Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1209

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
25-10-2016
Datum publicatie
06-12-2016
Zaaknummer
15/01499
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2773, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 359.3 Sv. Bekennende verdachte? Roekeloos rijden. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2013:960. Het Hof heeft volstaan met een opgave van de b.m. als bedoeld in art. 359.3 Sv. Nu de verklaring van verdachte niet alle onderdelen betreft van het bewezenverklaarde, is het oordeel van het Hof dat verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend i.d.z.v. art. 359.3 Sv onbegrijpelijk. Cag: anders over dit middel. Samenhang met 15/01774.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 15/01499

Zitting: 25 oktober 2016 (bij vervroeging)

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 10 oktober 2012 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden - met vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde - ter zake van 1 “overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, van deze wet”, 2 primair “overtreding van artikel 8, vierde lid, juncto artikel 8, derde lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994” en 3 subsidiair “opzetheling” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het hof ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van vier jaar.

  2. Er bestaat samenhang met de zaak 15/01774. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld.1 Mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende vier middelen van cassatie.

4 Het eerste middel

4.1.

Het middel klaagt ten aanzien van feit 1 dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd, nu het hof ten onrechte heeft volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

4.2.

Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaard dat:

“hij op 18 maart 2010 in de gemeente Lelystad als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bromfiets), daarmede rijdende over de weg, Agorahof, welke weg is aangeduid als voetgangerszone (door middel van borden overeenkomstig model G7 van bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos,

- na daarvoor een aanzienlijke hoeveelheid alcoholhoudende drank te hebben genuttigd,

- met een gezien de omstandigheden een veel te hoge snelheid, te rijden door die voetgangerszone en

- onvoldoende rekening te houden met een zich op die weg bevindende voetganger en

- op het moment dat hij die voetganger naderde, niet tijdig uit te wijken en/of snelheid te verminderen en/of niet tijdig te stoppen en

- met onverminderde snelheid tegen die voetganger aan te rijden,

waardoor een ander (genaamd [betrokkene 1]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken enkel en een gebroken voet en een gebroken teen werd toegebracht, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994.”

4.3.

Ter motivering van de bewezenverklaring heeft het hof in de aanvulling op het arrest als bedoeld in artikel 365a juncto 415 Sv verwezen naar de volgende bewijsmiddelen:2

ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 subsidiair

1. de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van de meervoudige strafkamer in de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, van 21 oktober 2010, zoals weergegeven in het proces-verbaal van die terechtzitting;

ten aanzien van feit 1

2. een proces-verbaal aanrijding met nummer PL2522 2010019662-1, d.d. 28 maart 2010 in de wettelijke vorm opgemaakt door opsporingsambtenaren;

3. een proces-verbaal verhoor getuige met nummer PL2521 2010019662-5, d.d. 19 maart 2010 in de wettelijke vorm opgemaakt door een opsporingsambtenaar;

4. een proces-verbaal verhoor benadeelde met nummer PL2521 2010019662-6, d.d. 19 maart 2010 in de wettelijke vorm opgemaakt door een opsporingsambtenaar;”

4.4.

Gezien het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 21 oktober 2010 heeft de verdachte aldaar met betrekking tot de feiten 1, 2 en 3 de volgende verklaring afgelegd:

“Het ten laste gelegde klopt. Het is helemaal misgegaan. Ik weet er niets meer van behalve dat ik wakker werd in het ziekenhuis. Ik weet zelfs niet meer dat ik daar gereden heb. Ik was onder invloed van alcohol en wiet. Ik had de bromfiets geleend van een vriend van mij genaamd [betrokkene 2]. Hij had aan mij verteld dat hij de bromfiets had gestolen. Ik mocht er een rondje op rijden. Ik heb de bromfiets niet gestolen.

In het ziekenhuis is mijn teen weer teruggezet in de kom en er zijn drie pinnen in mijn voet gezet. Ik vind het niet normaal wat ik heb gedaan.”

4.5.

Blijkens genoemd proces-verbaal heeft de raadsvrouw ter zitting op 21 oktober 2010 ten aanzien van feit 1 het volgende naar voren gebracht:

“De raadsvrouw voert het woord tot verdediging, zakelijk weergegeven:

Verdachte heeft er spijt van en hij heeft hulp nodig. Ik verzoek u een deels voorwaardelijke taakstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarde dat verdachte hulp krijgt bij zijn verslaving.´

4.6.

De berechting in hoger beroep heeft blijkens het proces-verbaal van de zitting van het hof, van 26 september 2012 bij verstek, dus zonder dat de verdachte of zijn raadsvrouw aldaar aanwezig waren, plaatsgevonden. Uit hetzelfde proces-verbaal valt af te leiden dat door of namens de verdachte geen schriftuur houdende grieven tegen het vonnis van de rechtbank was ingediend.

4.7.

Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen - zonder de redengevende inhoud daarvan weer te geven - nu de verdachte de feiten niet duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

4.8.

Bij de bespreking van het middel dient vooropgesteld te worden, dat ingevolge artikel 359 lid 3 Sv het hof kan volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen indien de verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, tenzij nadien anders wordt verklaard, dan wel in geval vrijspraak wordt bepleit. De bevoegdheid om te volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, bestaat dus alleen indien en voor zover geen sprake is van een geschilpunt. In de onderhavige zaak doet zich geen van deze uitzonderingen voor. De beantwoording van de vraag of de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend in de zin van genoemde bepaling, is alsdan afhankelijk van de - in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid te toetsen - uitleg door de feitenrechter van de door verdachte afgelegde verklaring.3 De verklaring van de verdachte moet op zichzelf worden beoordeeld, ongeacht het standpunt van de raadsman.4

4.9.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 21 oktober 2010 heeft de verdachte het ten laste gelegde erkend en heeft de raadsvrouw geen verweer gevoerd met betrekking tot de (bewezenverklaring van) feiten 1 en 2. Voorts blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 september 2012, dat de verdachte noch zijn raadsvrouw daar ter zitting aanwezig waren. De verdachte is vervolgens bij verstek veroordeeld. De bewezenverklaring is dus in geen van beide feitelijke instanties een omstreden punt geweest.

4.10.

Het hof heeft toepassing gegeven aan art. 359 lid 3, tweede volzin, Sv door te volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Het heeft daarbij verwezen naar de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 21 oktober 2010, welke verklaring het hof klaarblijkelijk als een bekennende verklaring heeft aangemerkt.

4.11.

In het licht van de processuele context van dit geval en hetgeen is vooropgesteld geeft naar mijn mening het kennelijke oordeel van het hof, dat sprake is van een duidelijke en ondubbelzinnige erkenning door de verdachte van al hetgeen onder 1 ten laste is gelegd, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. Het hof kon derhalve volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

4.12.

Het middel faalt.

5 Het tweede middel

5.1.

Het middel heeft ook betrekking op feit 1 en richt zich tegen het oordeel van het hof dat sprake is van schuld in de zin van roekeloosheid.

5.2.

Bij de bespreking van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld.

“Ingevolge bestendige rechtspraak kan in cassatie slechts worden onderzocht of de schuld aan een verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW 1994 uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Voor de schuldvorm "roekeloosheid" geldt op zichzelf hetzelfde, zij het dat daarbij moet worden betrokken dat deze roekeloosheid in de wetsgeschiedenis als "de zwaarste vorm van het culpose delict" wordt aangemerkt die tot onder meer een verdubbeling van het maximum van de op te leggen vrijheidsstraf heeft geleid. Mede met het oog op het straf verhogende effect van dit bestanddeel moeten daarom aan de vaststelling dat sprake is van roekeloosheid, dus de zwaarste vorm van schuld, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter in voorkomende gevallen daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven. Dat geldt ook in de gevallen waarin de roekeloosheid in de kern bestaat uit de in art. 175, derde lid, WVW 1994 omschreven gedragingen, nu die gedragingen grond vormen voor een verdere verhoging van het ingevolge het tweede lid van dat artikel voor roekeloosheid geldende strafmaximum.

Het voorgaande brengt mee dat de vraag of in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994 een beoordeling vergt van de specifieke omstandigheden van dat geval. Bij de toetsing in cassatie van beslissingen in concrete gevallen kan een rol spelen of de rechter zijn oordeel dat sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994, heeft voorzien van een nadere motivering die recht doet aan het bijzondere karakter van roekeloosheid. Van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm zal immers slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Daarbij verdient opmerking dat "roekeloosheid" in de zin van de wet een specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder "roekeloos" - in de betekenis van "onberaden" - wordt verstaan.

Om tot het oordeel te kunnen komen dat in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994, zal de rechter zodanige feiten en omstandigheden moeten vaststellen dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat in dit verband doorgaans niet volstaat de enkele vaststelling dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een of meer in art. 175, derde lid, WVW 1994 genoemde, zelfstandig tot verhoging van het wettelijk strafmaximum leidende gedragingen.”5

5.3.

Gelet op de bestendige rechtspraak van de Hoge Raad worden zeer hoge eisen gesteld aan het bewijs van roekeloosheid.

5.4.

Het hof heeft, zoals gezegd, toepassing gegeven aan art. 359 lid 3, tweede volzin, Sv door te volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, waaronder de bekennende verklaring van de verdachte. Deze is summier en geeft weinig inzicht in de toedracht van het ongeval en het bewustzijn van de verdachte. Het hof heeft overigens geen overweging gewijd aan de redengevende feiten en omstandigheden waaruit in het bijzonder de roekeloosheid van het rijgedrag van de verdachte zou kunnen blijken.

5.5.

In het licht van hetgeen uit de rechtspraak van de Hoge Raad naar voren komt, schiet de bewijsvoering van het hof tekort. De omstandigheden die het hof kennelijk, gezien de bewezenverklaring, in aanmerking heeft genomen - kort gezegd: het op een bromfiets met hoge snelheid door een voetgangerszone rijden en het aldaar met onverminderde snelheid tegen een voetganger aan rijden, terwijl de verdachte voorafgaand een aanzienlijke hoeveelheid alcohol had genuttigd en verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8 lid 2 van de WVW 1994 - zouden toereikend kunnen zijn voor het oordeel dat de verdachte, zoals eveneens is ten laste gelegd, ‘zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend’ heeft gereden, maar zij zijn niet zonder meer toereikend voor het oordeel van het hof dat de verdachte ‘roekeloos’ in de zin van art. 6 in verbinding met art. 175 WVW 1994 heeft gereden. Het feit dat de verdachte onder de gegeven omstandigheden door een voetgangersgebied heeft gereden kan naar mijn mening op zichzelf een aanwijzing zijn voor roekeloos rijgedrag, maar zonder nadere motivering, die ontbreekt, is het kennelijke oordeel van het hof, dat sprake is van een buitengewoon onvoorzichtige gedraging waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen waarvan de verdachte zich bewust was of had moeten zijn, in dit geval te kort door de bocht en niet begrijpelijk.

5.6.

Het middel slaagt.

6 Het derde middel

6.1.

Het middel klaagt over de strafmotivering.

6.2.

Het hof heeft de verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd en heeft deze onder het kopje “Oplegging van straf en/of maatregel” als volgt gemotiveerd:

“De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich op 18 maart 2010 schuldig gemaakt aan twee verkeersmisdrijven. Daarnaast pleegde hij opzetheling. Verdachte, die niet over een rijbewijs beschikt heeft door roekeloos rijgedrag - hij reed met hoge snelheid op een bromfiets tijdens een koopavond in een voetgangerszone en verkeerde onder invloed van alcohol - de verkeersveiligheid op zeer ernstige wijze in gevaar gebracht en onaanvaardbare veiligheidsrisico's genomen. Dit gevaar heeft zich - onder meer - gemanifesteerd doordat verdachte tegen een passerende voetganger is aangereden die daardoor zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen. De bromfiets waarop verdachte reed was, naar hij wist, van misdrijf afkomstig. Door zich schuldig te maken aan opzetheling heeft verdachte te kennen gegeven geen respect te hebben voor het eigendomsrecht van de eigenaar van die bromfiets.

Uit de door het slachtoffer ter zitting van het hof afgelegde verklaring blijkt, dat zij blijvend schade aan dit ongeval zal overhouden.

Het hof heeft rekening gehouden met een verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 13 augustus 2012 waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten. Voorts heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit het strafdossier is gebleken.

Het hof overweegt dat niet blijkt dat verdachte de positieve wending in zijn leven, die blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg leek te zijn ingezet, heeft kunnen voortzetten. Uit voornoemd uittreksel uit de Justitiële Documentatie vloeit eerder het sterke vermoeden voort dat verdachte wederom is afgegleden. Daarin is immers een viertal zaken vermeld, betreffende - onder meer - soortgelijke delicten, waarin verdachte is gedagvaard. Het hof houdt uiteraard bij het bepalen van de straf in de onderhavige zaak geen rekening met die - nog niet berechte - nieuwe feiten, maar ziet daarin wel een aanwijzing dat verdachte de goede ontwikkelingen in zijn leven niet heeft kunnen volhouden. Een andere aanwijzing daarvoor is dat verdachte zonder bekende woon- of verblijfplaats is. Met de eerdere ogenschijnlijk gunstige ontwikkelingen kan derhalve niet in het voordeel van verdachte worden gerekend.

Het hof is, gelet op het voorgaande van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden is. Daarnaast is, in verband met het gevaarzettende gedrag van verdachte op de weg, alsmede uit het oogpunt van verkeersveiligheid, oplegging van een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen van lange duur noodzakelijk.”

6.3.

Vooropgesteld dient te worden, dat de rechter vrij is in de bepaling van de straf en de waardering van de factoren die hij daartoe van belang acht. Deze afweging is aan de rechter voorbehouden. In cassatie kan niet worden onderzocht of de juiste straf is opgelegd en evenmin of de straf beantwoord aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren, zoals de ernst van het feit of de persoon van de verdachte. Ingevolge art. 359 lid 6 Sv dient de rechter evenwel in het bijzonder het opleggen van een vrijheidsbenemende straf te motiveren. Aan dit vereiste is voldaan indien expliciet uit de strafmotivering blijkt, waarom de rechter heeft gekozen voor een vrijheidsbenemende straf of maatregel. Een dergelijke motivering mag summier zijn, maar daaruit dient wel naar voren te komen dat de rechter nadrukkelijk aandacht heeft besteed aan de keuze voor een gevangenisstraf.6 Een algemene standaardmotivering voldoet niet.7 De Hoge Raad toetst de motivering voor het opleggen van een gevangenisstraf slechts op zijn begrijpelijkheid.8

6.4.

In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het hof in strijd met artikel 6 lid 2 van het EVRM bij het bepalen van de straf ten nadele van de verdachte rekening heeft gehouden met feiten waarvoor hij nog niet veroordeeld was. Voorts meent de steller van het middel dat het hof de keuze voor een vrijheidsbenemende straf niet, zoals vereist ingevolge art. 359 lid 6 Sv, uitdrukkelijk heeft gemotiveerd.

6.5.

In de onderhavige zaak heeft het hof na de standaardmotivering de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, expliciet toegelicht. Het hof heeft bij de straftoemeting kennelijk in het bijzonder betrokken het gevaarzettende karakter van het gedrag dat de verdachte heeft vertoond, de ernstige en blijvende gevolgen die het feit voor het slachtoffer heeft gehad, het uittreksel uit de justitiële documentatie de verdachte betreffende, waaruit eerdere veroordelingen blijken, en zijn persoonlijke omstandigheden en is, dat alles overwegende, tot het oordeel gekomen dat ‘een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden is’.

6.6.

Het hof heeft, door de genoemde standaardformule nader in te vullen, speciale aandacht besteed aan het opleggen van een gevangenisstraf en aldus inzicht gegeven in de afweging die kennelijk is gemaakt om in dit geval een (deels voorwaardelijke) vrijheidsstraf op te leggen in plaats van een andere sanctie. Daarmee heeft het hof, in het licht van hetgeen is vooropgesteld, in het bijzonder de redenen opgegeven die de opgelegde gevangenisstraf hebben bepaald en is voldaan aan de motiveringsplicht zoals neergelegd in art. 359 lid 6 Sv. Daarbij kan in aanmerking worden genomen dat de verdachte in hoger beroep niet is verschenen en dat geen strafmaatverweer is gevoerd.

6.7.

Anders dan de steller van het middel meent, kan uit de overwegingen van het hof niet worden afgeleid dat bij het bepalen van de straf ten nadele van de verdachte rekening is gehouden met feiten waarvoor hij nog niet veroordeeld was. Uit die overwegingen kan wel worden opgemaakt dat het hof – onder meer - in de omstandigheid dat de verdachte kennelijk opnieuw in aanraking is gekomen met justitie, een aanwijzing heeft gezien dat ‘de verdachte wederom is afgegleden’ en dat het hof, anders dan in eerste aanleg de rechtbank, in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen aanleiding meer heeft gezien bij de strafoplegging ‘in het voordeel van de verdachte te rekenen’. Zo beschouwd heeft het hof geen inbreuk gemaakt op de onschuldpresumptie als bedoeld in art. 6 lid 2 EVRM.

6.8.

Het middel faalt.

7 Het vierde middel

7.1.

Het middel betreft de overschrijding van de redelijke termijn. De steller van het middel klaagt ten eerste dat het openbaar ministerie na 10 oktober 2012 heeft verzuimd de verdachte op te nemen in het opsporingsregister en heeft verzuimd tenminste eenmaal per jaar te proberen de uitspraak rechtsgeldig aan de verdachte te betekenen, als gevolg waarvan de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden.

7.2.

Vooropgesteld dienen te worden de volgende uitspraken van de Hoge Raad:

“Van overschrijding van de redelijke termijn kan sprake zijn indien op grond van art. 366 Sv een verstekmededeling dient te worden betekend en het openbaar ministerie bij die betekening niet de nodige voortvarendheid heeft betracht.

Van de hier bedoelde vertraging is in elk geval geen sprake:

a. Indien de verstekmededeling binnen een jaar na de uitspraak rechtsgeldig is betekend

1. hetzij aan de verdachte in persoon,

2. hetzij op de voet van het bepaalde in art. 588, tweede of derde lid, Sv. In de onder 2 bedoelde gevallen komt een na de betekening opgetreden vertraging immers voor rekening van de verdachte omdat er redelijkerwijs van kan worden uitgegaan dat hij door die betekening op de hoogte is geraakt van de uitspraak.

b. Indien de verstekmededeling binnen een jaar na de uitspraak rechtsgeldig is betekend door de in art. 588, eerste lid onder b sub 3, Sv voorziene uitreiking aan de griffier om reden dat de verdachte niet als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is, en indien tevens blijkt dat het openbaar ministerie vervolgens - naast de plaatsing van de verdachte in het opsporingsregister - tenminste eenmaal per jaar heeft getracht de verstekmededeling alsnog te betekenen hetzij aan de verdachte in persoon hetzij overeenkomstig het bepaalde in art. 588, tweede of derde lid, Sv.”9

“Voorts dient in aanmerking te worden genomen dat een verdachte, die, kennis dragende van een tegen hem ingestelde vervolging, nalaat op de voorgeschreven wijze opgave te doen van zijn verhuizingen en/of geen in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke voorzieningen treft om te bereiken dat hij kennis krijgt van voor hem bestemde stukken die zijn achtergelaten dan wel verzonden aan het adres alwaar hij vroeger woonachtig was of stond ingeschreven en/of nalaat zich op de hoogte te stellen van de inhoud van zodanige door hem ontvangen berichten dan wel daarop niet reageert, ten gevolge waarvan de inspanningen van het openbaar ministerie om de uitspraak te zijner kennis te brengen, zonder resultaat blijven, zich niet met vrucht kan beroepen op schending van de hiervoor genoemde verdragsbepaling.“10

7.3.

De stukken van het geding houden het volgende in:

i) op 10 oktober 2012 is de verdachte in hoger beroep bij verstek veroordeeld; gezien het arrest was hij op dat moment zonder vaste woon- of verblijfplaats;

ii) uit een aan de mededeling uitspraak gehechte akte van uitreiking blijkt dat de mededeling uitspraak op 11 december 2012 is uitgereikt aan de griffier, aangezien de geadresseerde niet werd aangetroffen op het adres waar hij, volgens de bijgevoegde ID-staat SKDB met ingang van 13 september 2012 tot 16 januari 2014 stond ingeschreven;

iii) op 19 december 2012 en 12 februari 2013 is door het openbaar ministerie per fax een brief verzonden aan de Regiopolitie Noord-Holland, met het verzoek de bijgevoegde akte en de verstekmededeling aan de verdachte uit te reiken. In het dossier bevindt zich geen akte van uitreiking van die datum;

iv) uit een ID-staat SKDB van 15 februari 2016, die kennelijk is opgemaakt in het kader van de betekening van de aanzegging in cassatie, blijkt dat de verdachte met ingang van 16 januari 2014 niet meer stond ingeschreven in de GBA. Hieruit blijkt voorts, dat de verdachte vanaf 10 september 2014 stond ingeschreven op het adres [a-straat 1] te Lelystad, vanaf 12 februari 2015 op het adres [b-straat 1] te Lelystad en vanaf 16 juli 2015 tot heden weer op het adres [a-straat 1] te Lelystad. In het dossier bevinden zich geen aktes van uitreiking in het kader van de verstekmededeling aan genoemde adressen;

v) op 5 maart 2015 is de verstekmededeling in persoon betekend aan het adres [b-straat 1] te Lelystad en de verdachte heeft op 12 maart 2015 beroep in cassatie ingesteld.

7.4.

Uit de stukken van het geding blijkt, dat binnen een jaar na de uitspraak de verstekmededeling rechtsgeldig is betekend. Echter, uit de stukken kan niet blijken dat het openbaar ministerie vervolgens ten minste eenmaal per jaar heeft getracht de verstekmededeling alsnog te betekenen, hoewel de verdachte alleen tussen 16 januari 2014 en 10 september 2014 niet stond ingeschreven in de GBA, noch dat de verdachte is opgenomen in het opsporingsregister. Een en ander is in strijd met het in art. 6 lid 1 EVRM gegarandeerde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht. De eerste deelklacht is gegrond.

7.5.

Het middel klaagt ten tweede dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden in de cassatiefase.

7.6.

Namens de verdachte is op 12 maart 2015 beroep in cassatie ingesteld. Op 20 januari 2016 zijn de stukken ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich mee, dat de inzendingstermijn van acht maanden is overschreden. Nu dit tijdverlies niet meer door een bijzonder voortvarende behandeling in cassatie binnen zestien maanden kan worden gecompenseerd, is de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM overschreden. Ook de tweede deelklacht van het middel slaagt.

7.7.

Het middel slaagt. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf.

8. Het eerste en het derde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Het tweede en het vierde middel zijn terecht voorgesteld.

9. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, teneinde in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De raadsman heeft in zijn schriftelijke volmacht tot het intrekken van cassatieberoep van 19 februari 2016 te kennen gegeven het cassatieberoep in te trekken voor zover het betreft de vrijspraak van feit 3 primair.

2 Het hof heeft ingevolge art. 359 lid 3 Sv volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

3 HR 26 september 2006, NJ 2006, 542, r.o. 3.7 en de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge voor HR 18 april 2006, NJ 2006, 645, r.o. 15 e.v.

4 HR 23 oktober 2007, NJ 2007, 581.

5 Vgl. HR 15 oktober 2013, NJ 2014, 25, r.o. 4.3 e.v. m.nt. Keijzer en HR 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1772. Zie voorts HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1552 (spookrijden). Vgl. voor een (wel) uitzonderlijk geval: HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1554 (snelheidswedstrijd).

6 Vgl. HR 16 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0011 en de conclusie van mijn ambtgenoot Spronken, ECLI:NL:PHR:2016:559, door de HR afgedaan met art. 81 lid 1 RO.

7 Vgl. HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:355 en HR 15 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2580.

8 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, achtste druk, Deventer 2015, p. 310 e.v.

9 vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, r.o. 3.19.

10 Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM3638, r.o. 3.3.1.