Hij dreigde met het feit dat de hele handel in Suriname dan niet door zou gaan. [verdachte] heeft toen ook nog tegen mij gezegd dat ik gesloopt zou worden als ik niet zou leveren en het zou heel anders gaan aflopen. Ik snapte op dat moment dat hij bedoelde dat het slecht met mij zou aflopen. Ik heb zes dagen in het ziekenhuis gelegen en ze zijn elke dag langs gekomen. De laatste dagen zelfs drie keer per dag. Dat was Handje die dan langs kwam. Hij vertelde dat die bolle ( [verdachte] ) kwaad zou worden als ik niet zou leveren en dat het dan slecht met mij zou aflopen. Daar is op een gegeven moment een kennis van mij bij geweest, die ruzie heeft gemaakt met [betrokkene 2] (handje). Die kennis was [betrokkene 5] .

Gister werd ik gebeld door Handje. Hij vertelde mij dat hij een afspraak wilde maken bij het v.d. Valk Hotel in Akersloot. Ik kwam eerder dan Handje aan bij het v.d. Valk hotel en heb daar nog even staan wachten. Ik was samen met mijn compagnon [betrokkene 3] . [betrokkene 3] bleef in de auto zitten en ik stond naast de auto te wachten. Na een korte tijd zag ik dat Handje aan kwam rijden en hij zette de auto tegenover ons. Hij stapte uit en zei dat ik mee moest gaan naar restaurant Twaalfmaat. Ik zei tegen [betrokkene 2] dat ik eerst mijn auto weg wilde brengen. [betrokkene 2] zei dat ik mee moest gaan omdat hij mij anders af zou maken. Ik begreep hiermee dat hij mij dood zou maken. Ik hield voet bij stuk en wilde de auto eerst wegbrengen. [betrokkene 2] heef daarop contact opgenomen met [verdachte] en die gaf uiteindelijk toestemming dat ik de auto eerst weg mocht brengen. Ik zou de auto naar [A] in Heiloo brengen en moest daar dan direct bij [betrokkene 2] instappen en die zou mij meenemen naar Twaalfmaat. [betrokkene 2] heef toen nog twee maal gezegd dat hij mij zou afmaken als ik me niet aan de afspraak hield. Ik ben in de auto gestapt en heb direct 112 gebeld.

2.

Het proces-verbaal van bevindingen met nummer PL10AL 2012100465-20 van 13 september 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] .

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] voornoemd (blz. 16/17):

Op 6 september 2012 verscheen in het politiebureau te Heiloo [betrokkene 1] . Hij vertelde dat [verdachte] op 1 april 2012 een auto van hem leasete. De tweede auto leasete hij vanaf 1 juni 2012 bij hem. Drie weken geleden wilde [verdachte] dat [betrokkene 1] voor hem Alphapoeder (grondstof voor speed) zou regelen. [verdachte] vertelde hem toen dat hij tot 5 september 2012 de tijd zou hebben om de bestelling Alphapoeder te regelen. Op 5 september 2012 moest [betrokkene 1] om 14.30 uur in de Witte Bergen komen om daar te vertellen hoe hij het zou doen. Hij is daar heen gegaan en ontmoette daar [betrokkene 2] . Hij vertelde [betrokkene 2] dat hij het niet deed, waarbij [betrokkene 2] iets zei als “De Bolle (= [verdachte] ) zal wel kwaad zijn, je weet de gevolgen”. Vervolgens had [betrokkene 2] [verdachte] gebeld om het aan hem te vertellen en was [betrokkene 1] weggegaan. Onderweg naar huis werd [betrokkene 1] gebeld door [verdachte] , die hem vertelde dat hij [betrokkene 1] zou slopen/doodschieten en dat hij zijn woning zou plat branden.

3.

Het proces-verbaal van bevindingen met nummer PL10AL 2012100465-3 van 7 september 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5] .

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] voornoemd (blz. 20/21):

Op 7 september 2012, omstreeks 18.15 uur, kregen wij de opdracht om te gaan naar de Kanaalweg, c. q. de brandweerkazerne aan de Rosendaal [de rechtbank begrijpt: te Heiloo].

Hier zou een man, genaamd [betrokkene 1] , worden achtervolgd door een zwarte VW Golf met kenteken [AA-00-BB] . Toen wij de bocht doorreden van de Kanaalweg naar de Rosendaal, zagen wij de betreffende VW Golf rijden. Wij hebben hem doen stoppen. Ik, [verbalisant 5] , heb de bestuurder aangesproken en hem om zijn rijbewijs gevraagd. Ik zag dat de bestuurder betrof: [betrokkene 2] , geboren [geboortedatum] 1958 te [geboorteplaats] . Op het politiebureau te Alkmaar heb ik de auto Volkswagen Golf voorzien van kenteken [AA-00-BB] doorzocht. Op de achterbank van de Volkswagen Golf lag een Armani jas. In de binnenzak van de jas trof ik een aantal opgevouwen papiertjes aan, waaronder een geprint A4 waarop een chemisch element staat 2-Phenylacetoacetonitrile. Op een ander geschreven papier stond 4468-48-8 ALPHA wit poeder 2-phenylacetoacetonitrile.

4.

Het proces-verbaal van bevindingen met nummer PL10ZK 2012100465-34 van 1 oktober 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] .

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisant [verbalisant 1] voornoemd (blz. 37):

Op 8 september 2012 heb ik een aangifte opgenomen van de aangever [betrokkene 1] . Tijdens deze aangifte gaf de aangever aan dat hij verschillende voicemailberichten op zijn telefoon had staan waarin hij bedreigd werd.

Tijdens het uitwerken van de voicemailberichten heb ik meerdere malen geluisterd naar de berichten. Tijdens dit afluisteren herkende ik de stem van [verdachte] . Ik had [verdachte] kort daarvoor gesproken in hel cellencomplex te Alkmaar.

5.

Het proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL10ZK 2012100465-14 van 9 september 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] .

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 9 september 2012 tegenover verbalisant [verbalisant 1] voornoemd afgelegde verklaring van [betrokkene 4] (blz. 63 e.v.):

Ik ben vrijdagavond [de rechtbank begrijpt: 7 september 2012] naar het ziekenhuis geweest met [betrokkene 1] . Toen wij terugkwamen uit het ziekenhuis werd [betrokkene 1] gebeld in de auto. Ik hoorde toen dat [betrokkene 1] afsprak met een persoon bij het v.d. Valk hotel in Akersloot.

[betrokkene 1] en ik kwamen daar eerder aan en stonden even te wachten op de parkeerplaats. Na een korte tijd kwam er een zwarte Volkswagen Golf aangereden die schuin voor onze auto parkeerde. Ik zag dat er een grote zwarte man uitstapte die ik ken als [betrokkene 2] . Ik zag dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ongeveer 1.5 meter bij de auto vandaan gingen staan en in gesprek gingen. De ramen van de auto stonden open waardoor ik het gesprek tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] kon horen. Ik hoorde dat het gesprek steeds opgewondener werd naarmate het vorderde. Ik zag dat [betrokkene 2] boos was en harder ging praten. Tijdens het gesprek hoorde ik [betrokkene 2] zeggen: “Ik maak je hartstikke dood als je niet meegaat”. Ik heb [betrokkene 2] toen ook meerdere malen horen zeggen dat hij [betrokkene 1] af zou maken. Ik kan niet meer precies citeren wat er is gezegd maar weet wel dat [betrokkene 1] meerdere malen met de dood is bedreigd door [betrokkene 2] .

6.

Het proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL10ZK 2012100465-29 van 18 september 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 6] .

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 18 september 2012 tegenover verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 6] voornoemd afgelegde verklaring van [betrokkene 4] (blz. 65 e.v.):

Ik ben een compagnon van [betrokkene 1] . We leasen een aantal auto's. In eerste instantie kende ik [betrokkene 2] en [verdachte] alleen als “Handje” en als “Bolle”. Later hoorde ik dat ze [betrokkene 2] en [verdachte] heten. [verdachte] had auto’s geleast bij [betrokkene 1] .

In het ziekenhuis in Nieuwegein kwam [verdachte] op bezoek bij [betrokkene 1] . Ik had het idee dat [verdachte] daar kwam om te controleren of [betrokkene 1] wel echt ziek was. Ik heb [verdachte] en [betrokkene 2] ook een keer samen gezien. Dat was toen zij op bezoek kwamen bij [betrokkene 1] in het Rode Kruis ziekenhuis te Beverwijk. Ik zat met [betrokkene 1] beneden in de hal van het ziekenhuis.

[verdachte] en [betrokkene 2] kwamen bij ons aan de tafel zitten. Ik zag en hoorde dat [verdachte] boos was. [betrokkene 2] bleef bij mij zitten en [betrokkene 1] en [verdachte] gingen aan een tafeltje schuin achter ons zitten. Ik hoorde dat [verdachte] opgewonden en boos was.

Enkele dagen later was ik weer op bezoek hij [betrokkene 1] in het Rode Kruis ziekenhuis. Een vriend van [betrokkene 1] , [betrokkene 5] uit Almere, was ook op bezoek. We zaten weer in de hal van het ziekenhuis. Op dat moment kwam [betrokkene 2] binnen en kwam bij ons zitten. Ik herinner me dat [betrokkene 5] boos werd op [betrokkene 2] . [betrokkene 5] verweet [betrokkene 2] dat het ongepast was dat hij [betrokkene 1] op die manier en plek aansprak.

[betrokkene 1] vertelde mij, na die ontmoeting in het ziekenhuis, mondjesmaat over wat er verder gaande was tussen hem en [verdachte] . [verdachte] had [betrokkene 1] gevraagd om een bepaalde grondstof te regelen. Ik had het idee dat het om een grondstof voor verdovende middelen zou gaan.

7.

Het proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL10ZK 2012100465-19 van 12 september 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 1] .

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 12 september 2012 tegenover verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] voornoemd afgelegde verklaring van [betrokkene 5] (blz. 69 e v ):

Vorige week, maandag 3 of dinsdag 4 september 2012 was ik op bezoek bij [betrokkene 1] in het Rode Kruis ziekenhuis in Beverwijk. Er was toen nog iemand die bij [betrokkene 1] op bezoek was. Volgens [betrokkene 1] was dat iemand die “Handje” genoemd wordt. We zaten beneden in de hal en [betrokkene 3] , de compagnon van [betrokkene 1] , was er ook bij. Ik hoorde dat Handje [betrokkene 1] begon te bedreigen. Handje zei iets als: “De deal moet doorgaan anders maak ik je dood”. En later voegde hij er nog aan toe iets van: “En anders regelt die Bolle het wel”. Ik begreep dat dat een maat van Handje was. Ik begon ruzie te maken met Handje omdat hij [betrokkene 1] zo bedreigde. Handje kwam behoorlijk dreigend over door wat hij tegen [betrokkene 1] had gezegd, maar ook door de manier waarop hij zich gedroeg.”

6. In het bestreden arrest heeft het hof het vonnis in eerste aanleg nog met het volgende bewijsmiddel aangevuld:

“Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL10ZK 2012100465-23 van 13 september 2012 (dossierpagina 38-39), in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 7] .

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van de verbalisant:

Op 13 september 2012 omstreeks 13:55 uur, heb ik een onderzoek ingesteld waarbij het volgende is bevonden.

Naar aanleiding van veiliggestelde voicemailberichten uit het telefoon toestel van de aangever [betrokkene 1] , heb ik, verbalisant, deze uitgeluisterd en woordelijk uitgewerkt in dit proces-verbaal.

Voicemailbericht 1

U heeft 7 bewaarde berichten. Eerste bewaarde bericht. Ontvangen op donderdag 6 september om 14:37 uur.

Vriend. Al je telefoons uit. Je reageert niet .. moet ik .. moet je echt komen zoeken of waar dan ook. Ja? Bel me ja? Dat we elkaar kunnen zien. Doei.

Voicemailbericht 2

September om 14.48 uur (gelet op het overigens in het proces-verbaal gerelateerde leest het hof hier verbeterd: 6 september om 14.48 uur)

[betrokkene 1] ? luister goed he, laat ik je niet moeten komen zoeken ja? Want ik schiet je hele hele wereld over hoop dat is hoe jij die naam van mij overhoop hebt gezet. Ja? Dus laat me alsjeblieft je niet komen zoeken want jij denkt dat je een domme neger voor je hebt sttan (het hof leest: staan). maar ik weet precies waar ik je ga moeten vinden ja? En ik zet je hele wereld overhoop. ja? dus als je dat niet wilt ..ja? Doe gewoon normaal en kom tevoorschijn. Hou op met deze kinderachtige ding, want het gaat helemaal verkeerd aflopen. Helemaal verkeerd aflopen! Ja? Oke ik wacht op je bericht. Als ik je niet zie he of hoor van je vandaag nog. Is goed dan ga ik morgen ..ja? morgen heel vervelend doen. Ja? Doei!”

7. In de toelichting op het middel wordt ten behoeve van de eerste deelklacht aangevoerd dat niet is gebleken dat ten tijde van de bewezenverklaarde periode de in de bewezenverklaring genoemde goederen zich in de beschikkingsmacht (en/of het vermogen) van het slachtoffer bevonden. Ik citeer: “Goederen waarvan moet worden aangenomen dat deze niet tot het vermogen van het slachtoffer behoorden terwijl voorts ook moet worden aangenomen dat het slachtoffer daarover geen beschikkingsmacht had, (…), wordt niet [door] beschermd door het bepaalde in art. 317 Sr.” Voorts valt volgens de stellers van het middel een mogelijke en mogelijk beoogde, maar volstrekt onzekere toekomstige beschikkingsmacht buiten het bereik van de door art. 317 Sr beschermde belangen van het slachtoffer. Reeds daarom levert hetgeen uit de bewijsmiddelen volgt niet op hetgeen is bewezenverklaard, te weten dat zou zijn gepoogd het slachtoffer te dwingen tot afgifte in de zin van art. 317 Sr van de in de bewezenverklaring genoemde grondstoffen, aldus het middel.

8. De toelichting op de eerste klacht berust op een onjuiste uitleg van - als ik het goed zie - twee in de bewezenverklaring voorkomende en aan de delictsomschrijving van art. 317 Sr ontleende termen: afgifte en toebehoren. Afgifte veronderstelt dat de ‘afgever’ de beschikking over het afgegevene verliest.2 Dat vereiste geldt uiteraard voor de voltooide afgifte. Het kenmerk van een poging, zoals hier is bewezenverklaard, is nu juist dat het goed nog niet is afgegeven. Verlies van beschikkingsmacht van de ‘afgever’ is dus niet vereist. Vanuit het perspectief van de afperser is het wel praktisch indien de ‘afgever’ op het moment van de afpersing beschikt over het goed, maar voor strafbare (poging tot) afpersing is dat niet vereist. Het laat zich heel goed denken dat het de afperser volstrekt onverschillig laat of de ‘afgever’ al over het goed beschikt dan wel pas door nadere handelingen over het goed gaat beschikken. Voor de afperser is dat ‘slechts’ het probleem van de afgeperste. Het gepleegde feit wordt er bepaald niet minder ernstig van. Integendeel. Kortom: poging tot afpersing is anders dan in de toelichting op het middel uitvoerig wordt betoogd niet uitgesloten, indien het goed (nog) niet tot het vermogen van het slachtoffer behoort en hij daarover (nog) geen beschikkingsmacht heeft. Overigens merk ik nog op dat aan te nemen valt dat het slachtoffer in de onderhavige zaak nu juist is benaderd, omdat hij op zijn minst enige kennis en ervaring heeft om het betreffende goed te verwerven.

9. Als ik de toelichting op het middel goed begrijp, wordt uit de rubricering van art. 317 Sr als vermogensdelict nog afgeleid dat bij afpersing het noodzakelijk is dat het goederen betreft die de afgeperste toebehoren. Dat verdraagt zich niet met de bewezenverklaring, omdat daarin nu juist is bewezen dat de goederen toebehoorden aan één of meer onbekende personen. Artikel 317 Sr beschermt inderdaad het vermogen, maar er is meer. Artikel 317 Sr bevat evenals artikel 284 Sr een dwangelement en is in zoverre ook een misdrijf tegen de persoonlijke vrijheid. Niet alleen het vermogen van de afgeperste wordt beschermd, maar de bepaling biedt ook bescherming tegen ‘vermogensverschuiving’ (onder dwang) in meer algemene zin. Het gaat er om dat aan de afperser goederen worden afgeven die in elk geval aan een ander dan die afperser toebehoren.3 Voor zover de toelichting op het middel dus inhoudt dat is vereist dat het goed toebehoort aan de afgeperste is dat niet juist.

10. Dan de tweede deelklacht van het middel, die inhoudt dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de daders het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling hadden, omdat - kort gezegd - de bewijsmiddelen niet de mogelijkheid uitsluiten dat [betrokkene 1] betaald zou krijgen voor de te leveren grondstoffen.

11. Kennelijk berust deze klacht op de opvatting dat van wederrechtelijke bevoordeling geen sprake kan zijn, indien er voor het goed wordt betaald. Ik geef een voorbeeld om te illustreren dat deze opvatting het karakter van afpersing miskent. De slijter die onder bedreiging met een pistool een fles sterke drank aan een voor de drank betalende veertienjarige afgeeft, kan worden beschouwd als een slachtoffer van afpersing.4 Betaling van de koopprijs sluit de wederrechtelijkheid dus bepaald niet uit. De waarde van een goed in het economisch verkeer is op zich zelf ook niet relevant.5

12. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

13. Het tweede middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is overschreden.

14. Namens de verdachte is op 4 mei 2015 cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezet stempel op 7 januari 2016 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Dit pleegt te leiden tot strafvermindering.

15. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt. Indien de Hoge Raad aanleiding ziet tot toepassing van art. 80a RO, heb ik daartegen geen bezwaar.

16. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf in de mate als de Hoge Raad gepast acht en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 In de aanvulling bij het vonnis in eerste aanleg zijn de bewijsmiddelen niet genummerd. De nummering is derhalve van mijn hand.

2 Hofstee in Noyon/Langemeijer/Remmelink (NLR), aant. 7 bij art. 317 Sr (bijgewerkt tot 15 mei 2015).

3 Hofstee in NLR, aant. 7 bij art. 317 Sr (bijgewerkt tot 15 mei 2015).

4 Zie voor meer voorbeelden Hofstee in NLR, aant. 4 bij art. 317 Sr (bijgewerkt tot 15 mei 2015).

5 Vgl. HR 28 mei 2013, ECLI:NL:HR:BX7959, NJ 2014/350.