Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1191

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-09-2016
Datum publicatie
02-12-2016
Zaaknummer
15/02718
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2760, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Griffierecht in hoger beroep, na anticipatie door geïntimeerde, door appellant te laat betaald; ontslag van instantie. Art. 127a Rv. Uitsluiting van rechtsmiddelen. Doorbrekingsgronden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 15/02718

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 2 september 2016

Conclusie inzake:

1. de naamloze vennootschap Avéro Schadeverzekeringen N.V.1 (h.o.d.n. Avéro Achmea)

2. de naamloze vennootschap ASR Schadeverzekering N.V.

3. de naamloze vennootschap Delta Lloyd Schadeverzekering N.V.

4. de naamloze vennootschap Europeesche Verzekering Maatschappij N.V.

5. de naamloze vennootschap Reaal Schadeverzekeringen N.V.

tegen

1. [verweerder 1]

2. [verweerder 2]

Het gaat in deze zaak in de eerste plaats om beantwoording van de vraag of eiseressen tot cassatie ontvankelijk zijn in hun cassatieberoep. Ten overvloede ga ik in op de vraag of in een geval waarin (i) geïntimeerden een anticipatie-exploot hebben uitgebracht tegen een eerdere roldatum dan appellanten in hun appeldagvaarding hadden aangezegd, (ii) appellanten op deze eerdere roldatum niet in het geding zijn verschenen zodat (iii) het hof verstek tegen appellanten heeft verleend, de termijn voor betaling van het griffierecht als bedoeld in art. 3 lid 3 van de Wet griffierecht burgerlijke zaken eerst gaat lopen vanaf het tijdstip waarop appellanten (alsnog) in het geding in hoger beroep zijn verschenen2.

1. Procesverloop 3

1.1 Bij inleidende dagvaarding van 4 februari 2014 hebben eiseressen tot cassatie (hierna: Avéro c.s.) verweerders in cassatie (hierna: [verweerder] c.s.) gedagvaard voor de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem en hebben zij hoofdelijke veroordeling van hen gevorderd tot betaling van een totaalbedrag van € 525.626,34, vermeerderd met rente, op de grond dat Avéro c.s. ten onrechte op basis van een woonhuisverzekering verzekeringspenningen en gemaakte kosten aan [verweerder] c.s. hebben uitgekeerd.

1.2 De rechtbank heeft de vordering bij vonnis van 30 juli 2014 afgewezen.

1.3 Avéro c.s. zijn bij exploot van 10 oktober 2014, vertegenwoordigd door mr. I.M.C.A. Reinders Folmer (hierna mr. Reinders Folmer), van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden met dagvaarding van [verweerder] c.s. voor het hof tegen de roldatum 2 december 2014.

1.4 Bij anticipatie-exploot van 31 oktober 2014 hebben [verweerder] c.s. Avéro c.s. aangezegd dat de zaak bij vervroeging zal worden aangebracht op 11 november 2014, dat zij niet in persoon, maar vertegenwoordigd door een advocaat dienen te verschijnen en dat, indien zich op genoemde datum geen advocaat stelt voor Avéro c.s., gevorderd zal worden dat [verweerder] c.s. van de instantie worden ontslagen met veroordeling van Avéro c.s. in de kosten van het geding. Het anticipatie-exploot is betekend aan het kantooradres van mr. Reinders Folmer, waarbij een afschrift is gelaten aan mr. Reinders Folmer in persoon.

1.5 Op de rol van 11 november 2014 hebben [verweerder] c.s. de zaak aangebracht. Avéro c.s. zijn niet verschenen4. Tegen hen is verstek verleend. De zaak is overeenkomstig art. 123 lid 1 in verbinding met art. 353 lid 1 Rv verwezen naar de roldatum 25 november 2014 voor “Procesvertegenwoordiger stellen appellant + afwachten betaling griffierecht appellanten, uiterste betaaldatum 9-12-2014”.

1.6 Op de roldatum 25 november 2014 heeft zich geen procesvertegenwoordiger voor Avéro c.s. gesteld. [verweerder] c.s. hebben geen instructie gegeven. De zaak is twee weken aangehouden voor “Beraad geïntimeerde (vorderen ontslag van instantie als aangekondigd in het exploot van anticipatie?)”.

1.7 Op de roldatum 9 december 2014 heeft mr. Reinders Folmer zich gesteld voor Avéro c.s. en hebben [verweerder] c.s. verzocht Avéro c.s. peremptoir te stellen voor het nemen van de memorie van grieven op de rol van 16 december 2014, met aanzegging akte niet dienen.

1.8 Op de roldatum 9 december 2014 is daarnaast geconstateerd dat de betaling van het griffierecht door Avéro c.s. nog niet had plaatsgevonden. Omdat de betaling op die dag nog tot 24.00 uur kon plaatsvinden, is de zaak aangehouden en verwezen naar de roldatum 16 december 2014 om op die datum na te gaan of toch tijdige betaling door Avéro c.s. had plaatsgevonden.

1.9 Op de roldatum 16 december 2014 is gebleken dat het griffierecht niet tijdig is voldaan en heeft het hof de zaak verwezen naar de roldatum 30 december 2014 voor ‘Akte appellant uitlating artikel 127a, tweede lid Rv’, almede voor ‘Akte geïntimeerde uitlating over het voornemen incidenteel hoger beroep in te stellen’.

1.10 Avéro c.s. hebben op de roldatum 30 december 2014 een akte uitlating art. 127a tweede lid, Rv genomen. [verweerder] c.s. hebben op die datum het hof bij akte medegedeeld dat zij niet voornemens zijn incidenteel appel in te stellen.

In de zaak is vervolgens arrest bepaald op het griffiedossier.

1.11 Bij arrest van 10 maart 2015 heeft het hof aan [verweerder] c.s. ontslag van instantie verleend en Avéro c.s. veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

1.12 Avéro c.s. hebben tegen dit arrest en de rolbeslissingen van 11 en 25 november en 9 en 16 december 2014 tijdig5 cassatieberoep ingesteld.

[verweerder] c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping.

Partijen hebben vervolgens schriftelijke toelichting gegeven, waarna is gere- en dupliceerd.

2 Partijaanduiding

2.1

Eiseres tot cassatie onder 1 heeft Uw Raad in noot 1 van haar cassatiedagvaarding verzocht een kennelijke verschrijving in de partijaanduiding te herstellen en haar aanduiding te wijzigen in “Achmea Schadeverzekeringen N.V. (h.o.d.n. Avéro Achmea)”. Zij heeft daartoe gesteld dat zij in de procedure in feitelijke instanties door beide partijen en het hof is aangeduid als “Avero Schadeverzekeringen N.V. (h.o.d.n. Avéro Achmea)", dat hiermee (onmiskenbaar) is bedoeld "Achmea Schadeverzekeringen N.V. (h.o.d.n. Avéro Achmea)" omdat een vennootschap met de naam Avéro Schadeverzekeringen N.V. niet bestaat en Avéro Achmea een handelsnaam is van Achmea Schadeverzekeringen N.V.6

2.2

Nu wordt gesteld dat de aanduiding van eiseres tot cassatie onder 1 op een vergissing berust, en [verweerder] c.s. niet hebben gesteld dat zij door een wijziging van de aanduiding in hun belangen worden geschaad, is het verzoek m.i. toewijsbaar.

3 Ontvankelijkheid

3.1

Uit het hiervoor weergegeven procesverloop (1.9) blijkt dat het hof na de constatering dat Avéro c.s. het griffierecht niet tijdig hebben betaald, hen in de gelegenheid heeft gesteld een beroep te doen op de hardheidsclausule van het derde lid van art. 127a Rv.

3.2

Ingevolge het vierde lid van art. 127a Rv staat tegen beslissingen ingevolge het tweede en derde lid van die bepaling geen hogere voorziening open. Een tegen een dergelijke beslissing gericht cassatieberoep is desondanks ontvankelijk indien wordt aangevoerd dat de rechter buiten het toepassingsgebied van het tweede of derde lid art. 127a Rv is getreden, dat tweede of derde lid ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, dan wel bij de behandeling van de zaak een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken7.

3.3

Avéro c.s. hebben in hun cassatiedagvaarding niet aangevoerd dat sprake is van een grond voor doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van art. 127 lid 4 Rv. Zij hebben zich eerst in hun schriftelijke toelichting op het standpunt gesteld dat zij ondanks het rechtsmiddelenverbod in cassatie ontvankelijk behoren te zijn8. Nog daargelaten of hetgeen in de schriftelijke toelichting is aangevoerd, tot doorbreking zou kunnen leiden, is een dergelijk beroep te laat gedaan.

Avéro c.s. dienen derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun cassatieberoep.

Ten overvloede bespreek ik - in het belang van de rechtsontwikkeling - onderdeel 1a van het cassatiemiddel.

4 Bespreking van onderdeel 1a van het cassatiemiddel

4.1

Onderdeel 1a komt op tegen het oordeel van het hof (in de rechtsoverwegingen 2.6, 2.7, 3.1 en 3.3 alsmede in zijn daaraan voorafgaande rolbeslissingen) dat de termijn voor betaling van het griffierecht door Avéro c.s. aanving op de roldatum waartegen [verweerder] c.s. na anticipatie de zaak hebben aangebracht (11 november 2014) en derhalve vier weken na deze roldatum (dus op 9 december 2014) verstreek.

4.2

Volgens het onderdeel miskent het hof daarmee dat in een geval als het onderhavige, waarin (i) geïntimeerden een anticipatie-exploot hebben uitgebracht tegen een eerdere roldatum dan appellanten in hun appeldagvaarding hadden aangezegd, (ii) appellanten op deze eerdere roldatum niet in het geding in hoger beroep zijn verschenen door advocaat te stellen zodat (iii) het hof verstek tegen appellanten heeft verleend, de termijn voor betaling van het griffierecht als bedoeld in art. 3 lid 3 van de Wet griffierecht burgerlijke zaken (Wgbz) eerst gaat lopen vanaf het tijdstip waarop appellanten (alsnog) in het geding in hoger beroep zijn verschenen.

Dit ligt, aldus Avéro c.s., alleen hierom al voor de hand omdat een andere uitleg van art. 3 lid 3 Wgbz zou meebrengen dat de appellant die niet op het anticipatie-exploot verschijnt het griffierecht verschuldigd wordt (en ook verschuldigd blijft), indien hij in de appelprocedure besluit verstek te laten gaan en het op een ontslag van instantie zou laten aankomen. Ingeval van anticipatie heeft de appellant – die veelal juist bewust op een langere termijn zal hebben gedagvaard om zich nog te kunnen beraden over het al dan niet doorzetten van het appel – immers niet meer de keuze om de appeldagvaarding niet aan te brengen, en zo de appelprocedure en de betaling van het griffierecht te voorkomen.

Daarnaast dient, aldus de toelichting op het onderdeel, art. 3 lid 3 Wgbz ook te worden uitgelegd zoals het onderdeel bepleit omdat de regeling direct raakt aan het recht op toegang tot de rechter van art. 6 EVRM. Dit brengt mee dat de in beginsel fatale termijn niet behoort te kunnen verstrijken wanneer de betrokken partij niet redelijkerwijs de mogelijkheid heeft gehad om de termijn te sauveren9.

4.3

Art. 3 Wgbz bepaalt thans10, voor zover van belang, het volgende:

“1 In zaken die bij dagvaarding worden ingeleid, wordt op de eerste roldatum, dan wel in zaken als bedoeld in artikel 254 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op de eerste terechtzitting, van elke eiser en elke verschenen gedaagde voor iedere instantie een griffierecht geheven, voor zover bij of krachtens deze wet of een andere wet niet anders is bepaald.

(…)

3 De eiser is het griffierecht verschuldigd vanaf de eerste uitroeping van de zaak ter terechtzitting of bij gebreke daarvan vanaf de eerste roldatum en zorgt dat het griffierecht binnen vier weken nadien is bijgeschreven op de rekening van het gerecht waar de zaak dient dan wel ter griffie is gestort. De gedaagde is het griffierecht verschuldigd vanaf zijn verschijning in het geding en zorgt dat het griffierecht binnen vier weken nadien is bijgeschreven op de rekening van het gerecht waar de zaak dient dan wel ter griffie is gestort.

4.4

Het onderdeel gaat blijkens de nota van repliek (onder 3) uit van de vooropstelling dat de regeling in de Wgbz op het uitgangspunt berust dat het griffierecht pas verschuldigd wordt vanaf het moment van verschijnen van de betrokken partij in de procedure.

Ik meen dat deze vooropstelling, voor zover het de eiser betreft, onjuist is, nu de wet wat betreft het heffingsmoment onderscheid maakt tussen de eiser en de gedaagde. In lid 1 van art. 3 Wgbz wordt gesproken over “elke eiser” en “elke verschenen gedaagde” (curs. W-vG) en dit onderscheid is vervolgens uitgewerkt in het derde lid dat bepaalt vanaf wanneer eiser en gedaagde het griffierecht verschuldigd zijn.

4.5

Daarop wordt ook gewezen in de parlementaire geschiedenis van art. 3 Wgbz. In de memorie van toelichting is met betrekking tot dagvaardingszaken onder meer opgenomen dat in het derde en vierde lid van art. 3 van het wetsvoorstel is bepaald op welk moment het griffierecht verschuldigd wordt en binnen welke termijn het griffierecht moet zijn voldaan. De eiser is het griffierecht verschuldigd vanaf de eerste uitroeping van de zaak en, omdat van de gedaagde alleen griffierecht wordt geheven als hij in het geding verschijnt, is deze het griffierecht verschuldigd vanaf dat moment11. In de nota naar aanleiding van het verslag is ter onderscheiding van het heffingsmoment in verzoekschriftprocedures nog opgemerkt dat in het voorgestelde artikel 3, eerste lid in zaken die bij dagvaarding worden ingeleid, het moment waarop het griffierecht is verschuldigd en dus ook moet worden voldaan, samenvalt met het moment waarop het wordt geheven12.

4.6

De Wgbz is op 1 november 2010 ingevoerd ter vervanging van de regeling van inzake de heffing en de inning van griffierechten in burgerlijke zaken (het griffierechtenstelsel) zoals opgenomen in de Wet tarieven in burgerlijke zaken (Wtbz) met als doel om het griffierechtenstelsel voor civiele zaken te vereenvoudigen13. Naar die wet wordt in de toelichtende stukken op een aantal plaatsen verwezen. Zo wordt in de tweede nota van wijziging opgemerkt dat in art. 3, eerste lid, van het wetsvoorstel het voorschrift van art. 2 lid 1 van de Wtbz wordt gehandhaafd waarin is bepaald dat in zaken die bij dagvaarding worden ingeleid, na de eerste uitroeping van de zaak ter terechtzitting van de eiser en van elke verschenen gedaagde griffierecht wordt geheven. Omdat in de meeste zaken bij de sector civiel echter geen uitroeping ter terechtzitting meer plaatsvindt, maar sprake is van een schriftelijke rol, is er voor gekozen om in art. 3, eerste lid, het moment waarop in een zaak voor het eerst griffierecht wordt geheven, zo aan te passen dat ook is voorzien in de gevallen waarin alleen een schriftelijke rol plaatsvindt. Dit is gedaan door aan te sluiten bij de eerste roldatum14. Deze aanpassing is uiteindelijk pas doorgevoerd in de Reparatiewet griffierecht burgerlijke zaken15.

4.7

Het moment waarop op de voet van art. 3 lid 1 Wgbz griffierecht wordt geheven komt dus (in essentie) overeen met het moment waarop dat onder de Wtbz het geval was.

4.8

In de parlementaire geschiedenis op de Wtbz is de volgende passage opgenomen16:

“Het griffierecht is door de eiser verschuldigd na de eerste uitroeping van de zaak ter terechtzitting (art. 2). Hieruit volgt, dat bij schikking vóór de eerste uitroeping en daaropvolgend royement geen griffierecht zal behoeven te worden betaald. Wanneer de zaak echter niet vóórdien is geroyeerd, blijft de eiser — of hij al dan niet is verschenen — griffierecht verschuldigd. Het zou, naar het oordeel van de ondergetekende, te ver voeren om te differentiëren in de zaken, waarin de eiser wèl of niet is verschenen. Dit zou weer extra controle eisen; zulks terwijl eiser het in eigen hand heeft — door tijdig zijn eis in te trekken — om geen recht verschuldigd te zijn.”

4.9

Uit de door mij gecursiveerde zin volgt dat de wetgever (i) tijdens de parlementaire behandeling van de Wtbz zich er rekenschap van heeft gegeven dat eiser mogelijk niet verschijnt in de procedure, (ii) voorschrijft dat eiser ook in dat geval na de eerste uitroeping van de zaak (dan wel op de eerste roldatum) griffierecht is verschuldigd en (iii) het standpunt huldigt dat differentiatie al naar gelang eiser wel of niet is verschenen, te ver voert.

Nu het heffingsmoment van de Wgbz hetzelfde is als van de Wtbz, meen ik dat de door mij gecursiveerde zin in bovenstaand citaat ook thans heeft te gelden.

4.10

Dat appellanten de zaak niet meer kunnen intrekken omdat de geïntimeerde een anticipatie-exploot heeft uitgebracht, doet m.i. daaraan niet af.

Een appellant loopt vanaf het moment dat hij de appeldagvaarding heeft uitgebracht, de kans dat de geïntimeerde een anticipatie-exploot uitbrengt. Daardoor wijzigt zijn procespositie niet: hij blijft eiser, alleen de eerste roldatum is gewijzigd, namelijk naar voren gehaald. Het gevolg van het voorschrift dat de eiser het griffierecht is verschuldigd vanaf de eerste roldatum is dat hij het griffierecht eerder is verschuldigd. Het behoort tot de taak van de procesadvocaat van de appellant om daarop te letten. Vaste rechtspraak van de Hoge Raad in griffierechtzaken is immers dat een advocaat, op grond van de voor die functie vereiste deskundigheid en kennis van het procederen, geacht wordt op de hoogte te zijn van de hier aan de orde zijnde termijn en van de verstrekkende gevolgen van overschrijding daarvan17.

4.11

Ten aanzien van het argument van Avéro c.s. voor de door hen bepleite uitleg van art. 3 Wgbz dat de termijn niet behoort te kunnen verstrijken wanneer de betrokken partij niet redelijkerwijs de mogelijkheid heeft gehad de termijn te sauveren, merk ik op dat het anticipatie-exploot is betekend aan het kantoor van de procesadvocaat van Avéro in appel en dat deze vervolgens actie had kunnen ondernemen. Het recht op toegang tot de rechter als bedoeld in art. 6 EVRM is mitsdien niet in het geding.

5 Conclusie

De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheid van Avéro c.s. in hun cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie hierna onder 2.

2 Gelet op de in cassatie voorliggende problematiek laat ik vermelding van de feiten achterwege. Deze zijn vastgesteld door de rechtbank Gelderland in haar vonnis van 30 juli 2014 in de rov. 2.1-2.20. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in het thans bestreden arrest van 10 maart 2015 geen feiten vastgesteld.

3 Voor zover thans van belang. Zie voor het procesverloop in eerste aanleg de vonnissen van de rechtbank van 16 april 2014 en van 30 juli 2014, telkens onder 1. Zie voor het procesverloop in hoger beroep het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 maart 2015, rov. 2.1-2.7 en 3.1.

4 Uit productie 3 bij de akte uitlating art. 127a lid 2 Rv blijkt dat mr. Reinders Folmer het H-2-formulier bij het gerechtshof Amsterdam in plaats van bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft ingediend.

5 De cassatiedagvaarding is op 9 juni 2015 uitgebracht.

6 Verwezen wordt naar HR 13 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1881, NJ 2015/307, rov. 5.5.3.

7 Zie laatstelijk HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3630, NJ 2016/33, rov. 3.4.

8 Zie voor de uitwerking de s.t. van mr. Teuben onder 2.4-2.8.

9 Zie de s.t. van Avéro c.s. onder 3.6 en 3.7.

10 Bij de Wet van 7 maart 2013 tot wijziging van de Wet van 30 september 2013 tot invoering van een nieuw griffierechtenstelsel in burgerlijke zaken (Reparatiewet griffierechten burgerlijke zaken), in werking getreden op 1 april 2013, is in het derde lid van art. 3 Wgbz de zinsnede “of bij gebreke daarvan vanaf de eerste roldatum” toegevoegd.

11 Kamerstukken II, 2008-2009, 31 758, nr. 3, p. 7.

12 Kamerstukken I, 2009-2010, 31 758, nr. E, p. 4.

13 Zie Kamerstukken II, 2008-2009, 31 758, nr. 3, p. 1.

14 Kamerstukken II, 2009-2010, 31 758, nr. 9, p. 3.

15 Zie noot 10.

16 Kamerstukken II, 1959-1960, 5090, nr. 5, p. 4.

17 Zie laatstelijk HR 22 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:100, NJ 2016/67.