Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1170

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
18-11-2016
Datum publicatie
17-02-2017
Zaaknummer
16/02310
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:269, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Art. 270 Rv Sint Maarten. Naheffing griffierecht te laat betaald; wettelijke grondslag voor naheffing en voor vervallenverklaring hoger beroep? Verzetregeling van art. 35 en 36 Ltbz exclusief? Ongebruikt laten van rechtsmiddelentermijn; herstel mogelijk? Verzoek nihilstelling griffierecht in cassatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 16/02310

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 18 november 2016 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[verzoeker]

tegen

[verweerster]

In deze zaak uit Sint Maarten ligt de vraag voor of het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het hof) ten onrechte heeft geoordeeld dat verzoeker tot cassatie (hierna: [verzoeker]) het nageheven griffierecht1 niet (binnen de in het tussenvonnis bepaalde termijn) heeft betaald en heeft verstaan dat het hoger beroep is vervallen. Aan de orde komt voorts of het hof aan [verzoeker] mocht tegenwerpen dat hij binnen een maand na het tussenvonnis in verzet had kunnen komen van de naheffing van het griffierecht. Ten slotte wordt geklaagd dat er geen wettelijke grondslag is voor zowel het naheffen van griffierecht als de sanctie van verval van het hoger beroep en dat deze sanctie in strijd is met art. 6 EVRM en de goede procesorde indien deze wordt toegepast op een tijdstip dat het procesdebat reeds is afgerond.

De zaak vertoont op onderdelen gelijkenis met de zaak 16/00134, waarin heden ook wordt geconcludeerd.

1. Procesverloop 2

1.1 Het Gerecht in Eerste Aanleg van Sint Maarten (hierna: GEA) heeft op 9 april 2013 vonnis gewezen in een geschil tussen [verzoeker] en verweerster in cassatie (hierna: [verweerster]) over – verkort weergegeven – de verdeling van twee gemeenschappelijke onroerende zaken.

1.2 [verzoeker] is bij akte van appel van 17 mei 2013 van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het hof.

1.3 In zijn memorie van grieven heeft [verzoeker] drie grieven gericht tegen het vonnis en geconcludeerd tot vernietiging daarvan, en opnieuw rechtdoende, tot toewijzing van de vorderingen van [verzoeker], met veroordeling van [verweerster] in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in appel.

1.4 [verweerster] heeft de grieven van [verzoeker] bij memorie van antwoord bestreden en geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van het GEA, al dan niet onder verbetering van de gronden, en tot veroordeling van [verzoeker] in de kosten van de procedure in zowel eerste aanleg als hoger beroep.

1.5 Partijen hebben vervolgens pleitnotities overgelegd, [verweerster] met op voorhand toegezonden producties.

[verzoeker] heeft daarop een akte uitlating producties genomen.

1.6 Bij tussenvonnis van 28 juli 2015 heeft het hof overwogen dat de griffier van het hof zich voorlopig op het standpunt stelt dat in dit geval het hoogste tarief aan griffierecht is verschuldigd is (NAf 15.000,-) en dat dus NAf 14.100,- dient te worden nageheven. Het hof heeft [verzoeker] in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken een bedrag van NAf 14.100,- aan nageheven griffierecht te betalen en heeft de zaak naar de rolzitting van 9 oktober 2015 van het hof in Sint Maarten verwezen voor akte uitlating griffierecht en iedere verdere beslissing aangehouden.

1.7 Op 9 oktober 2015 heeft [verzoeker] een uitlating griffierecht genomen.

1.8 In het eindvonnis van 29 januari 2016 heeft het hof verstaan dat het hoger beroep is vervallen.

1.9 [verzoeker] heeft – tijdig3 – cassatieberoep ingesteld tegen de vonnissen van 28 juli 2015 (hierna: het tussenvonnis) en 29 januari 2016 (hierna: het eindvonnis) en heeft Uw Raad hierbij verzocht het in cassatie verschuldigde griffierecht uiteindelijk op nihil te stellen.

[verweerster] heeft geen verweerschrift ingediend.

[verzoeker] heeft afgezien van het geven van een schriftelijke toelichting.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel bestaat uit een inleiding en vier onderdelen.

2.2

Onderdeel 1 is gericht tegen de rov. 2.6 en 2.7 van het eindvonnis, waarin het hof als volgt heeft overwogen:

“2.6. Vastgesteld wordt [dat] [verzoeker] het nageheven bedrag niet (binnen de in het tussenvonnis vermelde termijn) heeft betaald en dat [verzoeker] evenmin op grond van artikel 36 Ltbz binnen een maand na de door de griffier in het tussenvonnis gedane mededeling in verzet is gekomen.

2.7.

De slotsom is dan ook dat het hoger beroep alsnog is vervallen, nu [verzoeker] het nageheven griffierecht niet (tijdig) heeft betaald.”

2.3

Het onderdeel klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat [verzoeker] het nageheven griffierecht niet (binnen de in het tussenvonnis vermelde termijn) heeft betaald, althans dat dit oordeel niet begrijpelijk is gemotiveerd. Daartoe heeft [verzoeker] gesteld dat hij het nageheven griffierecht alleszins tijdig heeft betaald, waarbij hij een beroep heeft gedaan op de volgende stukken:

(i) een afschrift van een brief van 1 september 20154 waarin de advocaat van [verzoeker] aan het hof heeft medegedeeld dat het nageheven griffierecht onder protest van gehoudenheid wordt betaald en wordt verwezen naar een bijgaande cheque. Bijgevoegd is een (kopie van een) kwitantie, gedateerd 1 september 2015, die “namens de griffier, Philipsburg-St. Maarten”, is ondertekend en een stempel van het hof bevat. Daaruit kan worden afgeleid het hof op 1 september 2015 een bedrag van NAf 14.100,- heeft ontvangen van Lexwell, het kantoor van de advocaat van [verzoeker], als ‘bijbetaling griffierecht” in de procedure tussen partijen;

(ii) de ter rolzitting van 9 oktober 2015 genomen akte uitlating griffierecht, waarin [verzoeker] (in § 24) expliciet heeft gesteld dat hij op 1 september 2015, binnen de gestelde termijn, onder protest van gehoudenheid het nageheven griffierecht heeft betaald;

(iii) een e-mailbericht van 4 februari 20165 waarin mr. J. de Boer, een van de leden van de zetel die de bestreden vonnissen heeft gewezen, in reactie op een e-mailbericht van 29 januari 20166 van de advocaat van [verzoeker], het volgende heeft geschreven:

“(…) Het is betreurenswaardig en het spijt ons zeer.

Aan de akte uitlating griffierecht is geen bewijs van betaling gehecht. De brief van 1 september 2015 is niet in het Hofdossier beland.

Er is echter geen sprake van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent (HR 13 april 2014, ECLI:NL:HR:2012:BV5549, Palu di Mangel/Korpodeko, rov. 3.3). Zodanig herstel is ook niet mogelijk met instemming van partijen (HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3476). (…)”

2.4

[verzoeker] diende ingevolge rov. 2.3 van het tussenvonnis, binnen zes weken na het op 28 juli 2015 wijzen van dat vonnis, een bedrag van NAf 14.100,- aan nageheven griffierecht te betalen, derhalve uiterlijk op 8 september 2015.

2.5

Hoewel de brief van 1 september 2015 en de daarbij gevoegde kwitantie alsmede het e-mailbericht van 4 februari 2016 niet tot de stukken van het geding behoren en een en ander niet aan de hand van het griffiedossier van het hof kan worden geverifieerd omdat dat dossier niet bij het dossier was gevoegd dat de Hoge Raad van het hof heeft ontvangen, kan m.i. in cassatie voorshands van de juistheid van de door [verzoeker] gestelde gang van zaken worden uitgegaan7.

2.6

Ik baseer deze aanname tevens op het volgende. Op mijn verzoek heeft de griffie van de Hoge Raad het hof om toezending verzocht van eventuele nadere stukken die zich in het griffiedossier bevinden ten aanzien van de betaling van het nageheven griffierecht. In reactie hierop werd op 3 november 2016 de aan deze conclusie gehechte kopie van de originele kwitantie van 1 september 2015 ontvangen alsmede een “kopie 2”, waarvan ik aanneem dat deze de in de administratie van het hof gehouden kopieën zijn van de aan [verzoeker] afgegeven kwitantie.

2.7

Op basis van de in 2.3 en 2.6 genoemde stukken ga ik voorshands uit van de juistheid van de in het onderdeel gestelde tijdige betaling van het griffierecht.

Het hof heeft mitsdien ten onrechte geoordeeld dat het griffierecht niet (binnen de in het tussenvonnis gestelde termijn) is betaald, zodat de in cassatie bestreden einduitspraak dient te worden vernietigd en de zaak moet worden teruggewezen naar het hof ter verdere behandeling en beslissing.

Omwille van de rechtsontwikkeling bespreek ik ook de overige klachten.

2.8

De in het onderdeel aangevoerde subsidiaire klacht, inhoudende dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het hoger beroep mede vervallen is verklaard omdat aan de akte uitlating griffierecht geen bewijs van betaling was gehecht, faalt omdat deze berust op een onjuiste lezing van het eindvonnis.

2.9

Onderdeel 2, dat kennelijk eveneens is gericht tegen de hierboven geciteerde rov. 2.6-2.7 van het eindvonnis, neemt onder 2.1 tot uitgangspunt dat het hof de vervallenverklaring van het hoger beroep heeft gebaseerd op het feit dat [verzoeker] niet op grond van art. 36 Landsbesluit tarieven in burgerlijke zaken (hierna: Ltbz)8 binnen een maand na de door het hof in rov. 2.2-2.3 van het tussenvonnis gedane mededeling inzake het voorlopig standpunt van zijn griffier, in verzet is gekomen. Het onderdeel klaagt vervolgens dat het hof dan is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting of zijn beslissing onbegrijpelijk dan wel ontoereikend heeft gemotiveerd.

2.10

Nu het hof, zoals blijkt uit rov. 2.7 van het eindvonnis, de vervallenverklaring van het hoger beroep enkel heeft gebaseerd op de niet-tijdige betaling van het griffierecht, berust het onderdeel op een onjuiste lezing en faalt het derhalve.

2.11

De toelichting op onderdeel 2 bevat vervolgens klachten over de in rov. 2.6 door het hof genoemde verzetprocedure van art. 36 Ltbz. In dat verband wordt verwezen naar de klachten van de onderdelen 3 en 4.

Onderdeel 3 stelt de rechtsvraag aan de orde of er een grondslag is voor naheffing van griffierecht.

Ik behandel deze vraag eerst9.

2.12

Het onderdeel, waarin ik vijf subonderdelen lees, keert zich tegen rov. 2.2 en 2.3 van het tussenvonnis waarin het hof het volgende heeft overwogen:

“2.2 [verzoeker] heeft in strijd met het bepaalde in artikel 85 van het Procesreglement bij de indiening van de akte van appel geen schriftelijk opgave gedaan van het financiële belang van de zaak ter vaststelling van het griffierecht door de griffier. Gelet op de koopprijs van het appartement in 2003, zijnde NAf 251,520,00 (productie 1 bij inleidend verzoekschrift), en het bedrag van US$ 412,802,00 aan aanneemsom dat partijen in 2005 voor de bouw van de villa (productie 1 bij conclusie van dupliek) met de aannemer zijn overeengekomen, stelt de griffier van het Hof zich voorlopig op het standpunt dat in dit geval het hoogste tarief aan griffierecht verschuldigd is (NAf 15,000,00). Er dient dus NAf 14.100,00 te worden nageheven.

2.3

[verzoeker] zal in de gelegenheid worden gesteld binnen zes weken NAf 14.100,00 aan nageheven griffierecht te betalen. Indien dit niet tijdig gebeurt, leidt dit in beginsel tot verval van het hoger beroep. De zaak zal naar de rol worden verwezen voor akte uitlating griffierecht aan de zijde van [verzoeker].”

2.13

Subonderdeel 3.1 klaagt dat het hof heeft miskend dat er voor het naheffen van griffierecht, dus na de door de griffier (niet uitdrukkelijk slechts bij wege van voorschot, maar ‘definitief’) verrichte taxatie en de betaling daarvan, geen grondslag is in het recht, ook niet wanneer appellant in strijd heeft gehandeld met artikel 85 Procesreglement 200510. Aangevoerd wordt dat de Handleiding griffierecht daarvoor geen of onvoldoende grondslag biedt en bovendien nog niet van toepassing was toen [verzoeker] zijn akte van appel en memorie van grieven indiende.

Volgens subonderdeel 3.2 is het hof voorts uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting omdat artikel 85 Procesreglement 2005 slechts tot doel heeft de taak van de griffier te verlichten en het de taak van de griffier is de hoogte van het griffierecht vast te stellen.

Subonderdeel 3.3 bevat de klacht dat het hof ook van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan waar het heeft beslist dat de griffier zich “voorlopig” op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval het hoogste tarief aan griffierecht verschuldigd is, omdat de griffier niet – afgezien van een uitdrukkelijk bij voorschot geheven bedrag – uit eigen beweging kan terugkomen op de eerdere heffing van het griffierecht en niet opnieuw griffierecht bij wijze van correctie kan naheffen.

2.14

De in Sint Maarten geldende regeling van heffing van griffierecht is opgenomen in het al genoemde Ltbz, dat behoudens een aantal – soms fundamentele – verschillen11, sterk lijkt op de Nederlandse Wet tarieven in burgerlijke zaken (oud), hierna: Wtbz, de voorloper van de in Nederland op 1 november 2010 in werking getreden Wet griffierechten burgerlijke zaken (hierna: Wgbz).

Een voorbeeld van sterke overeenkomst met de Wtbz (art. 2) is art. 20 Ltbz, waarin voor verschillende categorieën zaken is bepaald hoeveel het vast recht bedraagt dat van elke eisende partij wordt geheven.

2.15

Behoudens een bepaling betreffende het geval waarin een eis of een verzoek tijdens de procedure wordt vermeerderd (art. 20 lid 5 Ltbz12), bevat het Ltbz geen regels ten aanzien van het naheffen van griffierecht.

2.16

Daarin stemt het Ltbz overeen met de Wtbz: de Wtbz bevatte evenmin een regeling voor de naheffing van griffierecht.

Ondanks het ontbreken van een wettelijke grondslag heeft de Hoge Raad in 1993 desalniettemin geoordeeld dat moet worden aangenomen dat de griffier in beginsel bevoegd is tot het naheffen van vast recht indien hij op grond van de overgelegde stukken tot de slotsom komt dat aanvankelijk te weinig recht is geheven13. Daartoe werd overwogen dat (i) de verschuldigdheid van het vast recht rechtstreeks voortvloeit uit art. 2 lid 3 Wtbz, (ii) de wet niet bepaalt dat het vast recht slechts ineens tot het volle bedrag kan worden geheven en (iii) de griffier voor een juiste berekening van het vast recht afhankelijk is van gegevens die veelal pas in een laat stadium van de procedure – door het overleggen van de procesdossiers – tot zijn beschikking komen. De Hoge Raad oordeelde voorts dat niet slechts in een vroeg stadium van de procedure van de bevoegdheid tot naheffing gebruik kan worden gemaakt.

2.17

Het rechtszekerheidsbeginsel stelt, aldus de Hoge Raad in deze beschikking op verzet, echter wel grenzen aan deze bevoegdheid. Naar het oordeel van de Hoge Raad brengt dit beginsel mee dat de betrokkenen, wanneer zij ervan mogen uitgaan dat de griffier op het moment waarop hij vast recht heft over alle voor een juiste berekening daarvan vereiste gegevens beschikt, deze heffing in de regel als definitief mogen beschouwen en erop mogen vertrouwen dat geen aanvullende heffing zal plaatsvinden zolang zich niet een nieuwe omstandigheid (zoals vermeerdering van eis) voordoet welke volgens de wet een verhoging van vast recht meebrengt. Betrokkenen mogen er volgens de Hoge Raad van uitgaan dat de griffier over alle voor een juiste berekening vereiste gegevens beschikt, indien hij de heffing van het vast recht niet vergezeld heeft doen gaan van de mededeling dat de heffing een voorlopig karakter heeft.

2.18

Niet duidelijk is of in de visie van de Hoge Raad ook een vergissing bij de vaststelling van het griffierecht kan leiden tot verhoging van het griffierecht en daarmee tot een naheffing door de griffier.

Ik zou menen van wel. Hetzelfde geldt m.i. indien het hof bij de behandeling van de zaak constateert dat een te laag bedrag aan griffierecht is geheven.

2.19

Nu de thans geldende Wgbz evenmin een regeling bevat voor naheffing van griffierecht, is genoemde uitspraak van de Hoge Raad m.i. in Nederland nog steeds van belang, niet alleen in de cassatieprocedure maar ook in feitelijke instanties14.

Daarnaast is, gelet op de hiervoor onder 2.14 genoemde omstandigheid dat de regeling omtrent griffierecht in het Ltbz voor een belangrijk deel is ontworpen naar het voorbeeld van de regeling in de Wtbz, het oordeel van de Hoge Raad dat de griffier in beginsel bevoegd is tot het naheffen van vast recht indien hij op grond van de overgelegde stukken tot de slotsom komt dat aanvankelijk te weinig recht is geheven, ook van toepassing in het Caribisch deel van het Koninkrijk.

2.20

Dit brengt mee dat bovengenoemde door de Hoge Raad geformuleerde rechtsregels in beginsel ook geacht kunnen worden te gelden in het recht van Sint Maarten. Onder de Ltbz vloeit de verschuldigdheid van het in hoger beroep nageheven griffierecht dan voort uit art. 2015, terwijl voorts ook op Sint Maarten geldt dat geen rechtsregel voorschrijft dat het verschuldigde griffierecht slecht ineens, bij aanvang van de procedure, kan worden geheven (zie hiervoor 2.16 onder (i) en (ii).

2.21

Uit het hiervoor overwogene volgt dat het ontbreken van een (uitdrukkelijke) grondslag in de wet- en regelgeving niet betekent dat de griffier zich niet op het standpunt kon stellen dat griffierecht kon worden nageheven.

2.22

De vraag is wel of alle door de Hoge Raad in zijn uitspraak van 1993 geformuleerde regels over de vraag of betrokkenen de heffing als definitief mogen beschouwen onverkort van toepassing zijn in het Caribisch deel van het Koninkrijk. Ten behoeve van de beantwoording van deze vraag schets ik de volgende tijdlijn.

2.23

Met betrekking tot de aard van de heffing van griffierecht – voorlopig of definitief – heeft het hof in 200316 geoordeeld dat in beginsel naheffing kan plaatsvinden indien te weinig griffiegeld is betaald, dat met name voor de bepaling van het direct geldelijk belang veelal kennis van het dossier nodig is en dat niet verwacht mag worden dat het met de inning van het griffierecht belaste griffiepersoneel het procesdossier doorneemt. In zoverre is, aldus het hof, de bij de aanvang van de procedure in eerste aanleg en hoger beroep plaatsvindende heffing van griffierecht in beginsel een voorlopige en mogen betrokkenen pas nadat de rechter, na bestudering van het dossier eindvonnis heeft gewezen, de heffing als definitief beschouwen en erop vertrouwen dat geen aanvullende heffing zal plaatsvinden. Het hof verwijst hierbij naar genoemde uitspraak van de Hoge Raad uit 199317.

2.24

Vervolgens is in 2005 in het Procesreglement in artikel 85 het voorschrift opgenomen dat de appellant bij de indiening van de akte van hoger beroep, ter vaststelling van het griffierecht door de griffier, schriftelijk het financiële belang van de zaak aangeeft. Hoewel dit voorschrift verder niet is toegelicht, ga ik ervan uit dat dit voorschrift is opgenomen ter verlichting van de taak van de diverse griffies18.

2.25

Dit wordt bevestigd in de door [verzoeker] als productie D overgelegde brief van het hof van 19 april 201119, waarin het voorschrift van artikel 85 Procesreglement is aangescherpt. Advocaten, zaakwaarnemers en deurwaarders zijn in die brief over de nieuwe werkwijze bij de griffies ter zake van de vaststelling van het griffierecht als volgt geïnformeerd:

“(…) Art. 85 van het Procesreglement voor civiele zaken (hierna het Procesreglement20) bepaalt dat bij de indiening van de akte van appel de appellant schriftelijk het financiële belang van de zaak aangeeft, zodat de griffier het griffierecht kan vaststellen. Met ingang van heden zal de griffier voortaan bij de indiening van de akte van hoger beroep aan de indiener van de akte de vraag stellen wat het financiële belang van de zaak is, welke vraag terstond beantwoord moet worden. De griffier zal dan, na controle van het zich op de griffie bevindende procesdossier, terstond het te betalen griffierecht berekenen en het vastgestelde bedrag noteren op de akte van appel.

De griffier zal vervolgens de indiener van de akte van appel de hoogte van het te betalen griffierecht meedelen en de griffier zal op de akte van hoger beroep aantekenen dat hij de indiener van de akte de hoogte van het griffierecht heeft meegedeeld. De indiener van de akte van hoger beroep zal vervolgens worden gevraagd om een handtekening te plaatsen onder het op de akte van hoger beroep geplaatste bedrag aan griffierecht en de mededeling dat de hoogte van het griffierecht is meegedeeld. De indiener ontvangt vervolgens een kopie van de akte van hoger beroep. Indien de akte van hoger beroep per fax is ingediend, dient de appellant zich met de originele akte op de eerst volgende dag dat de griffie open is te vervoegen bij de griffier zodat bovenstaande op de originele akte van appel alsnog kan worden uitgevoerd. Appellant dient er rekening mee te houden dat het Hof vanaf heden zal oordelen dat de in art. 270 lid 5 Rv genoemde termijn ingaat op die eerstvolgende dag na indiening van de akte van hoger beroep per fax, ook als de indiener niet verschijnt.” 21

2.26

Uit deze beschrijving van de nieuwe werkwijze op de griffies blijkt dat de griffier afgaat op de vermelding door appellant van het financieel belang van de zaak op de akte van appel en dat een snelle controle via het procesdossier plaatsvindt. De griffier stelt immers terstond het verschuldigde griffierecht vast.

2.27

Een sanctie op het niet naleven van dit voorschrift wordt voor het eerst opgenomen in de Handleiding griffierecht van 24 oktober 201322, dat aan alle griffiemedewerkers, rechters en advocaten van Aruba, Bonaire, Curaçao en Sint Maarten is gericht. Onder 10 wordt vermeld dat indien geen gemotiveerde opgave van het geldelijk belang wordt gedaan, in beginsel als prikkel het maximumtarief geldt. Ook in de tweede editie van de Handleiding griffierecht van 1 oktober 201523 is deze sanctie opgenomen (onder 12). Deze Handleiding griffierecht is per 1 augustus 2016 opgegaan in het Procesreglement 2016. Daarin is in artikel 128 bepaald dat het maximumtarief kan worden gehanteerd indien geen opgave van het geldelijk belang wordt gedaan.

2.28

In een vonnis van 24 mei 201624 heeft het hof op het beroep van een appellant op de hiervoor genoemde uitspraak van de Hoge Raad uit 1993 en het daarin genoemde rechtszekerheidsbeginsel, geoordeeld dat in het algemeen moet worden aangenomen dat indien in een zaak waarbij een advocaat als gemachtigde optreedt, bij de indiening van de akte van appel het griffierecht wordt begroot door een griffiemedewerker, de advocaat er niet op mag vertrouwen dat ten tijde van het wijzen van het eerste hofvonnis geen naheffing zal plaatsvinden en dat hij in beginsel rekening moet houden met de mogelijkheid dat dit wel zal gebeuren. Het hof voegde daaraan toe dat voor de heffing van griffierecht bij de Hoge Raad in de jaren negentig van de vorige eeuw wellicht iets anders gold.

2.29

Dit vonnis is een herhaling van het oordeel van het hof uit 2003 dat er slechts een voorlopige heffing plaatsvindt, althans in een zaak waarbij een advocaat als gemachtigde optreedt.

Ik wijs er wel op dat het hof zich niet heeft uitgelaten over de vraag of dit anders is indien een procespartij geen advocaat heeft en zelf appel instelt.

2.30

In de onderhavige zaak is de akte van appel op 17 mei 2013 ingediend door de gemachtigde van [verzoeker], advocaat mr. A.J. Engelsma, zonder vermelding van het financieel belang. Namens de griffier is vervolgens de volgende mededeling omtrent het te betalen griffierecht op de akte geplaatst:

“Heden, 17 mei 2013,

is door de griffier aan de indiener van [deze] akte van appel mededeling gedaan van [het] te betalen griffierecht van NAf 900,00, De Griffier (…)”

Er wordt in deze tekst geen voorbehoud gemaakt.

2.31

In genoemde uitspraak uit 1993 heeft de Hoge Raad gevolgen verbonden aan het ontbreken van een mededeling van de zijde van de griffier dat de heffing voorlopig is.

Op grond van het hiervoor genoemde vonnis van het hof uit 2003 meen ik dat [verzoeker] er niet op mocht vertrouwen dat de heffing definitief zou zijn, nu zij werd vertegenwoordigd door een advocaat. Deze heeft het geldelijk belang van de zaak niet opgegeven waardoor de griffier op het moment dat hij het vast recht vaststelde niet over alle voor een juiste berekening daarvan vereiste gegevens beschikte. Voorts dient de griffier, als gezegd, het griffierecht “terstond” na indiening van de akte van appel te berekenen en vast te stellen, waardoor weinig aannemelijk is dat hij in de gelegenheid is om het procesdossier grondig te bestuderen. Er kunnen m.i. dan ook bij de vaststelling van het griffierecht eenvoudig relevante gegevens over het hoofd worden gezien, waardoor niet gezegd kan worden dat de griffier over alle voor een juiste berekening vereiste gegevens beschikt.

2.32

Gelet op het voorgaande, met name de andere omstandigheden in het Caribisch deel van het Koninkrijk ten opzichte van de Nederlandse cassatieprocedure en het gegeven dat advocaten in het Caribisch deel van het Koninkrijk op grond van het vonnis van het hof uit 2003 geacht worden te weten dat de heffing van griffierecht een voorlopige is, meen ik dat in ieder geval in zaken waarin een professionele gemachtigde, zoals een advocaat, optreedt, het ter griffie voorhanden zijn van het procesdossier alsmede het ontbreken van een mededeling van de griffier dat de heffing voorlopig is, niet prohibitief zijn voor naheffing indien blijkt dat de zaak in een verkeerde categorie is ingedeeld en daarmee een onjuist bedrag is geheven. Dit geldt m.i. ook als het belang van de zaak juist is opgegeven.

2.33

Uit het voorgaande volgt dat de klachten van de subonderdelen 3.1 en 3.3 niet tot cassatie kunnen leiden.

Subonderdeel 3.2 faalt omdat het berust op de onjuiste lezing dat de naheffing van het griffierecht is gebaseerd op het niet voldoen door [verzoeker] aan het bepaalde in artikel 85 Procesreglement 2005. De griffier heeft, zo blijkt uit rov. 2.2 van het tussenvonnis, zijn voorlopige standpunt dat het hoogste tarief aan griffierecht is verschuldigd en aldus een bedrag van NAf 14.100,00 moet worden nageheven, gebaseerd op het geldelijk belang dat [verzoeker] volgens de griffier bij zijn vordering heeft (art. 20 lid 3 Ltbz), welk belang door de griffier kennelijk wordt gewaardeerd aan de hand van de koopprijs van het appartement in 2003 en de met de aannemer in 2005 overeengekomen aanneemsom voor de bouw van de villa. Niet blijkt dat de griffier het hoogste tarief aan griffierecht heeft vastgesteld bij wijze van sanctie op het handelen in strijd met artikel 85 Procesreglement 2005.

2.34

Ik keer terug naar de bespreking van onderdeel 2 over het verzet.

2.35

Uit de uitspraak van de Hoge Raad uit 1993 volgt dat in Nederland tegen de naheffing van het griffierecht kan worden opgekomen in de verzetprocedure25. De vraag rijst of dit niet ook geldt in het Caribische deel van het Koninkrijk, zoals het hof in rov. 2.4 van zijn eindvonnis in deze zaak heeft geoordeeld.

2.36

De regeling van het verzet in het Ltbz is grotendeels overgenomen uit (art. 22, 24 en 25 van) de Wtbz.

In art. 29 Ltbz is opgenomen dat de betaling van de rechten en verschotten hetzij contant, hetzij uit voorschot geschiedt.

Art. 35 lid 1 Ltbz geeft de griffier de bevoegdheid om van de belanghebbenden, hun advocaten, raadslieden of gemachtigden, tegen bewijs van ontvangst en ter latere verrekening een voorschot te vragen ter dekking van de vermoedelijke rechten en verschotten. Op grond van art. 35 lid 3 Ltbz kan de voorschotgever gedurende een maand na de storting van het voorschot tegen de beslissing van de griffier bij het GEA of het hof waar het voorschot is gestort, bij verzoekschrift in verzet komen.

De voorschotgever kan voorts, ingevolge art. 36 lid 1 Ltbz, gedurende een maand na de mededeling van de uit het voorschot verrekende rechten en verschotten tegen de beslissing van de griffier in verzet komen. Ook dat moet gebeuren bij “het Gerecht of het Hof” ter griffie waarvan het voorschot werd gestort.

Bij rechtstreekse betaling van de rechten en verschotten kan degene die de rechten of verschotten heeft betaald, eveneens op grond van art. 36 lid 1 Ltbz, binnen een maand na die betaling bij verzoekschrift in verzet komen tegen de beslissing van de griffier.

Ten slotte bepaalt art. 33 lid 4 Ltbz dat tegen een dwangbevel in verzet kan worden gekomen, gedurende een maand na de betekening daarvan.

Op de voet van de art. 35 lid 4 en 36 lid 2 Ltbz is tegen de beslissing van het GEA of het hof op het verzet geen hoger voorziening toegelaten.

2.37

Het hof heeft in rov. 2.2 van het tussenvonnis overwogen dat de griffier van het hof zich voorlopig op het standpunt stelt dat in dit geval het hoogste tarief aan griffierecht is verschuldigd en er nog een bedrag van NAf 14.100,- dient te worden nageheven. Voorts blijkt uit rov. 2.6 van het eindvonnis dat het hof van oordeel is dat [verzoeker] op de voet van art. 36 Ltbz binnen een maand na de door de griffier in het tussenvonnis gedane mededeling in verzet had moeten komen. Het hof heeft aldus geoordeeld dat het standpunt van de griffier moet worden opgevat als een “mededeling van de uit het voorschot verrekende rechten en verschotten” als bedoeld in art. 36 lid 1 Ltbz.

2.38

Ik vraag mij af of dit juist is.

M.i. kan uit het tussenvonnis slechts worden afgeleid dat het door de griffier aanvankelijk vastgestelde bedrag te laag was en ter dekking van het vermoedelijk verschuldigde griffierecht aanvullend een voorschot wordt gevraagd. Het standpunt van de griffier over het verschuldigde griffierecht heeft blijkens rov. 2.2. van het tussenvonnis immers een voorlopig karakter.

Dit brengt m.i. mee dat [verzoeker] op de voet van art. 35 lid 3 Ltbz binnen een maand na betaling van het nageheven griffierecht in verzet kon komen tegen de naheffing van het griffierecht. Uitgaande van de juistheid van de door [verzoeker] gestelde betaling op 1 september 2015, kon [verzoeker] dus uiterlijk op 1 oktober 2015 verzet instellen. Gesteld noch gebleken is dat hij op enig moment verzet heeft ingesteld. Dit zou tot gevolg hebben dat [verzoeker] in cassatie niet-ontvankelijk is in de hiervoor besproken klachten in de onderdelen 3.1 t/m 3.3.

2.39

Onderdeel 2 bevat in de toelichting onder 2.3 de klacht dat het hof niet aan [verzoeker] had mogen tegenwerpen dat hij niet spontaan de weg van art. 36 Ltbz heeft gevolgd voor zijn protest tegen de in het tussenvonnis medegedeelde naheffing van het griffierecht, maar de aan hem uitdrukkelijk door het hof zelf in rov. 2.3 (slot) en het dictum van het tussenvonnis gewezen weg van de akte uitlating griffierecht heeft gekozen.

Volgens [verzoeker] mocht hij gerechtvaardigd, althans excuseerbaar, op deze eigen aanwijzing van het hof vertrouwen, omdat:

(i) de naheffing van het griffierecht geen (duidelijke) basis in het Ltbz of de daaraan ten grondslag liggende regelgeving kent;

(ii) in het tussenvonnis niet is verwezen naar art. 35-36 Ltbz;

(iii) in het tussenvonnis een zeer ruime termijn is bepaald tussen de uiterste betaaldatum voor het nageheven griffierecht en de roldatum waarop de akte uitlating griffierecht mocht worden genomen zodat [verzoeker] niet behoefde te begrijpen dat die akte, zoals het hof in rov. 2.3 van het eindvonnis suggereert, alleen is bedoeld om gevallen van mogelijke strijd met art. 6 EVRM te signaleren en niet (mede) om gemotiveerd bezwaar te maken tegen het feit, althans de omvang, van de naheffing, en

(iv) de slotzin van art. 270 lid 5 Rv bepaalt dat de taxatie van het griffierecht desgevraagd door de rechter geschiedt, dat [verzoeker] zijn verzoek in zijn akte uitlating uitdrukkelijk aan het hof heeft gericht en dat niet valt in te zien dat art. 36 Ltbz of enige andere wettelijke bepaling aan inwilliging van dit verzoek door het hof in de weg stond.

2.40

Voor het geval dat het hof er terecht van uit is gegaan dat verzet op de voet van art. 36 Ltbz de exclusieve rechtsgang is voor een protest tegen de vaststelling bij naheffing van de hoogte van het griffierecht, klaagt het onderdeel onder 2.6 (naar ik begrijp: subsidiair) dat het hof, mede gelet op de in zijn tussenvonnis gecreëerde onduidelijkheid en het door art. 6 EVRM gewaarborgde “acces to court”, [verzoeker] ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld om – ondanks de termijnoverschrijding – bij wege van herstel alsnog binnen een door het hof te bepalen termijn een verzetschrift als bedoeld in art. 36 Ltbz in te dienen.

2.41

Bij de behandeling van deze klachten stel ik voorop dat, zoals hiervoor uit de doeken gedaan, de mogelijkheid van naheffing kan worden gebaseerd op de Ltbz en voorts dat [verzoeker] werd vertegenwoordigd door een advocaat, die, vanwege zijn deskundigheid op het gebied van het procesrecht in het algemeen, kan worden geacht op de hoogte te zijn met de regeling omtrent het verzet tegen de heffing van griffierecht en de daarvoor geldende termijnen.

2.42

Beoordeeld dient derhalve te worden of (de advocaat van) [verzoeker] verschoonbaar op het verkeerde been is gezet door het hof.

Ik kan mij voorstellen dat bij de advocaat van [verzoeker] – bij gebreke van instructies van het hof – de indruk is ontstaan dat hij zich in deze akte kon uitlaten over de verschuldigdheid en de hoogte van het nageheven griffierecht. Niet alleen heeft het hof in het tussenvonnis de zaak naar de rol verwezen voor akte uitlating griffierecht aan de zijde van [verzoeker] zonder te verduidelijken met welk doel deze akte werd gevraagd26, maar ook kan worden aangenomen dat de naheffing van griffierecht bij tussenvonnis ten tijde van het bestreden tussenvonnis (nog) geen gebruikelijke gang van zaken was en de “akte uitlating griffierecht” niet in de wet of het toentertijd geldende Procesreglement 2005, werd geregeld.

2.43

Echter, uit vaste rechtspraak volgt dat aan rechtsmiddelentermijnen strikt de hand moet worden gehouden en dat slechts onder bijzondere omstandigheden plaats is voor een uitzondering, zoals in het geval van zogenoemde apparaatsfouten27 en in het geval dat het recht op toegang tot de rechter als bedoeld in art. 6 EVRM in de kern wordt aangetast28. Van een dergelijke bijzondere situatie is hier geen sprake, nu het m.i. op de weg van de advocaat had gelegen om bij eventuele bestaande onduidelijkheden over het doel van de akte uitlating griffierecht daaromtrent navraag te doen bij het hof dan wel om zekerheidshalve verzet in te stellen tegen de naheffing van het griffierecht. Gelet op de regelgeving in de Ltbz inzake de mogelijkheid van verzet tegen de heffing van griffierecht mocht (de advocaat van) [verzoeker] er m.i. niet verschoonbaar op vertrouwen dat hij ook door middel van de akte uitlating griffierecht kon opkomen tegen de naheffing van het griffierecht door het hof.

2.44

De slotsom is dat onderdeel 2 mitsdien faalt.

2.45

De subonderdelen 3.4 en 3.5 hebben betrekking op het verval van het hoger beroep.

Subonderdeel 3.4 klaagt dat het hof het niet-tijdig betalen van het restant niet – althans niet zonder beroep op bijzondere klemmende redenen – mag bestraffen met de fatale sanctie van verval van hoger beroep, nu een wettelijke grondslag hiervoor ontbreekt, nu art. 270 lid 5 Rv niet ziet op naheffingen.

Volgens subonderdeel 3.5 klemt de sanctie van verval van het hoger beroep temeer op grond van het fundamentele recht op “acces to court” ingevolge art. 6 EVRM indien met deze sanctie wordt gedreigd dan wel deze sanctie wordt uitgesproken op een tijdstip waarop het procesdebat reeds was afgerond. Het subonderdeel verdedigt de opvatting dat partijen na betaling van het (aanvankelijk) vastgestelde griffierecht op grond van een goede procesorde ervan mogen uitgaan dat hun proceshandelingen in appel niet tevergeefs zullen zijn.

2.46

Ook op deze subonderdelen, die geen bespreking meer behoeven vanwege het slagen van onderdeel 1, ga ik kort in29.

2.47

Ik merk allereerst op dat uit – deels – gepubliceerde rechtspraak van het hof uit 2015 en 2016, alsmede uit het Procesreglement 2016 blijkt dat het inmiddels beleid is van het hof om met overeenkomstige toepassing van art. 270 lid 5 Rv het hoger beroep in beginsel vervallen te verklaren indien de appellant het bij tussenvonnis nageheven griffierecht niet heeft betaald binnen de daarvoor in het tussenvonnis gestelde termijn.

2.48

Art. 270 lid 5 Rv luidt als volgt:

“Vindt binnen de voor indiening van de memorie gestelde termijn30 geen vooruitbetaling plaats van het door de griffier getaxeerde bedrag van de kosten van de aanzegging dat hoger beroep is ingesteld, van de betekening van de memorie en de daarbij overgelegde bescheiden, van de zegels die voor het bij artikel 283 bedoelde afschrift-vonnis van de hogere rechter moeten worden gebezigd en van het verschuldigde vast recht, dan vervalt het beroep en wordt de aantekening in het algemeen register doorgehaald. Desverlangd geschiedt de taxatie van het te betalen bedrag door de rechter.”

Het voorschrift is toegelicht met de constatering dat art. 270 door o.m. de invoeging van het vijfde lid in overeenstemming is gebracht met de bij het hof gegroeide praktijk dat de kosten niet werden betaald bij indiening van de akte van hoger beroep (zoals het toenmalige derde lid van art. 270 voorschreef) maar pas bij indiening van de memorie van grieven, dat aan de opsomming van de kosten het vast recht is toegevoegd en dat het beroep vervalt en geen vonnis wordt gewezen indien binnen de termijn voor de memorie van grieven geen betaling plaatsvindt31.

2.49

Zoals vermeld, bevat de wet geen voorschrift over naheffing van griffierecht en heeft de Caribische wetgever zich ook niet uitgelaten over de vraag of en zo ja, welke, sanctie wordt verbonden aan het niet tijdig betalen van nageheven griffierecht. In Nederland is dat wel het geval. De minister van Justitie heeft in de toelichting op de Wgbz (art. 8, 9 en 12 inzake verhoging van griffierecht in geval van verwijzing en vermeerdering van eis) vermeld dat aan niet-tijdige betaling van tijdens de procedure nageheven griffierecht geen processuele consequenties worden verbonden en dat hij daarvan bewust heeft afgezien:

“Indien het griffierecht niet tijdig is voldaan, gelden er in dit geval geen processuele consequenties. Ik heb er om de volgende redenen vanaf gezien om dit te regelen. De procedure is op het moment van de naheffing al aangevangen. Indien de verdere behandeling van de zaak afhankelijk zou worden gesteld van de tijdige betaling van de griffierechtverhoging, zou dit de zaak te veel onderbreken en vertragen. Dit neemt niet weg dat de griffier indien partijen na het verstrijken van de betalingstermijn in gebreke blijven met de betaling van de verhoging van het griffierecht, over zou kunnen gaan tot de invordering van het griffierecht door middel van een door hem uit te vaardigen dwangbevel (artikel 30).” 32

2.50

Het van overeenkomstige toepassing verklaren van de sanctie van art. 270 lid 5 Rv op naheffing van griffierecht komt voor het eerst in een regeling voor in de sinds 1 oktober 2015 geldende Handleiding Griffierecht, tweede editie33, met de volgende bepaling:

16. Geen tijdige betaling van nageheven griffierecht

Een redelijke wetstoepassing brengt mee dat artikel 270 lid 5 Rv in dit geval overeenkomstig wordt toegepast. Het hoger beroep wordt daarom geacht te zijn vervallen (Hof 19 mei 2015, KG 1205/13-Ghis 65846-H 429/13).” 34

In het Procesreglement 2016 is het voorschrift over nageheven griffierecht opgenomen in artikel 132.

2.51

Omdat het in de Handleiding Griffierecht, 2e editie genoemde vonnis van het hof van 19 mei 2015 niet is gepubliceerd, heeft de griffie van de Hoge Raad dit vonnis op mijn verzoek in de zaak 16/00134 opgevraagd bij het hof35. Het hof overweegt daarin onder meer als volgt:

“2.1 Bij tussenvonnis van 20 mei 2014 zijn appellanten in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 17 juni 2014 bij akte, met overlegging van bewijsstukken, mede te delen dat zij het nageheven griffierecht inmiddels hadden betaald. Niet gebleken is dat zij het nageheven griffierecht hebben betaald. Evenmin hebben zij aangevoerd dat of waarom het nageheven griffierecht niet zou behoeven te worden betaald.

2.2

Een redelijke wetstoepassing brengt mee dat art. 270 lid 5 Rv in dit geval overeenkomstig moet worden toegepast. Het hoger beroep wordt daarom geacht te zijn vervallen.”

2.52

Het hof heeft de lijn sindsdien doorgezet, zoals mede blijkt uit het vonnis van het hof van 29 januari 2016 in deze zaak36.

Vervolgens heeft het hof bij vonnis van 15 maart 2016 als volgt geoordeeld37:

“2.4 De SVB zal in de gelegenheid worden gesteld binnen zes weken na heden, dus uiterlijk op 26 april 2016, NAf 3.100,00 aan nageheven griffierecht te betalen. Indien dit niet tijdig gebeurt, leidt dit in beginsel ertoe dat het hoger beroep alsnog vervalt. De zaak zal naar de rol worden verwezen voor uitlating griffierecht aan de zijde van appellant. Indien appellant het nageheven bedrag tijdig betaalt, dient bewijs daarvan aan de akte te worden gehecht. Ter vermijding onnodige vertraging van het geding zal het Hof ambtshalve de rolaantekening P3 toevoegen.

2.5

De sanctie van art. 270 lid 5 Rv, inhoudende dat bij niet-tijdige betaling van het griffierecht door de appellant, het hoger beroep vervalt, is uitsluitend gegeven om de tijdige betaling van het griffierecht te bevorderen. (onderstr. W-vG)

Die sanctie strekt niet ter bescherming van enig recht of belang van de geïntimeerde. Aan MCS zal daarom geen gelegenheid worden geboden om een antwoordakte in te dienen.”

2.53

In zijn in november 2009 afgesloten proefschrift vermeldt Lewin dat de praktijk (destijds) was dat, wanneer de griffier dan wel de rechter constateerde dat de kosten hoger moesten worden getaxeerd dan aanvankelijk door de griffier was gedaan, de aanvullende kosten bij brief van de griffier werden nageheven, waarna vonniswijzing werd aangehouden totdat het aanvullende bedrag was betaald38. Lewin verwijst in dat verband naar een uitspraak van 8 juni 2004, waarin het hof een uiteenzetting heeft gegeven van de in de praktijk gevolgde werkwijze: indien wél betekeningskosten waren voldaan maar geen of onvoldoende griffiegeld was betaald, weigerde de griffier ingevolge art. 35 lid 2 Ltbz zijn of haar diensten, werd er geen vonnis gewezen en werd de zaak na enige tijd ambtshalve geroyeerd39.

2.54

Het is mij niet duidelijk waarom het hof is begonnen met de veel zwaardere sanctie van het vervallen verklaren van het hoger beroep overeenkomstig art. 270 lid 5 Rv bij niet-tijdige betaling van het nageheven griffierecht. Het door het hof in zijn vonnis van 15 maart 2016 genoemde doel van het bevorderen van tijdige betaling van het griffierecht behoeft niet één op één te gelden bij naheffing waarbij al griffierecht is betaald.

Het is bovendien een sanctie die rechtstreeks raakt aan het uit art. 6 EVRM afgeleide recht op toegang tot de rechter40. Hoewel het recht op toegang tot de rechter niet absoluut is en onderhevig kan zijn aan beperkingen, bijv. ten aanzien van de ontvankelijkheid ter zake waarvan de lidstaten over een zekere ‘margin of appreciation’ beschikken, moeten de beperkingen volgens de rechtspraak van het EHRM een legitiem doel dienen, proportioneel zijn en mag het recht mag op toegang tot de rechter niet in de kern worden geraakt41.

2.55

Uit de jurisprudentie van het EHRM blijkt dat procesrechtelijke beperkingen van het recht op toegang tot rechter duidelijk, toegankelijk en voorzienbaar (“claire, accessible et prévisible”) moeten zijn voor de rechtszoekende42. Wanneer het gaat om de toepassing van (verval)termijnen, dient er sprake te zijn van een stelsel dat voldoende samenhangend en helder is geregeld zodat de rechtzoekende een praktisch en effectief recht heeft op toegang tot de rechter43. Uit de rechtspraak volgt niet dat beperkingen op het recht op toegang tot de rechter een wettelijke grondslag moeten hebben. Voor zover de klacht in onderdeel 3.4 van het laatste uitgaat, is deze dus ongegrond.

In de onderhavige zaak schort het m.i. aan de voorzienbaarheid van de sanctie op de niet-tijdige betaling van het nageheven griffierecht44. Daarover wordt echter niet geklaagd.

2.56

M.i. voert onderdeel 3.5 wel terecht aan dat de eisen van een goede procesorde zich verzetten tegen overeenkomstige toepassing van de sanctie van art. 270 lid 5 Rv wanneer de betaling van het door de griffier vastgestelde bedrag aan griffierecht binnen de voor de memorie van grieven gestelde termijn heeft plaatsgevonden en het partijdebat in hoger beroep reeds is afgerond. In een dergelijke fase van de procedure moeten partijen er in beginsel op kunnen vertrouwen dat het hoger beroep aanhangig is en de tijd, moeite en kosten die zij hebben gestoken in het partijdebat achteraf niet onnodig blijken te zijn geweest omdat het hoger beroep alsnog vervallen wordt verklaard vanwege het griffierecht. Dit brengt m.i. mee dat onderdeel 3.5 doel zou hebben getroffen.

2.57

De hiervoor genoemde omstandigheid dat [verzoeker] op de voet van art. 35 lid 3 Ltbz in verzet kon komen van de beslissing van de griffier tot naheffing van het griffierecht brengt mee dat hij eveneens niet-ontvankelijk is in zijn in onderdeel 4 aangevoerde klacht, waarmee hij opkomt tegen het voorlopige standpunt van de griffier, vervat in rov. 2.2-2.3 van het tussenvonnis, om het verschuldigde griffierecht vast te stellen op NAf 15.000,00.

2.58

Tot slot merk ik op dat voor toewijzing van het verzoek van [verzoeker] aan uw Raad tot nihilstelling van het in cassatie verschuldigde griffierecht en het gelasten van terugbetaling van het bedrag dat vooraf is ingehouden van de rekening-courant van Houthoff Buruma, geen grond is. Bovendien geldt – ook hier – dat een dergelijk verzoek alleen kan worden ingesteld bij wijze van verzet op de voet van art. 29 Wgbz tegen de beslissing van de griffier van de Hoge Raad tot heffing van het griffierecht dan wel in het kader van een beroep op de hardheidsclausule ingevolge art. 127a in verbinding met art. 409a Rv45.

3 Conclusie

De conclusie strekt:

- tot niet-ontvankelijkverklaring van [verzoeker] in de onderdelen 3.1-3.3 en 4 van zijn cassatieberoep, en

- tot vernietiging van de vonnissen van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 28 juli 2015 en 29 januari 2016 en tot terugwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 In de Sint Maartense wet- en regelgeving wordt de term “vast recht” gebruikt. In deze conclusie hanteer ik de termen “griffierecht” en “vast recht” als synoniemen.

2 Vanwege de in cassatie voorliggende vragen vermeld ik alleen het procesverloop in hoger beroep, zie daarvoor rov. 1.1-1.5 van het tussenvonnis van het hof van 28 juli 2015 en rov. 1.1-1.3 van het eindvonnis van het hof van 29 januari 2016.

3 De cassatietermijn in deze zaak bedraagt drie maanden, zie art. 4 Rijkswet cassatierechtspraak voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Het cassatieverzoekschrift is op 28 april 2016 door de griffie van de Hoge Raad ontvangen.

4 Productie A bij cassatieverzoekschrift.

5 Productie C bij het cassatieverzoekschrift.

6 Productie B bij het cassatieverzoekschrift.

7 Vgl. HR 29 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7843, NJ 2013/202 rov. 3.3-3.4 en HR 7 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:272, RvdW 2014/286.

8 Voluit: Landsbesluit houdende algemene maatregelen van de 28ste oktober 1987 tot regeling van tarieven van justitiekosten in burgerlijke zaken, t.u.v. artikel 40, vierde lid, van de Eenvormige Landsverordening op de rechterlijke organisatie (PB 1987, nr. 124, nadien gewijzigd). De bestendiging van dit landsbesluit voor Sint Maarten per 10 oktober 2010 is bekendgemaakt in A.B. 2010, GT no 1. en 30.

9 Ik behandel deze vraag ook in de zaak met nummer 16/00134, waarin ik heden eveneens concludeer. Uit noot 8 van het cassatieverzoekschrift blijkt dat [verzoeker] met dit cassatieberoep bekend is.

10 Voluit: Procesreglement voor civiele zaken in Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, opgenomen in de Jurdoc-editie van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, derde druk, 2013, p. 147-164. Het Procesreglement 2005 is met ingang met 1 augustus 2016 vervangen door Procesreglement voor civiele zaken in eerste aanleg en hoger beroep Aruba - Curacao - Sint Maarten - Bonaire - Sint Eustatius – Saba, te raadplegen via de website van het GHvJ: http://www.gemhofvanjustitie.org/nieuws/publicaties.

11 Bijv. het verschil dat in Nederland zowel van de eiser als de verschenen gedaagde griffierecht wordt geheven (art. 2 lid 1 Wtbz, thans: art. 3 lid 1 Wgbz), terwijl in het Caribische deel van het Koninkrijk alleen de eisende partij griffierecht verschuldigd is (art. 20 lid 1 Ltbz).

12 Artikel 20 lid 5 Ltbz: “In geval van vermeerdering van een eis of van een verzoek tot een bepaalde geldsom of tot een bepaald direct geldelijk belang, wordt het recht verhoogd en bepaald overeenkomstig het tweede lid, zonodig in verbinding met het derde lid. De verhoging is verschuldigd na de afroeping van de zaak ter terechtzitting waarop eiser zijn eis bij conclusie of akte ter rolle heeft vermeerderd of nadat het verzoek is vermeerderd”.

13 HR 26 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0892, NJ 1994, 346 m.nt. H.J. Snijders.

14 Vgl. gerechtshof ’s-Hertogenbosch 19 mei 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:2009, Prg. 2016/186 en gerechtshof Den Haag 25 juni 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1731, Prg. 2015/204.

15 Aldus ook het GHvJ in zijn vonnis van 4 februari 2003, TAR-Justicia 2003, nr. 1 p. 61-66.

16 Zie het in de vorige noot genoemde vonnis, rov. 3.13-3.14.

17 Het hof noemt in rov. 3.3 bij vergissing als jaartal 1994.

18 Zie ook: G.C.C. Lewin, Het hoger beroep en het cassatieberoep in burgerlijke zaken in de Nederlandse Antillen en Aruba (diss. Curaçao) BPP nr. VII, Deventer: Kluwer 2010, p. 67.

19 Tevens te raadplegen op de website van het GHvJ: http://www.gemhofvanjustitie.org/uploads/files/Betaling%20griffierecht%20hoger%20beroep.pdf.

20 Toev. A-G: zie het op 1 februari 2005 vastgestelde Procesreglement voor civiele zaken in de Nederlandse Antillen en Aruba en de latere edities daarvan, dat met ingang met 1 augustus 2016 is vervangen door art. 7 Procesreglement voor civiele zaken in eerste aanleg en hoger beroep Aruba - Curacao - Sint Maarten - Bonaire - Sint Eustatius - Saba, te raadplegen via de website van het GHvJ: http://www.gemhofvanjustitie.org/nieuws/publicaties.

21 Op de griffies was de gewoonte ontstaan om het griffierecht pas bij de indiening van de memorie van grieven te berekenen. In veel gevallen resteerde er daardoor te weinig tijd voor het tijdig betalen van het verschuldigde griffierecht, nu de memorie van grieven tegen het einde van de in art. 270 lid 5 Rv genoemde termijn pleegde te worden ingediend. Om die reden werd de nieuwe werkwijze aangekondigd, zie F.J.P. Lock, Kroniek Burgerlijk procesrecht in de (voormalige) Nederlandse Antillen en Aruba, TCR 2011, p. 34.

22 Te raadplegen via: http://www.gemhofvanjustitie.org/uploads/files/handleiding%20griffierecht%20%202013%20def.pdf.

23 Te raadplegen via de website van het GHvJ: http://www.gemhofvanjustitie.org/uploads/files/Handleiding%20griffierecht%202e%20druk%201%20okt%202015(1).pdf.

24 ECLI:NL:OGHACMB:2016:58, rov. 2.3.

25 HR 26 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0892, NJ 1994/346, rov. 2.3.

26 In de zaak 16/00134, waarin ik heden concludeer, had het hof in zijn tussenvonnis expliciet vermeld dat de zaak naar de rol zou worden verwezen om appellante in de gelegenheid te stellen om bij akte een kwitantie over te leggen waaruit blijkt dat zij het nageheven griffierecht heeft betaald.

27 Bijv. indien degene die beroep instelt, ten gevolge van een door (de griffie van) de rechtbank of het hof begane fout of verzuim niet tijdig wist en redelijkerwijs ook niet kon weten dat de rechter uitspraak heeft gedaan en de uitspraak hem als gevolg van een niet aan hem toe te rekenen fout of verzuim pas na afloop van de termijn voor het instellen van hoger beroep of cassatie is toegezonden of verstrekt, zie HR 28 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN8489, NJ 2005/465 en HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1682, NJ 2014/359.

28 Bijv. in een geval als bedoeld in art. 140 lid 3 Rv, waarin de inleidende dagvaarding niet in persoon is betekend en het vonnis aan de bij verstek veroordeelde niet bekend is geworden voorafgaand aan het verstrijken van de appeltermijn, zie HR 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2894, NJ 2016/89.

29 Zie ook mijn conclusie van heden in de zaak 16/00134.

30 Ingevolge art. 271 Rv bedraagt de voor indiening van de memorie gestelde termijn zes weken na de dag van de verklaring waarbij hoger beroep wordt ingesteld (de akte van appel).

31 Landsverordening houdende vaststelling van een nieuw Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, Staten van de Nederlandse Antillen, zitting 2001-2002, Memorie van Toelichting nr. 3, p. 18.

32 Kamerstukken II 2008-2009, 31 758, nr. 3, p. 10; zie ook p. 11 en 12.

33 De op 24 oktober 2013 vastgestelde eerste editie van de Handleiding Griffierecht bevatte deze bepaling niet.

34 Het genoemde vonnis is niet gepubliceerd.

35 Een geanonimiseerd afschrift van dit vonnis is aan deze conclusie gehecht.

36 Ik verwijs ook naar het tussen- en eindvonnis van het hof in de zaak 16/00134 waarin ik heden tevens concludeer.

37 GHvJ 15 maart 2016, ECLI:NL:OGHACMB:2016:17, rov. 2.4-2.5.

38 Lewin 2010, p. 68.

39 GHvJ 8 juni 2004, TAR-Justicia 2007, nr. 4, p. 252-253, rov. 4.2 (Pengel/ATC).

40 Vgl. EHRM 21 januari 1975, Serie A, vol. 18, NJ 1975/462 (Golder/Verenigd Koninkrijk).

41 EHRM 28 mei 1985, nr. 8225/78 (Ashingdane/Verenigd Koninkrijk). Zie voorts: Guide on Article 6, Right to a Fair Trial (civil limb), nr. 50 e.v., te raadplegen via www.echr.coe.int, met verdere vindplaatsen in de rechtspraak van het EHRM.

42 EHRM 24 mei 2006, ECLI:NL:XX:2006:AY5285, AB 2006/257 m.nt. T. Barkhuysen en M.L. van Emmerik, EHRC 2006/97 m.nt. F. Fernhout (Liakopoulou/Griekenland), rov. 11.

43 Zie: A. Knigge, Effectieve toegang tot het civiele geding. Een onderzoek naar de rechtsingang van de civiele procedure ten overstaan van de Nederlandse rechter en naar het ius standi in iudicio, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 1998, p. 15 onder verwijzing naar EHRM 16 december 1992, A 253-B, § 34 en 35 (De Geouffre de la Pradelle/Frankrijk).

44 Zie daarover mijn conclusie in de zaak 16/00134 (onder 2.38)

45 Vgl. mijn conclusie van 28 oktober jl. in de zaak 16/02625 (onder 3.12).