Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1139

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-10-2016
Datum publicatie
16-11-2016
Zaaknummer
16/01107
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2598, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Antilliaanse uitleveringszaak. Uitlevering aan de V.S. Art. 14, 15 Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten; art. 28.3 Uitleveringswet. Verzoek is gedaan aan Curaçao en aan Sint Maarten. HR: de opvatting dat het hof het aan Sint Maarten gedane verzoek niet in behandeling had mogen nemen omdat het aan Curaçao gedane verzoek reeds in behandeling was genomen, is onjuist. HR ambtshalve: verstaat de bestreden uitspraak aldus dat het advies is gericht aan de gouverneur van Curaçao voor het geval de opgeëiste persoon daar wordt aangetroffen en dat het is gericht aan de gouverneur van Sint Maarten voor het geval dat de o.p. daar wordt aangetroffen. HR ambtshalve: herstelt verzuim de feiten te omschrijven waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan ex art. 28, derde lid, Uitleveringswet. AG anders: n-o van de vordering van de procureur-generaal van Curaçao.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 16/01107 UA

Zitting: 11 oktober 2016

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[de opgeëiste persoon 3]

  1. Bij advies van 3 september 2015 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba geconcludeerd dat de vervolgingsuitlevering van de opgeëiste persoon (verder ook aangeduid als [de opgeëiste persoon 3] ) aan de Verenigde Staten toelaatbaar is en geadviseerd aan de gouverneurs van Curaçao en Sint Maarten om tot uitlevering van [de opgeëiste persoon 3] aan de Verenigde Staten van Amerika over te gaan.

  2. Deze zaak hangt samen met de onder nummers 15/04367 UA ( [de opgeëiste persoon 1] ) en 15/04369 UA ( [de opgeëiste persoon 2] ) bij de Hoge Raad aanhangige zaken, waarin ik vandaag eveneens zal concluderen.

  3. Namens de opgeëiste persoon heeft mr. C. Reijntjes-Wendenburg, advocaat te Maastricht, vijf middelen van cassatie voorgesteld.

  4. De onderhavige zaak is, evenals de hierboven onder 2 genoemde samenhangende zaken, eerder bij de Hoge Raad aan de orde geweest. De gang van zaken was daarbij als volgt.

4.1. Op 11 september 2013 heeft het U.S. Department of Justice een verzoek tot voorlopige aanhouding aan Sint Maarten gericht met het oog op uitlevering van [de opgeëiste persoon 3] . Toen bleek dat [de opgeëiste persoon 3] op Curaçao verbleef is op 1 oktober 2013 een gelijkluidend verzoek aan Curaçao gedaan. Op 30 oktober 2013 is dit verzoek gevolgd door een uitleveringsverzoek aan Curaçao. De procureur-generaal van Curaçao heeft op 26 november 2013 een vordering zoals bedoeld in art. 13 van het Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten (verder te noemen: het Uitleveringsbesluit) bij het Gemeenschappelijk Hof ingediend. In zijn advies van 6 februari 2014 heeft het Gemeenschappelijk Hof (in alle drie de samenhangende zaken) de uitlevering ontoelaatbaar geacht. Aan dat advies lag de volgende motivering ten grondslag:

“Het vertrouwensbeginsel tussen de Verenigde Staten van Amerika en het Koninkrijk der Nederlanden is in casu het uitgangspunt. Er dient in beginsel voldoende vertrouwen te bestaan dat de autoriteiten op rechtmatige wijze hun opsporingsmiddelen hebben ingezet.

De verdediging heeft gesteld, en het Hof gaat er op grond van de beschikbare stukken en met name van de Affidavit in support of request for extradition d.d. 21 oktober 2013 van uit:

- dat vanaf november 2012 door de Amerikaanse autoriteiten hier ten lande bijzondere opsporingsmethoden, zoals observatie en infiltratie zijn gebruikt zonder bemoeienis van het lokale Openbaar Ministerie, waardoor niet kan worden getoetst of al dan niet is gehandeld in strijd met het in ons (en niet op gelijke wijze in het Amerikaanse) rechtssysteem geldende zgn. Tallon-criterium (177m, derde lid Sv);

- dat de opgeëiste persoon na zijn voorlopige aanhouding zonder medeweten van het Openbaar Ministerie is bezocht door Amerikaanse opsporingsambtenaren en dat aan hem vragen zijn gesteld, alsmede dat met hem is gesproken over zijn mogelijke medewerking aan het onderzoek (aanbod tot plea bargaining) zonder dat voldaan is aan de in ons rechtssysteem geldende zogenaamde Salduz-waarborgen.

Het Hof weegt daarbij mede dat van de hiervoor bedoelde handelingen geen dan wel op onvoldoende wijze door enig lokale opsporingsambtenaar proces-verbaal is opgemaakt, dat het gestelde in artikel 564 Sv niet is nageleefd.

Het Hof benadrukt dat het hier een persoon van de Nederlandse nationaliteit betreft, die mag rekenen op de bescherming van zijn eigen nationale strafvorderlijke bepalingen.

Anders dan afgeleid zou kunnen worden uit de eerdere beschikking van dit Hof van 5 november 2013, meent het Hof thans, beschikkende over het uiteindelijke dossier, dat deze geconstateerde gebreken, in onderling verband en samenhang bezien, van dusdanige aard zijn, dat zij een uitlevering in de weg staan. Naar Curaçaos recht zouden de litigieuze bewijsmiddelen in de gegeven omstandigheden immers ter zijde moeten worden geschoven en het Hof acht het onjuist dat dat bewijs wel zou kunnen worden gebruikt via een mogelijk proces in de Verenigde Staten in het kader van een omzetting van de straf naar nationale maatstaven.”

In hetzelfde advies is tevens de uitleveringsdetentie beëindigd en de onmiddellijke invrijheidsstelling van [de opgeëiste persoon 3] bevolen.

4.2. Tegen dit advies is cassatieberoep ingesteld door de advocaat-generaal bij het Gemeenschappelijk Hof en bij arrest van 10 februari 20151 oordeelde de Hoge Raad vervolgens – onder verwijzing naar HR 10 juli 2001, ECLI:NL:HR2001:AB3324, NJ 2001/618 – dat het hof in zijn advies had miskend dat “aan de rechter die over de toelaatbaarheid van de uitlevering beslist geen oordeel toekomt over de rechtmatigheid van de bewijsgaring ten behoeve van de strafzaak in de verzoekende staat” en dat het hierover klagende cassatiemiddel terecht was voorgesteld.

4.3. Hangende het cassatieberoep tegen het advies van het Gemeenschappelijke Hof in de Curaçause zaak werd [de opgeëiste persoon 3] op 17 maart 2014 in Sint Maarten aangehouden en is ten aanzien van hem (wederom) de voorlopige aanhouding bevolen in het kader van het uitleveringsverzoek van de Verenigde Staten aan Sint Maarten van 11 september 2013. Op 21 maart 2014 heeft [de opgeëiste persoon 3] verzocht de uitleveringsdetentie op te heffen dan wel te schorsen. Bij beschikking van 11 april 2014 heeft het Gemeenschappelijk Hof de uitleveringsdetentie onrechtmatig geacht en de onmiddellijke invrijheidstelling van [de opgeëiste persoon 3] bevolen. Het Gemeenschappelijk Hof heeft hierbij het volgende overwogen:

“Blijkens de rechtspraak van de Hoge Raad berust artikel 40 van het Statuut op de gedachte dat het Koninkrijk voor wat betreft de vatbaarheid voor tenuitvoerlegging van binnen het Koninkrijk gegeven rechterlijke uitspraken, als één rechtsgebied moet worden beschouwd, en brengt het artikel naar zijn strekking mee dat de rechtskracht van deze uitspraken in alle delen van het Koninkrijk gelijk is, niet alleen voor wat betreft de vatbaarheid voor tenuitvoerlegging, maar ook voor wat betreft bindende kracht (HR 14 januari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1233, NJ 1994, 403; HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6095, NJ 2014/50). Dit betekent naar het oordeel van het Hof dat het de procureur-generaal niet vrij staat de voorlopige aanhouding en/of de uitleveringsdetentie van de opgeëiste persoon in Sint Maarten te bevelen, zolang de beslissing van 6 februari 2014 ter zake van de uitleveringsdetentie en de onmiddellijke invrijheidstelling van de opgeëiste persoon nog geldt. Het feit dat thans door een ander land (Sint Maarten in plaats van Curaçao), met een eigen gouverneur, uitvoering wordt gegeven aan een verzoek tot voorlopige aanhouding van een andere datum (11 september 2013 in plaats van 1 oktober 2013), en dat van normschendingen geen sprake is en de opgeëiste persoon volgens de regels is behandeld, zoals door de procureur-generaal in raadkamer is aangevoerd, is gelet op het voorgaande niet van belang.”

4.4. Ondanks de invrijheidstelling van [de opgeëiste persoon 3] hebben de Verenigde Staten hangende het cassatieberoep in de Curaçaose zaak op 2 juli 2014 een gelijkluidend uitleveringsverzoek gedaan aan Sint Maarten. Naar aanleiding daarvan heeft het Gemeenschappelijk Hof op 20 november 2014 de behandeling van dit uitleveringsverzoek (heropend en) aangehouden in afwachting van het arrest van de Hoge Raad in de Curaçaose zaak.

4.5. Na het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2015, waarin de Hoge Raad de Curaçaose zaak heeft teruggewezen teneinde de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering opnieuw te beoordelen, heeft het Gemeenschappelijk Hof de uitleveringsverzoeken aan Curaçao en aan Sint Maarten opnieuw – en nu gezamenlijk – behandeld en in zijn advies van 3 september 2015 geconcludeerd dat de uitlevering toelaatbaar is, daarbij in het midden latend aan welke gouverneur, die van Curaçao of die van Sint Maarten het advies gericht is.

5. In het vierde middel wordt aan de orde gesteld of het Gemeenschappelijk Hof dat wel zo heeft kunnen doen, nu Curaçao en Sint Maarten twee verschillende landen zijn, maar behoren tot het Koninkrijk. Gesteld wordt dat het hof vordering tot tenuitvoerlegging van het uitleveringsverzoek ten aanzien van Sint Maarten niet ontvankelijk had moeten verklaren. Ik kom daar bij de bespreking van het vierde middel op terug. De eerste drie middelen en het vijfde middel hebben betrekking op de vraag of de gevolgde uitleveringsprocedure en het advies van het Gemeenschappelijk Hof zich wel verdragen met de eisen die respectievelijk door de artikelen 3, 5 en 6 EVRM aan de uitleveringsrechter worden gesteld.

6. In het eerste middel wordt geklaagd dat het hof in strijd met het bepaalde in art. 5 en art. 6 EVRM heeft geoordeeld dat de verzochte uitlevering van [de opgeëiste persoon 3] aan de Verenigde Staten van Amerika toelaatbaar is “zonder dat was gewaarborgd dat de opgeëiste persoon zich op behoorlijke wijze tegen de verzochte uitlevering kon verdedigen”. Uit de toelichting op het middel blijkt dat het gaat om een reeds in de jurisprudentie beantwoorde vraag of het Uitleveringsbesluit voldoet aan een ‘wettelijk voorgeschreven procedure’ zoals bedoeld in art. 5 lid 1 onder f EVRM. Gesteld wordt dat de procedure van het Uitleveringsbesluit te summier is om minimale waarborgen te bieden voor een eerlijk proces en daaruit onvoldoende kenbaar wordt welke rechten de verdediging tijdens de uitleveringsprocedure heeft.

6.1. De steller van het middel erkent dat de Hoge Raad in zijn arrest van 7 november 20032 heeft geoordeeld dat de opvatting dat als wettelijk voorgeschreven procedure in de zin van art. 5, eerste lid, EVRM slechts een bij wet in formele zin geregelde procedure kan gelden, geen steun vindt in het recht. Eveneens wordt er in de toelichting op gewezen, dat de Hoge Raad in zijn arrest van 25 oktober 20053 – onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis van de Cassatieregeling in uitleveringszaken voor de Nederlandse Antillen en Aruba – heeft overwogen dat “de rijkswetgever zoveel mogelijk heeft willen aansluiten bij het systeem van het Nederlandse uitleveringsrecht en met name ook bij de jurisprudentie van de Hoge Raad” en deze overweging ook nadrukkelijk heeft betrokken op de vraag hoe de inhoud van de summiere procedurele regeling van het Uitleveringsbesluit moet worden ingevuld. Desalniettemin wordt betoogd dat de vrijheidsbeneming van [de opgeëiste persoon 3] in strijd is met art. 5 EVRM en dat dit meebrengt dat de procureur-generaal niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard, c.q. de procedure wegens strijd met internationale standaarden ontoelaatbaar is.

6.2. Ik heb uit het verweer dat op de zitting van 20 augustus 2015 ten overstaan van het Gemeenschappelijk Hof is gevoerd niet kunnen opmaken dat de klacht, die aan het middel ten grondslag ligt, tijdens de behandeling bij het hof naar voren is gebracht. Ik vraag me dan ook af of het middel niet al moet afstuiten op de omstandigheid dat hierover niet voor het eerst in cassatie kan worden geklaagd.

6.3. Maar ook afgezien daarvan, valt uit de schriftuur niet goed op te maken in welk rechtens te respecteren belang [de opgeëiste persoon 3] door de summiere procedurele regeling van het Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten concreet is getroffen. Gesteld wordt dat de verdediging in onzekerheid verkeerde op welke wijze zij haar op de zitting van 20 augustus 2015 gedane verzoek tot het horen van getuigen moest motiveren en toelichten. Uit de inhoud van het proces-verbaal van de zitting van 20 augustus 2015 en de daaraan gehechte pleitnota blijkt echter dat de verdediging zonder meer in staat en in de gelegenheid is geweest naar voren te brengen dat zij het horen van de getuigen wenselijk achtte om meer duidelijkheid te krijgen over de gebruikte opsporingsmethoden in de onderhavige zaak. Daarnaast heeft het Gemeenschappelijk Hof het getuigenverzoek van de verdediging in zijn advies afgewezen met de (deels impliciete) overweging dat dit verzoek in geen geval kon slagen, omdat het betrekking had op nader onderzoek naar de rechtmatigheid van de bewijsgaring ten behoeve van de strafzaak in de verzoekende staat en aan de uitleveringsrechter op dit punt, conform het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2015 waarin het hof op dit punt werd teruggefloten, geen oordeel toekwam.

Noch wat betreft de formulering van het getuigenverzoek op de zitting van 20 augustus 2015 zelf, noch wat betreft de afwijzing van dit getuigenverzoek in het bestreden advies blijkt derhalve dat de door art. 5 of 6 EVRM beschermde belangen van [de opgeëiste persoon 3] in de uitleveringsprocedure op enigerlei wijze zijn geschonden. Dat geldt ook voor de eisen die op grond van art. 5 EVRM aan de vrijheidsbeneming van [de opgeëiste persoon 3] kunnen worden gesteld, hetgeen alleen al blijkt uit de omstandigheid dat het Gemeenschappelijk Hof [de opgeëiste persoon 3] tot twee keer toe op diens verzoek uit de uitleveringsdetentie heeft ontslagen. Overtuigende argumenten om terug te komen op de hierboven aangehaalde arresten van de Hoge Raad zijn in ieder geval aan de procedure die ten aanzien van [de opgeëiste persoon 3] is gevolgd niet te ontlenen.

6.4. Het eerste middel treft geen doel.

7. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof onvoldoende heeft gerespondeerd op het verweer van de verdediging dat [de opgeëiste persoon 3] het slachtoffer is geworden van een (flagrante) schending van art. 6 EVRM en dat de aanmerkelijke kans bestaat dat hij in de Verenigde Staten geen eerlijk proces krijgt als bedoeld in art. 6 lid 2 EVRM omdat tegen deze inbreuk geen rechtsmiddel in de zin van art. 13 EVRM openstaat.

7.1. Ter terechtzitting van het hof van 20 augustus 2015 heeft de raadsvrouw van de verdachte blijkens de door haar overgelegde pleitnota, zakelijk samengevat, aangevoerd dat ten aanzien van [de opgeëiste persoon 3] sprake is van een reeds voltooide, niet reparabele, flagrante inbreuk op het recht op een eerlijk proces, welke er met name in bestaat dat:

(i) door de Amerikaanse autoriteiten op zodanige wijze gebruik is gemaakt van bijzondere opsporingsmethoden zoals observatie en infiltratie, dat niet kan worden getoetst of daarbij is gehandeld overeenkomstig het onder andere in art. 177m, derde lid, SvC neergelegde Talloncriterium;

(ii) [de opgeëiste persoon 3] na zijn voorlopige aanhouding is bezocht door Amerikaanse opsporingsambtenaren en door deze ambtenaren is ondervraagd zonder dat hem het uit de Salduz-rechtspraak van het EHRM voortvloeiende recht was gegeven om voorgaand aan deze ondervraging een raadsman te raadplegen;4

(iii) op grond van Straatsburgse jurisprudentie vast zou staan, dat als er sprake is geweest van uitlokking geen vervolging meer mogelijk is en dat de enige consequentie die hieraan kan worden verbonden de ontoelaatbaar-verklaring van de uitlevering is;

(iv) de schending van de Salduz-waarborgen eveneens reeds vast zou staan en “alleen de consequenties van dit handelen moeten worden beoordeeld” (waarbij in het midden wordt gelaten tot welke conclusie dit zou moeten leiden);5 en

(v) [de opgeëiste persoon 3] in de Verenigde Staten geen rechtsmiddel ter beschikking zou staan om tegen de verschillende schendingen op te komen.

Daarbij geldt ten aanzien van de onder (v) genoemde stelling van de raadsvrouw overigens dat de pleitnota niet méér inhoudt dan het volgende:

“15. In casu is er sprake van een flagrante schending van artikel 6 EVRM op grond waarvan dit onrechtmatig handelen door de uitleveringsrechter mee dient te worden gewogen. Bovendien bestaan er onvoldoende mogelijkheden voor cliënt om daar in de verzoekende staat tegen op te treden.

[…]

“ 24. Er is echter ook sprake van een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM. Immers geldt het Talloncriterium in het Amerikaanse systeem niet op gelijke wijze als die hier geldt. […] Alle verweren zoals die hier zijn aangevoerd en schendingen die zijn vastgesteld zullen in de VS voort niet in aanmerking meer worden genomen.”

7.2. In zijn advies van 3 september 2015 heeft het Gemeenschappelijk Hof het verweer als volgt samengevat en verworpen:

6. Beoordeling

6.1 De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat de verzoeken om uitlevering

ontoelaatbaar zijn aangezien er sprake is van een reeds voltooide, niet te repareren schending van artikel 6 EVRM. Daarnaast is er volgens haar tevens sprake van een dreigende flagrante schending van deze bepaling en voert zij aan dat er voor de opgeëiste persoon na een mogelijke uitlevering geen effectief rechtsmiddel voorhanden is.

Subsidiair heeft de raadsvrouw het Hof verzocht nader onderzoek te gelasten.

Ter onderbouwing heeft de raadsvrouw -zakelijk weergegeven- gesteld dat er sprake is geweest van een undercoveractie door de Amerikaanse autoriteiten waarbij gebruik is gemaakt van infiltratie en uitlokking. Het is volgens de raadsvrouw een reëel risico dat de opgeëiste persoon in de Verenigde Staten wordt veroordeeld op grond van bewijsmateriaal dat naar criteria die gelden voor Curaçao en Sint Maarten onrechtmatig verkregen is.

6.2 De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 4 april 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AV8326) de volgende maatstaf geformuleerd: “De bevoegdheidsverdeling tussen de rechter die over de toelaatbaarheid van een verzochte uitlevering moet oordelen en de Minister van Justitie die, indien de rechter de uitlevering toelaatbaar heeft geoordeeld, uiteindelijk beslist of en zo ja onder welke condities daadwerkelijk tot uitlevering zal worden overgegaan, brengt mee dat de rechter op grond van zijn toetsing aan art. 6 EVRM de uitlevering slechts ontoelaatbaar kan verklaren indien blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6 EVRM toekomend recht, dat de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren, in de weg staat aan de uit het toepasselijke uitleveringsverdrag voortvloeiende verplichting tot uitlevering.” Het hof komt dan ook niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verweer van de raadsvrouw, dat sprake is van een voltooide inbreuk op artikel 6 EVRM, aangezien die beoordeling ingevolge de uitspraak van de Hoge Raad aan respectievelijk de Gouverneurs van Curaçao en Sint Maarten is.

6.3 De onderbouwing door de raadsvrouw van haar standpunt dat sprake is van een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM stoelt op de vrees dat het verkregen bewijsmateriaal tot een berechting leidt waarbij niet de waarborgen in acht worden genomen die in Curaçao gelden. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 9 december 2014 (ECLI:NL:PHR:2014:2257 en 2258) uitdrukkelijk overwogen dat: “aan de rechter die over de toelaatbaarheid van de uitlevering beslist geen oordeel toekomt over de rechtmatigheid van de bewijsgaring ten behoeve van de strafzaak in de verzoekende staat”. Het standpunt van de raadsvrouw houdt in dat zij het Hof verzoekt zich uit te laten over de rechtmatigheid van de bewijsgaring. Gezien de uitspraak van de Hoge Raad is daarvoor geen ruimte, en het Hof zal zich dienaangaande dan ook van een oordeel onthouden. De raadsvrouw heeft voor het overige geen argumenten naar voren gebracht waaruit kan worden opgemaakt dat sprake zou zijn van het risico van een flagrante inbreuk op artikel 6 EVRM, zodat het Hof tot het oordeel komt dat van een dergelijke dreigende inbreuk niet is gebleken.

6.4 Nu het Hof een inbreuk, als hiervoor uiteengezet in 6.3, niet heeft aangenomen komt het, ingevolge het arrest van HR 11 maart 2003 (ECLI:NLHR:2003:AF3312, NJ 2004/42 r.o. 3.4) niet toe aan de beoordeling van de vraag of is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering geen effectief rechtsmiddel ten dienste zou staan ter zake van die inbreuk, zodat ook dat verweer van de raadsvrouw faalt.

(…)

CONCLUSIE EN ADVIES

Het Hof:

1. concludeert dat op grond van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika, en de Overeenkomst betreffende uitlevering tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika van 29 september 2004, alsmede op grond van het Uitleveringsbesluit Aruba, Curaçao en Sint Maarten, de uitlevering van de opgeëiste persoon met het oog op vervolging in de Verenigde staten van Amerika toelaatbaar is;

2. adviseert om ter zake van voornoemde feiten tot uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten van Amerika over te gaan.”

7.3.

In het middel wordt betoogd dat het hof, door te overwegen dat het niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de stellingen van de verdediging dat sprake is van een voltooide inbreuk op artikel 6 EVRM omdat die beoordeling aan respectievelijk de gouverneurs van Curaçao en Sint Maarten is, het verweer van de verdediging op onjuiste gronden heeft verworpen.

7.4.

Om te beoordelen of de steller van het middel een punt heeft is het volgende van belang. Indien er wordt aangevoerd dat er sprake is van mensenrechtenschendingen bij een vervolgingsuitlevering, geldt er een taakverdeling tussen de gouverneurs van Curaçao en Sint Maarten en de uitleveringsrechter, het Gemeenschappelijk Hof. De uitleveringsrechter beoordeelt de toelaatbaarheid van de uitlevering en de betrokken gouverneur neemt de definitieve beslissing over de uitlevering, zij het dat hij gebonden is aan een advies waarin de uitlevering ontoelaatbaar wordt geacht. De gouverneur kan ondanks een advies de opgeëiste persoon uit te leveren, toch beslissen het uitleveringsverzoek niet in te willigen, bijvoorbeeld als er sprake is van een dreigende schending van mensenrechten. In dat verband kan hij aan de verzoekende staat garanties vragen om een dergelijke schending te voorkomen.6 Ik beperk me hier tot de taakverdeling tussen de gouverneur en de uitleveringsrechter bij een (dreigende) schending van art. 6 EVRM, nu deze in onderhavige zaak aan de orde gesteld is.

7.5.

De vraag of het gaat om een (voltooide) schending van art. 6 EVRM, moet in beginsel beoordeeld worden door de strafrechter van de verzoekende staat en niet door de uitleveringsrechter.7 Dat komt omdat in de uitleveringsprocedure het vertrouwensbeginsel voorop wordt gesteld op grond waarvan wordt aangenomen dat het rechtssysteem van de verzoekende staat de opgeëiste persoon in staat stelt een beroep op een mensenrechtenschending aan de rechter van de verzoekende staat voor te leggen en dat deze daar dan ook een oordeel over geeft.8 Met andere woorden: aan de inhoudelijke toetsing van het verweer, dat sprake is van een reeds voltooide schending van artikel 6 EVRM, kan de uitleveringsrechter dus niet toekomen. Hoewel de Hoge Raad zich over de ratio van deze regel niet expliciet heeft uitgelaten, schrijft Glerum in zijn proefschrift dat deze (mogelijk) is ingegeven door het feit, dat bij een vervolgingsuitlevering een definitieve schending van art. 6 EVRM zich in het algemeen pas bij de uitspraak van de rechter in de verzoekende staat zal realiseren, namelijk als in die procedure de gevolgen van een schending niet worden weggenomen of gecompenseerd.9 Dus zolang een mensenrechtenschending herstelbaar is, en dat is bij een schending van art. 6 EVRM vrijwel altijd het geval,10 dan is het niet aan de uitleveringsrechter hier een oordeel over te vellen, maar ligt deze beoordeling bij de gouverneurs, die aan de verzoekende staat garanties kunnen vragen om een eventuele schending te compenseren.

7.6.

Alleen als herstel niet mogelijk is, vanwege het ontbreken van een daadwerkelijk rechtsmiddel in de verzoekende staat, is de uitleveringsrechter bevoegd de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren op grond van het risico van flagrante schending van art. 6 EVRM. Ik heb hier het woord risico onderstreept omdat de vraag of er daadwerkelijk en uiteindelijk sprake zal zijn van een schending van art. 6 EVRM zoals hiervoor weergegeven in principe ter beoordeling van de rechter van de aangezochte staat is. Bij de beoordeling of dat risico reëel is, moeten er twee hordes worden genomen. In de eerste plaats moet blijken dat er een flagrante inbreuk op artikel 6 lid 1 EVRM dreigt en in de tweede plaats moet komen vast te staan dat een effectief rechtsmiddel ontbreekt.11 Van een risico op een flagrante inbreuk op enig ingevolge artikel 6 EVRM aan de opgeëiste persoon toekomend recht is dus pas sprake als de opgeëiste persoon na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel tot zijn beschikking heeft een dergelijke schending af te wenden.12

7.7.

Gelet op het hiervoor weergegeven toetsingskader getuigt de overweging van het hof dat het niet kan toekomen aan de beoordeling van de vraag of sprake is van een voltooide inbreuk op artikel 6 EVRM niet van een onjuiste rechtsopvatting. Een definitief oordeel daarover komt immers niet aan de uitleveringsrechter toe. Het hof heeft zich ook uitgelaten over de vraag of is gebleken dat [de opgeëiste persoon 3] door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge artikel 6 EVRM toekomend recht. Het kon daarbij oordelen dat de raadsvrouw daartoe – afgezien van de aangedragen feiten en omstandigheden op grond waarvan er sprake zou zijn van onrechtmatige bewijsgaring en waarover het hof onbevoegd was een oordeel te vellen – onvoldoende argumenten had aangedragen.13 Het hof hoefde om die reden ook niet toe te komen aan de vraag of is komen vast te staan dat [de opgeëiste persoon 3] na zijn uitlevering geen effectief rechtsmiddel ten dienste zou staan ter zake van die inbreuk.

7.8.

Daaraan wil ik nog toevoegen dat ook indien in casu daadwerkelijk sprake is geweest van de uitlokking van enig strafbaar feit, kan worden betwijfeld of deze uitlokking maakt dat zich ten aanzien van [de opgeëiste persoon 3] een ‘flagrant denial of justice’ in de door het EHRM gehanteerde zin heeft voorgedaan. Nu er bij een vervolgingsuitlevering geen sprake is van een door de rechter afgesloten strafvervolging, hetgeen wel het geval is in de Straatsburgse jurisprudentie waarnaar de steller van het middel verwijst, kan immers op voorhand niet worden vastgesteld dat er sprake is van een oneerlijk proces.

7.9.

Voor het aannemen van een flagrante schending van artikel 6 EVRM stelt het EHRM bovendien zeer strenge eisen die het in de zaak Othman t. V.K. als volgt heeft omschreven:

“259. In the Court's case-law, the term ‘flagrant denial of justice’ has been synonymous with a trial which is manifestly contrary to the provisions of Article 6 or the principles embodied therein (Sejdovic v. Italy [GC], no. 56581/00, § 84, ECHR 2006-II; Stoichkov, cited above, § 56, Drozd and Janousek cited above, § 110). Although it has not yet been required to define the term in more precise terms, the Court has nonetheless indicated that certain forms of unfairness could amount to a flagrant denial of justice. These have included:

- conviction in absentia with no possibility subsequently to obtain a fresh determination of the merits of the charge (Einhorn, cited above, § 33; Sejdovic, cited above, § 84; Stoichkov, cited above, § 56);

- a trial which is summary in nature and conducted with a total disregard for the rights of the defence (Bader and Kanbor, cited above, § 47);

- detention without any access to an independent and impartial tribunal to have the legality the detention reviewed (Al-Moayad, cited above, §101);

- deliberate and systematic refusal of access to a lawyer, especially for an individual detained in a foreign country (ibid.).

260. It is noteworthy that, in the twenty-two years since the Soering judgment, the Court has never found that an expulsion would be in violation of Article 6. This fact, when taken with the examples given in the preceding paragraph, serves to underline the Court's view that ‘flagrant denial of justice’ is a stringent test of unfairness. A flagrant denial of justice goes beyond mere irregularities or lack of safeguards in the trial procedures such as might result in a breach of Article 6 if occurring within the Contracting State itself. What is required is a breach of the principles of fair trial guaranteed by Article 6 which is so fundamental as to amount to a nullification, or destruction of the very essence, of the right guaranteed by that Article.”14

7.10.

Wat betreft de stellingen van de raadsvrouw over schending van de uit de Salduz-rechtspraak van het EHRM voortvloeiende rechten van [de opgeëiste persoon 3] geldt ten slotte, dat deze klacht niet tot cassatie kan leiden, nu in de toelichting op het middel in het geheel niet nader op deze stellingen en de verwerping daarvan door het hof wordt ingegaan.

7.11.

Het middel faalt.

8. Het derde middel stelt aan de orde dat het hof ten onrechte heeft nagelaten om naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek of ambtshalve nader onderzoek te doen naar de door de raadsvrouw van [de opgeëiste persoon 3] gestelde reeds voltooide schending van art. 6 EVRM.

8.1.

Blijkens de inhoud van het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 20 augustus 2015 (zie blz. 2) en de daaraan gehechte pleitnota (zie blz. 12-15), heeft de raadsvrouw van [de opgeëiste persoon 3] op de genoemde zitting aan het hof verzocht om nader onderzoek in te stellen naar de door de Amerikaanse autoriteiten ingezette bijzondere opsporingsmethoden en in dat kader een drietal getuigen te doen horen. Daarbij ging het er de raadsvrouw met name om nadere duidelijkheid te verkrijgen over de precieze rol van de als ‘CC-1’, ‘CC-2’ en ‘CC-3’ aangeduide personen die blijkens de inhoud van de ‘Affidavit in support of request for extradition’ van 21 oktober 2013 in de onderhavige zaak bij de opsporing van [de opgeëiste persoon 3] als ‘co-conspirators’ zijn ingezet.

8.2.

Met betrekking tot het genoemde verzoek heeft het hof in het bestreden advies het volgende overwogen:

“6.5 Tot slot is het Hof van oordeel dat de verzoeken die de raadsvrouw heeft gedaan tot het horen van getuigen en het overleggen van stukken dienen te worden afgewezen aangezien deze naar het oordeel van het hof eveneens vallen binnen het kader van de beoordeling van de rechtmatigheid van de bewijsgaring.”

8.3.

De steller van het middel wijst er terecht op dat de uitleveringsrechter met betrekking tot een gestelde inbreuk op het recht op een eerlijk proces onder omstandigheden een zelfstandige onderzoekplicht heeft. In de toelichting op het middel wordt in dit verband verwezen naar een arrest van de Hoge Raad dat betrekking heeft op een gestelde foltering. Omdat het dan gaat om een absolute weigeringsgrond geldt daarbij een stringentere onderzoekplicht, die niet één op één van toepassing kan worden geacht bij een andersoortige schending van het recht op een eerlijk proces.15

In hetgeen hierboven bij de bespreking van het tweede middel is opgemerkt ligt al besloten, dat het hof het verzoek tot nader onderzoek in de onderhavige zaak kon afwijzen zoals het dat heeft gedaan. Het hof heeft geoordeeld – en ook kunnen oordelen – dat de stellingen van de raadsvrouw van [de opgeëiste persoon 3] over de door de Amerikaanse autoriteiten gebruikte opsporingsmethoden niet voldoende zijn om een uitzondering te maken op het uitgangspunt dat de uitleveringsrechter zich niet uitlaat over de rechtmatigheid van de bewijsgaring. De afwijzing door het hof van het verzoek tot nader onderzoek is niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd.

8.4.

Ook het derde middel faalt.

9. Het vierde middel is gebaseerd op een curieus aspect van onderhavige uitleveringsprocedure(s), namelijk dat het Gemeenschappelijk Hof in één advies heeft beslist op twee, op dezelfde feiten betrekking hebbende, uitleveringsverzoeken van de Verenigde Staten gericht aan de gouverneurs van Curaçao en Sint Maarten. De vraag wordt opgeworpen welke gevolgen aan een dergelijke gang van zaken moeten worden verbonden nu daardoor binnen het Koninkrijk meerdere uitleveringsverzoeken aanhangig worden gemaakt die op dezelfde persoon en dezelfde feiten betrekking hebben, maar tot verschillende landen binnen het Koninkrijk zijn gericht.

9.1.

Zoals hiervoor onder 4 reeds is weergegeven zijn in de onderhavige zaak door de Verenigde Staten van Amerika op de voet van art. 11 van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika (Trb. 1980, 111) twee grotendeels gelijkluidende verzoeken tot uitlevering van [de opgeëiste persoon 3] gedaan, waarvan er één – een verzoek van 11 september 2013 – was gericht aan de advocaat-generaal van Sint Maarten en één – een verzoek van 1 oktober 2013 – aan de procureur-generaal van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Naar aanleiding van het laatstgenoemde verzoek is op 26 november 2013 door de fungerend procureur-generaal van Curaçao een vordering tot advies over de toelaatbaarheid van de uitlevering als bedoeld in art. 13 van het Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten ingediend bij het hof, welke vordering in eerste instantie heeft geresulteerd in het later gecasseerde advies van het hof van 6 februari 2014. Op 22 juli 2014 – dat wil zeggen: in de periode tussen het eerste advies van het hof in de Curaçaose zaak en het arrest van de Hoge Raad in diezelfde zaak van 10 februari 2015 – heeft de fungerend procureur-generaal van Sint Maarten naar aanleiding van het aan de advocaat-generaal van Sint Maarten gerichte uitleveringsverzoek van 11 september 2013 een nieuwe vordering als bedoeld in art. 13 van het Uitleveringsbesluit bij het hof ingediend. Deze nieuwe vordering is door het hof voor het eerst behandeld op de terechtzitting van 6 november 2014, waarna het hof in een beslissing van 20 november 2014 heeft bepaald dat de behandeling pas na het arrest van de Hoge Raad in het cassatieberoep in de Curaçaose zaak zou worden voortgezet.

Na de terugwijzing van de Curaçaose zaak door de Hoge Raad, heeft het hof de Curaçaose zaak en de zaak van Sint Maarten op de zitting van 20 augustus 2015 gelijktijdig behandeld en vervolgens met betrekking tot deze twee zaken één enkel – aan zowel de gouverneur van Curaçao als de gouverneur van Sint Maarten gericht – advies als bedoeld in art. 8, tweede lid, van het Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten gegeven.

9.2.

In de toelichting op het middel wordt betoogd dat het hof hiermee in strijd heeft gehandeld met het systeem van het uitleveringsrecht, aangezien de uitlevering krachtens art. 3, eerste lid aanhef en onder h, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden een aangelegenheid van het Koninkrijk is en hiermee niet valt te rijmen dat binnen het Koninkrijk tegelijkertijd twee verschillende uitleveringsverzoeken met betrekking tot dezelfde feiten en dezelfde opgeëiste persoon in behandeling worden genomen. Daarbij heeft het hof in zijn advies, dat zowel gericht is aan de gouverneur van Curaçao als aan de gouverneur van Sint Maarten zich niet uitgelaten over de vraag wie van beide bevoegd is om over de uitlevering te beslissen, wie van hen garanties moet vragen als dat nodig zou zijn en wat de gevolgen zijn wanneer de gouverneurs ten aanzien daarvan uiteenlopende standpunten huldigen. Het belang van [de opgeëiste persoon 3] bij het cassatieberoep is dat hij moet weten wie bevoegd is te beslissen over de uitlevering en tegen wiens beslissing hij zich eventueel moet verweren.

9.3.

Tot slot wordt de stelling betrokken dat het tweede uitleveringsverzoek niet in behandeling had mogen worden genomen. Ik vat dit zo op, dat er bedoeld wordt te klagen dat het hof ten onrechte heeft nagelaten de procureur-generaal van Sint Maarten niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering tot advies over de toelaatbaarheid van de uitlevering als bedoeld in art. 13 van het Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten.

9.4.

De eerste vraag die voor de beoordeling van het middel moet worden beantwoord, is of het aan het middel ten grondslag liggende uitgangspunt juist is, dat nu uitlevering krachtens art. 3, eerste lid aanhef en onder h, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden een Koninkrijksaangelegenheid is16, dit tot gevolg heeft dat niet gelijktijdig zou kunnen worden beslist op twee materieel gelijkluidende uitleveringsverzoeken gedaan aan twee verschillende landen binnen het Koninkrijk.

9.5.

Voor de beantwoording hiervan kan inspiratie worden gezocht in het (reeds bij de bespreking van het eerste middel aangehaalde) civiele arrest van de Hoge Raad van 7 november 200317, waarin aan de orde was of gelet op het bepaalde in art. 3 lid 1, sub h van het Statuut, de uitlevering door middel van een voor alle landen binnen het Koninkrijk gelijkluidende wet zou moeten worden geregeld. Art. 14 van het Statuut bepaalt dat “regelen omtrent aangelegenheden van het Koninkrijk” bij rijkswet of algemene maatregel van rijksbestuur worden vastgesteld. In dat verband werd door de eiser in cassatie gesteld dat het Nederlands-Antilliaans Uitleveringsbesluit onverbindend was, onder andere, omdat het (toen)18 niet voorzag in de mogelijkheid van cassatieberoep, waarin de in Nederland geldende Uitleveringswet wel voorziet. De stelling was dat daardoor de onderdanen van verschillende delen van het Koninkrijk verschillend werden behandeld en er sprake was van een schending van art. 14 EVRM en art. 26 IVBPR. Ook hier ging het om een uitlevering aan de Verenigde Staten (door Aruba). In dit verband heeft de Hoge Raad in zijn arrest het volgende overwogen:

“ 3.4.2. […] art. 14 Statuut laat [ruimte] voor verschillende regelingen in verschillende landen van het Koninkrijk, en […] de omstandigheid dat uitlevering een aangelegenheid van het Koninkrijk is, dwingt [niet] tot een in de drie landen inhoudelijk gelijke wetgeving of althans een inhoudelijk gelijk stelsel van rechtsmacht en rechtsmiddelen. Hieraan doet niet af dat het Koninkrijk partij is bij genoemde verdragen en niet de afzonderlijke landen. Het is immers niet ongebruikelijk en deze verdragen staan ook niet eraan in de weg dat binnen het rechtsgebied van een partij bij het EVRM of het IVBPR voor bepaalde onderwerpen de rechtsregels in verschillende delen van dit rechtsgebied verschillend zijn.”

9.6.

Ik leid hieruit af dat als het gaat over de uitleveringsprocedure de verschillende landen van het Koninkrijk met inachtneming van hetgeen daarover in het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden19 is bepaald, als afzonderlijke jurisdicties moeten worden beschouwd. Weliswaar is de uitleveringsprocedure in Aruba, Curaçao en Sint Maarten in een voor alle drie de landen geldend Uitleveringsbesluit geregeld en wordt de toelaatbaarheid van een verzochte uitlevering beoordeeld door het Gemeenschappelijk Hof en in cassatie getoetst door de Hoge Raad, voor het overige is de positie van Aruba Curaçao en Sint Maarten in het kader van de uitleveringsprocedure vergelijkbaar met ieder ander land. Steun voor deze benadering kan ook gevonden worden in de tekst van het Uitleveringsbesluit, waarin in art. 1 is bepaald dat onder de “Gouverneur” respectievelijk de “procureur-generaal” en “openbaar ministerie” steeds wordt verstaan de gouverneur respectievelijk de procureur-generaal en het openbaar ministerie van het land waar de opgeëiste persoon wordt of is aangetroffen.20 Bovendien hebben alle betrokken landen een eigen Wetboek van Strafrecht en Strafvordering, waarin de bepalingen onderling van elkaar kunnen verschillen.

9.7.

Als van het bovenstaande wordt uitgegaan, zou ik niet weten wat er aan in de weg staat, dat een verzoekende staat een verzoek tot uitlevering ter zake van dezelfde feiten en dezelfde persoon aan meerdere landen binnen het Koninkrijk richt en dat het Gemeenschappelijk Hof, als deze verzoeken gericht zijn tot Aruba, Curaçao en Sint Maarten, hierover een advies geeft. Het hof moet immers slechts beoordelen of deze verzoeken toelaatbaar zijn en nergens is bepaald dat het hof tevens zou moeten aangeven welke gouverneur bevoegd is de beslissing tot uitlevering te nemen. Wat dat betreft vraag ik mij ook af of de beschikking van het Gemeenschappelijk Hof om de uitleveringsdetentie in de Sint Maartense zaak op te heffen, wel goed gemotiveerd is. Maar die beschikking is in onderhavige zaak niet aan de orde en de vraagtekens die hierbij kunnen worden gesteld laat ik dan ook voor wat ze zijn.

9.8.

Er doet zich wel een ander probleem voor, waarvan ik mij heb afgevraagd of de Hoge Raad daarover ambtshalve een oordeel zou moeten vellen. Dit heeft te maken met de verblijfplaats van [de opgeëiste persoon 3] ten tijde van de behandeling van de twee vorderingen tot advies over de toelaatbaarheid van de uitlevering bij het Gemeenschappelijk Hof. Het gaat daarbij niet zozeer om de vraag of deze twee verzoeken gelijktijdig aan Curaçao en Sint Maarten kunnen worden gedaan, maar aan de hand van welke maatstaven deze verzoeken door het Gemeenschappelijk Hof moeten worden beoordeeld.

9.9.

Zoals ik hierboven onder 9.6 heb aangehaald wordt in art. 1 van het Uitleveringsbesluit steeds verwezen naar de betrokken functionaris (gouverneur, procureur-generaal) van het land waar de opgeëiste persoon wordt of is aangetroffen. Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat het voor de ontvankelijkheid van de vordering van belang is, op welk eiland de opgeëiste persoon zich bevindt. In de Nederlandse jurisprudentie die van toepassing mag worden geacht op de Antilliaanse uitleveringsprocedure21, is uitgemaakt, dat de officier van justitie in de uitleveringsprocedure – ondanks het feit dat art. 28 UW als mogelijke uitspraken slechts de toelaatbaarverklaring en de ontoelaatbaarverklaring van de uitlevering noemt – niet-ontvankelijk kan worden verklaard in zijn vordering tot het in behandeling nemen van het uitleveringsverzoek, als de behandeling van de vordering niet mogelijk is omdat de opgeëiste persoon zich niet meer in Nederland bevindt en niet te verwachten valt dat hij nog zal terugkeren. De aangezochte staat moet immers in staat zijn de opgeëiste persoon aan de verzoekende staat uit te leveren. 22 Daarnaast geldt dat tegen een niet-verschenen opgeëiste persoon geen verstek kan worden verleend. In een arrest van 10 juni 2003 heeft de Hoge Raad hierop echter een uitzondering gemaakt, die is af te leiden uit de onderstaande overwegingen:

“3.4 Op grond van het hiervoor onder 3.2.1 weergegevene moet er in cassatie van worden uitgegaan

- dat de opgeëiste persoon tevoren op de hoogte is gesteld van de behandeling van het uitleveringsverzoek door de Rechtbank;

- dat hij afstand heeft gedaan van zijn recht dienaangaande ter zitting te worden gehoord, zoals ook blijkt uit de schriftelijke afstandsverklaring die zich bevindt bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken;

- dat zich niet het geval voordoet als bedoeld in art. 29, eerste lid, UW in verbinding met art. 279 Sv nu de raadsman ter zitting niet heeft verklaard door de opgeëiste persoon uitdrukkelijk te zijn gemachtigd tot de verdediging.

Voorts heeft de Rechtbank blijkens het hiervoor onder 3.2 weergegevene geoordeeld dat de opgeëiste persoon in Nederland verblijft, dat zijn identiteit vaststaat en dat bij haar ambtshalve ingestelde onderzoek niet is gebleken dat er geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan de feiten waarvoor zijn uitlevering is gevraagd.

3.5

Uit de bewoordingen van art. 29, eerste lid, UW en de hiervoren weergegeven wetsgeschiedenis moet worden afgeleid dat de wetgever niet heeft willen weten van het verlenen van verstek tegen een opgeëiste persoon die niet is verschenen op de zitting die is bepaald met het oog op zijn verhoor aangaande het verzoek tot zijn uitlevering. Ingeval de opgeëiste persoon op de bedoelde zitting niet is verschenen, dient de Rechtbank — behoudens wanneer aldaar een op de voet van art. 29, eerste lid, UW in verbinding met art. 279 Sv uitdrukkelijk gemachtigde raadsman is verschenen — op grond van art. 25, vierde lid, UW de dagvaarding van de opgeëiste persoon te gelasten tegen een nader te bepalen tijdstip, doch uitsluitend indien zij zijn aanwezigheid bij het verhoor wenselijk acht.

De art. 25, vierde lid, en 29, eerste lid, UW staan derhalve niet in de weg aan de behandeling van een uitleveringsverzoek ingeval noch de opgeëiste persoon noch een op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman ter zitting is verschenen, behoudens indien de Rechtbank de aanwezigheid van de opgeëiste persoon bij het verhoor wenselijk oordeelt. Die wenselijkheid kan — gelet op de wetsgeschiedenis — geacht worden te ontbreken wanneer er geen twijfel aan bestaat dat de opgeëiste persoon degene is om wiens uitlevering is verzocht, hij zich in Nederland bevindt, en hem tevens op de voet van art. 24, tweede lid, UW mededeling is gedaan van het voor zijn verhoor bepaalde tijdstip zodat hij in de gelegenheid is gesteld aldaar de in art. 26, derde lid, UW bedoelde bewering naar voren te (doen) brengen.”23

9.10.

Sanders leidt uit deze uitspraak af, dat als de uitleveringsrechter vaststelt dat de vordering van de officier van justitie in persoon aan de opgeëiste persoon is betekend; de opgeëiste persoon – in elk geval tot het moment van de uitreiking van de vordering – in Nederland woonde; er van de zijde van de verdediging niet is gesteld noch anderszins is gebleken dat de opgeëiste persoon zich niet in Nederland bevindt, de officier van justitie ontvankelijk kan worden geacht in zijn vordering. 24

9.11.

Wat betekent dit nu voor onderhavige zaak? Uit de onder 4 weergegeven gang van zaken blijkt dat [de opgeëiste persoon 3] kennelijk zowel op Curaçao als op Sint Maarten heeft verbleven. Dat is ook de oorzaak van de twee gelijkluidende uitleveringsverzoeken van de Verenigde Staten aan beide landen. Uit de gedingstukken kan ten aanzien van de verblijfplaats van [de opgeëiste persoon 3] het volgende worden opgemaakt:

- In het dossier van de zaak komen vier woon-/verblijfadressen van [de opgeëiste persoon 3] voor, twee adressen in Curaçao ( [a-straat 1]25 en [b-straat 1]26) en twee adressen in Sint Maarten ( [c-straat 1] te Philipsburg27 en [d-straat 1]28).

  • -

    Op 11 september 2013 hebben de autoriteiten van de Verenigde Staten aan Sint Maarten verzocht de opgeëiste persoon ter fine van uitlevering voorlopig aan te houden. [de opgeëiste persoon 3] bleek toen echter in Curaçao te verblijven, zodat de autoriteiten van de VS op 1 oktober 2013 een gelijkluidend verzoek aan Curaçao hebben gedaan. Op basis van dit laatste verzoek is [de opgeëiste persoon 3] op 2 oktober 2013 in Curaçao aangehouden (op het adres [a-straat 1] ; zie het proces-verbaal uitvoering rechtshulpverzoek Washington D.C. 20530).

  • -

    Na de ontoelaatbaarverklaring van de uitlevering door het van 6 februari 2014 is [de opgeëiste persoon 3] op vrije voeten gesteld, waarna deze naar Sint Maarten is gegaan. Daarbij ga ik af op een weergave van de gang van zaken in de conclusie van de wnd. procureur-generaal van Curaçao, Sint Maarten, St. Eustatius en Saba op de zitting van het Gemeenschappelijk Hof van 6 november 2014 in de zaak van Sint Maarten.

  • -

    In het dossier bevindt zich een oproeping voor de zitting van het Gemeenschappelijk Hof van 28 augustus 2014 in de zaak van Sint Maarten (zonder bijbehorende akte van uitreiking), welke oproeping het adres [c-straat 1] in Sint Maarten vermeldt. Het proces-verbaal van het de genoemde zitting zelf vermeldt dat de niet-verschenen opgeëiste persoon woont “in Sint Maarten en/of in Curaçao” en houdt voorts in dat de oproeping voor de volgende zitting van 6 november 2014 dient te worden betekend op zowel het adres [c-straat 1] in Sint Maarten als het adres [b-straat 1] in Curaçao. De genoemde oproeping is vervolgens op 9 oktober 2014 in persoon aan de opgeëiste persoon betekend op (nog weer) een ander adres van de opgeëiste persoon, te weten: het adres [d-straat 1] in Sint Maarten.

  • -

    Na de aanhouding van de zaak van Sint Maarten op de zitting van 6 november 2014 en het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2015 in de zaak van Curaçao worden ook de oproepingen voor de zittingen van het Gemeenschappelijk Hof van 7 mei 2015 en 20 augustus 2015 beide in persoon betekend op het adres [d-straat 1] in Sint Maarten.

  • -

    Waar het proces-verbaal van de zitting van het Gemeenschappelijk Hof van 7 mei 2015 niettemin nog vermeldt dat de niet-verschenen opgeëiste persoon “in Sint Maarten en/of in Curaçao” woont, noemt het proces-verbaal van de zitting van 20 augustus 2015 als woonplaats van de (via een videoverbinding met Sint Maarten) nu wel verschenen [de opgeëiste persoon 3] alleen “Sint Maarten”.

  • -

    Ietwat verwarrend is dat het Gemeenschappelijk Hof in zijn uiteindelijke advies van 3 september 2015 weer vermeldt dat de opgeëiste persoon “in Sint Maarten en/of Curaçao” woont. De cassatieakte van 4 september 2015 houdt dan weer alleen in dat de opgeëiste persoon in Sint Maarten woont.

  • -

    In de cassatiefase zelf is de aanzegging in de zin van art. 31, vijfde lid, UW van 23 maart 2016 voorzien van het adres [b-straat 1] in Curaçao. Daarbij is kennelijk uitgegaan van een zich in het dossier bevindend in Curaçao opgevraagd “uittreksel uit de basisadministratie persoons-gegevens” van 21 maart 2016, dat inhoudt dat de opgeëiste persoon tot 6 september 2010 op het adres [b-straat 1] in Curaçao gewoond heeft (maar daarna is vertrokken naar Sint Maarten). Uit een akte van uitreiking van 5 april 2016 blijkt vervolgens dat de genoemde aanzegging in de zin van art. 31, vijfde lid, UW uiteindelijk in persoon is betekend op het adres [c-straat 1] in Sint Maarten.

9.12.

Al met al lijkt het erop dat de opgeëiste persoon vanaf zijn vrijlating na het (eerste) advies van het Gemeenschappelijk Hof van 6 februari 2014 steeds in Sint Maarten heeft verbleven, maar daarbij wel twee verschillende adressen heeft gehad. Op grond daarvan kan worden geconcludeerd dat het Gemeenschappelijk Hof de vordering van de procureur-generaal van Sint Maarten tot advies over de toelaatbaarheid van de uitlevering als bedoeld in art. 13 van het Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten terecht ontvankelijk heeft verklaard, zodat het middel dat hiertegen gericht is niet kan slagen.

9.13.

Maar hoe zit het nu met de vordering van de procureur-generaal van Curaçao? Als de redenering wordt gevolgd dat Curaçao voor de uitleveringsprocedure geldt als een zelfstandig land en op grond van hetgeen onder 9.9 en 9.10 is opgemerkt ook voor de vordering van de procureur-generaal van Curaçao geldt dat deze slechts ontvankelijk is als de opgeëiste persoon, [de opgeëiste persoon 3] , zich op Curaçao bevindt, dan had het hof op grond van hetgeen over de verblijfplaats van [de opgeëiste persoon 3] uit de gedingstukken kan worden opgemaakt, deze vordering niet ontvankelijke dienen te verklaren omdat zonder meer uit de betekeningen in persoon en de zitting van 20 augustus 2015 waarop [de opgeëiste persoon 3] via een videolink met Sint Maarten is gehoord, kan worden opgemaakt dat [de opgeëiste persoon 3] niet op Curaçao, maar op Sint Maarten verbleef. Uit het bestreden advies blijkt echter in het geheel niet dat het hof hierbij heeft stilgestaan. Mogelijk is de oorzaak hiervan dat het hof, zoals blijkt uit zijn beschikking waarbij het de uitleveringsdetentie heeft opgeheven, het Koninkrijk als één rechtsgebied beschouwt en het wellicht in de ogen van het hof er niet zoveel toe doet, welke gouverneur uiteindelijk de beslissing tot uitlevering neemt, die van Curaçao of die van Sint Maarten.

9.14.

Naar mijn mening berust deze (impliciete aanname) echter op een onjuiste rechtsopvatting. Als Curaçao en Sint Maarten moeten worden aangemerkt als twee afzonderlijke landen, zoals ik hiervoor heb betoogd, dan had het hof niet beide vorderingen ontvankelijk mogen verklaren, maar slechts de vordering die betrekking had op het (ei)land waar [de opgeëiste persoon 3] verbleef.

9.15.

Geredeneerd zou vervolgens kunnen worden, dat nu hierover noch in ten overstaan van het Gemeenschappelijk Hof, noch in de cassatieschriftuur over is geklaagd, dit niet tot cassatie zou hoeven te leiden. Het lijkt mij echter zuiverder en ook van belang als een signaal voor de rechtspraktijk, dat in het geval de Hoge Raad mijn redenering volgt, hij ambtshalve casseert en op grond van art. 4 lid 1 Rijkswet cassatierechtspraak in uitleveringszaken voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten de zaak zelf afdoet, nu dit naar mijn mening mogelijk is zonder in een nieuw onderzoek naar de feiten te treden.29

9.16.

Het vierde middel faalt, maar ik zal concluderen dat de Hoge Raad het advies ambtshalve zal vernietigen en de zaak zelf zal afdoen zoals hieronder zal worden vermeld.

10. Het vijfde middel klaagt erover dat het hof in de zaak van Sint Maarten in het kader van zijn oordeel over de toelaatbaarheid van de uitlevering niet is ingegaan op het – met een beroep op EHRM 4 september 2014, NJB 2014/2270 (Trabelsi/België) – gevoerde verweer van de verdediging dat ten aanzien van de verzochte uitlevering van [de opgeëiste persoon 3] sprake is van een dreigende schending van art. 3 EVRM.

10.1.

Het middel faalt reeds vanwege de omstandigheid dat het aan de gouverneur is om te beoordelen of sprake is van een dreigende schending van art. 3 EVRM.30 Hij kan de daarbij om garanties vragen dat een eventueel op te leggen levenslange gevangenisstraf periodiek wordt herzien met inachtneming van de waarborgen die in de Straatsburgse jurisprudentie zijn geformuleerd. Tegen de desbetreffende beslissing van de gouverneur kan eventueel in kort geding worden opgekomen.

10.2.

Maar het middel kan evenmin slagen, omdat de raadsvrouw van [de opgeëiste persoon 3] ter terechtzitting van het hof van 6 november 2014 weliswaar heeft gesteld dat aan [de opgeëiste persoon 3] in de Verenigde Staten van Amerika voor de drugsfeiten waarvoor zijn uitlevering is verzocht een levenslange gevangenisstraf kan worden opgelegd en het rechtssysteem van de Verenigde Staten van Amerika geen adequate procedure voor de periodieke herbeoordeling van een dergelijke straf kent, maar deze stelling door de raadsvrouw op geen enkele wijze nader is onderbouwd. Nu de raadsvrouw het verweer van een dreigende schending van art. 3 EVRM niet van een nadere motivering heeft voorzien, kan niet worden gezegd dat het oordeel van het hof over de toelaatbaarheid van de uitlevering bij gebreke van een expliciete verwerping van dit verweer onbegrijpelijk is.

10.3.

Het vijfde middel faalt eveneens.

11. De voorgestelde middelen treffen geen doel.

11. Ambtshalve concludeer ik tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend voor wat betreft het advies aan de gouverneur van Curaçao tot uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten van Amerika over te gaan, waarbij de Hoge Raad de zaak zelf kan afdoen door de vordering van de procureur-generaal van Curaçao tot advies over de toelaatbaarheid van de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten van Amerika alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:271.

2 HR 7 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0355, NJ 2004/99, m.nt. T Koopmans.

3 HR 25 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2698.

4 Zie blz. 5-12 van de op de genoemde zitting overgelegde pleitnota.

5 Zie onder punt 21 van de pleitnota.

6 Zie V.H.Glerum en N. Rozemond, Uitlevering, in R. van Elst/ E. van Sliedregt (red.) Handboek internationaal strafrecht, 2015, p. 180-186.

7 V.H.Glerum en N. Rozemond, a.w. 2015, p. 230-231. Zij verwijzen naar HR 11 maart 2003, NJ 2004/42; HR 18 november 2003, AH8601 rov. 3.2.3 en 3.3.3 en HR 15 februari 2005, AS6026 rov. 3.2.2 en 3.2.3.

8 Zie bijvoorbeeld HR 11 maart 2003 ECLI:NL:HR:2003:AF3312, NJ 2004/42 rov. 3.4. en HR 20 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3308, NJ 2004/41 m.nt. Y Buruma en mijn conclusie voor HR 2 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1758 (ECLI:NL:PHR:2015:965), onder 10 tot en met 14.

9 Zo acht ook het EHRM een klacht dat art. 6 EVRM is geschonden vanwege de omstandigheid dat de klager geen Salduz-bijstand heeft gehad prematuur, als de klacht is ingediend voordat de strafrechtelijke procedure definitief is afgewikkeld, zie EHRM 2 april 2015, Dimech v. Malta, nr. 34373/13, par.45-48.

10 Dat ligt anders bij een reeds voltooide schending van art. 3 EVRM; foltering of onmenselijke behandeling wordt per definitie als niet herstelbaar aangemerkt, zie Glerum/Rozemond a.w., 2015, p.228-229.

11 HR 4 april 2006, ECLI:NL:HR:AV8326, NJ 2006/408; HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:BQ0838 en HR 17 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1441. Zie ook Glerum, Weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering, dissertatie 2013 p. 180.

12 Zie ook Glerum a.w. 2013, p. 177-178.

13 Zie in dit verband ook voetnoot 2 van de conclusies van mijn ambtgenoot Aben vóór de eerdere arresten van de Hoge Raad in de met de onderhavige zaak samenhangende zaken van [de opgeëiste persoon 2] en [de opgeëiste persoon 1] (ECLI:NL:PHR:2014:2257 en ECLI:NL:PHR:2014:2258) en in dit verband ook nr. 19 e.v. van mijn conclusie vóór 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1758 (ECLI:NL:PHR:2015:965).

14 EHRM 17 januari 2012,Otham t. V.K., nr. 8139/09, NJ 2013/360.

15 In de toelichting op het middel wordt verwezen naar HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0547, NJ 1997/533, in welk arrest de Hoge Raad met betrekking tot een gestelde foltering van de opgeëiste persoon door de autoriteiten van de verzoekende staat en de toepasselijkheid van art. 3 van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing van 10 december 1984 (Trb. 1985, 69) het volgende overwoog: “5.5.3. Genoemd artikel 3 derogeert aan een uit enig uitleveringsverdrag voortvloeiende uitleveringsverplichting. Indien komt vast te staan dat de opgeëiste persoon in verband met de desbetreffende zaak door functionarissen van de verzoekende staat is gefolterd is de verzochte uitlevering derhalve niet voor inwilliging vatbaar en dus ontoelaatbaar. 5.6 Gelet op het evenoverwogene had de Rechtbank de aangevoerde omstandigheid dat B. bij zijn verhoor met betrekking tot de onderhavige zaak door Turkse politiefunctionarissen is gefolterd op haar aannemelijkheid moeten onderzoeken, en heeft zij het verweer dat B. om die reden niet mag worden uitgeleverd op ontoereikende grond verworpen.”

16 Art. 3 lid 1, onder h. van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden luidt: “ 1.Onverminderd hetgeen elders in het Statuut is bepaald, zijn aangelegenheden van het Koninkrijk: […] h. de uitlevering.”

17 HR 7 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0355, NJ 2004/99 m.nt. T. Koopmans

18 Inmiddels is sinds 1 januari 2004 in de mogelijkheid van cassatieberoep voorzien in de Rijkswet cassatierechtspraak in uitleveringszaken voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten, Stb. 2003,204.

19 Zoals dit geldt sinds 10 oktober 2010, Stb. 2010, 775.

20 Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten, 20 augustus 2010, Stb. 2010, 343, i.w.tr. !0 oktober 2010.

21 HR 25 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2698.

22 HR 12 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5617; HR 24 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD5059, waarin de Hoge Raad overweegt.: “2.1. Een uitleveringsverzoek kan niet in behandeling worden genomen indien moet worden aangenomen dat de opgeëiste persoon zich niet in Nederland bevindt en Nederland dientengevolge niet in staat is hem ter beschikking te stellen van de autoriteiten van de verzoekende Staat [..]”.

23 HR 10 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF6597, NJ 2003, 610

24 ; zie ook H. Sanders, Handboek Uitleverings- en Overleveringsrecht, Kluwer Deventer, par. 1.2.1.5.2. Het verhoor van de opgeëiste persoon, bijgewerkt tot 30 juni 2014.

25 In het p-v uitvoering rechtshulpverzoek van 2 oktober 2013.

26 In het p-v van de zitting van het GHvJ van 28 augustus 2014 en op het in cassatie in Curaçao opge-vraagde uittreksel uit de basisadministratie persoonsgegevens.

27 Op de oproeping voor de zitting van het GHvJ van 28 augustus 2014, in het p-v van diezelfde zitting en op de uitreikingsakte van de aanzegging in cassatie.

28 Op de uitreikingsakte van de oproeping voor de zitting van het GHvJ van 6 november 2014 en op de uitreikingsakten voor de zittingen van het HvJ van 7 mei 2015 en 20 augustus 2015.

29 Zie bijvoorbeeld HR 12 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5617, rov. 3.2.

30 Zie bijvoorbeeld V.H. Glerum en N. Rozemond, a.w. 2015, p. 228.