Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1198

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-09-2016
Datum publicatie
05-12-2016
Zaaknummer
16/03071
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2754, Gevolgd
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WSNP. Tussentijdse beëindiging (art. 350 Fw). Sollicitatieplicht, nieuwe schuld, boedelachterstand. Verlenging looptijd schuldsaneringsregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. 16/03071

Mr. R.H. de Bock
Zitting: 20 september 2016

conclusie inzake

[verzoekster]
wonende te [woonplaats]
(hierna: [verzoekster])

1. Bij arrest van 10 juli 2014 heeft het hof Den Haag de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoekster] uitgesproken. De rechter-commissaris heeft in zijn voordracht van 7 december 2015 verzocht de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen. Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 april 2016 heeft de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd op grond van art. 350, derde lid, onder c en d Fw. De rechtbank heeft geoordeeld dat schuldenares is tekortgeschoten in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen en wijst daarbij op het ontstaan van een nieuwe schuld aan de zorgverzekeraar DSW van € 190,-- en het niet naar behoren nakomen door schuldenares van haar sollicitatieverplichting sinds oktober 2014.

2. [verzoekster] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Bij arrest van 7 juni 2016 heeft het hof Den Haag het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 april 2016 bekrachtigd. Het hof heeft daartoe het volgende overwogen:

“4.1 Vooropgesteld wordt dat van personen ten aanzien van wie de schuldsanering is uitgesproken mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste inspannen om te voldoen aan de daaraan verbonden verplichtingen. Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat [verzoekster] haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren is nagekomen. Daartoe overweegt het hof het volgende.

4.2

Uit het verslag van de bewindvoerder van 27 mei 2016 blijkt dat gedurende de gehele loop van de schuldsaneringsregeling de informatieverplichting moeizaam is verlopen. Zo leverde [verzoekster] de benodigde stukken niet dan wel niet tijdig in bij de bewindvoerder. Pas nadat een voordracht tot tussentijdse beëindiging is ingediend, zijn in de aanloop naar de behandeling van die voordracht de ontbrekende stukken aan de bewindvoerder verzonden.

4.3

De wettelijke schuldsaneringsregeling veronderstelt een inspanning van de schuldenaar om in het tijdvak waarop de schuldsaneringsregeling van toepassing is zich zoveel mogelijk inkomsten te verwerven waarmee de schuldeisers kunnen worden voldaan. Deze inspanningsverplichting om inkomsten te verwerven kan concreet tot uitdrukking komen in een sollicitatieplicht indien een schuldenaar niet voor tenminste 36 uur betaalde arbeid verricht. [verzoekster] had bij toelating tot de schuldsanering een baan voor 32 uur, maar deze heeft zij medio augustus 2014 beëindigd. [verzoekster] heeft van de aanvang van de schuldsaneringsregeling tot december 2015 onvoldoende aantoonbare inspanningen verricht om betaald werk te vinden. Zij is bij herhaling op deze tekortkoming gewezen, maar heeft tot het vonnis van de rechtbank waarbij de regeling tussentijds is beëindigd geen verbetering laten zien op dit punt. Een en ander is aan haar toerekenbaar en maakt reeds dat die tussentijdse beëindiging op zijn plaats is.

4.4

Voorts heeft [verzoekster] een nieuwe schuld laten ontstaan aan haar zorgverzekeraar van € 190,- en bestaat er een boedelachterstand van € 169,20. Deze nieuwe schulden acht het hof bovenmatig. De stelling van [verzoekster] dat zij de desbetreffende schulden kan aflossen is niet met stukken onderbouwd en acht het hof ook anderszins niet aannemelijk; het inkomen van [verzoekster] is thans dusdanig laag dat niet valt in te zien hoe zij maandelijks geld opzij kan leggen om, naast de lopende verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling, die nieuwe schulden zal kunnen inlossen. Ook deze tekortkoming maakt dat tussentijdse beëindiging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling is aangewezen.

4.5

In dit alles speelt mee dat [verzoekster] bij haar toelating (mede) door dit hof uitdrukkelijk is gewezen op het belang van een correcte nakoming van de uit de regeling voortvloeiende verplichtingen en het mogelijk gevolg van een tekortkoming hierin. Dat zij zich desondanks niet optimaal heeft ingespannen toch aan betreffende verplichtingen te voldoen komt voor haar risico. Voor zover zij stelt dat zij niet in staat is de verplichtingen van de regeling na te komen (en haar tekortkomingen daarom niet toerekenbaar zijn), geldt dat het op haar weg ligt om als zij dit constateert tijdig hulp te vragen aan derden. Dat zij dit heeft nagelaten komt voor haar risico. Aanleiding de looptijd van de regeling te verlengen en [verzoekster] in de gelegenheid te stellen haar tekortkomingen te herstellen ziet het hof niet: niet aannemelijk is geworden dat [verzoekster] bij een eventuele verlenging wel zal voldoen aan de op haar rustende verplichtingen.”

3. [verzoekster] heeft tijdig een verzoekschrift tot cassatie ingediend tegen bovengenoemd arrest door haar advocaat P.J.Ph. Dietz de Loos. Als gevolg van de omstandigheid dat mr. Dietz de Loos per 30 juni 2016 niet meer op het tableau staat ingeschreven als “advocaat bij de Hoge Raad’’ in burgerlijke zaken, is [verzoekster] in de gelegenheid gesteld in haar zaak een andere cassatieadvocaat te stellen. Mr. Aantjes heeft zich vervolgens als cassatieadvocaat gesteld. Aan hem is door de griffie bij de Hoge Raad een kopie van het proces-verbaal van de zitting van het Gerechtshof Den Haag van 31 mei 2016 verzonden, met de mededeling dat hij tot en met 23 augustus 2016 de gelegenheid heeft om op dit stuk te reageren. Mr. Aantjes heeft daarop niet gereageerd.

4. Het verzoekschrift tot cassatie bevat één middel dat bestaat uit één onderdeel. In het onderdeel wordt aangevoerd dat ten onrechte, althans onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, het hof tot het oordeel is gekomen dat [verzoekster] haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren is nagekomen. Daarbij wordt met motiveringsklachten opgekomen tegen rov. 4.2, rov. 4.3, rov. 4.4 en rov. 4.5.

5. Bij de beoordeling van deze klachten is voorop te stellen dat de tussentijdse beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling door het hof is gebaseerd op twee gronden, namelijk (i) dat [verzoekster] onvoldoende aantoonbare inspanningen heeft verricht om betaald werk te vinden en (ii) er bovenmatige schulden zijn ontstaan. Uit rov. 4.3 en 4.4 blijkt dat deze gronden ieder voor zich naar het oordeel van het hof meebrengen dat tussentijdse beëindiging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling is aangewezen. Het gaat dan om de gronden als genoemd in art. 350 lid 3 onder c en d Fw, die ook door de rechtbank aan haar beslissing ten grondslag waren gelegd.
Hetgeen is overwogen in rov. 4.2, dat gedurende de gehele loop van de schuldsaneringsregeling de informatieverplichting moeizaam is verlopen, lijkt niet te zijn bedoeld als een zelfstandige grond voor tussentijdse beëindiging. Wel heeft het voor het hof kennelijk enige ondersteunende betekenis.

6. Met betrekking tot rov. 4.3, waarin het hof oordeelt dat [verzoekster] onvoldoende inspanningen heeft verricht om betaald werk te vinden, geldt het volgende. In haar appelschrift heeft [verzoekster] hierover het volgende aangevoerd:


“Zoals ter zitting bij de rechtbank toegelicht, meent appellante dat zij wel degelijk heeft gesolliciteerd. Appellante houdt sinds het laatste verhoor op 20 oktober 2015 bij de rechter-commissaris haar administratie t.b.v. de schuldsaneringsregeling bij in een overzichtelijke map met tabbladen. Deze heeft zij ook meegenomen naar de zitting d.d. 21 maart 2016 om daarmee aan te tonen dat ze wel gesolliciteerd heeft. Uit de sollicitatiebewijzen van appellante blijkt dat zij wel degelijk heeft gesolliciteerd, doch heeft ze niet van alle sollicitaties een kopie van de vacature én een kopie van de sollicitatiebrief bewaard. Wel heeft zij bevestigingen van sollicitaties overgelegd. Appellante bestrijdt derhalve ten zeerste dat zij niet zou hebben gesolliciteerd en daarmee de schuldeisers zou hebben benadeeld. Zij erkent dat zij de sollicitatiebewijzen op een andere manier had dienen aan te leveren en zal dit ook voortaan doen. Appellante wenst in ieder geval te benadrukken dat zij schuldeisers niet heeft benadeeld. Integendeel, zij heeft in 2014 juist 18 maanden lang een reïntegratietraject gevolgd waarbij zij trainingen kreeg op onder andere het gebied van solliciteren. Zij heeft zich derhalve erg ingespannen om aan betaald werk te komen. Zij heeft eerder niet begrepen hoe de sollicitatiebewijzen aangeleverd dienen te worden. (…)”

Bij aanvullend beroepschrift van 26 mei 20161 heeft [verzoekster] nogmaals aangevoerd dat zij in ieder geval sinds 2015 sollicitatiebewijzen heeft opgestuurd naar de bewindvoerder. Bij het aanvullend beroepschrift zijn een aantal sollicitatiebrieven bijgevoegd.

Het hof heeft in het bestreden arrest in het geheel niet gerespondeerd op hetgeen [verzoekster] heeft aangevoerd. Ook is uit rov. 4.3 niet af te leiden op welk punt [verzoekster] volgens het hof nu precies tekort is geschoten bij de sollicitatieplicht. Daarmee voldoet deze overweging niet aan hetgeen ten minste mag worden verwacht van een rechterlijke beslissing – ook in schuldsaneringszaken –, namelijk dat zij tenminste zodanig moet zijn gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang, om de beslissing voor derden controleerbaar en aanvaardbaar te maken.2 Het eerste deel van de motiveringsklacht dient naar mijn mening dan ook te slagen.
In rov. 4.3 overweegt het hof ook dat [verzoekster] bij de toelating tot de schuldsanering een baan voor 32 uur had, maar dat zij deze medio augustus 2014 heeft beëindigd. Niet duidelijk is of het hof dit [verzoekster] tegenwerpt. Volledigheidshalve merk ik op dat uit het verweerschrift van de bewindvoerder in hoger beroep blijkt dat het hier niet om een betaalde baan ging, maar om een reïntegratietraject met behoud van uitkering.3

7. Met betrekking tot beëindigingsgrond (ii), dat [verzoekster] nieuwe bovenmatige schulden heeft laten ontstaan, geldt het volgende. In haar appelschrift heeft [verzoekster] hierover het volgende opgemerkt:


“Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat er nog sprake is van een nieuwe schuld van € 190,-- bij de DSW. Reeds ten tijde van de zitting in eerste aanleg is die schuld al voldaan. Stukken hiervan zijn in het bezit van de bewindvoerder. Enkel het al dan niet nakomen van de sollicitatieverplichting van oktober 2014 tot en met oktober 2015 staat in hoger beroep ter discussie.”

Ook op deze grief heeft het hof in rov. 4.4 in het geheel niet gerespondeerd. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 31 mei 2016 zitting blijkt niet dat over deze schuld ter zitting nog is gesproken. Dit zou erop kunnen wijzen dat [verzoekster] deze schuld inderdaad heeft voldaan. In het verweerschrift in hoger beroep is vermeld dat de bewindvoerder niet bekend is of, en zo ja hoe, deze schuld wordt ingelost dan wel of deze schuld inmiddels van de baan is. Het hof heeft echter (ook) niet overwogen dat [verzoekster] niet heeft aangetoond dat deze schuld is ingelost, maar volstaat met de mededeling dat [verzoekster] een nieuwe schuld heeft laten ontstaan aan haar zorgverzekeraar van € 190,--. Ook op dit punt acht ik de beslissing van het hof niet toereikend gemotiveerd, zodat de motiveringsklachten ook in zoverre slagen.

8. Ten aanzien van de schending van de informatieverplichting door [verzoekster] geldt dat kennelijk vooral sprake is geweest van het niet tijdig aanleveren van stukken door [verzoekster] tot aan de voordracht tot tussentijdse beëindiging van 7 december 2015. Vanaf dat moment lijkt wel te zijn voldaan aan de informatieplicht. In ieder geval blijkt uit het bestreden arrest niet dat ten tijde van de mondelinge behandeling in hoger beroep nog sprake was van ontbrekende stukken. Het hof lijkt daarvan ook niet te zijn uitgegaan. Dit sluit aan bij hetgeen de rechtbank heeft overwogen (vonnis 4 april 2016, onder 3, 2e alinea): “Ten aanzien van de informatieverplichting stelt de rechtbank vast dat de tekortkoming in de nakoming van deze verplichting is hersteld.

9. Daarmee blijft over de boedelachterstand van € 169,20 (ten tijde van de voordracht tot tussentijdse beëindiging). Tijdens de mondelinge behandeling heeft de raadsman van [verzoekster] aangevoerd dat de boedelachterstand met € 10,-- of € 20,-- per maand wordt ingelopen, zo blijkt uit het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep. Ook hierover heeft het hof niets overwogen of vastgesteld, zodat niet duidelijk is of ten tijde van die zitting al was ingelopen op de boedelachterstand. Zelfs als dat niet het geval zou zijn geweest, is in het licht van deze stelling de overweging van het hof in rov. 4.4, dat niet valt in te zien hoe zij maandelijks geld opzij kan leggen om naast de lopende verplichtingen de nieuwe schulden (waarvan dus in cassatie alleen de boedelachterstand vaststaat) in te lopen, onbegrijpelijk. Het is niet in te zien waarom het met € 10,-- per maand inlopen van de boedelachterstand niet haalbaar zou kunnen zijn, in welk geval [verzoekster] binnen de looptijd van de schuldsaneringsregeling – gerekend vanaf mei 2016 – de boedelachterstand met € 150,-- zou kunnen inlopen (de reguliere termijn van de schuldsaneringsregeling zou lopen tot juli 2017). Alsdan zou een boedelachterstand van € 20,-- resteren.

10. Ten slotte had het hof nog te oordelen over een eventuele verlenging van de schuldsaneringsregeling. Uitgangspunt is dat de bevoegdheid van de rechter om de termijn van de schuldsaneringsregeling te verlengen een discretionair karakter heeft.4 De beslissing om niet te verlengen is in cassatie dan ook zeer beperkt toetsbaar. Ook hier geldt echter dat de beslissing om niet te verlengen wel aan de minimumeisen voor een behoorlijke motivering moet voldoen, dat wil zeggen dat zij tenminste zodanig moet zijn gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang, om de beslissing voor derden controleerbaar en aanvaardbaar te maken.
Gronden voor verlenging kunnen zijn de mate van verwijtbaarheid van het ontstaan van de problematische schuldensituatie, of een geringe achterstand in de boedelbijdrage.5 Wel moet vaststaan dat de verwachting gerechtvaardigd is dat de schuldenaar tijdens een geringe verlenging van de duur van de schuldsanering deze kan inlopen.6
In de beslissing van het hof is hierover niets vastgesteld. Met name is het hof niet ingegaan op de mededeling van [verzoekster] in het aanvullend beroepschrift dat zij het maatschappelijk werk heeft ingeschakeld, hetgeen zij met een bewijsstuk heeft onderbouwd.7 Tijdens de mondelinge behandeling heeft zij verklaard dat zij een intake-gesprek met het maatschappelijk werk heeft gehad. Uit rov. 4.5 is niet af te leiden dat het hof deze omstandigheid bij zijn beslissing om niet te verlengen heeft betrokken. Dit klemt temeer nu het hof haar wel tegenwerpt dat zij niet tijdig hulp heeft gevraagd aan derden. Ook op dit punt acht ik de beslissing van het hof onvoldoende gemotiveerd.

Conclusie

11. De conclusie strekt tot vernietiging.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-Generaal

1 Overgelegd in cassatie als prod. 5, met bijlagen.

2 HR 4 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0986, NJ 1993/659 m.nt. D.W.F. Verkade (Vredo/Veenhuis).

3 Verweerschrift is overgelegd als prod. 7, zie onder punt 9.

4 Vgl. de conclusie van de advocaat-generaal Timmerman, onder 3.5, bij HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2935, NJ 2014/470 m.nt. F.M.J. Verstijlen. De Hoge Raad verwijst in rov. 3.4.3 naar deze passage.

5 Kamerstukken II 2004/05, 29 942, nr. 7, p. 84.

6 T.a.p.

7 Overgelegd in cassatie als prod. 5, met bijlagen.