Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1159

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-10-2016
Datum publicatie
22-11-2016
Zaaknummer
15/01998
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2658, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Proeftijd. Art. 14b (oud) en 14c (oud) Sr. Het Hof heeft ten onrechte een proeftijd van drie jaren vastgesteld v.w.b. de naleving van de algemene voorwaarde nu deze gelet op het in deze zaak nog geldende art. 14b.2 (oud) Sr jo. 14c.1 (oud) Sr ten hoogste twee jaren kon bedragen. HR herstelt deze misslag en bepaalt de proeftijd op twee jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 15/01998

Zitting: 4 oktober 2016

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 5 maart 2015 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch in de zaak met parketnummer 01-845262-11 wegens “Belaging” en in de (gevoegde) zaak met parketnummer 01-845311-11 wegens 1. “Belaging”, 2. “Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht” en 3. “Eenvoudige belediging, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 376 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Voorts heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen, telkens met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, een en ander zoals nader in het arrest omschreven.

  2. Namens de verdachte heeft mr. L.E.G. van der Hut, advocaat te Den Haag, bij schriftuur en aanvullende schriftuur in totaal vijf middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel bevat twee klachten. De eerste klacht keert zich tegen ’s hofs afwijzing van het verzoek van de verdediging tot het horen van verbalisant [verbalisant 1] als getuige. Volgens de tweede klacht heeft het hof verzuimd te beslissen op het verzoek van de verdachte om een deskundige te benoemen, teneinde deze te laten rapporteren over de betrouwbaarheid van de verklaringen en de geestelijke gesteldheid van de aangeefster.

  4. In HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. Borgers heeft de Hoge Raad ten aanzien van het horen van getuigen onder meer het volgende overwogen:

“Toetsing in cassatie

2.73. In de cassatieprocedure gaat het niet meer om het al dan niet oproepen of horen van getuigen maar uitsluitend om de toetsing van de beslissingen van de feitenrechter dienaangaande. In cassatie kan door de verdediging daarom alleen worden geklaagd over (a) de beslissing van het hof tot het niet horen van een ter terechtzitting verschenen getuige en (b) de afwijzing door het hof van een ter terechtzitting in hoger beroep gedaan verzoek tot het oproepen van een aldaar niet verschenen getuige. Voorts kan worden geklaagd over het verzuim van het hof op zo een verzoek te beslissen. Over beslissingen of verzuimen van het openbaar ministerie dan wel de rechter in eerste aanleg kan door de verdediging in cassatie dus niet worden geklaagd.

2.74. Wat betreft de onder (a) en (b) genoemde beslissingen kan in cassatie niet over de juistheid ervan worden geklaagd. De Hoge Raad kan immers niet beoordelen of het hof een getuige terecht niet heeft opgeroepen of gehoord. Wel kan in cassatie worden geklaagd over de maatstaf die het hof heeft toegepast en over de begrijpelijkheid van de beslissing.

(…)

2.76.Bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het oproepen van getuigen gaat het in cassatie uiteindelijk om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van – als waren het communicerende vaten – enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen. Bij de beoordeling van de begrijpelijkheid van de beslissing kan ook het procesverloop van belang zijn, zoals (i) het stadium waarin het verzoek is gedaan, in die zin dat het verzoek eerder had kunnen en redelijkerwijs ook had moeten worden gedaan, en (ii) de omstandigheid dat de bij de appelschriftuur opgegeven getuigen – al dan niet op vordering van de advocaat-generaal – (alsnog) op de voet van art. 411a of art. 420 Sv zijn gehoord door een rechter-commissaris of een raadsheer-commissaris, waardoor in de regel het belang zal zijn ontvallen aan de oproeping van die getuigen ter terechtzitting.”

5. Over de eerste klacht kan het volgende worden opgemerkt. De verdachte heeft bij brief van 15 januari 2014, ingekomen bij de griffie van het hof op 17 januari 2014, verzocht verbalisant [verbalisant 1] als getuige te horen. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 29 januari 2014 houdt omtrent dit verzoek het volgende in:

“Desgevraagd deelt de raadsman mede dat verdachte niet ontkent dat hij op het in zijn brief met onderzoekswensen aangehaalde schoolplein is geweest en dat hem niet ten laste is gelegd dat hij op dat schoolplein bedreigingen heeft geuit, maar dat de verdediging desondanks ook de getuigen wil horen die kunnen verklaren over wat er op het schoolplein is gebeurd met het oog op de geloofwaardigheid van de verklaringen van aangeefster [aangeefster] .”

6. Op de terechtzitting van 12 februari 2014 heeft het hof dit verzoek als volgt afgewezen:

“Nu aan verdachte met betrekking tot hetgeen op het schoolplein is gebeurd niet méér is ten laste gelegd dan dat hij daar is geweest en hij dat niet ontkent, acht het hof het niet noodzakelijk de getuigen [verbalisant 3] , [verbalisant 4] , [verbalisant 5] en [verbalisant 2] te horen.

(…)

Het verzoek van de verdachte om de verbalisanten [verbalisant 1] (bedoeld zal zijn: [verbalisant 1] , EH) (…) te horen wijst het hof af. Het hof acht het horen van die verbalisanten, die volgens verdachte kunnen verklaren over wat op het schoolplein is gebeurd, niet noodzakelijk gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de getuigen [verbalisant 3] , [verbalisant 4] , [verbalisant 5] en [verbalisant 2] . Voor zover het verdachte erom is te doen de manier van werken van deze verbalisanten ter discussie te stellen, is het hof van oordeel dat daartoe andere middelen beschikbaar zijn, zoals het indienen van een klacht bij de politie. Het is niet gesteld, noch aannemelijk geworden dat een en ander gevolgen zou hebben gehad voor de betrouwbaarheid van het vergaarde bewijsmateriaal.”

7. Ter terechtzitting van 28 oktober 2014 heeft de verdachte nog naar voren gebracht:

“Ik heb haar vaak gezegd dat zij een slechte moeder is. Ik ben altijd goed voor hen geweest. Natuurlijk ben ik in die periode ook op het schoolplein geweest, daar mag ik toch komen? De directeur van de school heeft mij nooit verzocht het schoolplein te verlaten. U deelt mij mede dat wijkagente [verbalisant 1] dit wel heeft waargenomen en dat ze dit heeft vastgelegd in een proces-verbaal. Natuurlijk heeft zij dat gedaan, zij heeft wel meer leugens op papier gezet. Ik was wel op het schoolplein maar ik heb me netjes gedragen. Waarom wordt mijn verzoek tot het horen van die twee personen als getuige afgewezen?”

8. In antwoord daarop heeft het hof in zijn arrest het volgende overwogen:

“De verdediging heeft eerder in de procedure in hoger beroep het verzoek gedaan tot het horen als getuige van onder meer (…) [verbalisant 1] (…). Het hof heeft dit verzoek voor zover ziende op deze getuigen ter terechtzitting van 12 februari 2014 afgewezen.

De verdachte heeft dit verzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 oktober 2014 herhaald. Het hof zal dit verzoek opnieuw afwijzen.

Het hof acht het niet noodzakelijk om bovengenoemde personen als getuige te horen. Het verzoek wordt afgewezen op dezelfde gronden als die zijn genoemd in het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 12 februari 2014, te meer nu de verdediging geen nieuwe dan wel andere gronden heeft aangevoerd op basis waarvan het hof het horen van deze personen noodzakelijk acht en het hof zelf evenmin gronden aanwezig acht die ertoe zouden nopen deze personen als getuige te horen.”

9. Het verzoek tot het horen van verbalisant [verbalisant 1] is door het hof getoetst aan het noodzakelijkheidscriterium als bedoeld in art. 418, derde lid, Sv. In cassatie wordt de toepasselijkheid van deze maatstaf – terecht – niet bestreden. Wel wordt geklaagd dat de afwijzing van het horen van deze getuige ontoereikend dan wel onbegrijpelijk is gemotiveerd. Voor zover de steller van het middel daarmee wil betogen dat het hof bij zijn oordeel aangaande het verzoek tot het horen van de verbalisant [verbalisant 1] de betrouwbaarheid van het proces-verbaal van bevindingen had moeten betrekken, faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft immers overwogen dat niet gesteld, noch aannemelijk is geworden dat de werkwijze van de verbalisanten gevolgen zou hebben gehad voor de betrouwbaarheid van het vergaarde bewijsmateriaal.

10. Verder wordt in de toelichting op het middel gesteld dat het verzoek om [verbalisant 1] te horen betrekking zou hebben gehad op de tenlastegelegde en bewezenverklaarde achtervolging(en) en niet op hetgeen zich op het schoolplein heeft afgespeeld. Dat lijkt mij niet juist, waarbij ik aanteken dat in de door de verdachte op 15 januari 2014 aan de advocaat-generaal gerichte brief met onderzoekswensen (bij het hof ingekomen op 17 januari 2014) ten aanzien van het horen van verbalisant [verbalisant 1] (p. 10) wordt gerept van de schoolklas en het schoolplein. Voorts valt in het proces-verbaal van ’s hofs terechtzitting van 29 januari 2014 (blad 3) de toelichting van de toenmalige raadsman van de verdachte op dit punt te lezen, inhoudende dat de verdediging “ook de getuigen wil horen die kunnen verklaren over wat er op het schoolplein is gebeurd met het oog op de geloofwaardigheid van de verklaringen van aangeefster [aangeefster] ”. Nu [verbalisant 1] tot die getuigen behoort, heeft het hof het verzoek van de verdediging kunnen verstaan als een verzoek tot het horen van deze verbalisant omtrent hetgeen zich op het schoolplein heeft afgespeeld. In aanmerking genomen dat de verdachte heeft bekend op het schoolplein te zijn geweest en dat de tenlastelegging op dit onderdeel niet méér inhoudt dan dat de verdachte (meermalen) langs de school van de kinderen is gelopen, is het bestreden oordeel van het hof in het licht van enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

11. Wat de tweede klacht betreft, is de steller van het middel van mening dat sprake is van “een verzoek als bedoeld in art. 328 Sv in verbinding met art. 330 Sv om gebruik te maken van een in art. 316 Sv omschreven bevoegdheid”, waarop het hof1 op straffe van nietigheid verplicht was te beslissen. Dat zie ik echter anders. De verdachte heeft in een – andere – brief van (gedagtekend) 16 januari 20142 het volgende geschreven:

“Ik doe er bij verschillende bijlagen van alles erbij van de kinderbescherming, slachtofferhulp om het u wat makkelijker te maken in u beslissing.

Ook wil ik wat zeer relevant is voor al de twee strafzaken een deskundige die het GGZ dossier wat in het verleden van [aangeefster] is gemaakt over misbruik ,stiefoom, vader, broers, mishandeld stiefmoeder en broer.

In gaat zien en verslag uit brengt hier over want ik weet elke detail er van wat erin staat want u bent verplicht om als dit de waarheid boven brengt.

En ik al drie jaar erom vraag in belang en veiligheid voor onze drie kindjes want dan bent u mede verantwoordelijk als er iets gebeurt.

En dat zal mijn overal op vrij gaan spreken dat ik alleen uit veiligheid heb gehandeld en mijn niks te verwijten valt en dat ik ook gelijk heb van 19 okt 2010.

Dat [aangeefster] lijdt aan borderline met woede aanvallen en misbruikt is door haar vader. stiefoom, broers, zwaar mishandeld door stiefmoeder, en broer ,zodat het meisje toen de tijd wat te ziek voor woorden is zomers in kooltruitjes na school moest voor de blauwe plekken te verduisteren en met gym excuses moest verzinnen dat ze niet mee kon doen maar daar schreven ze graag een briefje thuis voor.”

Voorts heeft de verdachte, blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal, op de terechtzitting van het hof van 28 oktober 2014 het volgende naar voren gebracht:

“Ik wil dat er onderzoek wordt gedaan. [aangeefster] heeft borderline en ik heb ervoor gezorgd dat zij daarvoor anderhalf jaar in therapie heeft gezeten.”

12. Een verzoek dat ertoe strekt om toepassing te geven aan art. 316, tweede lid, Sv dient aan betrekkelijk zware eisen te voldoen, wil het een verplichting tot beantwoording scheppen. Onder meer is van belang of het verzoek stellig is gedaan en specifiek is beargumenteerd.3 De hiervoor aangehaalde inhoud van de brief van de verdachte (gedagtekend 16 januari 2014), bezien in samenhang met de mededeling van de verdachte op de terechtzitting van 28 oktober 2014 “Ik wil dat er onderzoek wordt gedaan”, kan die toets niet doorstaan. Hetgeen door de verdachte in verband met het voormelde onderzoek is aangevoerd, heeft het hof dan ook kennelijk en niet onbegrijpelijk niet opgevat als een voldoende stellig en specifiek beargumenteerd verzoek tot het (doen) verrichten van nader onderzoek omtrent welomschreven onderzoekshandelingen of tot het inwinnen van een deskundigenbericht omtrent een welomschreven vraagstelling als bedoeld in art. 328 Sv in verbinding met art. 331 Sv (en art. 316 Sv), waarop krachtens art. 330 Sv (in verbinding met art. 415 Sv) uitdrukkelijk moet worden beslist.

13. Het middel faalt in beide onderdelen.

14. Het tweede middel keert zich met een aantal rechts- en motiveringsklachten tegen de bewezenverklaring van het onder parketnummer 01-845262-11 tenlastegelegde feit.

15. Aan verdachte is onder parketnummer 01-845262-11 tenlastegelegd dat:

“hij in of omstreeks de periode van 15 juni 2011 tot en met 6 juli 2011 te Drunen, gemeente Heusden, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [aangeefster] , in elk geval van een ander, met het oogmerk die [aangeefster] , in elk geval die ander, te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft/is hij, verdachte

- veelvuldig sms-berichten aan die [aangeefster] gestuurd en/of

- veelvuldig die [aangeefster] opgebeld en/of

- veelvuldig, althans een of meermalen die [aangeefster] achtervolgd en/of

- veelvuldig, althans een of meermalen langs de school van de kinderen van die [aangeefster] gelopen.”

16. Ten laste van de verdachte is onder parketnummer 01-845262-11 bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 15 juni 2011 tot en met 6 juli 2011 in Nederland wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [aangeefster] , met het oogmerk die [aangeefster] te dwingen iets te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte

- veelvuldig sms-berichten aan die [aangeefster] gestuurd en

- veelvuldig die [aangeefster] opgebeld en

- meermalen die [aangeefster] achtervolgd.”

17. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen (ik laat de voetnoten achterwege):

“1.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van het gerechtshof van 28 oktober 2014, voor zover inhoudend als verklaring van verdachte:

Ik heb [aangeefster] in de periode van 15 juni 2011 tot en met 6 juli 2011 inderdaad sms-berichten gestuurd. De sms-berichten waren misschien vernederend van aard. Ik heb in die tijd berichten ingesproken op de voicemail van [aangeefster] . Ik heb haar vaak gezegd dat zij een slechte moeder is. Ik ben in die periode ook op het schoolplein geweest.

2.

Een proces-verbaal van aangifte, voor zover inhoudend als verklaring van [aangeefster] :

Ik doe aangifte van stalking door mijn ex-vriend [verdachte] . Sinds zijn vrijlating op 1 juni 2011 word ik vanaf 15 juni 2011 wederom door mijn ex gestalkt. De stalking bestaat uit:

- veel telefoontjes alsmede sms’jes.

- hij achtervolgt mij met de auto [het hof begrijpt: terwijl aangeefster in haar auto rijdt] met zijn scooter. Tweemaal passeerde hij mij met de scooter, ging voor mij rijden en remde expres. Dit was op 23 en 24 juni 2011.

- hij stalkt mij op de school van mijn kinderen. Dit gebeurt sinds 23 juni 2011. Hij komt dan naar school en loopt mij achterna. Hij bezoekt mij en de kinderen viermaal bij [A] in [plaats] , o.a. op 28 en 29 juni 2011.

Op 7 juli 2011 komt het kort geding over de kinderen voor.

3.

Een proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudend als relaas van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1]

Op donderdag 23 juni 2011 zag ik [verdachte] op zijn snorfiets nabij basisschool [A] te [plaats] . Toen alle kinderen uit school kwamen, vertrok [aangeefster] met haar drie kinderen in haar auto en reed in de richting van de Statenlaan. Ik zag dat [verdachte] daar achteraan reed. Op de Statenlaan aangekomen, zag ik [verdachte] met zijn snorfiets rondom het voertuig van [aangeefster] rijden. Ik zag dat hij zowel aan de rechter- als aan de linkerzijde van het voertuig van [aangeefster] reed. Ook zag ik verschillende keren de remlichten van het voertuig van [aangeefster] oplichten.

Ik heb [verdachte] laten stoppen. Tijdens een gesprek met hem werd mij duidelijk dat er 7 juli 2011 een rechtszaak dient aangaande de voorlopige bezoekregeling van de kinderen.

4.

Een proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudend als relaas van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] :

Op vrijdag 8 juli 2011 omstreeks 15.00 uur verscheen voor mij aangever [aangeefster] . Zij toonde aan mij haar mobiele telefoon van het merk Samsung. Zij toonde mij daarin 52 sms-berichten, afkomstig van een contactpersoon genaamd:

-‘ [verdachte] ’ met het telefoonnummer [0001] ,

- van het telefoonnummer + [0002] ,

- van het telefoonnummer + [0003] ,

- en van het telefoonnummer + [0004] .

Uit de inhoud en tekst van deze berichten leidde zij af dat deze berichten verzonden waren door haar ex, verdachte [verdachte] .

Ontvangen op: 18-06-2011 om 20.05 uur

Verzonden door: [verdachte]

Op deze bewuste dag ontving aangever 3 sms-berichten van hetzelfde nummer, contactpersoon [verdachte] .

Ontvangen op: 21-06-2011 om 21.05 uur

Verzonden door: [verdachte]

Ontvangen op: 21-06-2011 om 23.02 uur

Verzonden door: [verdachte]

Op deze bewuste dag ontving aangever 4 sms-berichten van hetzelfde nummer,

contactpersoon [verdachte] .

Ontvangen op: 30-06-2011 om 13:48 uur

Verzonden door: [verdachte]

Ontvangen op: 05-07-2011 om 19:43 uur

Verzonden door:+ [0003]

“(...) jij hebt gefaald als moeder, vooral bij [betrokkene 1] [hof: de oudste zoon van verdachte en aangeefster] (...)”

Ontvangen op: 05-07-2011 om 21:02 uur

Verzonden door: + [0004]

“(...) hoe leg jij dit aan onze kindjes uit morgen zijn wij ze kwijt (...)”

Ontvangen op: 06-07-2011 om 12:22 uur

Verzonden door: + [0002]

“he [betrokkene 1] helemaal gek gemaakt manuke knijpt me helemaal fijn en dat gat in zijn hoofd heb jij gedaan psychopaat dat je bent”

Op 23 juni 2011 las ik tussen 12.28 uur en 19.35 uur in totaal 6 sms-berichten op één dag.

Op 28 juni 2011 las ik tussen 10.41 uur en 20.58 uur in totaal 7 sms-berichten op één dag.

Op 30 juni 2011 las ik tussen 06.30 uur en 20.46 uur in totaal 9 sms-berichten op één dag.

De sms-berichten namen vanaf 21 juni 2011 een grimmige toon aan waarin kleinerend en vernederend werd gesproken tegen aangever.

De aangever toonde mij tevens de oproepenlijst van inkomende telefoonoproepen. Ik zag dat aangever [aangeefster] vanaf 15-06-2011 tot en met 28-06-2011 in totaal 15 oproepen had van contactpersoon [verdachte] .

Daarnaast vertelde aangever mij dat de sms-berichten gepaard gingen met talloze oproepen van voornamelijk afgeschermde nummers. Ik las in de telefoon een aantal van 30 afgeschermde telefoonoproepen tussen 24-06-2011 en 06-07-2011.

Daarnaast liet de aangever mij een voicemailbericht beluisteren afkomstig van contactpersoon ‘ [verdachte] ’. Dit bericht was ingesproken op 22 juni om 16.30 uur.

Daarnaast liet aangever mij een voicemailbericht beluisteren afkomstig van contactpersoon ‘ [verdachte] ’. Dit bericht was ingesproken op 06 juli 15.54 uur. De strekking van dit gesprek is eender met de toon uit de sms-berichten.”

18. Blijkens het tussenarrest van het hof van 11 november 2014 heeft de raadsman, onder verwijzing naar de pleitnota in eerste aanleg en onder overneming van de door de toenmalige raadsvrouw van verdachte aldaar gevoerde argumenten, onder meer vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde. Daartoe is, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, aangevoerd:

Feiten

(01/845262-11) Stalking [aangeefster] , 15 juni - 6 juli 2011

Zoals cliënt zowel tegenover de politie, de rechter-commissaris als ter zitting van 5 december jl. heeft verklaard, erkent hij in deze periode een aantal maal contact met [aangeefster] te hebben gezocht.

Van de sms-berichten zoals die ook aan cliënt ter zitting zijn voorgehouden, erkent hij er enkele te hebben gestuurd. Hij heeft [aangeefster] in deze periode ook een paar keer gebeld. De voicemailberichten die hem ter zitting zijn voorgehouden en die betrekking hebben op deze periode, ontkent hij echter te hebben ingesproken.

Verder ontkent cliënt ten stelligste [aangeefster] te hebben achtervolgd en hij geeft aan wel een paar keer naar school te zijn geweest om zijn kinderen te zien, maar verklaart dat dat niets met [aangeefster] van doen had.

T.a.v. de ten laste gelegde gedragingen, in omgekeerde volgorde:

(…)

Achtervolgen

Wat het vermeende achtervolgen betreft, meent de verdediging dat ook daar onvoldoende bewijs voor is.

De verklaring van de verbalisant [verbalisant 1] in het p-v bevindingen d.d. 30 juni 2011 levert onvoldoende steunbewijs op voor de aangifte, waar deze ziet op een achtervolging op 23 juni 2011. Uit dat p-v volgt immers niet meer dan dat cliënt die dag gedurende korte tijd in de buurt van het voertuig van [aangeefster] heeft gereden op de Statenlaan. Zodra [aangeefster] op die Statenlaan afsloeg, stopte cliënt en liet hij de verbalisant, die daarachter reed, passeren, aldus [verbalisant 1] . Gelet op deze omstandigheden kan bezwaarlijk van een achtervolging worden gesproken.

Overige gedragingen (sms-en en bellen):

1 inbreuk

Op de eerste plaats stelt de verdediging t.a.v. deze gedragingen dat in deze eerste periode überhaupt geen sprake is geweest van een 'inbreuk' op de persoonlijk levenssfeer van [aangeefster] , zoals bedoeld in art. 285b Sr.

Van zo een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer is pas sprake als de privacygerechtigde de storing in zijn of haar persoonlijke levenssfeer niet wenst. Om vast te stellen of er sprake is van belaging, dient het effect van de gedragingen op het slachtoffer aan objectieve maatstaven te worden getoetst. Het is derhalve onvoldoende dat een slachtoffer bepaalde gedragingen als belaging kwalificeert.

Blijkens de verklaring van [aangeefster] , zoals afgelegd bij de rechter-commissaris op 8 mei jl., heeft er in deze periode - de weken voorafgaand aan het kort geding op 7 juli 2011, telefonisch contact plaatsgevonden met haar instemming. Zij verklaarde bij de r-c dat zij cliënt in een tweetal gesprekken te woord heeft gestaan en dat er toen goed met hem te praten was. Dit waren lange gesprekken, van respectievelijk drie kwartier en een half uur.

Op een gegeven moment verliepen de gesprekken niet goed meer, aldus [aangeefster] . Pas vanaf dat moment zouden de gesprekken als hinderlijk kunnen worden aangemerkt. Wanneer dat precies is veranderd, kan uit de verklaring van [aangeefster] echter onvoldoende blijken.

Gelet op het voorgaande is er onvoldoende bewijs voor het feit dat [aangeefster] het telefonisch contact dat cliënt met haar zocht in deze periode als ongewenst en hinderlijk heeft ervaren en is er derhalve onvoldoende bewijs voor het bestanddeel 'inbreuk.'

2 stelselmatigheid

Indien uw rechtbank zal oordelen dat wel sprake is geweest van een inbreuk, stelt de verdediging zich op het standpunt dat het stelselmatige karakter daaraan ontbreekt.

Zoals gezegd ontkent cliënt het veelvuldig bellen en sms-en. Voor de aangifte is op dat punt ook overigens onvoldoende steunbewijs.

De sms- en voicemailberichten die in het dossier zijn opgenomen, zijn onvoldoende naar cliënt te herleiden. Daarbij wordt uw rechtbank verzocht bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van het bewijs nadrukkelijk in aanmerking te nemen dat de voicemailberichten blijkens ; mededeling van de officier van justitie niet bewaard zijn gebleven.

Hierdoor is het voor de verdediging niet mogelijk deze voicemails ter zitting te doen afspelen, zodat uw rechtbank zelf zou kunnen vaststellen of ; het cliënt is die die berichten heeft ingesproken, zoals hij ter zitting van 5 december 2011 heeft verzocht.

Nu er onvoldoende bewijs is voor het veelvuldig sms-en en bellen: vrijspraak van het bestanddeel 'stelselmatig’.

 Vrijspraak van het ten laste gelegde onder parketnummer 01/845262-11.”

19. Ten aanzien van het bewijs heeft het hof in dit verband nog overwogen:

Met betrekking tot de belaging van [aangeefster] in de periode van 15 juni 2017 tot en met 6 juli 2011

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder parketnummer 01-845262-11 ten laste gelegde wegens gebrek aan stelselmatigheid.

Het hof is, anders dan de raadsman, op grond van de bewijsmiddelen van oordeel dat verdachte door zijn handelen stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Daartoe acht het hof de volgende feiten en omstandigheden in het bijzonder redengevend.

Uit de aan het dossier ontleende bewijsmiddelen blijkt dat aangeefster in de periode van 15 juni 2011 tot en met 6 juli 2011 in totaal 52 sms-berichten heeft ontvangen, afkomstig van het telefoonnummer van verdachte en drie andere telefoonnummers (proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 juli 2011). Uit het politiedossier blijkt dat de toon van de sms-berichten vanaf 21 juni 2011 grimmig, kleinerend en vernederend werd. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte bevestigd dat de door hem verstuurde sms-berichten vernederend van aard waren.

De sms-berichten zijn in een relatief kort tijdsbestek verzonden en op 23, 28 en 30 juni 2011 heeft aangeefster in totaal respectievelijk 6, 7 en 9 sms-berichten ontvangen.

Voorts is door verbalisant [verbalisant 2] geconstateerd dat aangeefster in de periode van 15 juni 2011 tot en met 28 juni 2011 in totaal 15 oproepen van (de mobiele telefoon van) verdachte heeft ontvangen. Daarnaast heeft aangeefster nog 30 oproepen van een afgeschermde telefoon ontvangen, welke gepaard gingen met de hiervoor genoemde sms- berichten.

Ook heeft de verbalisant geconstateerd dat aangeefster op 22 juni 2011 en 6 juli 2011 voicemailberichten van verdachte heeft ontvangen waarin aangeefster wordt uitgemaakt voor een ‘slechte moeder’, ‘gestoorde gek’ en ‘gestoorde mongool’.

Ook heeft verdachte aangeefster blijkens de aangifte twee keer (op 23 en 24 juni 2011) achtervolgd en is hij voor haar gaan rijden terwijl zij in de auto zat, waardoor aangeefster moest remmen (proces-verbaal van aangifte d.d. 30 juni 2011, dossierpagina 21-26). Verbalisant [verbalisant 1] heeft dit één maal waargenomen, te weten op 23 juni 2011, waarbij zij heeft gerelateerd dat aangeefster met de kinderen in haar auto vertrok en dat verdachte met zijn snorfiets achter haar aan reed (proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 juni 2011, dossierpagina 27-29). Ze zag dat verdachte met zijn snorfiets rondom de auto van aangeefster reed en dat de remlichten van de auto van aangeefster verschillende malen oplichtten.

Mede gelet op de vernederende toon van de sms-berichten en de voicemailberichten, de duur en de frequentie ervan alsmede de aard van de gedragingen van de verdachte en de achtergrond ervan, te weten de aanloop naar een kort geding dat op 7 juli 2011 zou dienen, waarbij verdachte de vaststelling van een voorlopige omgangsregeling met zijn kinderen had verzocht en aangeefster de oplegging aan verdachte van een contact- en gebiedsverbod vroeg onder verbeurte van een dwangsom, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Het verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen.”

20. Art. 285b Sr, waarop de tenlastelegging en de bewezenverklaring aangaande de belaging zijn gestoeld, luidt:

“1. Hij, die wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maakt op eens anders persoonlijke levenssfeer met het oogmerk die ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen wordt, als schuldig aan belaging, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van de vierde categorie.

2. Vervolging vindt niet plaats dan op klacht van hem tegen wie het misdrijf is begaan.”

21. Bij belaging wordt iemand opzettelijk door een ander herhaaldelijk lastiggevallen en aldus een inbreuk gemaakt op iemands persoonlijke levenssfeer.4 De kern van het delict wordt gevormd door het stelselmatige karakter van het handelen.5Bij de invulling van de term ‘stelselmatig’ heeft de wetgever aansluiting gezocht bij het (toenmalige) wetsvoorstel ‘Bijzondere opsporingsbevoegdheden’6 door daaraan de betekenis van intensiteit, duur en/of frequentie toe te kennen.7 Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging van belang zijn de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.8 In deze opsomming komt naar voren dat het accent – in tegenstelling tot de bijzondere opsporingsbevoegdheden – mede ligt op het niet-heimelijke karakter van belaging. Het gaat om het totaalbeeld dat uit de verschillende, hiervoor genoemde, aspecten van de gedragingen van de verdachte naar voren komt, zoals mijn voormalige ambtgenoot Jörg schreef in zijn conclusie vóór HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0096, NJ 2011/228 m.nt. Keijzer. Waar echter de ondergrens ligt, valt niet in algemene bewoordingen te duiden.9

22. De eerste twee klachten keren zich tegen de bewezenverklaring van het veelvuldig sturen van sms-berichten aan en het veelvuldig opbellen van aangeefster [aangeefster] . Deze bewezenverklaring zou niet, althans onvoldoende, worden ondersteund door de inhoud van de bewijsmiddelen. In de toelichting op het middel wordt uitgelegd waarom: omdat van 41 sms-berichten10 en 30 telefoonoproepen onvoldoende is komen vast te staan dat deze van de verdachte afkomstig zijn, ontbreekt voor het bewijs van de tenlastegelegde onderdelen “veelvuldig sms-berichten aan die [aangeefster] gestuurd” en “veelvuldig die [aangeefster] opgebeld” de noodzakelijke koppeling met de verdachte, terwijl de slechts elf sms-berichten die de verdachte (wel) aan de aangeefster heeft verzonden, bezwaarlijk als een stelselmatige opzettelijke inbreuk van haar levenssfeer kunnen worden gekwalificeerd.11

23. Uit de als bewijsmiddel 4 gebruikte verklaring van de aangeefster en de tekst, de strekking en de toon van de sms-berichten, bezien in samenhang met oproepenlijst van inkomende telefoongesprekken, heeft het hof kunnen afleiden dat deze berichten en oproepen van de verdachte afkomstig waren. Dit oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat, anders dan de steller van het middel meent, de toon van sms- en voicemailberichten een indringend karakter kan geven aan de handelwijze van de dader en derhalve een relevant aspect kan zijn in het hierboven genoemde totaalbeeld van diens gedragingen. In zoverre past dit aspect in de rechtspraak van de Hoge Raad over belaging.12

24. De volgende klacht luidt dat het bewezenverklaarde achtervolgen niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, nu de verdachte slechts voor en naast aangeefster [aangeefster] is gaan rijden en de afstand tussen de school en de Statenlaan slechts 50 tot 100 meter is.

25. Deze klacht faalt reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag. Uit bewijsmiddel 3 volgt dat verbalisant [verbalisant 1] heeft geconstateerd dat de verdachte achter de auto van de aangeefster aanreed.13Voorts blijkt uit dit bewijsmiddel dat de verdachte de aangeefster niet slechts tot, maar ook op de Statenlaan heeft gevolgd. De achtervolging kon het hof dus uit de bewijsmiddelen afleiden. De opvatting van de steller van het middel dat de verklaring van de aangeefster dat de verdachte haar viermaal op het schoolplein achterna is gelopen steunbewijs behoeft, vindt geen steun in het recht. Daargelaten dat deze gedraging niet als zodanig is tenlastegelegd en bewezenverklaard, is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat art. 342, tweede lid, Sv betrekking heeft op de gehele tenlastelegging en niet op onderdelen daarvan.14 Op dit punt is het bewezenverklaarde naar de eis der wet met redenen omkleed. Voor zover in het middel wordt betoogd dat het achterna lopen van het slachtoffer op zichzelf niet als een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer kan worden beschouwd, gaat de steller van het middel eraan voorbij dat het – zoals meermalen gezegd – bij belaging gaat om het totaalbeeld.

26. Het bestreden oordeel van het hof getuigt dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Daaraan doet niet af hetgeen in de toelichting op het middel wordt opgemerkt, te weten dat de aangeefster bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat zij in de weken voorafgaand aan 7 juli 2014 vrijwillig contact heeft gehad met de verdachte. Voor zover in de toelichting op het middel de opvatting ligt besloten dat er een duidelijk omslagpunt moet zijn dat een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zichtbaar maakt, stelt zij een eis die de wet niet kent.15

27. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

28. Het derde middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans op onbegrijpelijke en/of ontoereikende gronden, heeft beslist tot gedeeltelijke toewijzing van de vorderingen tot schadevergoeding van de aangeefster [aangeefster] .

29. Het hof heeft ter zake van de immateriële schade de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster] toegewezen tot een bedrag van € 200,00, respectievelijk een bedrag van € 300,00. Het hof heeft daartoe het volgende overwogen:

“De benadeelde partij [aangeefster] heeft zich in eerste aanleg in de zaak met parketnummer 01-845262-11 in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 1.100,00 te vermeerderen met de wettelijke rente.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Daarnaast heeft zij zich in eerste aanleg in de zaak met parketnummer 01-845311-11 in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ter grootte van € 500,00. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [aangeefster] als gevolg van verdachtes onder parketnummer 01-845262-11 en parketnummer 01-845311-11 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte heeft door zijn handelen immers veel stress bij zijn ex-partner [aangeefster] teweeggebracht. Volgens zeggen van verdachte lijdt [aangeefster] aan een borderline- persoonlijkheidsstoornis. Over het algemeen zijn personen die aan deze stoornis lijden meer dan gemiddeld gevoelig voor stress. Het kan niet anders zijn dan dat de stress van hun moeder een negatief effect heeft gehad op de kinderen van verdachte.

Het hof weegt echter ook mee dat verdachte - blijkens het verhandelde ter zitting in hoger beroep - sinds maart 2013 geen contact meer met zijn ex-partner heeft gezocht.

Alles overziend acht het hof de vordering van de benadeelde partij in de zaak met parketnummer 01-845262-11 toewijsbaar tot een bedrag van € 200,00. De vordering in de zaak met parketnummer 01-845311-11 zal het hof toewijzen tot een bedrag van € 300,00. Over beide bedragen wordt de verzochte wettelijke rente toegewezen. Voor het overige dienen de vorderingen van de benadeelde partij te worden afgewezen.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden. Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door de strafbare feiten is toegebracht.”

30. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof bij de gedeeltelijke toewijzing van de vorderingen van [aangeefster] tot schadevergoeding ten onrechte in het bijzonder waarde heeft gehecht aan de opmerking van de verdachte dat [aangeefster] gediagnosticeerd zou zijn met borderline en heeft meegewogen dat ook de kinderen immateriële schade hebben geleden.

31. Uitgangspunt bij de regeling van de vordering van de benadeelde partij is dat degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, zich ingevolge art. 51f Sv ter zake van een (eenvoudige) vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij kan voegen in het strafproces.16

32. Anders dan de steller van het middel kennelijk meent, kan uit de overwegingen van het hof niet worden afgeleid dat in het bijzonder de door de verdachte gestelde stoornis bij [aangeefster] van invloed is geweest op de (hoogte van de) toewijzing van de vorderingen van [aangeefster] als benadeelde partij. Evenmin lees ik in de hiervoor aangehaalde overwegingen van het hof dat de kinderen immateriële schade zouden hebben geleden, laat staan dat deze een factor van betekenis hebben gevormd bij de bepaling van de bedragen van € 200,00 en € 300,00. Het hof heeft slechts, en niet méér dan dat, geconstateerd dat volgens de verdachte [aangeefster] aan een borderline-persoonlijkheidsstoornis lijdt, dat personen die aan deze stoornis lijden over het algemeen meer dan gemiddeld voor stress gevoelig zijn en dat het niet anders kan zijn dan dat de stress van [aangeefster] een negatief effect heeft gehad op de kinderen van de verdachte.

33. Het middel faalt.

34. Het vierde middel klaagt dat het hof in strijd met ar. 14b (oud) Sr de duur van de proeftijd voor de algemene voorwaarde bij de voorwaardelijke veroordeling van verzoeker heeft bepaald op drie jaar.

35. Het arrest van het hof houdt, voor zover hier van belang, in:

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 266, 285 en 285b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

(…)

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 180 (honderdtachtig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.”

36. De bewezenverklaarde feiten zijn (alles tezamen genomen) gepleegd in de periode van 19 januari 2011 tot en met 18 augustus 2011. Art. 14b, tweede lid, (oud) Sr luidde ten tijde van deze periode:

“De proeftijd bedraagt in de gevallen bedoeld in artikel 14c, eerste lid en tweede lid, onder 3° en 5°, ten hoogste twee jaren en in de overige gevallen ten hoogste drie jaren. De proeftijd kan ten hoogste tien jaren bedragen indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.”

Art. 14c, eerste lid, Sr luidde in de bedoelde periode:

“Toepassing van artikel 14a geschiedt onder de algemene voorwaarden dat:

a. de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, en

b. de veroordeelde, voor zover aan de toepassing van artikel 14a bijzondere voorwaarden als bedoeld in het tweede lid, onder 5°, zijn gesteld, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.”

37. Nu het hof onder het hoofd “Toepasselijke wettelijke voorschriften” heeft geformuleerd dat zijn beslissing is gegrond op onder meer de artikelen 14b Sr en 14c Sr zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde, heeft het hof deze proeftijd ten onrechte vastgesteld op drie jaren, nu deze ten aanzien van de algemene voorwaarde ten hoogste twee jaren kon bedragen.

38. Het middel is dus terecht voorgesteld. De Hoge Raad kan deze misslag van het hof evenwel zelf herstellen.17

39. Het vijfde middel klaagt dat een faxbericht van de verdachte in het ongerede is geraakt en dat dit verzuim zozeer strijdt met een behoorlijke procesorde dat het tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de onderhavige uitspraak moet leiden, nu de beslissing op dit verzoek niet op ‘begrijpelijkheid’ kan worden getoetst.

40. Het ontbreken van een belangrijk processtuk of belangrijke onderdelen van het strafdossier18 leidt er doorgaans toe dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak vernietigt en de inleidende dagvaarding nietig verklaart. De rechter naar wie de zaak zou moeten worden verwezen of teruggewezen zou in een dergelijk geval niet in staat zijn te beraadslagen op de grondslag van de tenlastelegging, zoals de artikelen 348-350 Sv voorschrijven, aldus Van Dorst.19 De raadsman die bevindt dat de processtukken niet volledig zijn, zal – ter bevordering van een voortvarende behandeling van het cassatieberoep20 – op grond van art. IV, derde lid, van het “Procesreglement van de strafkamer van de Hoge Raad 2013” (Stcrt. 2013,36474) eerst schriftelijk een verzoek om aanvulling moeten indienen bij de rolraadsheer, voordat hij over die onvolledigheid wenst te klagen.21 Het is immers goed mogelijk dat via een zoektocht bij het hof het ontbrekende stuk alsnog boven water en beschikbaar komt. Een middel dat enkel klaagt dat een processtuk ontbreekt zonder dat de raadsman eerst aan de rolraadsheer om aanvulling heeft verzocht, kan niet tot cassatie leiden. Ook denkbaar is dat het ontbrekende processtuk reeds niet aanwezig was in het procesdossier dat het hof ter beschikking stond bij de behandeling van de strafzaak in hoger beroep. Alsdan bestaat er onvoldoende grond voor het ernstige vermoeden dat dit processtuk ter griffie van het hof is ontvangen en nadien in het ongerede is geraakt. Ook in dat geval zal de klacht niet tot cassatie leiden.22

41. Maar zelfs wanneer na een zoektocht blijkt dat het processtuk niet (meer) beschikbaar is en het cassatiemiddel daarover klaagt, volgt niet onmiddellijk cassatie. De Hoge Raad toetst dan eerst nog aan het belang van de verdachte bij de enkele klacht dat het processtuk in het ongerede is geraakt. Is het belang van de verdachte daarbij niet evident, dan zal het beroep in cassatie met toepassing van art. 80a Sv niet-ontvankelijk worden verklaard.23 Pas als de zoektocht niets heeft opgeleverd en gezegd kan worden dat het ontbrekende processtuk relevant is voor de beraadslaging op grondslag van de tenlastelegging, zal de bestreden uitspraak worden vernietigd en de inleidende dagvaarding nietig worden verklaard.

42. In de onderhavige zaak gaat het om een faxbericht van 6 februari 2015 dat volgens de verdachte24 op diezelfde datum aan de advocaat-generaal is verzonden en waarin hij het verzoek heeft gedaan om [betrokkene 2] van de Raad voor de Kinderbescherming als getuige te horen. Omdat mr. Van der Hut dit stuk niet in het procesdossier had aangetroffen, heeft zij zich (binnen de daarvoor gestelde termijn) op de voet van art. IV, derde lid, van het genoemde Procesreglement tot de rolraadsheer van de Hoge Raad gewend met het verzoek om aanvulling van de processtukken. In reactie op een brief van de griffier van de Hoge Raad, heeft de senior-raadsheer van het hof bij schrijven van 20 januari 2016 laten weten dat het er voor gehouden moet worden dat het bedoelde faxbericht in het ongerede is geraakt. Daarop is de raadsvrouw een nadere termijn verleend om de eerder ingediende schriftuur te wijzigen, aan te vullen dan wel een of meer middelen in te trekken. Naar aanleiding daarvan heeft de raadsvrouw de aanvullende schriftuur ingediend met de hierboven omschreven klacht.

43. Het faxbericht van de verdachte d.d. 6 februari 2015 is, gezien het daarvan opgemaakte proces-verbaal, mét het verzoek tot het horen van [betrokkene 2] als getuige ter sprake gekomen op de terechtzitting van het hof van 19 februari 2015, en wel op de volgende wijze:

“De verdachte verklaart het volgende.

Ik heb op 6 februari 2015 een faxbericht naar de advocaat-generaal verzonden, met daarin het verzoek om [betrokkene 2] , werkzaam bij de Raad voor de Kinderbescherming, vestiging [...] , als getuige te horen.

De advocaat-generaal deelt mede dat zij dit faxbericht niet heeft ontvangen.

De verdachte overhandigt het faxbericht aan de advocaat-generaal. De advocaat-generaal overhandigt het faxbericht aan de voorzitter, die de inhoud van het bericht voorleest.

De verdachte deelt desgevraagd mede dat hij bij deze via de advocaat-generaal het verzoek doet om [betrokkene 2] , werkzaam bij de Raad voor de Kinderbescherming, als getuige te horen, omdat zij zou kunnen bevestigen dat [aangeefster] woedeaanvallen had.

De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat het verzoek van verdachte tot het horen van [betrokkene 2] als getuige dient te worden afgewezen.

Het onderzoek ter terechtzitting wordt kort onderbroken.

Na een korte onderbreking van het onderzoek voor beraad in raadkamer deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat de beslissing op het verzoek van verdachte bij arrest zal worden genomen.”

44. Blijkens het arrest van het hof houdt deze beslissing het volgende in:

“Ter terechtzitting in hoger beroep van 19 februari 2015 heeft de verdachte het verzoek gedaan om [betrokkene 2] , werkzaam bij de Raad voor de Kinderbescherming, als getuige te horen. Het hof zal ook dit verzoek afwijzen. Het hof acht het verhoor van [betrokkene 2] niet noodzakelijk.”

45. Ter terechtzitting van 19 februari 2015 is het faxbericht dat de verdachte verzonden zou hebben, door de voorzitter voorgelezen. Voorts heeft de verdachte zijn verzoek in dit verband kunnen toelichten; [betrokkene 2] zou kunnen bevestigen dat de aangeefster [aangeefster] woedeaanvallen had.

46. Gezien het voorgaande meen ik, anders dan de steller van het middel, dat ’s hofs afwijzing van het voormelde verzoek van de verdachte heel wel op haar begrijpelijkheid kan worden getoetst. Van een ernstig verzuim is mijns inziens dus geen sprake, en zeker niet van een zodanig ernstig verzuim dat als gevolg daarvan een nietigheid van de onderhavige uitspraak in beeld komt. Voor het overige merk ik, nogmaals, op dat in cassatie het bij de beoordeling van een afwijzing van een verzoek tot het horen van getuigen uiteindelijk gaat om de vraag of de beslissing van het hof begrijpelijk is in het licht van – als waren het communicerende vaten – enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het verzoek is afgewezen (zie hierboven onder 4).

47. Het middel faalt.

48. Het eerste, het tweede, het derde en het vijfde middel falen en kunnen alle worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Het vierde middel is terecht voorgesteld, maar hoeft niet tot cassatie te leiden indien de Hoge Raad het bedoelde verzuim zelf herstelt.

49. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

50. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Ik neem aan gelet op art. 415 Sv.

2 In de aanhef wordt 15 januari 2014 vermeld. Hoe dan ook, het gaat om de brief die op 20 januari 2014 bij het hof is ingekomen.

3 Vgl. HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL3458 en HR 15 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5257, NJ 2003/364. Zie nader A.L. Melai/M.S. Groenhuijsen e.a., Het Wetboek van Strafvordering, artikel 316, aant. 4.1.

4 Kamerstukken II 1997/98, 25 768, nr. 5, p. 2.

5 M.S. Groenhuijsen, “Stalking: Strafrecht als interventierecht”, DD 1998, 6, p. 523 en M.J.A. Duker, “De reikwijdte van het belagingsartikel”, RM Themis 2007, 4, p. 143.

6 Kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. 3, p. 27.

7 Kamerstukken II 1997/98, 25 768, nr. 5, p. 17.

8 HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3626, NJ 2013/394 m.nt. Reijntjes. Zie ook mijn daaraan voorafgaande conclusie.

9 In dezelfde zin M.J.A. Duker, a.w., p. 141-154. Vgl. HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3626, NJ 2013/394 m.nt. Reijntjes: de enkele vaststelling dat aangeefster per sms "vele bedreigingen" heeft ontvangen, levert nog geen belaging in de zin van art. 285b, eerste lid, Sr op.

10 Volgens de toelichting op het middel zouden van de 52 sms-berichten er slechts elf aan de verdachte kunnen worden toegeschreven.

11 Over de vraag of de vijftien oproepen die het slachtoffer kreeg van contactpersoon ‘ [verdachte] ’ als stelselmatig kunnen worden beschouwd, laat de steller van het middel zich niet uit.

12 De stelselmatigheid moet van dien aard zijn, dat zij de gedragingen een indringend karakter geeft. Vgl. HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3625, NJ 2013/393 m.nt. Reijntjes.

13 Bovendien zou naar analogie van art. 426bis Sr kunnen worden gezegd dat (achter)volgen niet noodzakelijkerwijs betekent dat de dader voortdurend achter zijn slachtoffer blijft, maar dat daarvan ook gesproken kan worden indien hij, zoals de verdachte óók deed, met een snorfiets rondom het voertuig van het slachtoffer rijdt. Vgl. HR 23 januari 1928, NJ 1928, p. 363.

14 HR 26 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2094, NJ 2010/512 m.nt. Borgers.

15 Overigens kan uit het Schade-onderbouwingformulier (bijlage 1 bij het voegingsformulier benadeelde partij) worden opgemaakt dat het omslagpunt is gelegen in het moment dat de verdachte van de advocaat de papieren kreeg, waarin de bevestiging van de mondelinge afspraken tussen de verdachte en [aangeefster] stond over de omgang met hun kinderen.

16 Kamerstukken II 2004/05, 30 143, nr. 3, p. 9.

17 Vgl. HR 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1755, HR 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3379, NJ 2015/8 en HR 24 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5319.

18 Vgl. HR 20 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL6675.

19 Zie A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, achtste druk, 2015, p. 79.

20 Zie over de uitleg en toepassing van art. IV, derde lid, van dat Procesreglement: HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6704, NJ 2011/495 m.nt. Borgers.

21 En wel binnen de in art. 437, tweede lid, onderscheidenlijk art. 447, vierde lid, Sv genoemde termijn.

22 Vgl. HR 25 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF1937, NJ 2003/541 en HR 20 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4400.

23 HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1113 en HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005 (rov. 2.4.3).

24 Zie zijn verklaring zoals weergegeven in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 februari 2015.