Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1188

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-10-2016
Datum publicatie
29-11-2016
Zaaknummer
15/03556
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2719, Gedeeltelijk contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Antilliaanse zaak. Hogere gevangenisstraf opgelegd dan wettelijk toegestaan. Skimmen van pinautomaten meermalen gepleegd in periode van 22-9-2014 t/m 25-9-2014 in Sint Maarten, art. 145b en 59 Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen. Hof heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig maanden, hetgeen in strijd is met deze wettelijke bepalingen. HR vernietigt wat betreft strafoplegging en wijst in zoverre terug. CAG: anders t.a.v. dictum (HR kan zaak zelf afdoen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 15/03556 A

Zitting: 11 oktober 2016

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij vonnis van 1 april 2015 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba wegens “een technisch hulpmiddel op een bepaalde plaats aanwezig doen zijn, met het oogmerk dat daardoor gegevensverkeer als bedoeld in artikel 145a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht wederrechtelijk wordt afgetapt, meermalen gepleegd, telkens strafbaar gesteld bij artikel 145b van het Wetboek van Strafrecht” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden.

  2. Namens de verdachte heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel bevat de klacht dat het hof met zijn oplegging van een gevangenisstraf van dertig maanden het uit art. 145b SrNA (oud) in verbinding met art. 59 SrNA (oud) voortvloeiende strafmaximum van in totaal acht maanden heeft overschreden.

3.1. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard:

“dat hij in of omstreeks de periode van 22 september 2014 tot en met 25 september 2014 in Sint Maarten, meermalen een technisch hulpmiddel om gegevensverkeer af te tappen zoals bedoeld in artikel 145a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht op een bepaalde plaats, te weten de pinautomaat van de Windward Island Bank bij de Sint Rose Arcade aanwezig heeft doen zijn.”

3.2. Het hof heeft deze bewezenverklaring gekwalificeerd als:

“een technisch hulpmiddel op een bepaalde plaats aanwezig doen zijn, met het oogmerk dat daardoor gegevensverkeer als bedoeld in artikel 145a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht wederrechtelijk wordt afgetapt, meermalen gepleegd, telkens strafbaar gesteld bij artikel 145b van het Wetboek van Strafrecht.”

3.3. In het bestreden arrest staat onder het kopje “toepasselijke wettelijke voorschriften” het volgende vermeld:

“De op te leggen straffen zijn mede gegrond op de artikelen 31, 35, 49 en 59 van het Wetboek van Strafrecht Sint Maarten.”

3.4. Het bestreden vonnis houdt over de strafoplegging het volgende in:

“Het Hof:

(…)

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden,

bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.”

3.5. Ten tijde van het tenlastegelegde luidde het in Sint Maarten geldende art. 145b SrNA als volgt:

“Hij die met het oogmerk dat daardoor gegevensverkeer als bedoeld in artikel 145a, eerste lid, wederrechtelijk wordt afgetapt, een technisch hulpmiddel op een bepaalde plaats aanwezig doet zijn, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste vijfentwintigduizend gulden.”

Het ten tijde van het tenlastegelegde in Sint Maarten geldende art. 59 SrNA (oud) luidde:

“Bij samenloop van meerdere feiten die als op zich zelve staande handelingen moeten worden beschouwd en meerdere misdrijven opleveren waarop gelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld, wordt één straf uitgesproken.

Het maximum dezer straf is het vereenigd bedrag van de hoogste straffen op de feiten gesteld, doch niet hooger dan een derde boven het zwaarste maximum.”

3.6. Het Gerecht in Eerste Aanleg van Sint Maarten heeft de verdachte, kort gezegd, wegens poging tot diefstal van geld uit pinautomaten (feit 1) en het skimmen van pinautomaten (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig maanden. In hoger beroep heeft het hof de verdachte vrijgesproken van de onder 1 tenlastegelegde poging tot diefstal en hem enkel veroordeeld ter zake van het onder 2 tenlastegelegde feit, meermalen gepleegd.1 Daarbij heeft het hof aan de verdachte eenzelfde straf opgelegd als het Gerecht in Eerste Aanleg in zijn vonnis van 3 december 2014, namelijk een gevangenisstraf van 30 maanden.

3.7. Het middel, waarin wordt gesteld dat de straf die het hof heeft opgelegd het strafmaximum van art. 145b SrNA (oud) in verbinding met art. 59 SrNA (oud) overschrijdt, is terecht voorgesteld. De maximale straf die het hof aan de verdachte kon opleggen is acht maanden gevangenisstraf.

3.8. Onder de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich onder meer een beschikking van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 13 april 2015, waarin het hof de voorlopige hechtenis van de verdachte in verband met de onderhavige strafzaak met ingang van 25 mei 2015 heeft opgeheven. Uit deze beschikking, die een kleine twee weken na het arrest van het hof van 1 april 2013 is gegeven, wordt – naar aanleiding van hetgeen met betrekking tot de overschrijding van het strafmaximum in het genoemde arrest aan het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis ten grondslag is gelegd – overwogen dat:

“het Hof […] het waarschijnlijk [acht] dat het door verzoeker ingestelde cassatieberoep zal leiden tot vernietiging van het vonnis van het Hof van 1 april 2015” en dat “[het Hof] uitgaande van de maximale gevangenisstraf, gecombineerd met een strafverhoging wegens meerdaadse samenloop, […] aanleiding [ziet] om de voorlopige hechtenis met ingang van 25 mei 2015 te 14:10 uur op te heffen”.

De in het middel bedoelde overschrijding van het strafmaximum van art. 145b SrNA (oud) in verbinding met art. 59 SrNA (oud) is derhalve reeds aanleiding geweest om de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen.

3.9. Blijkens de genoemde beschikking heeft het hof vastgesteld dat de verdachte op 25 maart 2015 zes maanden in voorarrest had gezeten. Het hof heeft vervolgens de voorlopige hechtenis met ingang van 25 mei 2015 opgeheven. Ik leid hieruit (het impliciete oordeel) af dat het hof een gevangenisstraf van 8 maanden gepast achtte. Op grond daarvan meen ik dat de Hoge Raad de zaak zelf zal kunnen afdoen door voor de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van dertig maanden een gevangenisstraf van acht maanden in de plaats te stellen.

3.10. Het middel slaagt. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

4. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van dertig maanden, tot oplegging aan de verdachte door de Hoge Raad van een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 ’s Hofs bewezenverklaring van feit 2 wijkt overigens in zoverre af van de diezelfde bewezenverklaring in het vonnis in eerste aanleg, dat het hof de verdachte anders dan het Gerecht in Eerste Aanleg als pleger (en niet als medepleger) van het plaatsen van aftapapparatuur heeft aangemerkt en het hof voorts anders dan het Gerecht in Eerste Aanleg heeft bewezenverklaard dat de verdachte het onder 2 bewezenverklaarde feit meerdere malen heeft gepleegd.