Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:119

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-03-2016
Datum publicatie
29-04-2016
Zaaknummer
16/00343
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:768, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 80a lid 1 BW. Onrechtmatige daad. Vordering tegen bank wegens executie op grond van hypotheekrecht. Invloed beslissingen eerdere procedure. Verjaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

16/00343

mr. J. Spier

Zitting 11 maart 2016 (Art. 80a )

conclusie inzake

[eiser 1] en [eiseres 2]

tegen

ING Bank N.V.

1. Deze zaak gaat over (de nasleep van) kredietverlening waarover reeds eerder in drie instanties is geprocedeerd en waarbij [eiser] c.s. aan het kortste eind trokken. In dit tijdig ingestelde cassatieberoep wagen zij een nieuwe poging op een andere grondslag.

2. De middelen 1-4 richten zich tegen ’s Hofs beslissing in het incident. Nu het Hof in het arrest ten gronde tot een voor [eiser] c.s. negatief oordeel is gekomen, had het niet tot een andere slotsom kunnen komen dan die welke in het incident is bereikt. De klachten stuiten reeds daarop af.

3. De middelen 5- 14 zien eraan voorbij dat ’s Hofs oordeel over de in de bestreden rechtsoverwegingen op twee zelfstandige gronden berust. De tweede grond is verankerd in rov. 3.14. Tegen dat laatste oordeel behelst het slot van middel 14 een klacht, maar deze miskent dat de genoemde rechterlijke uitspraken onherroepelijk zijn geworden. Ik heb me de vraag gesteld of al hetgeen volgt niet reeds hierop afketst. Volledigheidshalve bespreek ik de klachten toch.

4. Middel 15 is niet (voldoende) begrijpelijk.

5. Bij de afdoening van de resterende klachten stel ik voorop dat cassatie niet de plaats is om de partijdiscussie voort te zetten, noch ook om uit te halen naar rechters of rechterlijke uitspraken in eerste aanleg en nog minder in eerdere en reeds afgeronde procedures. Veel van de vaak oeverloze beschouwingen gaan aan dit euvel mank.

6. Het met diverse krachttermen en beschuldigingen versierde middel 16 lijkt te zijn gebaseerd op de veronderstelling dat de Hoge Raad een derde feitelijke instantie is. Dat is evenwel niet het geval. Het warrige betoog maakt niet goed duidelijk wat er nauwkeurig schort aan rov. 3.21 en hetgeen daaraan voorafgaat.

7. De middelen 17 en 18 zijn onbegrijpelijk. Middel 19 behelst vooral misplaatste verwijten van partijdigheid aan het Hof; voor het overige is het slechts gestoeld op speculaties.

8. Middel 20 blijft hangen in de inleidende dagvaarding en miskent dat het daarop niet meer aankomt nu [eiser] c.s. in prima in het ongelijk zijn gesteld.

9. 9. Middel 21 ventileert in de eerste plaats voortbouwende klachten; deze delen het lot van hun voorgangers. De klacht(en) over de feitenvaststelling door de Rechtbank missen belang nu het Hof zelf feiten heeft vastgesteld in rov. 3.1 en 3.2 waartegen geen klachten zijn gericht. De slotklacht berust op een verkeerde lezing.

10. De middelen 22 en 23 kanten zich tegen obiter dicta en doen niet ter zake.

11. Onduidelijk is of hetgeen aan het slot staat onder “Verzoeken zijdens [eiser] c.s.” onderdeel uitmaakt van middel 23. Als de ontboezeming bedoeld is als een zelfstandige klacht mislukt zij omdat duister is in welk opzicht de stellingen te vinden in de mvg onder 9, 31 en 47 toe of afdoen aan ’s Hofs oordeel.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] c.s. met toepassing van art. 80a RO.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal