Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1193

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
25-11-2016
Datum publicatie
17-02-2017
Zaaknummer
16/02051
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:270, Gevolgd
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Personen- en familierecht. Partneralimentatie met terugwerkende kracht verlaagd. Terugbetalingsverplichting? HR 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:365. Reiskostenvergoeding die is begrepen in salaris van de man, in aanmerking te nemen bij berekening draagkrachtloos inkomen (of bij vaststelling besteedbaar inkomen)?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

16/02051

mr. R.H. de Bock

Zitting 25 november 2016

Conclusie inzake:

[de vrouw]

verzoekster tot cassatie

tegen

[de man]

verweerder in cassatie

1. Feiten en procesverloop 1

1.1 Partijen zijn op 7 juni 1996 in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.

1.2 Bij beschikking van 19 september 2013 heeft de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, bij wege van voorlopige voorziening bepaald dat de man voor de duur van de echtscheidingsprocedure aan de vrouw een partneralimentatie van € 2.900,- bruto per maand dient te voldoen.

1.3 Bij inleidend verzoekschrift, ingekomen op 15 oktober 2013, heeft de vrouw de rechtbank verzocht om tussen partijen de echtscheiding uit te spreken. Zij heeft verder verzocht te bepalen dat de man aan haar een partneralimentatie dient te betalen van € 2.900,- bruto per maand met ingang van de datum dat de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.2

1.4 In zijn verweerschrift heeft de man de rechtbank bij wege van zelfstandig verzoek eveneens verzocht om tussen partijen de echtscheiding uit te spreken. Hij heeft daarnaast verzocht te bepalen, kort gezegd, dat de periode dat hij aan de vrouw partneralimentatie zou moeten voldoen, wordt gelimiteerd voor de duur van één jaar, althans dat de partneralimentatie na één jaar op nihil zal worden gesteld.3

1.5 Bij beschikking van 25 februari 2014 heeft de rechtbank tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 23 april 2014 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.4

1.6 Na het wijzen van een tussenbeschikking op 22 april 2014, waarbij de beslissing met betrekking tot onder meer de partneralimentatie is aangehouden om de man in de gelegenheid te stellen om bij akte een en ander aan te tonen dan wel te onderbouwen, heeft de rechtbank bij beschikking van 23 september 2014 bepaald dat de man vanaf de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw een partneralimentatie dient te voldoen van € 2.900,- bruto per maand.5 Voor zover in cassatie van belang heeft de rechtbank in de beschikking de behoefte van de vrouw vastgesteld op € 2.650,- netto per maand (gebruteerd € 3.763,- per maand).6 De draagkracht van de man liet naar het oordeel van de rechtbank de door de vrouw verzochte bijdrage toe.7

1.7 Tegen de beschikking van 23 september 2014 heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden. De man heeft verweer gevoerd en heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Voor zover in cassatie van belang keerde de vrouw zich in haar eerste grief tegen de door de rechtbank vastgestelde partneralimentatie. Zij heeft haar verzoek op dat punt vermeerderd in die zin dat zij het hof heeft verzocht om de man te veroordelen om aan haar met ingang van 23 april 2014 (de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand) een partneralimentatie te betalen van € 3.763,- bruto per maand, conform de door de rechtbank vastgestelde (gebruteerde) behoefte.

1.8 In zijn beschikking van 14 januari 2016 heeft het hof overwogen dat de behoefte van de vrouw in 2013 € 1.568,40 netto per maand bedroeg (rov. 5.57). Omdat de man ter zitting was uitgegaan van een behoefte van € 1.600,- netto per maand in 2013, heeft het hof de behoefte van de vrouw op dat bedrag vastgesteld. Het hof heeft verder overwogen dat de behoefte geïndexeerd naar 2014 € 1.614,40 netto per maand bedroeg en geïndexeerd naar 2015 € 1.627,32 netto per maand. Het hof heeft vervolgens de behoeftigheid van de vrouw vastgesteld (rov. 5.58 e.v.) en vervolgens heeft het de draagkracht van de man berekend (rov. 5.63 e.v.).

1.9 Voor zover in cassatie van belang heeft het hof de beschikking van de rechtbank van 23 september 2014 vernietigd voor zover het de partneralimentatie betreft en bepaald dat de man in de periode van 23 april 2014 tot 1 september 2014 aan de vrouw een partneralimentatie van € 2.159,- per maand dient te betalen, in de periode van 1 september 2014 tot 1 januari 2015 een bedrag van € 2.208,- per maand en in de periode vanaf 1 januari 2015 een bedrag van € 1.925,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Het hof heeft verder bepaald dat indien de man in de periode vanaf 23 april 2014 méér ten behoeve van het levensonderhoud van de vrouw heeft betaald dan de door het hof vastgestelde bruto behoefte, de vrouw dit meerdere aan de man dient terug te betalen.

1.10 Bij verzoekschrift, ingekomen op 14 april 2016, heeft de vrouw tijdig beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van 14 januari 2016. De man heeft geen verweerschrift ingediend.


2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel bevat onder 1 een beknopte omschrijving van de zaak, onder 2 een overzicht van de feiten en het procesverloop, onder 3 een inleiding8 en onder 4 een drietal klachten (onderdelen).

Onderdeel I

2.2

Onderdeel I is gericht tegen rov. 5.77. Daarin heeft het hof als volgt overwogen (voor de goede leesbaarheid worden ook de rechtsoverwegingen 5.74 t/m 5.76 geciteerd):

“5.74 Op grond van het vorenstaande resteert voor de vrouw in de periode van 23 april 2014 tot 1 september 2014 een bedrag van € 1.179,- per maand (€ 2.076,- minus € 997,- plus € 100,-), in de periode van 1 september 2014 tot 1 januari 2015 een bedrag van afgerond € 1.060,- (€ 2.074,- minus € 1.063,61 + € 50,-), in de periode van 1 januari 2015 tot 23 april 2015 een bedrag van afgerond € 924,- per maand (€ 2.062,- minus € 1.138,48), in de periode van 23 april 2015 tot 2 november 2015 een bedrag van afgerond € 993,- per maand (€ 2.131,- minus € 1.138,48) en in de periode vanaf 2 november 2015 een bedrag van afgerond € 1.017,- per maand (€ 2.155,- minus € 1.138,48).

5.75

Gelet op (…) het door de man te genieten fiscaal voordeel wegens de mogelijkheid om betaalde partneralimentatie van zijn inkomen af te trekken, kan de man ten behoeve van de vrouw:

- in de periode van 23 april 2014 tot 1 september 2014 een bedrag van € 2.456,- per maand betalen;

- in de periode van 1 september 2014 tot 1 januari 2015 een bedrag van € 2.208,- per maand betalen;

- in de periode van 1 januari 2015 tot 23 april 2015 een bedrag van € 1.925,- per maand betalen;

- in de periode van 23 april 2015 tot 2 november 2015 een bedrag van € 2.068,- per maand betalen; en

- in de periode vanaf 2 november 2015 een bedrag van € 2.118,- per maand betalen.

5.76

Uit het voorgaande volgt dat de man in de periode van 1 september 2014 tot 1 januari 2015 onvoldoende draagkracht heeft om in de behoefte van de vrouw te voorzien. De op te leggen bijdrage wordt in die periode begrensd door de draagkracht van de man. Het hof zal daarom bepalen dat de man in die periode dient bij te dragen met een bedrag van € 2.208,- per maand. In de overige perioden heeft de man voldoende draagkracht om in de behoefte van de vrouw te voorzien.

5.77

Voor zover de man in deze perioden meer heeft betaald dan de vastgestelde behoefte van de vrouw, moet zij het meerdere terugbetalen. De vrouw zal de door haar ontvangen partneralimentatie immers overeenkomstig haar behoefte hebben aangewend voor de kosten van haar levensonderhoud.”

2.3

Onderdeel Ia klaagt dat het bestreden oordeel onjuist is, althans niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd, omdat het hof heeft miskend dat het behoedzaam gebruik had moeten maken van zijn bevoegdheid om de verandering van de alimentatieplicht te laten ingaan op een vóór zijn uitspraak gelegen datum, met name indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde, mede gelet op de daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald. Verwezen wordt naar de in HR 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:365 geformuleerde rechtsregel.9 Het onderdeel stelt dat het hof kenbaar had moeten beoordelen of en, zo ja, in hoeverre, in redelijkheid van de vrouw terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen in overeenstemming met haar behoefte reeds is uitgegeven.

Onderdeel Ib klaagt dat niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd is waarom naar het oordeel van het hof de vrouw het meerdere zal moeten terugbetalen, gezien het feit dat zij de door haar ontvangen partneralimentatie overeenkomstig haar behoefte zal hebben aangewend voor de kosten van haar levensonderhoud.

Onderdeel Ic neemt tot uitgangspunt dat het bestreden oordeel aldus moet worden begrepen dat de uit de verlaging voortvloeiende terugbetalingsplicht van de vrouw in redelijkheid kan worden aanvaard. Het onderdeel klaagt vervolgens dat dat oordeel onvoldoende is gemotiveerd, nu de vrouw heeft aangevoerd dat zij het ontvangen bedrag heeft uitgegeven, dat zij geen baan en dus geen inkomen heeft,10 dat zij dermate weinig middelen heeft dat zij inkopen doet bij de voedselbank en dat zij een noodbetaling heeft moeten verzoeken aan de gemeente.11 Dat het van de man ontvangen bedrag hoger ligt dan de behoefte waarop het hof voor de vrouw in hoger beroep uitkomt, maakt dit niet anders, zo stelt het onderdeel.

2.4

Bij de beoordeling van de klachten is het volgende voorop te stellen. Het eerste lid van art. 1:402 BW bepaalt dat de rechter, die het bedrag van een uitkering tot levensonderhoud bepaalt, wijzigt of intrekt, tevens de dag vaststelt, van welke dit bedrag verschuldigd is of ophoudt verschuldigd te zijn. In het geval van een wijziging van omstandigheden heeft de rechter de vrijheid die datum te stellen op een dag die vóór de dag van zijn uitspraak ligt, nu de omvang van de onderhoudsverplichting wordt bepaald door (het moment van) de wijziging van omstandigheden.12 Vaste rechtspraak van de Hoge Raad is evenwel dat de rechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud, in het algemeen behoedzaam gebruik zal moeten maken van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een vóór zijn uitspraak gelegen datum, met name indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald.13 Aanvankelijk leek het erop dat de Hoge Raad een andere maatstaf hanteerde in gevallen waarin het een terugbetalingsverplichting betrof in gevallen waarin de alimentatie voor de eerste keer werd vastgesteld.14

2.5

Inmiddels is verduidelijkt dat de maatstaf hetzelfde is als de hiervoor weergegeven maatstaf.15

In zijn recente uitspraak van 4 maart 2016, LJN ECLI:NL:HR:2016:365 heeft de Hoge Raad de vaste jurisprudentie met betrekking tot de door de rechter te bepalen ingangsdatum van een (gewijzigde) onderhoudsverplichting nog een keer samengevat. De Hoge Raad overwoog dat de volgende regels gelden:

“3.4 (…)

(i) De rechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud, zal in het algemeen behoedzaam gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een vóór zijn uitspraak gelegen datum, met name indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald.

(ii) Deze behoedzaamheid geldt ook voor de rechter in hoger beroep die met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum een zodanige wijziging brengt in de door de rechter in eerste aanleg vastgestelde of gewijzigde bijdrage dat zij kan leiden tot de hiervoor bedoelde ingrijpende gevolgen.

(iii) Deze behoedzaamheid brengt mee dat de rechter naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd, zal moeten beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen in overeenstemming met diens behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven, en dat de rechter, indien dit naar zijn oordeel het geval is, van zijn beoordeling rekenschap zal moeten geven in de motivering.

In deze regels (i)-(iii) ligt besloten dat de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, steeds aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken, zal moeten beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. Hij is derhalve bij die beoordeling niet afhankelijk van een door de onderhoudsgerechtigde gevoerd, op die terugbetaling betrekking hebbend verweer.”

2.6

Wortmann merkt op dat er geen reden voor behoedzaamheid bestaat bij de bepaling van de ingangsdatum van een verlaging of nihilstelling van de alimentatie op een datum in het verleden als blijkt dat er over die periode in het verleden niet is betaald en er daarom geen ingrijpende gevolgen voor de alimentatiegerechtigde in de vorm van terugbetaling ontstaan.16 Dit is begrijpelijk. Verder wijst Wortmann erop dat diezelfde behoedzaamheid niet vereist leek als de behoefte over een periode in het verleden verminderd was dan wel ontbrak (bij gelijkblijvende of vermeerderde draagkracht). Dan is immers meer ontvangen dan er behoefte was.17 Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 6 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:520, NJ 2015/132 volgt echter, zo vervolgt Wortmann, dat ook in deze gevallen een afweging plaatsvindt teneinde vast te stellen in hoeverre het redelijk is dat van de alimentatiegerechtigde wordt gevergd dat deze het teveel ontvangene terugbetaalt. Daarbij is van belang in hoeverre de alimentatie is verbruikt, dat er geen (dan wel minder) behoefte was en voorts het belang van de alimentatieplichtige bij terugbetaling. Deze benadering lijkt mij de juiste. Ook wanneer een andere rechter (doorgaans de appelrechter) in een later stadium de behoefte van de alimentatiegerechtigde op een lager bedrag vaststelt dan eerder het geval was, neemt dat niet weg dat de eerder toegewezen gelden veelal zullen zijn uitgegeven.
Wortmann wijst er tot slot op dat een behoedzame bepaling van een ingangsdatum op een tijdstip in het verleden bij gelijke of toegenomen behoefte, maar verminderde draagkracht, geen automatisme is. Steeds zal nagegaan moeten worden of een terugbetalingsverplichting over een periode in het verleden werkelijk ingrijpende gevolgen heeft voor de alimentatiegerechtigde.

2.7

In de bestreden rechtsoverweging heeft het hof niet kenbaar de hiervoor in 2.6 weergegeven regels toegepast.18 Het hof heeft ook niet kenbaar onderzocht of ten laste van de vrouw in redelijkheid een terugbetalingsverplichting kan worden aanvaard. Voor zover het oordeel van het hof aldus moet worden verstaan dat de uit de verlaging voortvloeiende terugbetalingsplicht van de vrouw in redelijkheid kan worden aanvaard, is dat oordeel onvoldoende gemotiveerd, gelet op de door de vrouw aangevoerde financiële omstandigheden, die het hof niet kenbaar in zijn beslissing heeft meegenomen. In dat verband is op te merken dat de rechter bij de beoordeling of van de vrouw een verplichting tot terugbetaling in redelijkheid kan worden aanvaard, niet afhankelijk was van een door haar gevoerd, op die terugbetaling betrekking hebbend verweer (zie het onder 2.5 aangehaalde arrest van 4 maart 2016). De motivering van het hof dat de vrouw de door haar ontvangen partneralimentatie “overeenkomstig haar behoefte” zal hebben aangewend voor de kosten van haar levensonderhoud, is in het licht van het hiervoor in 2.6 is opgemerkt, niet afdoende. Weliswaar is juist dat het hof de behoefte van de vrouw op een (aanmerkelijk) lager bedrag heeft vastgesteld dan de rechtbank dat heeft gedaan.19 Dit neemt echter niet weg dat er vanuit kan worden gegaan dat de vrouw de naar aanleiding van de beschikking van de rechtbank ontvangen partneralimentatie in ieder geval20 overeenkomstig de door de rechtbank vastgestelde behoefte zal hebben aangewend voor de kosten van haar levensonderhoud. Daar gaat het om.

De (sub)onderdelen slagen derhalve alle.

Onderdeel II

2.8

Onderdeel II is gericht tegen rov. 5.16.21 Daarin heeft het hof als volgt overwogen met betrekking tot het inkomen van de man:

“Uit de jaaropgaven blijkt dat de man in 2013 een bedrag van € 14.400,- en in 2014 een bedrag van € 11.325,- heeft ontvangen als onbelaste vergoeding. De vrouw stelt zich op het standpunt dat het brutojaarloon dient te worden verhoogd met het bedrag van deze onbelaste vergoedingen. Daarvoor ziet het hof echter geen aanleiding. Op basis van de geldende fiscale regelgeving kan een onkostenvergoeding door de werkgever belastingvrij worden verstrekt voor zover deze geacht wordt te strekken ter bestrijding van kosten die de werknemer in verband met zijn dienstbetrekking moet maken. Nu de werkgever van de man de onkostenvergoeding onbelast aan de man heeft verstrekt, moet er naar het oordeel van het hof vanuit worden gegaan dat hier reële kosten tegenover staan.”

2.9

Het onderdeel valt uiteen in twee klachten.

Onderdeel IIa neemt tot uitgangspunt dat het hof heeft geoordeeld dat moet worden uitgegaan van reële kosten tegenover de onbelaste onkostenvergoeding, nu de werkgever een onbelaste onkostenvergoeding heeft verstrekt. Het onderdeel klaagt dat dit oordeel onjuist is, nu met de enkele verschaffing van een onbelaste onkostenvergoeding door de werkgever nog niet is gegeven dat de werknemer ook (tot het desbetreffende bedrag) reële kosten heeft gemaakt en nu niet alle uitgaven van de werknemer onbelast mogen worden vergoed. Het onderdeel stelt dat het “ter zake relevante uitgaven betreffen” en dat kosten voor eten en drinken niet als zodanig kwalificeren.22

Althans is volgens onderdeel IIb zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet genoegzaam gemotiveerd waarom met de uitbetaling van een onbelaste onkostenvergoeding, ofschoon partijen hierover twisten, reeds is gegeven dat hiertegenover (relevante) reële uitgaven staan van de werknemer (de man). Volgens de klacht behoefde dit nadere motivering, mede nu het een aanzienlijk bedrag betreft.

2.10

Het Rapport Expertgroep Alimentatienormen (Trema-normen) bepaalt met betrekking tot onkostenvergoedingen het volgende:23

“Onkostenvergoedingen worden niet bij het inkomen opgeteld, tenzij deze als bovenmatig aangemerkt moeten worden. Van geval tot geval zal moeten worden beoordeeld of de onkostenvergoeding (gedeeltelijk) als verkapt inkomen is aan te merken. Daarbij zal rekening gehouden moeten worden met het feit dat meestal niet precies is aan te geven waaruit de maandelijkse beroepskosten bestaan. In geval van een vergoeding voor noodzakelijke beroepskosten worden extra kosten alleen in aanmerking genomen voor zover de vergoeding aantoonbaar ontoereikend is.”

Overigens vormt ingevolge vaste rechtspraak het Rapport Alimentatienormen geen recht in de zin van art. 79 RO.24

2.11

Tussen partijen was als zodanig niet in geschil dat de werkgever van de man in het jaar 2013 een bedrag van € 14.400,- en in 2014 een bedrag van € 11.325,- aan de man heeft betaald ter zake van door de man gemaakte onkosten wegens verblijf in het buitenland.
Voor wat betreft de rechtsklacht die is aangevoerd bij IIa geldt dat deze uitgaat van een onjuiste lezing van het arrest. Het hof is er niet vanuit gegaan dat met de enkele verschaffing van een onbelaste onkostenvergoeding door de werkgever de werknemer tot dat bedrag reële kosten heeft gemaakt. Kennelijk heeft het hof geoordeeld dat nu gesteld noch gebleken is dat de fiscus de destijds betaalde onkostenvergoeding niet heeft geaccepteerd en in het licht van het door de man als bijlage 38 bij de akte van uitlatingen van 13 mei 2014 verstrekte kostenoverzicht, er in het onderhavige geval vanuit kan worden gegaan dat tegenover de verstrekte onkostenvergoeding reële kosten van de man stonden.In dit verband is tevens nog te wijzen op de opmerking van [betrokkene 1] (de cost manager van de werkgever van de man) in zijn e-mail van 22 april 2014 (overgelegd als bijlage 37 bij de akte van uitlatingen van 13 mei 2014), dat de onkostenvergoeding op basis van een vast bedrag per overnachting € 75,- is, waarbij de werknemer “zelf moet instaan voor het organiseren van overnachting en eten.”
Dit oordeel is ook niet onbegrijpelijk. Indien de in genoemde bijlage 38 vermelde bedragen worden omgerekend naar de maanden waarin de man in Frankrijk heeft gewerkt, dan komt men bij benadering aan de door de werkgever van de man aan hem betaalde bedragen. Er is geen aanleiding om het door de man in het overzicht genoemde bedrag aan kosten voor eten en drinken (€ 110,- per week), zeker in geval van een verblijf in het buitenland, bovenmatig te achten. De vrouw heeft dit in feitelijke instanties ook niet aangevoerd. Dat het hof geen aanleiding heeft gezien om de door de werkgever aan de man in totaal betaalde bijdragen te verminderen met een bepaald bedrag aan in de bijstandsnorm begrepen kosten voor eten en drinken is dan ook niet onbegrijpelijk.

Beide klachten falen.

Onderdeel III

2.12

Het onderdeel keert zich tegen de rechtsoverwegingen 5.19 en 5.20.25 Daarin heeft het hof als volgt overwogen:

“5.19. De man heeft zich op het standpunt gesteld dat rekening dient te worden gehouden met de reiskosten die hij maakt. In alinea 18 van zijn verweerschrift, tevens incidenteel hoge beroepschrift, stelt de man dat de reiskosten in totaal € 602,- netto per maand bedragen.

5.20

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat de man aanzienlijke afstanden aflegt voor zijn woon-werkverkeer, nu hij werkzaam is geweest in Frankrijk en thans werkzaam is in België. Uit de overgelegde jaaropgave 2014 blijkt dat hij geen vergoeding ontvangt voor gemaakte reiskosten woon-werkverkeer. Het hof acht het daarom redelijk om rekening te houden met de door de man opgevoerde reiskosten van € 602,- netto per maand, nu de hoogte daarvan op zichzelf niet is betwist door de vrouw. Het hof zal het draagkrachtloos inkomen in de formule daarom verhogen met dit bedrag.”

2.13

In onderdeel IIIa wordt voorop gesteld dat in de feitelijke instanties is gebleken dat de man een netto reiskostenvergoeding ontvangt van EUR 190,- per week26 en dat de vrouw heeft aangevoerd dat zulks blijkt uit een e-mailwisseling met de werkgever van de man. 27 Voorts vermeldt het onderdeel dat de vrouw onder verwijzing naar het arbeidscontract van de man heeft aangevoerd dat de reiskosten onder het ‘inkomensbegrip’ vallen en dat het salaris van de man derhalve geacht wordt hiervoor een vergoeding in te houden.28 Geklaagd wordt dat het bestreden oordeel in het licht van deze stellingen onjuist is, althans onvoldoende is gemotiveerd. Het onderdeel stelt dat met de stelling van de vrouw dat de man met zijn loon een vergoeding geniet voor zijn reiskosten niet onverenigbaar is de afwezigheid in de jaaropgave van een vergoeding voor gemaakte reiskosten woon-werkverkeer. Het onderdeel voert in dat verband aan dat het salaris wordt geacht die kosten te compenseren en dat het salaris reeds de reiskosten omvat.

2.14

In zijn verweerschrift tevens incidenteel appel heeft de man onder 18 het volgende gesteld:

“De reiskostenvergoeding die wordt ontvangen en welke is verdisconteerd in het loon bedraagt € 190,- per week. (…). Rekenende hiermee zou op het jaarinkomen van de man in mindering moeten worden genomen een totaal bedrag van € 7.220,-- netto aan reiskosten per jaar. Per maand zou dit betekenen € 602,-- netto.”

Met deze stelling wilde de man dus bewerkstelligen dat op zijn netto salaris de door hem van zijn werkgever ontvangen reiskostenvergoeding in mindering zou worden gebracht, omdat de vergoeding niet tot het salaris moet worden gerekend en derhalve niet bij de bepaling van zijn draagkracht moet worden meegenomen.

2.15

Het oordeel van het hof dat het rekening zal houden met de door de man opgevoerde reiskosten van € 602,- netto per maand wordt als zodanig in cassatie niet bestreden. Het vervolgoordeel dat het draagkrachtloos inkomen in de formule daarom zal worden verhoogd met dit bedrag, is met dit oordeel niet te rijmen. Nu de netto reiskostenvergoeding die de man van zijn werkgever ontving volgens de stellingen van partijen reeds in het salaris was begrepen, had die vergoeding daar bij het vaststellen van het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man uit moeten worden gehaald. Het gaat immers om een onkostenvergoeding die op het vaststellen van het NBI als zodanig geen invloed behoort te hebben. De door het hof in rov. 5.22 gemaakte berekening is dan ook niet juist. Het hof had het NBI van de man naar beneden moeten bijstellen en het had niet het draagkrachtloos inkomen van de man moeten verhogen met een netto bedrag van € 602,- per maand.
Het hof heeft aan de stelling van partijen, in het bijzonder die van de man zelf, derhalve een onjuiste, althans onbegrijpelijke uitleg gegeven, zodat het onderdeel slaagt.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 In cassatie is nog maar één aspect aan de orde van hetgeen partijen in de feitelijke instanties verdeeld heeft gehouden, te weten de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (partneralimentatie). Voor de overzichtelijkheid geef ik daarom alleen die feiten weer die in cassatie van belang zijn. Hetzelfde geldt voor de weergave van het procesverloop. Zie voor een volledig overzicht van de feiten en het procesverloop rov. 3.1 tot en met 3.11 van de bestreden beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, van 14 januari 2016.

2 De vrouw heeft daarnaast nevenverzoeken ingediend met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van de minderjarige kinderen van partijen, de kinderalimentatie en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Deze verzoeken zijn thans in cassatie niet langer van belang.

3 De man heeft daarnaast nevenverzoeken ingediend met betrekking tot de zorgregeling en de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap. Deze verzoeken zijn thans in cassatie niet langer van belang.

4 Zie rov. 3.6 van de bestreden beschikking.

5 De rechtbank heeft verder eindbeslissingen gegeven met betrekking tot het hoofdverblijf van de zoon, de kinderalimentatie en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. De rechtbank heeft de beslissing met betrekking tot het ouderschapsplan, de hoofdverblijfplaats van de dochter en de contactregeling aangehouden en de Raad voor de Kinderbescherming verzocht daarnaar onderzoek in te stellen.

6 Zie blz. 5 (onderaan) van de beschikking van 23 september 2015.

7 Zie blz. 6 (bovenaan) van de beschikking van 23 september 2015.

8 In punt 3.3 en 3.4 van de inleiding worden tegen de bestreden beschikking klachten gericht.

9 Zie daarover ook punt 3.4 van de inleiding in het verzoekschrift.

10 De klacht verwijst naar punt 12 van het inleidend verzoekschrift, de laatste alinea van de antwoordakte van de vrouw van 27 mei 2014 en de tweede alinea onder het kopje “behoefte vrouw” in het verweerschrift in incidenteel appel en blz. 3 (in de op één na laatste alinea) van de antwoordakte van 1 december 2015.

11 De klacht verwijst naar punt 13 van het verweerschrift inzake het zelfstandig verzoek tot echtscheiding.

12 Asser/De Boer 1* 2010/1049.

13 Zie o.m. HR 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3347, NJ 2003/47 m.nt. S.F.M. Wortmann, HR 16 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO3172, NJ 2004/639, HR 21 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB4757, NJ 2008/27, HR 25 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB9246, NJ 2008/65, HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2288, NJ 2009/304, HR 4 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5310, NJ 2011/514, HR 25 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:1001, NJ 2014/225, HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:232, NJ 2015/92 en HR 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:365, RvdW 2016/368.

14 Zie o.m. HR 10 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9077, NJ 2005/225 m.nt. S.F.M. Wortmann en HR 17 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP0434, NJ 2005/226.

15 Zie m.n. HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2288, NJ 2009/304 en HR 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:365, RvdW 2016/368.

16 Groene Serie Personen- en Familierecht, art. 1:402 BW, aant. 2. Zij verwijst in dat verband naar HR 2 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8095, NJ 2012/242 met annotatie door haar zelf en naar HR 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2305.

17 Wortmann verwijst in dat verband naar HR 17 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0356, NJ 2013/377 met annotatie door haar zelf. In die zaak oordeelde het hof dat de vrouw niet behoeftig was en dat de reeds betaalde alimentatie als onverschuldigd moest worden terugbetaald. De Hoge Raad heeft de tegen dit oordeel gerichte klacht afgedaan met 81 lid 1 RO. In die zaak was evenwel bijzonder dat terugbetaling gelet op de financiële situatie van de vrouw geen problemen opleverde.

18 In de bestreden beschikking heeft het hof ten aanzien van de verlaging van de bijdrage van de man in de kosten van de kinderen wél blijk gegeven van de juiste maatstaf, zie rov. 5.5.

19 Het hof heeft de behoefte van de vrouw vastgesteld op € 1.600,- netto per maand in 2013, op € 1.614,40 netto per maand in 2014 en op € 1.627,32 netto per maand in 2015. De rechtbank had de behoefte van de vrouw in haar beschikking van 23 september 2014 vastgesteld op een bedrag van € 2.650,- netto per maand (gebruteerd € 3.763,- per maand).

20 De vrouw had de rechtbank verzocht om een partneralimentatie van € 2.900,- bruto per maand vast te stellen. De draagkracht van de man liet deze bijdrage toe. Het toegewezen bedrag was evenwel lager dan de door de rechtbank vastgestelde behoefte van de vrouw.

21 Klaarblijkelijk tevens in combinatie met rov. 5.63. Het hof heeft in de rechtsoverwegingen 5.14 e.v. het inkomen van de man vastgesteld in het kader van de berekening van zijn draagkracht voor het betalen van kinderalimentatie. Het hof heeft in rov. 5.63 het inkomen van de man vastgesteld in het kader van het berekening van zijn draagkracht voor het betalen van partneralimentatie. In rov. 5.63 neemt het hof het in rov. 5.18 vastgestelde bruto jaarinkomen van € 118.363,- over.

22 Het onderdeel verwijst voor een stelling die op dit punt is ingekomen naar de antwoordakte van 27 mei 2014 onder 4.

23 De versies van januari 2015 (blz. 23) en januari 2016 (blz. 22) zijn op dit punt gelijkluidend.

24 Zie onder meer HR 1 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0400, NJ 1992/30 en HR 23 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2559, NJ 1998/365.

25 Klaarblijkelijk tevens in combinatie met rov. 5.64. Het hof heeft in de rechtsoverwegingen 5.19 en 5.2 de reiskosten van de man vastgesteld in het kader van de berekening van zijn draagkracht voor het betalen van kinderalimentatie. Het hof heeft in rov. 5.64 de reiskosten van de man vastgesteld in het kader van het berekening van zijn draagkracht voor het betalen van partneralimentatie. Het hof gaat ook daar uit van de door de man opgevoerde reiskosten van € 602,- netto per maand.

26 Het onderdeel verwijst naar de akte van uitlatingen van de man van 13 mei 2014 onder 10, de brief van de advocaat van de man aan de rechtbank van 26 maart 2014, blz. 2, en het verweerschrift tevens incidenteel appèl onder 15.

27 Het onderdeel verwijst naar het verweerschrift tevens zelfstandig tegenverzoek van de vrouw, onder 9, 10 en 12, en prod. 17 bij dit processtuk, waarin de e-mail van en aan [betrokkene 1] is weergegeven.

28 Het onderdeel verwijst naar de antwoordakte van 27 mei 2014 onder 4.