Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1157

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-10-2016
Datum publicatie
22-11-2016
Zaaknummer
15/03863
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2657, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. Overschrijding redelijke termijn na terugwijzing door HR. Vervolg op ECLI:NL:HR:2013:BY8357. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2008:BD2578 inhoudende dat het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst. Het hof heeft bij zijn oordeel over de overschrijding van de redelijke termijn kennelijk betrokken dat het o.t.t.z. na terugwijzing o.v.v. de verdediging is geschorst. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 15/03863 P

Zitting: 4 oktober 2016

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[betrokkene]

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (zittingsplaats Arnhem) heeft bij arrest van 7 augustus 2015 het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 2.632,00 en de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.500,00.

  2. Namens de betrokkene heeft mr. J. Michels, advocaat te Amersfoort, een middel van cassatie voorgesteld.

  3. De onderhavige ontnemingszaak kent in de procesgang een voorgeschiedenis. Het hof had al eerder, op 15 februari 2012, uitspraak gedaan, gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Zutphen van 12 april 2011. In zijn arrest van 22 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8357, NJ 2013/75 heeft de Hoge Raad deze uitspraak vernietigd en de zaak teruggewezen naar het hof opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw zou worden berecht en afgedaan. Het thans bestreden arrest van het hof is daarvan het vervolg.

  4. Het middel klaagt dat het hof “het rechtsgevolg verbonden aan de (onjuist) vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn” onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.

  5. Blijkens het proces-verbaal terechtzitting van 24 juli 2015 heeft de raadsman van de betrokkene aldaar het woord gevoerd overeenkomstig zijn op schrift gestelde en aan dat proces-verbaal gehechte berekening van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel. Uit deze berekening, die met de hand en door middel van steekwoorden geschreven is, meen ik te kunnen opmaken dat de raadsman op ’s hofs terechtzitting heeft betoogd dat sprake is van een schending van de redelijke termijn en dat dit dient te leiden tot een korting van tenminste 10% op het geschatte ontnemingsbedrag. Kennelijk heeft het hof het verweer van de raadsman ter zake ook als zodanig opgevat, gezien zijn volgende overwegingen:

“Omvang betalingsverplichting

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de omvang van de betalingsverplichting, wegens de overschrijding van de redelijke termijn, gematigd moet worden tot een bedrag van 2.000 euro.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn en dat de omvang van de betalingsverplichting dientengevolge moet worden gematigd met een percentage van minstens tien procent.

(…)

Oordeel hof

Nu het hof het vonnis van de eerste rechter heeft bevestigd ten aanzien van de vaststelling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel, komt het hof -evenals de rechtbank - tot een schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van 2.632 euro.

Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM in de onderhavige zaak in de fase van het huidige hoger beroep met ongeveer twee maanden is overschreden. Gelet op de lange duur van de totale procedure, maar voorts in aanmerking nemende dat sprake is van een zeer beperkte overschrijding van de redelijke termijn, ziet het hof aanleiding om de betalingsverplichting te matigen tot een bedrag van 2.500 euro.”

6. In het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis heeft de Hoge Raad met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende overwogen:

“Toetsing door de Hoge Raad als cassatierechter

3.7.

Als cassatierechter onderzoekt de Hoge Raad het oordeel van de feitenrechter inzake het tijdsverloop vóór de uitspraak waartegen beroep in cassatie is ingesteld. Dat onderzoek wordt als volgt begrensd:

a. Het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Van onbegrijpelijkheid zal overigens niet licht sprake zijn omdat een dergelijk oordeel sterk verweven pleegt te zijn met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan een beoordeling door de cassatierechter.

b. Ook het rechtsgevolg dat de feitenrechter heeft verbonden aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, kan slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.

3.8.

Bij deze toetsing geldt als uitgangspunt dat de rechter ambtshalve dient te onderzoeken of inbreuk is gemaakt op de onderhavige garantie van art. 6, eerste lid, EVRM. Hij behoeft in zijn uitspraak echter alleen in de volgende gevallen te doen blijken van dat onderzoek:

a. Als ter terechtzitting door of namens de verdachte ter zake verweer is gevoerd, aangezien op een zodanig verweer een gemotiveerde beslissing dient te worden gegeven.

b. (…)

Duur van de redelijke termijn

3.13.1.

De redelijkheid van de duur van een zaak is afhankelijk van onder meer de volgende omstandigheden:

a. De ingewikkeldheid van de zaak. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de omvang van het verrichte onderzoek, waaronder begrepen een gerechtelijk vooronderzoek, alsmede de gelijktijdige berechting van zaken tegen medeverdachten en/of van andere zaken tegen de verdachte.

b. De invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de naleving door de verdachte van wettelijke voorschriften die mede met het oog op de betekening van gerechtelijke stukken in het leven zijn geroepen, en het doen van verzoeken door de verdediging die leiden tot vertraging in de afdoening van de zaak.

c. De wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de mate van voortvarendheid die in het opsporingsonderzoek, het gerechtelijk vooronderzoek en/of het onderzoek ter terechtzitting is betracht.

3.13.2.

In ontnemingszaken komt daar als bijzonderheid bij:

d. dat de afdoening van de zaak als gevolg van het bepaalde in art. 36e, eerste lid, Sr mede afhankelijk is van de termijn die met de behandeling van de strafzaak is gemoeid, en

e. dat de ontnemingszaak, naar volgt uit art. 511b, eerste lid, Sv, zo spoedig mogelijk doch in elk geval binnen twee jaren na de uitspraak in eerste aanleg in de strafzaak nog aanhangig kan worden gemaakt.

3.14.

Wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden als onder 3.13.1 vermeld.

(…)

3.16.

Voor de berechting van de zaak in hoger beroep geldt het onder 3.12-3.15 gestelde eveneens. Behoudens de onder 3.13 vermelde bijzondere omstandigheden behoort in die procesfase het geding met een einduitspraak te zijn afgerond binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld, en binnen 16 maanden indien de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert en/of het strafrecht voor jeugdigen is toegepast.

(…)

Rechtsgevolgen van overschrijding van de redelijke termijn

(…)

3.22.

De vermindering van de straf onderscheidenlijk het ontnemingsbedrag is afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden. Algemene regels omtrent de wijze waarop de straf onderscheidenlijk het ontnemingsbedrag dient te worden verminderd, zijn niet te geven. (…). “

7. De steller van het middel heeft, blijkens de toelichting daarop, bij het opstellen van het cassatiemiddel acht geslagen op het arrest van de Hoge Raad van 13 oktober 2015 ECLI:NL:HR:2015:3025, NJ 2015/445. In die zaak had het hof vastgesteld dat de redelijke termijn in drie gedingfasen was overschreden en dat geen bijzondere omstandigheden aanwezig waren die een zo langdurig tijdsverloop rechtvaardigden. De derde fase betrof, aldus het hof, het tijdsverloop tussen de datum waarop door de Hoge Raad in die zaak in cassatie uitspraak was gedaan en de datum waarop het hof na terugwijzing van de zaak de (bestreden) uitspraak zou doen. Het rechtsgevolg dat het hof aan het door hem vastgestelde verbond (te weten matiging met € 10.000,-), achtte de Hoge Raad niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.

8. Het hof heeft in het bestreden arrest geoordeeld dat in de huidige fase van het hoger beroep (cursivering van mij, AG) sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM van “ongeveer twee maanden”. Dit oordeel is niet gemotiveerd en mijns inziens niet begrijpelijk waarbij ik in het bijzonder in aanmerking heb genomen dat de Hoge Raad de onderhavige zaak op 22 januari 2013 terugwees en het hof op 7 augustus 2015 tot zijn uitspraak kwam. In dat licht bezien doet zich een termijnoverschrijding voor van zes maanden en ruim twee weken. Een dergelijke termijnoverschrijding noem ik niet “zeer beperkt” en verschilt mijns inziens dermate veel van de door het hof genoemde “ongeveer twee maanden” dat ’s hofs niet nader gemotiveerde oordeel geen stand kan houden.

9. Het middel is terecht voorgesteld.

10. Indien kan worden gezegd dat de betrokkene een rechtens te respecteren belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak heeft, geef ik de Hoge Raad om redenen van doelmatigheid in overweging de zaak zelf af te doen en de hoogte van de betalingsverplichting te verminderen in de mate die de Hoge Raad gepast zal voorkomen. De betalingsverplichting zou dan bijvoorbeeld kunnen worden gematigd tot een bedrag van € 2.368,80, zijnde 10% van het door het hof vastgestelde bedrag van € 2.632,00. Een dergelijke vermindering is in overeenstemming met de maatstaven die de Hoge Raad heeft ontwikkeld voor overschrijding van de redelijke termijn in de fase ná de uitspraak waartegen beroep in cassatie is ingesteld. Zoals ik ook al in mijn conclusie voorafgaand aan het hierboven aangehaalde arrest van HR 13 oktober 2015 ECLI:NL:HR:2015:3025, NJ 2015/445 heb aangegeven, zijn deze maatstaven goed beschouwd niet ontwikkeld voor een termijnoverschrijding die heeft plaatsgevonden vóór de uitspraak waartegen beroep in cassatie is ingesteld, maar kunnen deze maatstaven in een geval als het onderhavige wel als richtsnoer dienen.

11. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG