Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1154

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-10-2016
Datum publicatie
22-11-2016
Zaaknummer
15/03920
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2653, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Machtiging raadsman, naar eigen zeggen beperkt? Art. 279 Sv. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2003:AF4323 inhoudende dat een machtiging niet kan worden beperkt tot bepaalde onderdelen van het voeren van de verdediging. De rechter mag geen onderzoek instellen omtrent de vraag of de advocaat die stelt bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd, dit naar waarheid verklaart of naar de reikwijdte van zijn verklaring dat hij gemachtigd is. Gegronde klacht dat het hof, mede gelet op het belang van art. 279 Sv, voorbij had moeten gaan aan de t.t.z. gedane verklaring van raadsman dat verdachte hem “beperkt” had gemachtigd en dat het hof de zaak vervolgens ten onrechte bij verstek heeft afgedaan. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 15/03920

Zitting: 4 oktober 2016 (bij vervroeging)

Mr. P.C. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 31 juli 2015 de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, waarbij verdachte ter zake van “medeplegen van witwassen” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht weken, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof inbeslaggenomen voorwerpen verbeurd en aan het verkeer onttrokken verklaard op de wijze als in het arrest is vermeld.

  2. Namens de verdachte heeft mr. R.F. Ronday, advocaat te Mijdrecht, één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel richt zich tegen de beslissing van het hof tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep.

  4. Stellige klachten laten zich in de toelichting op het middel moeilijk lezen. De toelichting bevat namelijk in hoofdzaak een herhaling van hetgeen in de visie van de steller van het middel ter terechtzitting van het hof is voorgevallen. Ik begrijp de klacht uiterst welwillend zo dat het eindarrest van het hof gebaseerd is op een nietig onderzoek ter terechtzitting, omdat het hof ten onrechte heeft overwogen dat verdachte “er nadien klaarblijkelijk voor gekozen had afstand te doen van zijn aanwezigheidsrecht”(toelichting onder 8) en “kenbaar [maakte] dat de raadsman niet gemachtigd zou zijn in de zin van 279 strafvordering en niet de bevoegdheid zou hebben om een wrakingsverzoek te doen”(toelichting onder 11).

  5. Beide klachten hangen in de lucht en moeten daar ook blijven hangen. Ik licht dat als volgt toe. De voorzitter van het hof heeft ter zitting van hof van 31 juli 2015 blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal meegedeeld dat de dagvaarding van verdachte voor de terechtzitting van heden in persoon is betekend en vervolgens nog dat verdachte er nadien klaarblijkelijk voor heeft gekozen afstand te doen van zijn aanwezigheidsrecht. Dat is niet onbegrijpelijk mede in het licht dat er over de betekening geen verweer is gevoerd en evenmin een verzoek is gedaan tot aanhouding met als reden dat verdachte zijn recht op aanwezigheid ter terechtzitting wenste te effectueren. Het middel mist derhalve feitelijke grondslag nu immers uit het proces-verbaal van de terechtzitting niet blijkt dat een dergelijk verzoek is gedaan.1

6. Het centrale punt van de tweede klacht is dat het oordeel van het hof dat de raadsman van de verdachte niet op grond van art. 279 Sv uitdrukkelijk was gemachtigd tot het voeren van de verdediging onbegrijpelijk is. Daartoe wordt aangevoerd dat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 31 juli 2015 inhoudt dat de raadsman heeft gesteld dat hij wel over een dergelijke machtiging beschikte. Dat proces-verbaal houdt evenwel ook in dat de raadsman nadien heeft verklaard dat hij slechts was gemachtigd tot het doen van een aanhoudingsverzoek en niet (ook) “voor de inhoudelijke behandeling van de zaak.” Het hof heeft dat kennelijk en niet onbegrijpelijk opgevat als een mededeling dat de raadsman niet gemachtigd was tot het voeren van de verdediging. De mededeling van de raadsman is onnavolgbaar. Als hij bedoelt te zeggen dat hij is gemachtigd om een aanhoudingsverzoek te doen ter effectuering van het aanwezigheidsrecht dan is dat niet te volgen omdat daarvoor geen machtiging nodig is, terwijl hij bovendien een dergelijk verzoek niet doet. Als hij bedoelt te zeggen dat hij is gemachtigd in het kader van een getuigenverzoek om aanhouding te vragen is dat een niet toegelaten beperking van een machtiging. Deze klacht mist eveneens feitelijke grondslag.

7. Tot slot wordt nog geklaagd over het oordeel van het hof dat de raadsman van de verdachte niet bevoegd was tot het doen van een wrakingsverzoek. Voor zover de opmerking dat het hier gaat om een “een onjuist en onhoudbaar standpunt/oordeel” van het hof al als een cassatieklacht moet worden gelezen, kan deze om de hiervoor besproken redenen niet tot cassatie leiden.

8. Het middel faalt evident en kan worden afgedaan op de voet van art. 80a RO.

9. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in cassatie.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het proces-verbaal houdt wel in dat aanhoudingsverzoeken zijn gedaan met het oog op het horen van getuigen. Op die verzoeken wordt in de toelichting op het middel wel gewezen, een klacht over de afwijzing daarvan lees ik in die toelichting echter niet.