Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1184

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-10-2016
Datum publicatie
29-11-2016
Zaaknummer
15/02032
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2715, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag in Rotterdam door meermalen op korte afstand op slachtoffer te schieten, nadat slachtoffer, dat een conflict had met zus van verdachte, midden in de nacht aan de deur was gekomen bij vader van verdachte. HR: art. 81.1 RO. CAG over de afwijzing van het verzoek tot het horen van een NFI-deskundige over diens conclusies dat de schootsafstand bij de door verdachte op slachtoffer geloste schoten telkens meer dan 25 cm was en dat er ook van achteren op slachtoffer is geschoten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 15/02032

Zitting: 11 oktober 2016

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof ’s-Gravenhage heeft bij arrest van 15 april 2015 het ten laste van de verdachte gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 19 februari 2013 met aanvulling van gronden bevestigd, behalve wat betreft de strafoplegging, de strafmotivering, de beslissing omtrent de vordering van de benadeelde partij en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Met overneming van de bewezenverklaring en de kwalificatiebeslissing van de rechtbank heeft het hof de verdachte wegens “poging tot doodslag” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren. Daarnaast heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 103.730,91 (waarvan een gedeelte van € 100.000,- de vergoeding van immateriële schade betreft) en voor datzelfde bedrag aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Voor het gedeelte van de vordering dat het genoemde geldbedrag overschrijdt heeft het hof de benadeelde partij niet in zijn vordering ontvangen.

  2. Namens de verdachte heeft mr. K.A. Krikke, advocaat te Baarn, één middel van cassatie voorgesteld dat betrekking heeft op de afwijzing van het verzoek de deskundige ing. R.C. Roepnarain, verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI), als getuige op te roepen zodat de verdediging in de gelegenheid wordt gesteld hem vragen te stellen over het door hem opgestelde rapport schotrestenonderzoek d.d. 12 maart 2012.

  3. Uit de inhoud van de stukken van het geding en de daaruit blijkende feitelijke vaststellingen van het hof en de rechtbank maak ik op dat het in de onderhavige zaak om het volgende gaat. In de nacht van 10 december 2011 kwam het slachtoffer, die een conflict had met de zus van de verdachte, tussen 3:30 en 3:45 uur bij het huis van de vader van de verdachte aan de deur, waar het slachtoffer op agressieve wijze duidelijk maakte dat hij de zus van de verdachte wilde spreken. Hierop heeft de verdachte, die op dat moment net als zijn zus in het huis van zijn vader verbleef, de deur opengedaan met een doorgeladen vuurwapen in zijn hand. Door de verdachte zijn vervolgens verschillende schoten op het slachtoffer gelost. Het hof heeft het oordeel van de rechtbank overgenomen dat het lossen van deze schoten opzettelijk is geschied. Daarbij is de rechtbank met name afgegaan op de verklaring van het slachtoffer en de onderzoeksbevindingen van de politie en het NFI. Wat betreft de genoemde onderzoeksbevindingen heeft de rechtbank uit het rapport van de deskundige ing. R.C. Roepnarain van het NFI overgenomen dat op de plaats delict vijf (waarschijnlijk van hetzelfde vuurwapen afkomstig zijnde) kogelhulzen zijn aangetroffen, dat het slachtoffer zowel aan de voorzijde als aan de achterzijde van zijn lichaam is geraakt, dat de schootsafstand bij alle geloste schoten meer dan vijfentwintig centimeter bedroeg en dat de aangetroffen kogelhulzen verspreid lagen over een afstand van acht meter. Daarnaast heeft de rechtbank gewezen op een onderzoeks-conclusie van de afdeling Forensische Opsporing van de politie Rotterdam-Rijnmond, die inhoudt dat de verdachte zich tijdens het schieten waarschijnlijk over enige afstand heeft verplaatst. De rechtbank heeft haar oordeel dat de verdachte opzettelijk heeft geschoten nader gemotiveerd met de overweging dat de eigen verklaring van de verdachte over het schietincident – inhoudende dat hij met het slachtoffer in een worsteling verkeerde en het vuurwapen daarbij per ongeluk afging – geen steun vindt in het voorhanden bewijsmateriaal en ook door de vader en de zus van de verdachte niet is bevestigd.

Het hof heeft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen nog aangevuld met onderdelen van het rapport van het NFI, die betrekking hebben op het onderzoek dat aan het vest dat het slachtoffer aan had is verricht, met name of zich daarin inschotbeschadigingen of uitschotbeschadigingen bevonden, hetgeen het hof kennelijk van belang heeft geacht voor de beantwoording van de vraag of het slachtoffer ook aan de achterzijde van het lichaam is geraakt.

3.1. Van de zijde van de verdediging is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep een beroep gedaan op de strafuitsluitingsgronden noodweer(exces) en psychische overmacht, welk beroep in beide instanties is verworpen. In de door het hof overgenomen bewijsoverwegingen van het vonnis in eerste aanleg komt naar voren, dat de rechtbank van oordeel is dat de onderzoeksbevindingen van het NFI en de afdeling forensische opsporing de verklaring van het slachtoffer op meerdere punten ondersteunen. Uit het voorhanden bewijsmateriaal blijkt weliswaar dat de zus van de verdachte bang was voor het slachtoffer en dat de verdachte zelf net als zijn vader en zijn zus hevig geëmotioneerd was op het moment dat het (eveneens woedende) slachtoffer aan de deur kwam, maar dat niet blijkt dat voor de verdachte op enig moment sprake is geweest van een echte noodweersituatie of van een van buiten komende (psychische) drang waaraan hij redelijkerwijs geen weerstand kon bieden. Daarbij merkt de rechtbank op dat noch de vader noch de zus van de verdachte de lezing van de verdachte dat er een worsteling heeft plaatsgevonden tussen hem en het slachtoffer waarbij het vuurwapen per ongeluk is afgegaan (kunnen) bevestigen.

4. Het middel komt op tegen de afwijzing door het hof van het ter terechtzitting in hoger beroep op 1 april 2015 gedane verzoek tot het horen van de deskundige van het NFI over diens conclusies dat de schootsafstand bij de door de verdachte op het slachtoffer geloste schoten telkens meer dan vijfentwintig centimeter was en dat er ook van achteren op het slachtoffer is geschoten.

4.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 1 april 2015 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“De raadsman voert het woord en deelt mede dat hij heden onderzoekswensen heeft overeenkomstig zijn aan de advocaat-generaal verzonden faxbericht d.d. 20 maart 2015. De raadsman licht zijn verzoeken toe als volgt:

(…)

De verdediging wenst de deskundige ing. R.C. Roepnarain vragen te stellen over het door hem opgestelde rapport schotrestenonderzoek d.d. 12 maart 2012. De rechtbank heeft de verklaring van de verdachte, dat het vuurwapen in een worsteling met slachtoffer is afgegaan, niet aannemelijk geacht op grond van de conclusie van deze deskundige dat de schootsafstand groter dan 25 centimeter is geweest. De verdediging wenst van de deskundige te vernemen op basis waarvan hij tot die conclusie is gekomen en voorts waarop de conclusie in het rapport is gebaseerd dat er van achteren op het slachtoffer is geschoten.

(...)

De advocaat-generaal deelt, daartoe in de gelegenheid gesteld door de voorzitter, het volgende mede:

(…)

Evenmin is uit de onderbouwing van het verzoek van de raadsman de noodzaak gebleken om de deskundige R.C. Roepnarain betreffende het schotrestenonderzoek nader te bevragen.

Het hof onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad.

Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter mede dat ten aanzien van beide verzoeken het zogenaamde noodzaakscriterium van toepassing is. Voorts deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het hof het verzoek om [betrokkene 1] als getuige en R.C. Roepnarain als deskundige te horen afwijst, nu de verzoeken onvoldoende zijn onderbouwd en er overigens ook geen noodzaak tot het horen van de getuige en de deskundige is gebleken.”

4.2. Hierna is op de zitting van 1 april 2015 de discussie over het deskundigenrapport voortgegaan. Het proces-verbaal van de zitting maakt daarover de volgende melding:

“De raadsman voert vervolgens het woord tot verdediging overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota.

De raadsman voegt hieraan toe:

[…]

Uit het onderzoek aan de kleding die het slachtoffer die bewuste avond droeg blijkt niet dat er schade aan de achterkant van de kleding heeft gezeten.

De advocaat-generaal en de raadsman krijgen de gelegenheid tot respectievelijk repliek en dupliek.

De advocaat-generaal deelt daartoe onder meer mede:

Uit de FARR-verklaring d.d. 9 maart 2012 blijkt dat uit een CT-scan is gebleken dat het slachtoffer een kogel in zijn wervelkanaal had zitten. Dit betekent dus dat hij letsel aan zijn rug had. Ik acht het aannemelijk dat op het moment dat het slachtoffer met zijn rug naar de verdachte stond hij door de verdachte is beschoten.

De raadsman deelt mede:

Uit de FARR-verklaring d.d. 9 maart 2012 blijkt inderdaad dat het slachtoffer een kogel in zijn wervelkanaal had zitten. Er is echter niet een ingang aan de achterkant van het lichaam van het slachtoffer vastgesteld. De schade aan de kleding zit ook steeds aan de voorkant.”

4.3. Daarnaast bevat de door de raadsman overgelegde pleitnota onder punt 23 de volgende passage:

“23. Dan de verwondingen. Het NFI heeft de kleren van [slachtoffer] bekeken en geconstateerd dat er van achter geschoten zou zijn en de Rechtbank heeft het NFI daarin gevolgd. Maar daar wreekt zich dat het NFI slechts de kleren heeft bekeken, want uit de informatie van forensisch arts L.C. Los, (bewijsmiddel 3 van de Rechtbank) volgt dat de chirurg heeft geconstateerd:

"Aan de voorzijde van de buik zijn 3 schotwonden te zien en er is 1 schampschot in de linkerflank te zien. Tevens een schotwond in de linkeroksel en in de linker elleboog. "

Dus géén verwondingen aan de achterkant. Het verhaal van weglopen en van, achteren beschoten worden gaat dan ook niet op. Want de verwondingen zijn midden in het lichaam aan de voorkant en aan de linkerkant. Client had met zijn rechterhand het wapen vast. Om [slachtoffer] in zijn buik en de linkerkant te kunnen raken moeten ze tegenover elkaar staan, want alleen dan staat rechts tegenover links. De verwondingen aan de achterkant van de arm (foto's op pagina 8 van het schotrestenonderzoek d.d. 12 maart 2012) zijn goed te verklaren uit het proberen af te weren. Het past ook bij een worsteling, want de verwondingen zijn bij elkaar in de buurt.”

4.4. Met betrekking tot het op de zitting van het hof van 1 april 2015 herhaalde verzoek tot het horen van de NFI-deskundige is gelet op het bepaalde in art. 418, derde lid, Sv – net als op het aan de genoemde zitting voorafgaande verzoek aan de advocaat-generaal bij het hof – het noodzakelijkheidscriterium van toepassing.1 Wat dat aangaat heeft het hof het verzoek de deskundige van het NFI te horen met toepassing van het juiste criterium afgewezen. Waar het vervolgens op aankomt, is of de wijze waarop het hof zijn afwijzing nader heeft gemotiveerd de begrijpelijkheidstoets kan doorstaan.2

4.5. Uit de hiervoor weergegeven afwijzing van het verzoek op de zitting van 1 april 2015 blijkt dat het hof zich in zijn motivering heeft beperkt tot de overweging dat het verzoek onvoldoende is onderbouwd. Nu geef ik onmiddellijk toe dat hetgeen de raadsman volgens het proces-verbaal van de zitting van 1 april 2015 aan het verzoek ten grondslag heeft gelegd, niet bijster veel informatie bevat waarom de verdediging de deskundige nader wil ondervragen. Wat dat betreft zou ik hier dan ook kunnen volstaan met de constatering dat de afwijzing van het verzoek door het hof niet onbegrijpelijk is. Toch zit me dat niet lekker, met name omdat uit hetgeen verder op dezelfde zitting is gewisseld en door de verdediging naar voren is gebracht, het belang van een nadere ondervraging van de deskundige veel duidelijker voor het voetlicht komt. Uit hetgeen ik hiervoor onder 4.5 en 4.6 uit het proces-verbaal van de zitting heb geciteerd leid ik af dat de verdediging de deskundige had willen vragen hoe het kan dat de deskundige concludeert dat het slachtoffer van achteren is beschoten, terwijl uit het rapport van de forensisch arts niet blijkt dat het slachtoffer schotwonden in zijn rug had. Uit de opmerking van de advocaat-generaal blijkt dat hij kennelijk uit de medische en forensische rapportage afleidt dat het slachtoffer in zijn rug is geschoten, hetgeen weer niet goed verenigbaar is met wat de forensisch arts heeft geconstateerd. Dat lijken toch serieuze aanleidingen voor het nader ondervragen van de deskundige van het NFI.

4.6. Van de andere kant heeft het hof in zijn aanvulling van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt, een onderdeel van het rapport van het NFI als bewijsmiddel opgenomen, waaruit impliciet blijkt dat het hof kennelijk van oordeel is dat het slachtoffer niet van achteren in zijn rug is geschoten, maar van achteren in zijn linker ellenboog:

“Het hof vult de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen aan met het volgende bewijsmiddel:

Een geschrift, zijnde een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut met zaaknummer 2011.12.28.188 (schotrestenonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Rotterdam op 10 december 2011), d.d. 12 maart 2012, opgemaakt en ondertekend door de deskundige ing. R.C. Roepnarain, deskundige schotrestenonderzoek.

Dit rapport houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

als relaas van deze deskundige:

1. Te onderzoeken materiaal

AAEB5569NL: een vest van het slachtoffer [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer] ).

3.2 Kleding slachtoffer

In de onderzoek aanvraag 011 met de datum 26 januari 2012 staat vermeld:

"SRTOO1a

Wat is de aard van de beschadigingen en kan de schootsafstand vastgesteld worden?"

Voor de beantwoording van de vraag over de aard van de beschadigingen zijn de volgende twee sets hypothesen opgesteld:

Hypothese A1: De beschadiging is veroorzaakt door een kogel afgevuurd met een vuurwapen.

Hypothese A2: De beschadiging is veroorzaakt door een willekeurig ander proces.

Hypothese B1: De beschadiging is een inschotbeschadiging.

Hypothese B2: De beschadiging is een uitschotbeschadiging.

5.2 Kleding slachtoffer

In het vest [AAEB5569NL] zijn 15 beschadigingen aangetroffen. De locaties van de beschadigingen zijn weergegeven in de foto's in Figuur 1.

[hier heeft het hof een afbeelding opgenomen die niet in deze conclusie weergegeven kan worden waarop de voorkant en achterkant van het vest van het slachtoffer is afgebeeld met daarin aangegeven op de voorkant 1 t/m 9 beschadigingen en aan de achterkant 10 t/m 15 beschadigingen]

Beschadiging 12

In de achterzijde van de linkermouw bevindt zich een beschadiging.

Beschadiging 14

In de achterzijde van de linkermouw bevindt zich een beschadiging.

6.2

Kleding slachtoffer

Beschadiging 12

De bevindingen van het onderzoek zijn waarschijnlijker wanneer hypothese A1 juist is, dan wanneer hypothese A2 juist is.

Deze conclusie is gebaseerd op een aantal voor een schotbeschadiging kenmerkende waarnemingen en sporen die bij het onderzoek zijn gedaan/aangetroffen.

Gezien de hierboven getrokken conclusie worden de bevindingen van het onderzoek aan deze beschadiging ook getoetst in het licht van hypothesen B1 en B2 :

De bevindingen van het onderzoek zijn iets waarschijnlijker wanneer hypothese B1 juist is, dan wanneer hypothese B2 juist is.

Deze conclusie is gebaseerd op:

- Het aantreffen van voor een inschotbeschadiging kenmerkende sporen: zwak positieve kopertest aan de buitenkant van de stof rondom de beschadiging, een diffuse verkleuring direct nabij de beschadiging op het filtreerpapier waarmee een verkleuringsbeeld is gemaakt.

- Het waarnemen van een gering aantal kenmerken van een inschotbeschadiging: de vorm en afmetingen van de beschadiging.

- Het niet aantreffen van voor een uitschotbeschadiging kenmerkende sporen.

- Het niet waarnemen van kenmerken van een uitschotbeschadiging.

Beschadiging 14

De bevindingen van het onderzoek zijn waarschijnlijker wanneer hypothese A1 juist is, dan wanneer hypothese A2 juist is.

Deze conclusie is gebaseerd op een aantal voor een schotbeschadiging kenmerkende waarnemingen en sporen die bij het onderzoek zijn gedaan/aangetroffen.

Gezien de hierboven getrokken conclusie worden de bevindingen van het onderzoek aan deze beschadiging ook getoetst in het licht van hypothesen B1 en B2:

De bevindingen van het onderzoek zijn iets waarschijnlijker wanneer hypothese B1 juist is, dan wanneer hypothese B2 juist is.

Deze conclusie is gebaseerd op:

- Het waarnemen van een aantal kenmerken van een inschotbeschadiging: de vorm en afmetingen van de beschadiging, een positieve kopertest aan de buitenkant van de stof rondom de beschadiging, verkleuringen direct nabij de beschadiging op het filtreerpapier waarmee een verkleuringsbeeld is gemaakt.

- Het niet aantreffen van voor een uitschotbeschadiging kenmerkende sporen.

- Het waarnemen van een gering aantal kenmerken van een uitschotbeschadiging: vezels aan de rand van de beschadiging gedeeltelijk van het lichaam af gericht.”

4.7.

Beschadiging 12 en 14 bevinden zich aan de achterzijde van het vest ter hoogte van de linker-ellenboog, waarvan de forensisch arts heeft vastgesteld dat het slachtoffer daaraan gewond is geraakt hetgeen door de raadsman van de verdachte ook is onderkend. Ten aanzien van deze beschadigingen is het oordeel van de deskundige dat het “iets waarschijnlijker” is dat het hier om een inschotbeschadiging gaat dan om een uitschotbeschadiging. Alhoewel deze onderzoeksbevinding op mij niet heel stellig overkomt, is het niet onbegrijpelijk dat het hof hierin een ondersteuning heeft gevonden voor de aanname dat de verdachte op het slachtoffer heeft geschoten terwijl het slachtoffer zich al had omgedraaid om weg te komen. Daarmee is ook de belangrijkste stelling van de verdediging (het slachtoffer is niet van achteren in zijn rug geschoten) die de grondslag vormde voor het verzoek om de deskundige nader te kunnen ondervragen weerlegd. Daardoor is het oordeel van het hof, hoewel summier gemotiveerd, dat het geen noodzaak zag de deskundige van het NFI nog nader te ondervragen, niet onbegrijpelijk.

4.8.

Het middel faalt.

5. Ambtshalve wijs ik erop dat nu reeds vaststaat dat de uitspraak van de Hoge Raad in deze zaak niet zal plaatsvinden binnen de toepasselijke termijn van zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep. Dit dient te leiden tot strafvermindering.

6. Buiten de hierboven onder 5 genoemde grond, is mij niet gebleken van gronden waarop de Hoge Raad de bestreden uitspraak ambtshalve zou moeten vernietigen.

7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering van deze straf in de mate die de Hoge Raad gepast voorkomt en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. Borgers, rov. 2.49-2.60.

2 HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. Borgers, rov.2.59 en 2.76 en HR 3 november 2015, ECLI:NL:HR:2016:12, rov. 2.3.