Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1207

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
25-10-2016
Datum publicatie
06-12-2016
Zaaknummer
15/03038
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2771, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Mensenhandel. Art. 273f.1.1 Sr. Misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie a.b.i art. 273f.1.1 Sr? HR herhaalt ECLI:NL:HR:2009:BI7099: voor de vervulling van de delictsomschrijving is niet nodig dat de ander daadwerkelijk wordt uitgebuit; het oogmerk van uitbuiting van die ander volstaat. Dat X na overbrenging naar NL niet het door verdachte en zijn mededaders beoogde werk heeft verricht (prostitutie) staat aan vervulling van de delictsomschrijving niet in de weg. Het Hof heeft vastgesteld dat X op het moment dat zij naar NL kwam om te werken noch over voldoende financiële middelen noch over woonruimte beschikte en dat zij de NL-taal niet machtig was. ’s Hofs oordeel dat uit deze feitelijke omstandigheden volgt dat X zich op dat moment t.o.v. verdachte en de mededaders in een afhankelijke positie bevond en dat bij verdachte en de mededaders bij het werven, vervoeren, overbrengen en huisvesten van X derhalve sprake was van misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van de kwetsbare positie van X a.b.i. art. 273f.1.1 Sr, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 15/03038

Zitting: 25 oktober 2016 (bij vervroeging)

Mr. P.C. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 24 juni 2015 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens “mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr.

  2. Namens de verdachte heeft mr. K.K. Hansen-Löve, advocaat te Amsterdam, een middel van cassatie voorgesteld. In een faxbericht van 10 februari 2016 heeft de raadsvrouwe haar standpunt omtrent het belang bij het cassatieberoep nader uiteengezet.

  3. Het middel klaagt met twee deelklachten dat het hof de bewezenverklaring ontoereikend heeft gemotiveerd.

  4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op tijdstippen in de periode van 1 mei 2013 tot en met 23 mei 2013 in Nederland en/of Duitsland en/of Roemenië, tezamen en in vereniging met anderen,

- een ander, te weten [betrokkene 1] door (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie, heeft geworven en/of vervoerd en/of overgebracht en/of gehuisvest, met het oogmerk van (seksuele) uitbuiting van [betrokkene 1]

immers hebbende verdachte en/of verdachtes mededader(s) (telkens)

- misbruik gemaakt van de positie waarin voornoemde [betrokkene 1] verkeerde, en/of die van hem, verdachte en/of verdachtes mededader(s), afhankelijk gemaakt aangezien [betrokkene 1] de Nederlandse taal niet machtig was en/of over onvoldoende financiële middelen beschikte”.

5. Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen zoals die zijn opgenomen in de bijlage bij het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a Sv. Deze bijlage houdt onder meer in:

1. Een schriftelijk stuk, te weten een getuigenverklaring van [betrokkene 1] , d.d. 1 augustus 2013, p. A01-520 van map 1 van het onderzoek ‘Santana’, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

Rond mei, juni 2013 stuurde [betrokkene 2] mij een brief. Ik heb hem een brief teruggestuurd met het telefoonnummer dat ik in gebruik had. Ik vroeg hem mij te bellen indien hij mij wilde spreken. Ongeveer twee weken nadat ik de brief aan [betrokkene 2] had geschreven, werd ik door hem gebeld. Bij die gelegenheid vertelde ik dat ik nogal krap bij kas zat, dat ik momenteel op zoek naar werk ben, dat ik mij geen huurwoning kan veroorloven en dat ik logeerde waar de gelegenheid zich voordeed (“dat ik hier en daar logeerde”) bij vrienden en kennissen. Hij vertelde mij dat hij een uitstekende advocaat kende, die aan zijn zaak werkt en dat deze over een à twee weken naar Bulgarije zou gaan voor werkzaamheden, dat hij op de terugweg via Roemenië zou reizen en indien ik dat zou willen, zou hij naar mij toe komen om mij mee te nemen naar Nederland. Na een paar dagen belde [betrokkene 2] weer terug en vertelde mij dat de advocaat [betrokkene 3] heette. Deze advocaat kon echter niet meer via Roemenië reizen maar hij had geboekt bij de firma [A] uit Suceava, die (met een minibus) langs Cluj zou rijden en dat ik, indien ik dat zou willen, met deze minibus,) naar de advocaat in Nederland zou kunnen reizen. Ik zei tegen [betrokkene 2] dat ik vanwege de kritieke financiële situatie in Roemenië waarin ik mij op dat moment bevond, naar hem toe zou komen. Ik vermeld hierbij dat de telefonische contacten die [betrokkene 2] met mij onderhield vanuit de PI te Hoogeveen afkomstig waren. Ik zei tegen genoemde [betrokkene 2] dat ik geen cent had om deze reis naar Nederland te maken. Vanuit de PI vertelde genoemde [betrokkene 2] mij dat dit geen enkel probleem was en dat hij persoonlijk met de chauffeur van de minibus van de firma [A] zou praten en hem vragen om mij € 20,– te geven voor onderweg naar Nederland. Na circa twee weken na Pasen 2013 vertrok ik naar Nederland met de minibus van de firma [A] vanuit busstation Beta in Cluj-Napoca. Bij aankomst in Nederland, in de stad Leeuwarden werd ik door een man opgewacht die mij vertelde dat hij [betrokkene 3] heette. Ik vroeg hem of hij de advocaat van [betrokkene 2] was en hij antwoordde dat hij geen advocaat was en dat hij deze [betrokkene 2] niet kende en dat hij door een vriend van hem was gebeld vanuit de PI waar ook [betrokkene 2] vastzat. Die vriend had hem verzocht om mij bij aankomst in Nederland op te komen halen en mij een werkplek te bezorgen. Eveneens bij deze gelegenheid vertelde [betrokkene 3] mij dat ik in een bordeel in Nederland zou werken. Ik zei tegen [betrokkene 3] dat ik absoluut weiger om in een bordeel te gaan werken en mij te prostitueren en begon te huilen. [betrokkene 3] zei toen tegen mij dat ik mij geen zorgen moest maken, want als ik dit werk niet wilde doen, dan zou hij mij helpen om terug te keren naar Roemenië en dat hij dan de reiskosten voor zijn rekening zou nemen. Daar ik op een zondag in Nederland was aangekomen, was het niet mogelijk om op dezelfde dag terug naar Roemenië te reizen, maar pas de volgende donderdag was er een minibus van [A] die richting Roemenië zou vertrekken.

Onder deze omstandigheden nodigde [betrokkene 3] mij uit om bij hem thuis te logeren. De volgende ochtend rond 09:00 uur kwam [betrokkene 3] naar mijn kamer waar ik logeerde en zei tegen mij dat [betrokkene 2] voor mij aan de telefoon was op de vaste lijn. Ik heb toen met [betrokkene 2] gesproken, die mij toen recht op de man af vertelde, dat hij mij naar Nederland had gehaald, om mij in een bordeel te prostitueren, voor zijn eigen financiële gewin, aangezien hij weinig geld verdient in de PI en dat het de bedoeling was dat het door mij uit deze werkzaamheden verdiende geld bij hem in de PI terecht zou moeten komen. Ik zei tegen hem dat ik mij nooit zou prostitueren, zelfs al moest ik mij hiervoor tot de Nederlandse autoriteiten wenden. Desondanks bleef [betrokkene 2] aandringen dat ik in Nederland zou blijven en mij zou prostitueren om geld voor hem te verdienen. Ik heb hem gesmeekt om niet meer aan te dringen, aangezien ik op een bepaalde leeftijd ben en niet toe zal geven en tegelijkertijd heb ik [betrokkene 3] verzocht om mij niet meer te roepen indien [betrokkene 2] mij weer aan de telefoon zou vragen. Tijdens mijn vertrek uit Roemenië is noch door [betrokkene 2] noch door [betrokkene 3] , aan mij voorgesteld om naar Nederland te komen om mij te prostitueren in een bordeel, want indien zij mij iets dergelijks zouden hebben voorgesteld, zou ik hebben geweigerd om naar Nederland af te reizen. Op dezelfde maandagochtend dat ik door [betrokkene 2] werd gebeld op het telefoonnummer van [betrokkene 3] , belde [betrokkene 2] dezelfde middag opnieuw waarbij hij aandrong dat ik in Nederland zou blijven om mij te prostitueren voor zijn materiële gewin.

2. De verklaring van [betrokkene 1] , afgelegd op 13 januari 2014 ten overstaan van de rechter-commissaris (videoverhoor), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

Het klopt dat ik eerder een verklaring heb afgelegd in Roemenië. Ik sta nog achter deze verklaring. Ik heb alles verklaard meteen na de gebeurtenissen, die verklaringen zijn waar, toen was het nog vers in mijn geheugen.

U vraagt mij waarom ik mij door [betrokkene 2] heb laten uitnodigen om naar Nederland te komen. Ik kon financieel niet goed rondkomen in Roemenië. [betrokkene 2] zei dat er een advocaat was die werk voor mij kon vinden in Nederland, daarom ben ik teruggegaan naar Nederland.

U houdt mij voor dat ik in een club zou gaan werken volgens [betrokkene 2] . In een nachtclub werken is voor Roemeense begrippen in een bordeel werken.

3. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof op 10 juni 2015, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

Wat ik had begrepen is dat [betrokkene 1] hiernaartoe zou komen om te werken. Ik begreep dat ze in een club zou gaan werken. Ik begreep hierbij wel dat het om prostitutie ging. Ik wist dat [betrokkene 1] uit Roemenië kwam. Ik zou onderdak regelen. Ik ben daar ook daadwerkelijk mee bezig geweest.

Het klopt dat ik de eigenaar van een club in Leeuwarden heb benaderd. Het was aan mij om werk en woonruimte voor [betrokkene 1] te zoeken. U houdt mij voor dat het kennelijk ook de bedoeling was dat ik het geld in ontvangst zou nemen. Ja, een deel ervan.”

6. Het hof heeft voorts ten aanzien van de bewezenverklaring overwogen:

“Door de verdediging is ter terechtzitting van het hof aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte het oogmerk van seksuele uitbuiting heeft gehad. Hiertoe is aangevoerd dat verdachte niet beter wist dan dat [betrokkene 1] naar Nederland kwam voor vrijwillige prostitutie. Voorts is over de specifieke omstandigheden waaronder [betrokkene 1] in Nederland zou gaan werken, niets bekend. Niet blijkt bijvoorbeeld dat er sprake zou zijn van werktijden die zouden afwijken van een in Nederland werkende mondige prostituee, noch dat zij niet vrij zou zijn om haar eigen werktijden in te delen of bepaalde klanten te weigeren. Ook blijkt niet dat [betrokkene 1] in haar vrijheid zou worden beperkt en was er geen sprake van een afhankelijkheidssituatie (schulden, verslaving, fake-liefde).

Naast het voorgaande zou volgens de verdediging vrijspraak moeten volgen nu niet kan worden bewezen dat verdachte een significante bijdrage heeft geleverd aan mensenhandel. De rechtbank heeft geoordeeld dat verdachtes bijdrage eruit bestaat dat hij een onverschillige en weinig kritische opstelling heeft aangenomen waar het gaat om de achtergrond en de redenen van de komst van [betrokkene 1] naar Nederland. Feitelijk komt dit erop neer dat verdachte zich niet heeft gedistantieerd van de plannen van Hoogeveen en de andere verdachten, hetgeen onvoldoende is om te kunnen spreken van een voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan de door de medeverdachten gepleegde mensenhandel. Verdachte heeft niet ingestemd met de plannen die zien op de seksuele uitbuiting van [betrokkene 1] .

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de in het vonnis gebezigde bewijsmiddelen de bewezenverklaring kunnen dragen.

Het hof oordeelt als volgt.

Uit het dossier blijkt dat verdachte vanuit de PI Hoogeveen is benaderd door [betrokkene 4] en (namens deze) door [betrokkene 5] met het verzoek werk en woonruimte te zoeken voor [betrokkene 1] . Zij zou voor prostitutiewerk naar Nederland komen. In dit kader zijn met name van belang de telefoongesprekken gevoerd op 11 mei 2013 om 15:30:55 uur en op 13 mei 2013 om 16:29 uur. tussen verdachte en [betrokkene 5] . In het eerstgenoemde gesprek geeft [betrokkene 5] aan dat er de 20e twee vrouwen komen. [betrokkene 5] : “En die moet jij even onderdak geven of ieder geval ergens in een huisje proppen en als er in de club (..) jij moet ook zorgen dat ze aan werk komen in club of escort maakt verder niets uit maar jij moet even regelen dan dat jij het geld even in ontvangst neemt snapje?”. Verdachte antwoordt daarop: “Jaja”. In het gesprek op 13 mei 2013 zegt [betrokkene 5] onder meer tegen verdachte: “Maar ehh als zij het wel lukt dan moet je die mokkels gelijk dat vrouwtje moet gelijk aan het werk zetten he dat weet je want ik heb vorig jaar allemaal beetje snel gezegd he”. Verdachte antwoordt daarop met “Ja”. [betrokkene 5] zegt vervolgens: “En eh ja in de club of weet ik veel waar maakt verder niet uit.”, waarop verdachte met “Ja” antwoordt en aan [betrokkene 5] vraagt hoe oud ze is.

Tekenend voor het oogmerk van seksuele uitbuiting is hetgeen even later in het gesprek wordt gezegd: " [betrokkene 5] : Ja en eh dan moet jij het dat geld in ontvangst nemen he want ze mag niks hebben ja ze mag 50 euro per dag hebben en verders rest krijgt ze niks en verder rest moet je alles in beheer houden.

[verdachte] : Oh

[betrokkene 5] : Ja want ja je weet het zijn Roemeense dus (lacht.) he.

[verdachte] : Oh (stilte) Ja.

[betrokkene 5] : En over vier weken ben ik buiten en dan ken ik jou wel even meehelpen daarin

[verdachte] : Ja.”

Dat [betrokkene 1] (kennelijk vanwege een moeizame financiële en woonsituatie) uit Roemenië naar Nederland kwam om te werken, geen Nederlands sprak, en geen woonruimte had, maakt dat zij zich - anders dan de verdediging heeft aangevoerd - ten opzichte van verdachte in een afhankelijkheidssituatie bevond. Voorts wist verdachte dat het de bedoeling was dat hij het door haar verdiende geld zou beheren en dat zij maar een klein deel van dat geld zou ontvangen (uit een ander telefoongesprek blijkt dat de verwachting was dat [betrokkene 1] mogelijk 600 euro per dag kon verdienen). Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof verklaard dat hij daadwerkelijk bezig is geweest met het regelen van onderdak voor [betrokkene 1] en dat hij de eigenaar van een club heeft benaderd of [betrokkene 1] daar eventueel aan het werk zou kunnen. Op basis van het voorgaande acht het hof bewezen dat verdachte hierbij met het oogmerk van seksuele uitbuiting heeft gehandeld.

Hetgeen de verdediging tegen het voorgaande heeft ingebracht, te weten dat verdachte op de opmerking van [betrokkene 5] dat [betrokkene 1] 50 euro per dag mag hebben en dat verdachte verder alles in beheer moet houden, alleen ‘oh' heeft gezegd en dat dat niet als een instemming is aan te merken, gaat niet op. Immers blijkt in het geheel niet dat verdachte zich tijdens voornoemd gesprek noch in daaropvolgende telefoongesprekken op enigerlei wijze heeft verzet tegen het door de medeverdachte(n) geuite voornemen omtrent het werk en de verdiensten van [betrokkene 1] . Sterker nog: verdachte heeft zijn medewerking daaraan voortgezet. Het hof leidt hieruit af dat verdachte met de door de medeverdachte(n) voorgestelde gang van zaken heeft ingestemd.

De verklaring van verdachte dat het in werkelijkheid nooit zo zou zijn gebeurd zoals [betrokkene 5] in het telefoongesprek voorstelde, brengt het hof evenmin tot een ander oordeel. [betrokkene 5] heeft in het betreffende telefoongesprek aangegeven snel vrij te komen en dat hij verdachte ‘dan wel even wilde meehelpen daarin'. Het is derhalve de vraag in hoeverre en voor hoe lang verdachte invloed zou hebben op gang van zaken rond de betaling van [betrokkene 1] .

Voorts acht het hof overeenkomstig het oordeel van de rechtbank bewezen dat er tussen verdachte en de medeverdachten sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Uit de bewijsmiddelen, die in een eventuele nader op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden uitgewerkt, blijkt dat er tussen de verdachten sprake was van een duidelijke rolverdeling, gericht op de seksuele uitbuiting van [betrokkene 1] , en dat zij daarover meermalen onderling overleg hebben gevoerd. Verdachte was de enige van de verdachten die zich op vrije voeten bevond en wist van het plan om [betrokkene 1] in de prostitutie te laten werken, stemde daarmee in én was de enige persoon die feitelijk uitvoering kon geven aan de mensenhandel. Verdachtes taak zag op de meest essentiële aspecten daarvan: het zoeken van werk voor [betrokkene 1] en het beheren van het verdiende geld. Daarmee heeft hij een voldoende significante en wezenlijke bijdrage geleverd aan de mensenhandel, gepleegd door misbruik te maken van de positie waarin [betrokkene 1] verkeerde.

Niet kan worden bewezen dat verdachte en/of zijn medeverdachte(n) [betrokkene 1] hebben misleid door haar te vertellen dat ze normaal werk, niet zijnde werk in de prostitutie, zou gaan doen in Nederland, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. Ook ten aanzien van het derde gedachtestreepje, het (laten) regelen van een werkplek voor [betrokkene 1] , kan geen bewezenverklaring volgen, nu dit niet is geslaagd.”

7. Het middel klaagt ten eerste dat het hof zijn oordeel dat sprake was van “misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie” ontoereikend heeft gemotiveerd.

8. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat [betrokkene 1] door de verdachte en zijn medeverdachten vanuit Roemenië naar Nederland is gebracht en hier enkele dagen is gehuisvest, met de bedoeling [betrokkene 1] prostitutiewerkzaamheden te laten verrichten en haar slechts een klein deel van de met het verrichten van die werkzaamheden te verkrijgen opbrengsten ter beschikking te stellen. Bijzonder aan deze zaak is dat het uiteindelijk niet tot het verrichten van prostitutiewerkzaamheden is gekomen. Toen [betrokkene 1] in Nederland hoorde van het voornemen van de verdachte en zijn medeverdachten, heeft zij aangegeven niet bereid te zijn zich te prostitueren en naar Roemenië terug te willen. Ook een dergelijke situatie kan aanleiding geven tot strafbaarheid op grond van art. 273f Sr. De tekst van die bepaling vereist immers slechts dat het oogmerk tot uitbuiting bestond en niet dat het slachtoffer ook daadwerkelijk (reeds) is uitgebuit.1 In de rechtspraak van de Hoge Raad is bevestigd dat voor strafbaarheid op grond van de huidige bepaling niet is vereist dat het slachtoffer daadwerkelijk is uitgebuit.2 Aan de delictsomschrijving is ook voldaan als het slachtoffer niet van het oogmerk op de hoogte is en geen idee heeft met welke reden zij wordt geworven, vervoerd of overgebracht.3

9. Gelet op het voorgaande, klaagt het middel terecht niet over het oordeel van het hof dat de verdachte en zijn medeverdachten hebben gehandeld met het oogmerk van (seksuele) uitbuiting. Dat [betrokkene 1] niet daadwerkelijk in de prostitutie heeft gewerkt, wordt in de toelichting op het middel niettemin benadrukt. Daaruit wordt afgeleid dat [betrokkene 1] keuzevrijheid had en zich (dus) niet in een afhankelijkheidssituatie ten opzichte van de verdachte en zijn medeverdachten heeft bevonden. Het oordeel van het hof dat sprake was van “misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie” zou daarom onbegrijpelijk zijn. In de toelichting wordt daartoe voorts opgemerkt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen ook kan worden afgeleid dat [betrokkene 1] eerder in Nederland verbleef en, ondanks het taalprobleem, in staat was aan te geven dat zij niet bereid was zich te prostitueren en dat zij naar Roemenië terug wilde, alsook dat voor haar vervolgens “probleemloos” onderdak en een terugreis zijn geregeld.

10. Ik stel voorop dat uit de gebezigde en hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen worden afgeleid dat, zoals het hof blijkens zijn overwegingen tot uitgangspunt heeft genomen, [betrokkene 1] zich in een moeizame financiële en woonsituatie bevond en dat die omstandigheden voor haar reden hebben gevormd voor het verrichten van werkzaamheden naar Nederland te komen, alsook dat [betrokkene 1] geen Nederlands sprak en in Nederland niet over onderdak en geld beschikte en na aankomst in Nederland dus op de bijstand van verdachte en zijn medeverdachten was aangewezen.4 Voor zover in de toelichting op het middel wordt geklaagd dat deze omstandigheden niet uit de gebezigde bewijsmiddelen volgen, faalt het dus bij gebrek aan feitelijke grondslag.

11. Het oordeel van het hof dat [betrokkene 1] zich, gelet op deze omstandigheden, in een afhankelijke positie bevond, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. In de toelichting op het middel wordt terecht met een verwijzing naar Kamerstukken opgemerkt dat van een dergelijke positie sprake kan zijn, indien het slachtoffer schulden heeft of verslaafd is. Die redenering kan echter niet worden omgekeerd, in die zin dat steeds moet blijken van schulden of een verslaving. Het zal erop aankomen, zoals in de toelichting ook wordt gesteld, of sprake is van omstandigheden waarin het slachtoffer niet of slechts in verminderde mate de mogelijkheid heeft een vrije keuze te maken met betrekking tot het al dan niet aangaan of voortzetten van zijn of haar relatie tot de mensenhandelaar.5 Dat heeft het hof niet miskend.

12. Zie ik het goed, dan wordt in de toelichting op het middel vooral betoogd dat juist in het geval van [betrokkene 1] niet op grond van de hiervoor beschreven omstandigheden kan worden aangenomen dat sprake was van een afhankelijke relatie. De keuzevrijheid die de steller van het middel in dat verband suggereert, deed zich echter pas voor op het moment dat het delict reeds was voltooid. Dat [betrokkene 1] stevig genoeg in haar schoenen stond om te volharden in haar weigering in de prostitutie werken, doet er niet aan af dat de reis naar en het verblijf in Nederland hebben plaatsgevonden onder valse voorwendselen en in die zin dus niet het gevolg waren van een (volledig) vrije keuze. Het oordeel van het hof dat sprake was van een afhankelijke positie en dat de verdachte en zijn medeverdachten aldus misbruik hebben gemaakt van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of van een kwetsbare positie is dan ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

13. Voorts wordt in de toelichting op het middel geklaagd dat het hof zijn oordeel dat sprake was van medeplegen ontoereikend heeft gemotiveerd. Daartoe wordt aangevoerd dat de verdachte geen wezenlijke rol heeft vervuld, nu zijn rol vooral zou zien op het vinden van prostitutiewerkzaamheden en het beheren van het te verdienen geld en juist die door de verdachte te ondernemen activiteiten niet van de grond zijn gekomen.

14. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte en zijn medeverdachten tezamen en in vereniging [betrokkene 1] naar Nederland hebben vervoerd en overgebracht en haar enkele dagen in Nederland hebben ondergebracht, waarna [betrokkene 1] weer terug is gegaan naar Roemenië. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte en zijn medeverdachten daarbij hebben gehandeld met het oogmerk van seksuele uitbuiting van [betrokkene 1] . Het was immers hun bedoeling [betrokkene 1] in de prostitutie te laten werken en haar slechts een klein deel van de opbrengsten van die werkzaamheden ter beschikking te stellen. In de toelichting op het middel wordt op zich terecht opgemerkt dat het niet daadwerkelijk tot seksuele uitbuiting is gekomen. Zoals hiervoor is opgemerkt kon het hof niettemin oordelen dat ook de in de bewezenverklaring opgenomen handelingen – het vervoeren, overbrengen en huisvesten van [betrokkene 1] – reeds voltooide mensenhandel opleveren. De toelichting op het middel lijkt deze handelingen nu op zichzelf te willen beschouwen. Uit overwegingen van het hof volgt dat deze handelingen volgens het hof deel uitmaakten van het (grotere) plan om [betrokkene 1] seksueel uit te buiten. Het hof heeft niet alleen vastgesteld dat de verdachte van dat plan op de hoogte was, maar ook dat hij over en tijdens de daadwerkelijke uitvoering van dat plan telefonisch overleg heeft gevoerd alsook dat hij een wezenlijke rol zou vervullen bij de uitvoering ervan – de verdachte zou prostitutiewerk zoeken en het geld beheren; het hof spreekt van “de meest essentiële aspecten” van de voorgenomen mensenhandel – en dat de verdachte aan die rol daadwerkelijk (deels) invulling heeft gegeven. Het in de overwegingen van het hof besloten liggende oordeel dat ook ten aanzien de in de bewezenverklaring omschreven handelingen sprake was van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking dat de verdachte het medeplegen hiervan kan worden verweten, is dan ook niet onbegrijpelijk.

15. Het middel faalt in beide onderdelen.

16. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Daarmee legt art. 273f Sr vooral de nadruk op de activiteit van mensenhandel – het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen van een ander, met inbegrip van de wisseling of overdracht van de controle over die ander – heeft deze bepaling een ruimer bereik dan haar voorloper, art. 250a (oud) Sr. Handelingen die onder de oude bepaling nog slechts in de voorfase lagen, kunnen onder huidige bepaling een voltooid delict opleveren. Vgl. TK 2003-2004, 29 291, nr. 3 (MvT), p. 18. Daarmee wordt voldaan aan internationale afspraken. Vergelijk de tekst van het oude art. 250a Sr: “degene die een ander door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid dwingt dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding beweegt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen (…)”.

2 HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7097, rov. 2.6.1.

3 Zie daarover uitgebreid de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge voor genoemd arrest.

4 Zie voorts de in de aanvulling op het verkorte arrest opgenomen bewijsmiddelen. Dat [betrokkene 1] zich in een moeizame financiële situatie bevond kan reeds worden afgeleid uit de als bewijsmiddel 1 gebezigde en hiervoor aangehaalde verklaring van [betrokkene 1] dat zij geen cent had om te reizen. Zulks vindt steun in de als bewijsmiddelen 13 en 22 gebezigde weergaven van getapte telefoongesprekken waarin verdachte en zijn medeverdachten afspraken maken over hoe de reiskosten van [betrokkene 1] zullen worden betaald. Dat een taalbarrière bestond, kan worden afgeleid uit de als bewijsmiddel 30 opgenomen verklaring van [betrokkene 3], waarin hij aangeeft dat hij niet met [betrokkene 1] kon communiceren, hetgeen steun vindt in de als bewijsmiddelen 23, 25 en 26 gebezigde weergaven van getapte telefoongesprekken waaruit kan worden afgeleid dat de communicatie met [betrokkene 1] ook op het moment dat zij zich in Nederland bevond grotendeels telefonisch plaatsvond via de Roemeens sprekende [betrokkene 2] . Tot slot wijs ik ten aanzien van de moeizame woonsituatie van [betrokkene 1] op de als bewijsmiddel 11 opgenomen weergave van een getapt telefoongesprek waarin [betrokkene 1] aangeeft dat zij tegen de nacht opziet en bij niemand terecht kan.

5 Met verwijzing naar eerder rechtspraak en citaten uit de in de toelichting op het middel aangehaalde Kamerstukken: HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, NJ 2010/598, rov. 2.4.3.