Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1140

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-06-2016
Datum publicatie
18-11-2016
Zaaknummer
16/02132
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2641, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Tussentijdse beëindiging (art. 350 Fw). Boedelachterstand, nieuwe schulden en schending inlichtingenplicht. Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens indienen blanco beroepschrift en te laat bekend maken van grieven?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. 16/02132 Mr. R.H. de Bock
Zitting: 29 juni 2016 conclusie inzake

[verzoekster]
wonende te [woonplaats]
(hierna: [verzoekster])

1. Bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 4 april 2013 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoekster] uitgesproken. Bij vonnis van dezelfde rechtbank van 13 oktober 2014 is het verzoek tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling afgewezen. Na een mondelinge behandeling op 9 december 2015 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, op 23 december 2015 de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigd, kort gezegd op de gronden als genoemd in art. 350 lid 3 aanhef en sub c en d Fw.

2. [verzoekster] is van het vonnis van de rechtbank van 23 december 2015 in hoger beroep gekomen. Het beroepschrift bevat onder het kopje ‘gronden’ de volgende tekst:

“Bij uitspraak van 23 december 2015 (…) heeft de rechtbank Breda het schuldsaneringstraject van verzoekster beëindigd zonder toekenning van de schone lei (…).

De rechtbank heeft besloten om het schuldsaneringstraject te beëindigen zonder toekenning van de schone lei omdat verzoekster de inlichtingenplicht zou hebben geschonden, er een nieuwe schuld zou zijn ontstaan en er sprake zou zijn van een boedelachterstand.

Ten aanzien van de nieuwe schuld het volgende. Verzoekster erkent dat er sprake is van een nieuwe schuld maar stelt zich op het standpunt dat deze niet verwijtbaar is althans dat de tekortkoming van een dusdanige geringe betekenis is dat deze niet in de weg hoeft te staan aan een schone lei. Verzoekster zal dit standpunt voorafgaande dan wel tijdens de zitting onderbouwen.

Ten aanzien van de inlichtingenplicht het volgende. Verzoekster is van mening dat zij zoveel mogelijk heeft getracht om te voldoen aan deze verplichting en betwist dan ook de schending.

Ten aanzien van de boedelachterstand het volgende. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een boedelachterstand en zal dit standpunt voorafgaande aan de zitting schriftelijk onderbouwen.

Als gevolg van de feestdagen heeft verzoekster het vonnis van de rechtbank vandaag pas ontvangen en is zij niet in staat om een afschrift aan gemachtigde te doen toekomen. Derhalve zijn de gronden summier opgesteld en is het vonnis niet als productie gevoegd. De gronden zullen dan ook ten spoedigste worden aangevuld.”

Na een openbare terechtzitting van het hof ’s-Hertogenbosch van 24 februari 2016, waarop niemand is verschenen, heeft het hof bij arrest van 3 maart 2016 de behandeling aangehouden. Een tweede mondelinge behandeling heeft vervolgens plaatsgevonden op 6 april 2016. Bij arrest van 14 april 2016 verklaart het hof ’s-Hertogenbosch [verzoekster] niet-ontvankelijk in haar beroep. Het hof heeft daartoe het volgende overwogen:

“5.4.1. Het hof dient, gelet op het bepaalde in artikel 350 lid 3 aanhef en sub c en/of d en/of e en/of f Fw, te beoordelen of er bij [verzoekster] sprake is van:

 het niet naar behoren nakomen van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen of het door haar doen of nalaten anderszins belemmeren dan wel frustreren van de uitvoering van de schuldsaneringsregeling;

 het doen of laten ontstaan van bovenmatige schulden;

 het trachten haar schuldeisers te benadelen;

 het bekend worden van feiten en omstandigheden die op het tijdstip van het indienen van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen overeenkomstig artikel 288 lid 1 en lid 2 Fw.

5.4.2.

Vooropgesteld wordt dat een beroepschrift moet voldoen aan de in artikel 359 jo. 278 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gestelde eisen en met name de gronden dient te bevatten waarop het appel berust, hetgeen wil zeggen dat uit het beroepschrift moet blijken op welke gronden de appellant oordeelt dat de door hem bestreden uitspraak onjuist is. Niet kan worden volstaan met een opmerking dat verzoeker het niets eens is met de overwegingen van de rechtbank.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat, voor zover de gronden in het beroepschrift ontbreken, er ook geen ruimte bestaat om de gronden bij aanvullend beroepschrift alsnog aan te voeren. Onder omstandigheden kan echter worden volstaan met een blanco beroepschrift en kunnen de gronden met bekwame spoed worden aangevuld (zie onder meer conclusie A-G Wesseling-Van Gent, 19 oktober 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BA9616). Hiervan kan sprake zijn wanneer er een essentieel processtuk, als de uitspraak waarvan beroep, ten tijde van het opstellen van het beroepschrift ontbreekt.

5.4.2.1. Ten aanzien van de inhoud van het beroepschrift van [verzoekster] als ingekomen bij het hof op 31 december 2015 is het hof van oordeel dat geen sprake is van deugdelijke, kenbare grieven en dat de gronden van het beroep ontbreken.

[verzoekster] geeft aan op welke gronden de rechtbank de schuldsaneringsregeling ten aanzien van haar tussentijds heeft beëindigd en voert voorts enkel en zonder enige toelichting aan dat de nieuwe schuld niet verwijtbaar is, althans dat de tekortkoming van een dusdanige geringe betekenis is dat deze niet in de weg hoeft te staan aan een schone lei, dat zij zoveel mogelijk heeft getracht aan de inlichtingenplicht te voldoen en dat geen sprake is van een boedelachterstand. Hiermee is slechts aangegeven dat [verzoekster] het niet eens is met de beslissing van de rechtbank, maar geenszins is voldoende duidelijk gemaakt waar dit op berust. Er is derhalve sprake van een zgn. blanco beroepschrift.

[verzoekster] heeft in het beroepschrift van 31 december 2015 gesteld het vonnis waarvan beroep pas op 31 december te hebben ontvangen.

Voor zover [verzoekster] om die reden al het recht had de gronden van het beroep te mogen aanvullen - bij gelegenheid van de tweede mondelinge behandeling in hoger beroep heeft zij immers aangegeven het vonnis waarvan beroep op 28 of 29 december 2015 reeds te hebben ontvangen - heeft te gelden dat [verzoekster] dit pas voor het eerst heeft gedaan op 23 februari 2016. Eerst op dat moment heeft [verzoekster] enige toelichting gegeven op het eerdere beroepschrift. Dit is circa 7 à 8 weken nadat het oorspronkelijke beroepschrift is ingediend. Deze aanvulling van de gronden had echter met bekwame spoed, te weten binnen een termijn van 8 dagen (gelijk aan de beroepstermijn) - hooguit met nog een korte uitloop - na de dag van ontvangst door [verzoekster] van het vonnis waarvan beroep aan het hof moeten worden toegezonden. Het hof is niet gebleken van zeer uitzonderlijke omstandigheden die in dit geval het te laat inzenden van de aanvullingen inzake de gronden van het beroep verschoonbaar zouden maken.

[verzoekster] heeft derhalve haar grieven te laat aan het hof voldoende gegrond kenbaar gemaakt. Bij het voorgaande heeft het hof in ogenschouw genomen dat [verzoekster] vanaf 31 december 2015 bijstand had van een advocaat.

Het ontbreken van een tijdige opgave van gronden leidt tot een niet-ontvankelijk verklaring in het hoger beroep.

5.5.

Het hof overweegt daarnaast - ten overvloede - dat het beroep van [verzoekster] op inhoudelijke gronden evenmin had kunnen slagen. Het hof zal dit toelichten.

5.5.1.

De boedelachterstand

De bewindvoerder heeft een boedelachterstand berekend van ruim € 16.000,--. [verzoekster] betwist de boedelachterstand, althans de hoogte ervan, onder meer vanwege de kwestie van de borg. Zelfs indien de borg uit de berekening zou worden weggelaten, dan blijft er nog een forse boedelachterstand bestaan. De bewindvoerder heeft deze berekend aan de hand van de door [verzoekster] aangeleverde stukken en bovendien valt een en ander onder de controle van de rechter-commissaris. Het hof zal dan ook uitgaan van de juistheid van de door de bewindvoerder vastgestelde bedragen, nu het tegendeel het hof geenszins is gebleken.

5.5.2.

Nieuwe schulden

Er is een nieuwe schuld ontstaan aan CZ van circa € 4.500,-- en er is sprake van een nieuwe schuld als gevolg van een opgelegde schademaatregel van circa € 2.500,-- (hierover later meer). Nu [verzoekster] voor een bedrag van circa € 7.000,-- aan nieuwe schulden heeft laten ontstaan en dit bedrag, in relatie tot haar inkomen, als bovenmatig kan worden aangemerkt, is het hof van oordeel dat reeds op grond hiervan de schuldsaneringsregeling tussentijds dient te worden beëindigd. Het laten ontstaan van bovenmatige schulden gedurende de schuldsaneringsregeling vormt immers op grond van artikel 350 lid 3 sub d Fw een zelfstandige beëindigingsgrond, nu dit niet verenigbaar is met de doelstelling van de schuldsaneringsregeling. Het vrij te laten bedrag dient toereikend te zijn om de vaste lasten, waaronder ziektekostenpremies, te betalen. [verzoekster] had dan ook haar uitgaven dienen af te stemmen op haar inkomsten.

Het is het hof verder gebleken dat de schuld aan CZ reeds in oktober 2014 bekend was. Indien deze schuld aan de meerderjarige kinderen van [verzoekster] toekomt, dan heeft [verzoekster] ruimschoots de gelegenheid gehad om dit middels verificatoire bescheiden aan te tonen. Er zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken waaruit blijkt dat het laten ontstaan van de nieuwe schulden niet aan [verzoekster] kan worden toegerekend.

5.5.3.

De verzochte verlenging

Het wegwerken van de achterstand en/of de nieuwe schulden middels een schenking of lening bied geen soelaas. Een schenking behoort in de boedel te vallen en een lening leidt tot (nog) een nieuwe schuld. Het valt niet in te zien - hetgeen door [verzoekster] ook is onderkend - dat [verzoekster], gedurende een verlenging, enkel met de aangeboden extra afdracht van € 400,-- per maand en inbreng van vakantiegelden, in staat is om de boedelachterstand in te lopen. Ook in dat opzicht is er geen aanleiding voor een verlenging.

5.5.4.

De inlichtingenplicht

De bewindvoerder heeft gemotiveerd gesteld dat [verzoekster] gedurende de hele regeling de informatieplicht onvoldoende is nagekomen. [verzoekster] is bij vonnis van 13 oktober 2014 nog een kans gegund, nadat de bewindvoerder had verzocht om de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen. [verzoekster] is er toen op gewezen dat ze de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, waaronder de informatieplicht, stipt diende na te komen.

Uit onder meer het emailbericht van de bewindvoerder van 5 november 2015 en het verslag van de bewindvoerder van 27 oktober 2015 blijkt dat [verzoekster] de informatieplicht nog steeds niet goed nakomt.

Dat er sprake is geweest van een postblokkade ([verzoekster] verwijst hiernaar in de ter zitting in hoger beroep overgelegde brief) doet hieraan niets af. De postblokkade ontheft de schuldenaar dan ook niet van de op hem rustende (spontane) informatieplicht.

5.5.5.

Ten slotte sluit het hof zich aan bij het oordeel van de rechtbank dat [verzoekster] een verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel, die haar is opgelegd. Er ligt inmiddels een onherroepelijk vonnis ten grondslag aan deze maatregel, waarbij is vastgesteld dat [verzoekster] valsheid in geschrifte heeft gepleegd.”

3. [verzoekster] heeft tijdig een verzoekschrift tot cassatie ingediend tegen het tussenarrest van 3 maart 2016 en het eindarrest van 14 april 2016.

4. Het verzoekschrift tot cassatie bevat één middel, dat uiteenvalt in twee onderdelen. De daarin naar voren gebrachte klachten kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden (art. 80a lid 1 RO).

5. Onderdeel 1 voert aan dat het hof niet kon komen tot zijn oordeel in rov. 5.4.2.1 op de volgende gronden:

  1. Dat geen sprake is van deugdelijke, kenbare grieven van het beroepschrift van [verzoekster] en dat de gronden van het beroep ontbreken, zodat sprake is van een blanco beroepschrift.

  2. Dat de aanvulling van de gronden door [verzoekster] pas is gebeurd op 23 februari 2016, terwijl het vonnis waarvan beroep, op 28 of 29 december 2015 reeds werd ontvangen.

  3. Dat [verzoekster] derhalve haar grieven te laat aan het hof voldoende kenbaar heeft gemaakt, waarbij het hof in ogenschouw heeft genomen dat [verzoekster] vanaf 31 december 2015 bijstand had van een advocaat.

  4. Dat het ontbreken van een tijdige opgave van gronden leidt tot een niet-ontvankelijkverklaring in het hoger beroep.

  5. [verzoekster] niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar beroep.

Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat sprake is van een tijdig beroepschrift waarbij de door [verzoekster] aangevoerde grieven voldoende gepreciseerd en gemotiveerd zijn. Volgens [verzoekster] zijn de gronden van beroep en het petitum weliswaar summier opgesteld, maar voldoende qua inhoud en begrijpelijkheid en heeft zij zich het recht voorbehouden nadere gronden c.q. aanvullende gronden in te dienen. Het hof is voorts bij de bespreking van de ontvankelijkheid van [verzoekster] in rov. 5.4.2.1 ten onrechte ook niet ingegaan op de door [verzoekster] gedane bewijsaanbiedingen in het beroepschrift.

Het oordeel van het hof dat [verzoekster] de gronden van het beroep te laat heeft ingediend is dan ook onjuist of onbegrijpelijk, nu [verzoekster] de gronden van het beroep tijdig heeft ingediend. Hoogstens kan geoordeeld worden dat de aanvullende gronden op 23 februari 20161 te laat zouden zijn ingediend. Echter deze aanvullende gronden zijn bedoeld als nadere invulling van het gegeven bewijsaanbod, dat volledig toelaatbaar is. Immers te doen gebruikelijk is dat in procedures met betrekking tot de schuldsaneringsregeling diverse stukken worden aangeleverd, vlak voor de behandeling ter terechtzitting, dan wel ter terechtzitting.

Het oordeel van het hof is voorts innerlijk tegenstrijdig nu het hof [verzoekster] blijkens zijn tussenarrest heeft ontvangen in haar beroepschrift, gelet op het feit dat het hof onder rov. 3.4 van het tussenarrest de gronden van beroep van [verzoekster] heeft weergegeven, waaruit volgt dat het hof de gronden van beroep heeft begrepen. De niet-ontvankelijkverklaring bij eindarrest van 14 april 2016 verdraagt zich daarmee niet.

De verwijzing door het hof naar de gangbare jurisprudentie (in rov. 5.4.2 van het eindarrest) onder welke omstandigheden kan worden volstaan met een blanco beroepschrift en het met bekwame spoed aanvullen van de gronden, is daarmee onjuist of onbegrijpelijk. Deze kwestie speelt niet in de onderhavige zaak.

Subsidiair wordt nog aangevoerd dat [verzoekster] vóórdat het tussenarrest werd gewezen, in totaal vier keer uitstel heeft gevraagd van de mondelinge behandeling, hetgeen het hof steeds heeft afgewezen. De aanvulling van de gronden op 23 februari 2016 valt dan ook binnen de uitwisselingen van de verzoeken om uitstel en het antwoord daarop door het hof, waardoor [verzoekster] erop mocht vertrouwen dat aan haar uitstel werd verleend voor het indienen van de aanvullende gronden van het beroep. Het hof heeft dit miskend. Onduidelijk blijft ook waarom het hof niet de aanvulling van de gronden d.d. 20 april 2016 in zijn beoordeling mee neemt. Deze aanvulling van de gronden wordt – ten onrechte – door het hof niet meer vermeld.

6. Een beroepschrift moet voldoen aan de eisen die zijn vermeld in art. 359 jo. 278 Rv.2 Uit deze artikelen volgt dat het beroepschrift een duidelijke omschrijving van het verzoek en de gronden waarop het berust, dient te bevatten. De omschrijving van het verzoek zal in appel inhouden welke beslissing van de appelrechter wordt verlangd. De gronden van het hoger beroep – de grieven – moeten in het beroepschrift zijn vermeld. Het ontbreken van gronden leidt in beginsel tot niet-ontvankelijkheid.3

Een uitzondering hierop wordt gemaakt in het geval de tekst van de beschikking na de uitspraak niet dadelijk beschikbaar is en de appeltermijn niet verder uitstel toelaat. In een zodanig geval dient beroep te worden ingesteld binnen de beroepstermijn en kunnen de gronden van het beroep na het verstrijken van die termijn met bekwame spoed in een aanvullend beroepschrift worden voorgedragen, waarbij een termijn van veertien dagen – of een zoveel kortere termijn als overeenstemt met de wettelijke termijn – na de dag van verstrekking of verzending van de motivering van de uitspraak heeft te gelden.4 Waar in zaken als de onderhavige geldt dat gedurende acht dagen hoger beroep kan worden ingesteld, heeft deze termijn eveneens te gelden voor indiening van een aanvullend beroepschrift.5

7. Onderdeel 1 voert, zoals reeds werd aangegeven, in de eerste plaats aan dat de door [verzoekster] in het beroepschrift aangevoerde grieven voldoende gepreciseerd en gemotiveerd zijn, zodat het hof ten onrechte heeft overwogen dat sprake is van een ‘blanco’ beroepschrift. Hierover merk ik het volgende op.

Uit de hiervoor onder 2 weergegeven passage uit het beroepschrift volgt dat [verzoekster] niet meer heeft gedaan dan een ontkenning van hetgeen de rechtbank heeft overwogen met de toevoeging dat [verzoekster] dit standpunt voorafgaande dan wel tijdens de zitting zal onderbouwen. [verzoekster] heeft verder nog aangegeven dat de gronden summier zijn opgesteld en ten spoedigste zullen worden aangevuld. Gezien deze omstandigheden –waarin [verzoekster] heeft volstaan met een ontkenning van het door de rechtbank overwogene, en waarbij [verzoekster] aangeeft de gronden te zullen aanvullen – is niet onbegrijpelijk dat het hof in het beroepschrift geen gronden van het hoger beroep heeft gelezen. Anders dan het verzoekschrift tot cassatie betoogt behoefde het hof de passages waarin [verzoekster] naar voren brengt dat zij haar standpunt voorafgaande dan wel tijdens de zitting zal onderbouwen, niet te begrijpen als een bewijsaanbod.6 De uitleg van de gedingstukken is verder voorbehouden aan het hof als de rechter die over de feiten oordeelt en kan daarom in cassatie niet op juistheid worden getoetst. De uitleg door het hof van het onderhavige beroepschrift – inhoudende dat de gronden van het beroep ontbreken – is derhalve niet onbegrijpelijk. Het oordeel van het hof is gebaseerd op vaste jurisprudentie – zie hiervoor onder 6 – en is daarmee ook niet in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde.

8. Onderdeel 1 vervolgt met de klacht dat het oordeel van het hof dat [verzoekster] de gronden van het beroep te laat heeft ingediend, onjuist of onbegrijpelijk is. De gronden van het beroep zijn immers tijdig ingediend, nu dat al is geschied bij het beroepschrift van 31 december 2015.

Deze klacht bouwt voort op de voorgaande klacht. Nu het hof tot het oordeel kon komen dat de gronden van het beroep ontbreken in het beroepschrift van 31 december 2016, volgt daaruit dat [verzoekster] haar grieven te laat aan het hof voldoende gegrond kenbaar heeft gemaakt. Het hof heeft immers overwogen dat [verzoekster] pas op 23 februari 2016 enige toelichting heeft gegeven op het (eerdere) beroepschrift.7 Gelet op de hiervoor onder 6 genoemde jurisprudentie is dat te laat.

9. Onderdeel 1 bevat verder de klacht dat het oordeel van het hof in het tussenarrest van 3 maart 2016 in strijd is met het eindarrest van 14 april 2016, nu het hof in rov. 3.4 van het tussenarrest de gronden van het beroep heeft weergegeven, waaruit volgt dat het hof heeft begrepen wat de beroepsgronden waren. Bovendien heeft het hof in het tussenarrest de behandeling van de zaak aangehouden, zodat hier sprake is van afwijking van de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat de termijn voor het indienen van een aanvullend beroepschrift gelijk is aan de beroepstermijn.

Deze klachten moeten falen. De weergave van de gronden in het beroepschrift in rov. 3.4 van het tussenarrest komt inhoudelijk overeen met die uit rov. 5.4.2.1 van het eindarrest en staat er niet aan in de weg dat het hof in zijn eindarrest tot het oordeel kon komen dat [verzoekster] haar grieven te laat aan het hof voldoende gegrond kenbaar heeft gemaakt. Dat het hof in zijn tussenarrest de zaak heeft aangehouden, doet niet af aan de verplichting van (de advocaat van) [verzoekster] om haar gronden daarvóór aan te vullen. Het hof heeft dat ook expliciet aangegeven door in rov. 3.6.3 van het tussenarrest te overwegen dat tijdens de volgende mondelinge behandeling tevens ambtshalve de ontvankelijkheid van het onderhavige hoger beroep aan de orde zal komen.

10. Subsidiair heeft [verzoekster] in onderdeel 1 nog betoogd dat de aanvulling van gronden op 23 februari 2016 valt binnen de uitwisseling van verzoeken om uitstel en het antwoord daarop door het hof. [verzoekster] mocht er daarom op vertrouwen dat aan haar uitstel werd verleend voor het indienen van de aanvullende gronden van het beroep, hetgeen het hof heeft miskend. Onduidelijk is ook waarom het hof niet de aanvulling van de gronden d.d. 20 april 2016 in zijn beoordeling meeneemt. Deze aanvulling van gronden wordt ten onrechte niet meer door het hof vermeld.

Uit rov. 2.2 van het tussenarrest van 3 maart 2016 blijkt dat de advocaat van [verzoekster] voorafgaand aan de mondelinge behandeling tot viermaal toe om aanhouding van de zaak heeft verzocht. Het hof heeft deze verzoeken gemotiveerd afgewezen.8 Het hof is op deze verzoeken opnieuw ingegaan in rov. 3.6.2 van het tussenarrest. Daaruit blijkt dat de verzoeken tot aanhouding van de zaak (onder meer) betrekking hebben op de verhindering van de advocaat van [verzoekster] met betrekking tot de datum waarop de mondelinge behandeling zou plaatsvinden (namelijk op 24 februari 2016).9 Niet volgt daaruit dat het voor de advocaat van [verzoekster] op dat moment onmogelijk was om de gronden uit het beroepschrift aan te vullen. Dat geldt temeer nu [verzoekster] bij de (tweede) mondelinge behandeling in hoger beroep d.d. 6 april 2016 heeft aangegeven het vonnis waarvan beroep reeds op 27 of 28 december 2015 te hebben ontvangen.10 [verzoekster] mocht daarom aan de correspondentie met het hof niet het vertrouwen ontlenen dat aan haar (ook) uitstel werd verleend voor het indienen van de gronden van het beroep.

Het hof behoefde voorts niet meer in te gaan op hetgeen de advocaat bij brief van 20 april 2016 heeft aangevoerd. Dit is immers ook te laat. De daar gegeven informatie doet overigens niet af aan hetgeen het hof inhoudelijk met betrekking tot de zaak heeft overwogen in rov. 5.5 en 5.5.1 t/m 5.5.5 van het eindarrest.

11. Onderdeel 2 komt op tegen hetgeen het hof ten overvloede overweegt in rov. 5.5 en 5.5.1 t/m 5.5.5. Het onderdeel betoogt dat het hier gaat om een overweging ten overvloede en dat, gezien de omstandigheid dat [verzoekster] niet-ontvankelijk is verklaard in haar beroep, [verzoekster] daarom geen behoorlijke rechtsgang heeft kunnen genieten ten aanzien van de inhoudelijke beoordeling van de bezwaren welke tegen haar zijn geuit met betrekking tot de uitvoering van de verplichtingen door haar onder de schuldsaneringsregeling. Indien onderdeel 1 gegrond is, zou dan ook verwijzing voor de hand liggen om een behoorlijke procesgang van [verzoekster] te waarborgen.

Omdat het proces-verbaal van het verhandelde ter terechtzitting zich nog niet bij de stukken bevindt kan in het verzoekschrift tot cassatie niet verder worden ingegaan op de materiële overwegingen en oordelen met betrekking tot de verweten boedelachterstand, nieuwe schulden, inlichtingen en de verzochte verlenging, als gedaan in rov. 5.5.1 t/m 5.5.5. Er wordt daarom een voorbehoud gemaakt om de cassatiemiddelen nader aan te vullen, nadat dit proces-verbaal is ontvangen.

Wel blijkt uit rov. 5.5.1 t/m 5.5.5 dat [verzoekster] gemotiveerd verweer heeft gevoerd tegen de tegen haar geuite bezwaren, welke het hof onvoldoende heeft laten meewegen gelet op de belangen welke voor [verzoekster] aan de orde zijn, te weten het verkrijgen van uiteindelijk de schone lei. In dat kader heeft [verzoekster] ook verzocht de schuldsaneringsregeling te verlengen om de achterstand en/of nieuwe schulden weg te werken. Er is dan ook sprake van een saneringsgezinde houding, als gevolg waarvan het oordeel van het hof, neergelegd in rov. 5.5.1 t/m 5.5.5, geen stand kan houden.

12. Gezien het falen van de klachten gericht tegen onderdeel 1, behoeft niet meer te worden ingegaan op hetgeen in onderdeel 2 wordt aangevoerd. Daarnaast merk ik op dat de klachten uit onderdeel 2 ook dienen te falen omdat [verzoekster] niet (voldoende) inhoudelijk opkomt tegen hetgeen het hof in rov. 5.5 en 5.5.1 t/m 5.5.5 heeft overwogen. Dat het hier overwegingen ten overvloede betreft, doet er immers niet aan af dat het hof gemotiveerd heeft aangegeven waarom in het onderhavige geval gronden aanwezig waren die aanleiding gaven tot een tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling. De overige in cassatie gestelde omstandigheden maken het oordeel van het hof in rov. 5.5.2 ten aanzien van het bestaan van nieuwe schulden en in rov. 5.5.4 ten aanzien van de inlichtingenplicht op geen enkele manier onbegrijpelijk. Mede in het licht van de omstandigheid dat (de cassatieadvocaat van) [verzoekster], na het ontvangen van het processen-verbaal van het verhandelde ter terechtzitting van 24 februari 2016 en 6 april 2016, heeft opgemerkt dat er geen aanleiding bestaat hierop te reageren, kom ik daarmee tot de conclusie dat de klachten met onvoldoende bepaaldheid en precisie vermelden waarom rov. 5.5.1 t/m 5.5.5 onjuist zijn of onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk zijn. Het middelonderdeel voldoet daarmee niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv.

Conclusie

De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring op grond van art. 80a lid 1 RO.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-Generaal

1 Het verzoekschrift vermeldt abusievelijk: 23 februari 2015.

2 Zie voor hetgeen hierna volgt, ook: Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2012/236 en Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering (E. van Geuns & M.V.E.E. Jansen), art. 359 Rv, aant. 5. Met toespitsing op schuldsaneringszaken: Wessels Insolventierecht IX, 2012, par. 9075 en Groene Serie Faillissementswet (H.H. Lammers), art. 351 Fw, aant. 8.

3 Vaste rechtspraak, vgl. HR 15 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0977, NJ 1990/351 m.nt. W.H. Heemskerk; HR 16 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0723, NJ 1993/2.

4 Zie HR 25 september 1981, ECLI:NL:HR:1981:AC7328, NJ 1982/452 m.nt. W.H. Heemskerk (met betrekking tot het niet op tijd ontvangen van een afschrift van de beschikking); HR 23 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3720, NJ 2006/31 (met betrekking tot het niet tijdig kunnen beschikking over het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof); HR 19 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9616, NJ 2007/562 (met betrekking tot het nog niet beschikbaar zijn van het vonnis van de rechtbank) en de conclusie van a-g Wesseling-van Gent bij HR 7 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:273, RvdW 2014/283 (art. 81 RO). Zie ook met betrekking tot schuldsaneringszaken de conclusie van a-g Wuisman bij HR 15 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH7839, RvdW 2009/631 (art. 81 RO) en de conclusie van a-g Langemeijer bij HR 23 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7535, RvdW 2009/1223 (art. 81 RO).

5 Zie punt 9 van de conclusie van a-g Wesseling-van Gent bij het hiervoor reeds aangehaalde arrest van HR 19 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9616, NJ 2007/562. Het hof heeft in de onderhavige zaak in rov. 5.4.2 van het eindarrest ook naar deze conclusie verwezen.

6 Van het aanbieden van getuigenbewijs is al helemaal geen sprake, zodat het hof niet gehouden was daarop in te gaan.

7 Het gaat dan kennelijk om de brief met bijlagen van de advocaat van [verzoekster] d.d. 23 februari 2016 (het hof maakt daar melding van in zijn arrest van 3 maart 2016, rov. 2.3). Ik heb deze brief niet aangetroffen in het procesdossier.

8 Zie ook rov. 3.6.1 van het tussenarrest.

9 De aangehaalde brieven van 3 februari 2016 (het hof vermeldt: 2 februari 2016) en 15 februari 2016 heb ik ook in het dossier aangetroffen.

10 Zie het proces-verbaal d.d. 6 april 2016, p. 2 en rov. 5.4.2.1 van het eindarrest.