Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1112

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
25-10-2016
Datum publicatie
11-11-2016
Zaaknummer
15/02649
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2582, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Doodslag op echtgenote op de camping Flevo Natuur te Zeewolde. Middelen over de bewijsconstructie. HR: 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 15/02649

Zitting: 25 oktober 2016

Mr. W.H. Vellinga

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 26 februari 2015 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens “doodslag”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaar en zes maanden. Voorts heeft het hof goederen aan het verkeer onttrokken verklaard als in het arrest aangegeven.

  2. Namens de verdachte heeft mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 19 juni 2009 tot en met 20 juni 2009 in de gemeente Zeewolde opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd.”

4. Aan deze bewezenverklaring legt het hof de volgende overwegingen ten grondslag:

“6. Bewijsoverwegingen

Het hof komt tot een bewezenverklaring van het impliciet subsidiair ten laste gelegde, te weten doodslag. De overwegingen die aan deze bewezenverklaring ten grondslag liggen (bewijsoverwegingen), zijn hieronder uitgewerkt. De bewijsmiddelen die de bewezenverklaring en voornoemde bewijsoverwegingen onderbouwen, zullen worden weergegeven in een in overeenstemming met artikel 365a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering opgestelde aanvulling van de bewijsmiddelen.

De bewijsoverwegingen hieronder zijn omwille van de leesbaarheid voorzien van tussenkopjes. Voor zover een verweer van de verdediging noopt tot een reactie, staat deze ook hieronder weergegeven.

6.1 Aantreffen stoffelijk overschot [slachtoffer]

Op 4 juli 2009 omstreeks 18.00 uur betreden twee verbalisanten met behulp van een koevoet een afgesloten stacaravan op naaktrecreatiepark Flevo-Natuur te Zeewolde. Zij treffen in de caravan veel dode en levende vliegen aan en ruiken een penetrante lucht, die zij omschrijven als de “lucht van vlees dat zich in staat van ontbinding bevindt”. Deze penetrante lucht is in de slaapkamer van de caravan het sterkst. De verbalisanten tillen uiteindelijk het matras van het tweepersoonsbed in de slaapkamer op en zien onder de linkerhelft van het bed een opgerold stuk bouwplastic liggen, groen/blauw van kleur, dichtgeplakt met tape. Naast het plastic op de vloer zien de verbalisanten maden, die zich bevinden in een bruisende vloeistof. Nadien zal blijken dat het opgerolde stuk bouwplastic het zich in verregaande staat van ontbinding bevindende stoffelijk overschot van [slachtoffer] bevat. Om de nek en hals van [slachtoffer] zit een meermalen om de hals gewikkelde ceintuur en om haar hoofd zit een vuilniszak.

6.2 Doodsoorzaak

Op het lichaam van het slachtoffer wordt sectie verricht, teneinde onder meer de doodsoorzaak te achterhalen. Het onderzoek van de patholoog wordt “fors bemoeilijkt door uitgebreide postmortale veranderingen”. Er wordt door de patholoog een bandvormige indeuking aan de hals vastgesteld, maar geen breuken van het tongbeen of het strottenhoofd aangetroffen. Het niet aantreffen van voornoemde breuken van het tongbeen of het strottenhoofd sluit - zo relateert de patholoog - inwerking van samendrukkend of omsnoerend geweld aan de hals voor het overlijden niet uit. Andere verwondingen aan het lichaam zijn niet aangetroffen.

[slachtoffer] is aangetroffen met een meermalen om haar nek gewikkelde ceintuur. Om haar hoofd bevond zich een vuilniszak. In en nabij de caravan zijn geen bloedsporen of andere sporen aangetroffen die duiden op een andere doodsoorzaak.

Naar het oordeel van het hof is met inachtneming van de hierboven weergegeven bevindingen van de patholoog en de omstandigheden waaronder het stoffelijk overschot is aangetroffen waar het hof hieronder nog nader op ingaat, wettig en overtuigend bewezen dat dat er sprake is van een niet-natuurlijke dood, veroorzaakt door samendrukkend of omsnoerend geweld van de hals. Het hof is van oordeel dat de door de verdediging geopperde mogelijkheid van een natuurlijke dood wordt weerlegd door het voorgaande. De door de verdediging niet meer dan geopperde mogelijkheid van zelfdoding dan wel een ongeluk, wordt als onbegrijpelijk en onaannemelijk verworpen. In dat scenario zou een onbekend gebleven persoon nadien het door hem aangetroffen stoffelijk overschot hebben ingepakt en verborgen onder het bed. Over hoe en waarom dit zou zijn gebeurd heeft de verdediging geen begin van een verklaring verschaft. In de caravan is een voetspoor aangetroffen en buiten de caravan is op een vuilniszak in een vuilnisemmer een DNA-spoor aangetroffen. Het hof is van oordeel dat deze sporen niet als daderspoor kunnen worden aangemerkt zoals hierna verder wordt besproken. Buiten deze sporen is geen enkel spoor aangetroffen van een ander onbekend persoon. Gelet hierop gaat het hof er dan ook van uit dat degene die [slachtoffer] gedood heeft, haar ook heeft ingepakt en achtergelaten in de caravan.

6.3 Plaats delict

De stacaravan waarin het lichaam is gevonden betrof het recreatieverblijf van verdachte en zijn partner [slachtoffer], het aangetroffen slachtoffer. Uit het uitgebreid forensisch onderzoek ter plaatse en nadien verricht onderzoek zijn het hof geen aanwijzingen gebleken dat [slachtoffer] op een andere plaats om het leven is gebracht dan op de camping. De laatste tekenen van leven die van [slachtoffer] via telefoongebruik zijn aangetroffen wijzen allemaal op het verblijf op de camping. Op het plastic waarin het lichaam was verpakt zijn weliswaar enkele botanische sporen aangetroffen, maar die wijzen er slechts op dat het plastic (ooit) in aanraking is gekomen met voornoemde sporen. Op welke wijze dat is gebeurd kan niet worden vastgesteld. De botanische sporen betreffen sporen van een beuk en een eik. In de nabijheid van het perceel waarop de caravan stond is op een afstand van ongeveer 10 meter zowel een eikenboom als een beukenboom aangetroffen.

De stof van de ceintuur die om de nek van [slachtoffer] is aangetroffen is onderzocht en vergeleken met de stof van de badjas die bij het bed hing waaronder [slachtoffer] werd aangetroffen. De resultaten van het onderzoek zijn waarschijnlijker als de ceintuur afkomstig is van de badstof kamerjas dan wanneer deze afkomstig is van een willekeurige badstof kamerjas.

De vuilniszak die om het hoofd van [slachtoffer] zat bleek bij soucheonderzoek afkomstig van een rol vuilniszakken die zich in de caravan bevond. Deze vuilniszak vormde een souche met een buiten in de vuilnisemmer aangetroffen vuilniszak en deze laatste zak vormde een souche met de eerstvolgende zak op de rol. De zak in de vuilnisemmer aangetroffen is dan de laatste van de rol gebruikte zak.

Het plastic waar [slachtoffer] in was gewikkeld betrof soortgelijk plastic als hetgeen is aangetroffen in het schuurtje bij de caravan. Ook de tape die gebruikt is om het pakket waarin het lichaam zich bevond, dicht te plakken is soortgelijk aan de tape die in het schuurtje op de rol is aangetroffen.

Bij het ombrengen van [slachtoffer] en bij het inpakken van haar hoofd in een vuilniszak is derhalve gebruik gemaakt van in en bij de caravan aanwezige spullen. Bij het inpakken van haar lichaam is gebruik gemaakt van soortgelijke spullen als de spullen die zich in het schuurtje bevonden. Gelet op het voorgaande in samenhang beschouwd stelt het hof vast dat [slachtoffer] in of in de nabijheid van de stacaravan is omgebracht en dat haar lichaam daar is ingepakt.

6.4 Tijdstip van overlijden

6.4.1 Nog in leven op 18 juni 2009

Op 18 juni 2009 om 16.38 uur was het slachtoffer nog in leven, getuige de videobeelden waarop te zien is dat zij dan boodschappen doet in een vestiging van Albert Heijn.

6.4.2 Bevindingen deskundigen

Ondanks de hierboven al genoemde staat van het stoffelijk overschot van [slachtoffer], kunnen de deskundigen enkele uitspraken doen over de periode van overlijden. Tijdens de sectie d.d. 6 juli 2009 wordt geconstateerd dat de uitgebreide tekenen van gevorderde ontbinding kunnen passen bij tenminste 1 tot meerdere weken postmortale tijdsduur. Dit betekent dat het overlijden van [slachtoffer] in ieder geval heeft plaatsgevonden voor 29 juni 2009. De entomoloog Huijbregts heeft onderzoek gedaan naar de monsters van insecten die zijn veiliggesteld. Uit zijn bevindingen volgt - kort gezegd - dat het minimum aantal dagen van overlijden, gerekend vanaf het moment dat de sporen zijn veiliggesteld in de avond van 4 juli 2009 tot en met de ochtend van 5 juli 2009, 6 dagen bedraagt. Dit betekent dat [slachtoffer] is overleden voor de overgang van 28 op 29 juni 2009. Een maximum aantal dagen van overlijden kan niet worden gegeven.

6.4.3 Telefoon- en laptopgebruik

Uit het onderzoek is gebleken dat de laptop en telefoon(s) van [slachtoffer] voor 20 juni 2009 veelvuldig door haar werden gebruikt gelet op de inhoud van de sms-berichten en de aard van de zoekopdrachten op internet. Op en na 20 juni 2009 vindt er geen aan haar te relateren gebruik meer plaats met haar laptop en haar telefoons.

6.4.4 De honden van [slachtoffer] en verdachte

Het slachtoffer had samen met verdachte drie honden. Uit de verklaringen van getuigen kan worden afgeleid dat zij in de verzorging van die dieren zeer toegewijd was. In de nacht van 20 op 21 juni 2009 is rond 02:00 uur één van die honden gewond aangetroffen langs de snelweg, in de buurt van Soesterberg. De twee andere honden zijn diezelfde dag op 21 juni om 07.15 uur in Soesterberg op straat aangetroffen. Op grond van het dossier kan worden vastgesteld dat alle honden in de nabije omgeving van het woonadres van verdachte en [slachtoffer] te Soesterberg loslopend werden aangetroffen. Melding van vermissing van de honden is niet gedaan.

6.4.5 Conclusie tijdstip van overlijden

Het hof acht het op basis van de bovenstaande bevindingen wettig en overtuigend bewezen dat [slachtoffer] op 19 of 20 juni 2009 is komen te overlijden.

6.5 Verklaringen van verdachte

Verdachte heeft zich bij de politie consequent op zijn zwijgrecht beroepen en in eerste aanleg en in hoger beroep voor het eerst inhoudelijke verklaringen afgelegd. Bij het bezien van de verklaringen van de verdachte springt in het oog dat ten aanzien van delen van zijn verklaringen moet worden vastgesteld dat die onwaar zijn.

Verdachte heeft, kort samengevat, verteld dat hij de nacht van 19 op 20 juni 2009 met [slachtoffer] in de caravan in Zeewolde heeft verbleven en dat zij nog in leven was toen hij in de ochtend van 20 juni 2009 rond 9.30 of 10.30 uur is vertrokken. Nadien zou hij [slachtoffer] niet meer hebben gezien of gesproken en niet meer op de camping waar de stacaravan stond zijn geweest. Het afscheid zou emotioneel zijn geweest omdat hij [slachtoffer] had verteld dat hij een tijdje weg zou gaan en afgesproken zou zijn dat ze voorlopig op geen enkele wijze contact met elkaar zouden hebben.

Het hof acht de verklaring van verdachte dat hij na het door hem beweerde vertrek ’s ochtends op 20 juni 2009 niet meer op het campingterrein is geweest, ongeloofwaardig en zelfs aantoonbaar onjuist. Deze verklaring wordt weersproken door de loggegevens van de twee keycards die verdachte en [slachtoffer] in hun bezit hadden. Om de camping met een auto te kunnen betreden, moet een keycard worden gebruikt om de slagboom vanaf het parkeerterrein naar de camping te openen. De loggegevens van deze slagboom worden geregistreerd. De auto van [slachtoffer] is op 5 juli 2009 door politie aangetroffen op het parkeerterrein van de camping in Zeewolde. In deze auto was een keycard aanwezig. Deze keycard blijkt, aldus het registratiesysteem, op 20 juni 2009 (om 17.07 uur en 17.27 uur) en op 30 juni 2009 te zijn gebruikt voor de slagboom tussen het parkeerterrein en het terrein van de camping. De auto was bij aantreffen afgesloten. Bij voornoemde auto van [slachtoffer] hoorden twee sleutels. Eén van deze sleutels is aangetroffen in de gezamenlijke woning van [slachtoffer] en verdachte te Soesterberg, de andere sleutel had verdachte bij zijn aanhouding in bezit. Verdachte had derhalve feitelijk de beschikking over beide autosleutels. De sleutel die in verdachtes bezit was is gebruikt om de laatste keer de auto af te sluiten zo blijkt na uitlezing van de sleutelgegevens. Nu bij [slachtoffer] zelf geen sleutel van haar auto te Zeewolde is aangetroffen, kan het niet anders zijn dan dat de keycard die in die auto lag en waarmee de camping op 30 juni - na haar overlijden - werd betreden, daar door verdachte, die wel een sleutel van de auto had, is achtergelaten. Op voornoemde keycard is ook DNA afkomstig van verdachte aangetroffen. Het aangetroffen DNA is passend bij bovenstaande conclusie. Dat geldt ook voor het feit dat uit de onderzoeksgegevens van de telefoon van verdachte blijkt dat de telefoon op 20 juni 2009 tussen 15.38 uur en 20 juni 18.57 de zendmast in Zeewolde aanstraalde. Deze zendmast of die in Hoevelaken wordt aangestraald bij gebruik van de telefoon op de camping.

Voorts werd verdachte - die op 7 juli 2009 onder observatie van politie stond - op die dag rijdend in zijn auto gesignaleerd terwijl hij zich met zijn auto op de parkeerplaats van de camping begaf, daar enige tijd was en vervolgens de parkeerplaats weer verliet.

De verdediging heeft in dit verband aangevoerd dat ten tijde van de observatie op 7 juli 2009 geen registratie van het gebruik van een keycard is gemaakt, zodat in het algemeen de registratiegegevens niet betrouwbaar kunnen zijn. Het hof overweegt dat uit een verklaring van een aldaar werkzame getuige blijkt dat de registratie niet de slagboom naar het parkeerterrein betrof, maar de achterliggende slagboom, die vanaf de parkeerplaats toegang geeft tot het kampeerterrein. Van die laatstgenoemde slagboom, zo volgt uit het dossier werd een log bijgehouden. Het verweer tast de betrouwbaarheid van voornoemde registraties met betrekking van de slagboom van de toegang tot de camping derhalve niet aan.

Uit het voorgaande volgt dat verdachtes verklaringen op onderdelen onwaar zijn. Verdachte is immers - in weerwil van zijn andersluidende verklaring - in ieder geval op 20 juni 2009 na het door hem beweerde vertrek die ochtend en op 30 juni 2009 op het terrein van de camping en later op 7 juli 2009 nabij het terrein van de camping waarop de stacaravan stond geweest.

Het voorgaande betekent dat het hof verdachte in zijn verklaringen geenszins betrouwbaar acht en het hof zal zijn verklaringen in ieder geval op verschillende onderdelen als ongeloofwaardig terzijde stellen. Het hof zal slechts verdachtes verklaring willen aannemen voor zover er afdoende ander bewijs voorhanden is.

6.6 Daderschap verdachte

6.6.1 Sporen

Uit het onderzoek blijkt dat de stacaravan waarin het lichaam van [slachtoffer] lag, afgesloten was, in die zin dat de toegangsdeur op reguliere wijze “op slot zat”. In of aan de caravan zijn geen braaksporen aangetroffen en evenmin waren sporen van een worsteling of anderszins verstoring in het interieur waarneembaar.

Verdachte had een sleutel van de caravan en had deze ook bij zijn aanhouding nog in zijn bezit. Niet is gebleken dat naast het slachtoffer en verdachte nog iemand anders over een sleutel beschikte, noch dat er een sleutel zou missen.

Verdachte en [slachtoffer] hadden in de periode van 19 op 20 juni 2009 hun verblijf in de stacaravan op de camping waar later op 4 juli 2009 het stoffelijk overschot van [slachtoffer] is aangetroffen. Het keycard- en telefoongebruik wijzen op zijn aanwezigheid aldaar en verdachtes eigen verklaring komt hiermee overeen. Het hof stelt daarmee vast dat verdachte in die dagen in de directe nabijheid van [slachtoffer] was in de periode dat zij is overleden.

In de caravan zijn geen sporen van anderen dan verdachte aangetroffen. Op de betekenis van het aangetroffen voetspoor en het DNA-spoor van een onbekende op de vuilniszak in de buiten de caravan aangetroffen vuilnisemmer gaat het hof hieronder nader in.

6.6.2 Gedrag verdachte na overlijden [slachtoffer]

Verdachte heeft aangegeven dat hij op 20 juni 2009 om 9.30 of 10.30 uur is vetrokken van de camping en dat [slachtoffer] toen nog in leven was. Het vertrek zou in de ochtend hebben plaatsgevonden nadat hij aan [slachtoffer] kenbaar had gemaakt dat hij de relatie wilde beëindigen en weg zou gaan en dat hij daarna niet meer op de camping is geweest Zoals hiervoor overwogen is dit laatste aantoonbaar onjuist.

Het gedrag van verdachte nadat hij zou zijn vertrokken en zoals dit uit ander bewijs blijkt is opmerkelijk te noemen en past niet bij de beweerde beëindiging van de relatie en de situatie dat [slachtoffer] nog in leven was.

Zo heeft verdachte op diezelfde dag, op 20 juni 2009 om 20.35 uur via de e-mailaccount van [slachtoffer] een e-mailbericht aan zichzelf verzonden, met als inhoud: “je zit achter je PC dus maar op deze manier, gaan we morgen nog naar je vader, liefs [slachtoffer]”. Uit technisch onderzoek is gebleken dat dit bericht is verzonden vanaf de telefoon (via mobiel internet) van verdachte.

Voorts heeft verdachte op 26 juni 2009 om 17.03 uur, zich voordoende als [slachtoffer] en ondertekend met “groetjes [slachtoffer]”, per mail als volgt gereageerd op een mailtje dat van een uitzendbureau was binnengekomen: “Hoi [betrokkene], Sorry dat ik geen reactie heb gegeven. We hebben nu 3 weken vakantie en zouden in ons chalet blijven. Maar we zijn toch even lekker naar Frankrijk gegaan......Groetjes, [slachtoffer]. Ook dit bericht is verzonden vanaf de mobiele telefoon van verdachte. De mail was een antwoord op een eveneens in de e-mailaccount van [slachtoffer] aangetroffen mail. Deze mail luidt voor zover van belang:

“Beste [slachtoffer],

Ik heb je voicemail ook ingesproken maar bij deze ook nog even een e-mail.

Jij mag op gesprek komen bij VSB Fonds en dat zou kunnen op 26 juni om 11.15 uur.

Zou jij mij zo snel mogelijk willen laten weten of jij dan kan?

Met vriendelijke groet,

[betrokkene]

……”

Verdachte heeft geen inhoudelijke verklaring gegeven voor zijn e-mailberichten van 20 juni en 26 juni 2009. Verdachte - die gezien zijn ICT achtergrond naar eigen zeggen over de benodigde technische kennis beschikte - had de beschikking over de inloggegevens van [slachtoffer]. De benodigde gegevens van de e-mailaccount van XS4all van [slachtoffer] stonden op een afgescheurd agendablaadje dat bij zijn aanhouding in het bezit van verdachte was.

Het hof constateert dat verdachte in de eerste mail van 20 juni 2009 zich naar zichzelf voordoet als zijnde zijn partner [slachtoffer]. Verdachte geeft geen verklaring voor dit onnavolgbare gedrag. Ook de inhoud van die mail valt geenszins te rijmen met het door verdachte beweerde afscheid van lange duur in de ochtend van diezelfde dag.

Verdachte creëert vervolgens met de mail van 26 juni een vals beeld van de afwezigheid van [slachtoffer] door nu jegens derden opnieuw te doen alsof hij haar is en uit te leggen waarom zij niet gereageerd had op de mail. Door zich de toegang te verschaffen tot de mailbox van [slachtoffer] kon hij zien dat er een onbeantwoorde mail lag en heeft hij kennelijk een reden gezien om zo namens [slachtoffer] op te treden.

Van enige reactie van [slachtoffer] op het gefingeerde valse mailbericht is niet gebleken. Het hof leidt uit de inhoud van voornoemd vals mailbericht af dat verdachte de afwezigheid van de overleden [slachtoffer] in de richting van het uitzendbureau heeft verhuld. Het versturen op 26 juni 2009 van de valse mail door verdachte laat zich - met inachtneming van hetgeen hierboven is overwogen omtrent de datum van overlijden - verklaren in de situatie waarin verdachte [slachtoffer] om het leven heeft gebracht.

Vast is komen te staan dat verdachte op 20 juni 2009 vanaf de gezamenlijke rekening van verdachte en [slachtoffer] het gehele saldo en nadien nog bedragen van de rekening van [slachtoffer] heeft overgeboekt naar zijn privérekening. De codes voor telefonische toegang tot de privérekening van [slachtoffer] stonden eveneens op het hierboven genoemde bij verdachte aangetroffen agendablaadje. De overboeking vanaf de gezamenlijke rekening was - zo blijkt uit een analyse van het betaalverkeer van verdachte en [slachtoffer] door de politie - een ongebruikelijke transactie. Op het salaris van verdachte was met uitzondering van de beslagvrije voet een maand tevoren loonbeslag gelegd. De verklaring die verdachte zelf geeft voor deze overboeking, inhoudende dat [slachtoffer] en verdachte dit zo hadden afgesproken omdat ze — al dan niet tijdelijk — uit elkaar gingen, wordt met inachtneming van wat onder omtrent verdachtes verklaringen is overwogen, als ongeloofwaardig gepasseerd. Na een eerdere overboeking van een klein geldbedrag door verdachte was [slachtoffer] immers boos geworden en voor overboeking van het gehele saldo en privégelden van [slachtoffer] naar verdachte vormt het beëindigen van de relatie geen verklaring.

Zoals hierboven reeds is vastgesteld beschikte [slachtoffer] niet meer over een sleutel van haar eigen auto die op de parkeerplaats stond en was het verdachte die één van deze elektronische sleutels in zijn bezit had terwijl de andere sleutel in de woning van verdachte en [slachtoffer] in Soesterberg lag. In deze auto werden echter wel persoonlijke bezittingen van [slachtoffer], los liggend in de kofferbak aangetroffen zoals haar bovengenoemde agenda, haar portemonnee met bankpasjes en haar sleutelbos, met daaraan de keycard om de slagboom van de camping mee te openen. Als reeds overwogen is deze keycard nog gebruikt op 30 juni toen [slachtoffer] al was overleden. De enige die de keycard kan hebben gebruikt en in de auto van [slachtoffer] kan hebben geplaatst, is als overwogen verdachte. Dit wordt nog bevestigd door een ander gegeven, namelijk dat bij de elektronische sleutel van de auto van [slachtoffer] die onder verdachte in beslag is genomen, digitaal de kilometerstand van de auto opslaat op het moment dat die sleutel de auto voor het laatst afsluit. Dat de auto ook automatisch wordt afgesloten op het moment dat de sleutel buiten het bereik raakt - zoals door de verdediging is betoogd - maakt - los van de vraag of deze stelling van de verdediging juist is - dit niet anders. Deze kilometerstand komt overeen met de kilometerstand bij aantreffen door politie van de auto van [slachtoffer] op de parkeerplaats. Verdachte moet op 30 juni 2009 derhalve de auto staand op voornoemd parkeerterrein hebben afgesloten op een moment dat [slachtoffer] reeds 10 dagen was overleden. Verdachte heeft voor het bovenstaande geen verklaring gegeven.

Het gedrag van verdachte is slechts verklaarbaar indien hij [slachtoffer] heeft omgebracht.

Op 7 juli 2009 om 19.11 uur wordt verdachte via een sms door de politie geïnformeerd over het overlijden van [slachtoffer] nadat verdachte niet reageerde op eerdere verzoeken om contact met de politie op te nemen. In de sms wordt hem verzocht contact met de politie op te nemen omdat ze hem dringend willen spreken. Via een sms informeert verdachte de politie dat hij de volgende dag beschikbaar is en de politie antwoordt dat hij dezelfde avond tot 22.00 uur contact met hen kan opnemen en dat zij hem graag zagen verschijnen op het bureau in Almere de volgende dag om 14.00 uur. In de avond van 7 juli om 22.11 uur begeeft verdachte zich, terwijl hij geobserveerd wordt door de politie naar het parkeerterrein bij de camping. Die volgende dag verschijnt hij niet bij de politie maar is hij (opnieuw) vertrokken naar Hongarije.

Voorafgaand aan het contact met de politie waarin verdachte zegt geïnformeerd te zijn over het overlijden van [slachtoffer] op bovenstaande wijze heeft verdachte op internet gezocht naar informatie met betrekking tot het overlijden van zijn vrouw.

Ook voornoemde gedragingen zijn onverklaarbaar en onbegrijpelijk indien verdachte op dat moment nog niet op de hoogte was van het overlijden van [slachtoffer] en zijn slechts verklaarbaar indien hij [slachtoffer] heeft omgebracht.

6.6.3 Conclusie

Forensisch onderzoek heeft geen sporen opgeleverd die op betrokkenheid van een ander dan verdachte duiden. Het strafdossier biedt anderszins geen begin van een aanknopingspunt voor betrokkenheid van een ander dan verdachte bij de dood van zijn partner. Op basis van al hetgeen hierboven is overwogen omtrent de bevindingen van politie, forensisch politieonderzoek, deskundigenonderzoek en de hierboven omschreven conclusies van het hof waaronder ook hetgeen het hof heeft overwogen omtrent het gedrag van verdachte, dat past bij de situatie dat verdachte [slachtoffer] heeft omgebracht acht het hof alle in het arrest overwogen feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, in aanmerking nemend, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte degene is geweest die zijn partner [slachtoffer] te Zeewolde heeft omgebracht.

6.7 Opzet

De verdediging heeft betwist dat er sprake is geweest van opzet bij de verdachte op het om het leven brengen van [slachtoffer], nu er geen getuigen of beelden zijn en niets bekend is omtrent de wijze waarop [slachtoffer] om het leven is gekomen. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit onderzoek van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] is gebleken dat er een ceintuur meermalen om haar hals/nek gewikkeld was. In de ceintuur is geen knoop aangetroffen. Gedurende de hele tijd van de verwurging moet derhalve kracht zijn uitgeoefend. Het hof acht bewezen dat [slachtoffer] door samendrukkend of omsnoerend geweld om het leven is gekomen. Het hof acht tegen de achtergrond van deze omstandigheden bewezen dat verdachte de handelingen, het samentrekken, -drukken of aansnoeren van de ceintuur gelet op de aard van die handeling ten gevolge waarvan [slachtoffer] om het leven is gekomen, opzettelijk heeft verricht. Het verweer van de verdediging wordt verworpen.

6.8 Aantreffen DNA op vuilnisbak buiten caravan

Buiten de caravan stond een vuilnisbak, met daarin een vuilniszak die - zo bleek naar soucheonderzoek - op de rol heeft gezeten nadat de vuilniszak die om het hoofd van [slachtoffer] is aangetroffen van de rol was gedaan. Op deze eerstgenoemde vuilniszak buiten de caravan is zowel DNA van de verdachte aangetroffen als DNA van een onbekend persoon. De verdediging heeft gesuggereerd dat het DNA van de onbekende persoon afkomstig kan zijn van iemand die mogelijk betrokken was bij het overlijden of het inpakken van [slachtoffer].

Het hof is een ander oordeel toegedaan. Het DNA van een andere persoon dan verdachte, aangetroffen op de vuilniszak in de afvalbak die buiten stond, levert naar het oordeel van het hof geen aanwijzing op dat een ander bij het doden van [slachtoffer] betrokken is geweest, nu de zak zich bevond op een voor derden toegankelijke plaats en er in die zin vele mogelijkheden zijn waarop dit spoor achtergelaten kan zijn. Hetzelfde geldt overigens voor het DNA dat op de vuilniszak is aangetroffen van de verdachte. Ook daarvan kan niet worden gesteld dat het een daderspoor betreft. Het verweer van de verdediging dat er op grond van het aantreffen van dit derdenspoor rekening moet worden gehouden met een andere dader dan verdachte wordt verworpen.

6.9 Voetafdruk in caravan

In de caravan is een deel van een voetspoor zichtbaar geworden na onderzoek met Luminol (Bluestar onderzoek). Op dit spoor is een tetrabase onderzoek uitgevoerd. Gezien de uitslag van dit onderzoek is dit een spoor waarin zich bloed bevindt. Verder onderzoek van dit spoor heeft niet plaatsgevonden. Verbalisant [verbalisant] heeft hierover gerelateerd en heeft daarover nog aanvullend verklaard bij de raadsheer-commissaris van het hof op 9 oktober 2014. Hieruit komt het volgende naar voren. Waarschijnlijk bevindt zich in lijkvocht ook ijzer waarmee Luminol reageert. Het voetspoor betreft een enkel spoor en er bevinden zich geen andere soortgelijke sporen in de omgeving daarvan. Voorts is niet gebleken dat het slachtoffer bloedende verwondingen heeft gehad. Onder deze omstandigheden is de conclusie van de politie te volgen dat het spoor gemaakt is door een opsporingsambtenaar die naast het laken is gestapt dat ter bescherming diende van de plaats waar het lichaam lag, nadat hij in het zich bij het lichaam in grote hoeveelheden aanwezige lijkvocht is gestapt. Het hof merkt betreffend spoor in navolging van de politie dan ook niet als een daderspoor aan, zodat er anders dan de verdediging vindt geen reden was dit spoor nader te onderzoeken.

6.10 Scenario ’s en tunnelvisie

De verdediging heeft betoogd dat er sprake is geweest van tunnelvisie en dat de opsporing zich in overwegende mate heeft gericht op verdachte. Het hof is een ander oordeel toegedaan. Uit het politieonderzoek volgt nadrukkelijk dat de mogelijkheid van verdachte, de echtgenoot van [slachtoffer], als dader slechts één van de scenario’s was. Ook andere scenario’s zijn uitvoerig onderzocht. Logischerwijs werden bepaalde scenario’s naar verloop van tijd minder aannemelijk. Uit onderzoek van de plaats delict dat, anders dan door de verdediging betoogd, naar het oordeel van het hof onder de omstandigheden volledig en dus niet gebrekkig is geweest, is bijvoorbeeld naar voren gekomen dat de caravan waarin het stoffelijk overschot is aangetroffen, afgesloten was. De deur zat op slot. Er zijn geen sporen van braak aangetroffen, noch zijn er op de plaats delict andere bijzonderheden, zoals sporen van een worsteling aangetroffen. Verdachte was in het bezit van een sleutel van de caravan. Deze bevindingen wijzen in een bepaalde richting en het is dan ook logisch dat de andere scenario’s op de achtergrond zijn geraakt, al zijn deze wel altijd in beeld gebleven Het verdient daarbij opmerking dat de opstelling van verdachte tijdens de politieverhoren - hij beriep zich consequent op zijn zwijgrecht - ook geen aanleiding heeft gegeven om andere scenario’s meer prioriteit te geven. Uiteindelijk zijn alle andere scenario’s die zijn geformuleerd niet waarschijnlijk gebleken. Aldus is er naar het oordeel van het hof geen sprake geweest van tunnelvisie in het opsporingsonderzoek en wordt dit verweer van de verdediging verworpen. Deductie en een correct opsporingsonderzoek hebben het scenario opgeleverd dat de verdachte degene is die [slachtoffer] om het leven heeft gebracht. Het is vervolgens aan de rechter - thans het hof- om te oordelen of de tenlastelegging in dit scenario wettig en overtuigend kan worden bewezen.

6.11 Conclusie

Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zijn echtgenote om het leven heeft gebracht. Het hof komt tot de navolgende bewezenverklaring van doodslag.”

5. Het eerste middel houdt in dat het oordeel van het hof dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van een niet-natuurlijke dood, veroorzaakt door samendrukkend of omsnoerend geweld van de hals, onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.

6. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat, gelet op de bevindingen van de patholoog dat dit samendrukkend of omsnoerend geweld aan de hals niet kan worden uitgesloten, door het hof met onvoldoende mate van waarschijnlijkheid is vastgesteld dat [slachtoffer] als gevolg van samendrukkend of omsnoerend geweld van de hals om het leven is gekomen.

7. Het hof heeft onder het hoofd “6.2 Doodsoorzaak” uitgebreid gemotiveerd waarom het van oordeel is dat [slachtoffer] een niet-natuurlijke dood is gestorven, veroorzaakt door samendrukkend of omsnoerend geweld van de hals. Daarbij neemt het niet alleen in aanmerkingen de door het middel bedoelde bevindingen van de patholoog –anatoom, maar ook andere omstandigheden zoals het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] met een ceintuur om haar hals gewikkeld en haar hoofd in een vuilniszak alsmede het ontbreken in en nabij de caravan van bloedsporen of andere sporen die duiden op een andere doodsoorzaak. Uit deze overwegingen kan niet worden opgemaakt dat het hof met onvoldoende mate van waarschijnlijkheid heeft vastgesteld dat [slachtoffer] als gevolg van samendrukkend of omsnoerend geweld van de hals om het leven is gekomen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

8. Voor het overige geldt dat het uitgebreid gemotiveerde oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is en dat voor verdere toetsing van het oordeel van het hof, gelet op de feitelijke aard daarvan, in cassatie geen plaats is.

9. Het middel faalt.

10. Het tweede middel richt zich tegen het oordeel van het hof (6.5) dat verdachtes verklaring dat hij na het door hem beweerde vertrek ‘s ochtends op 20 juni 2009 niet meer op het campingterrein is geweest, ongeloofwaardig en aantoonbaar onjuist is.

11. Volgens de toelichting op het middel is, gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen 29 en 41, onbegrijpelijk ’s hofs oordeel dat de verdachte na het door hem beweerde vertrek ‘s ochtends op 20 juni 2009 op 20 en 30 juni 2009 het campingterrein heeft betreden.

12. De gebezigde bewijsmiddelen houden in voor zover hier van belang:

“29. Een in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal bevindingen d.d. 5 juli 2009, met bijlage, opgenomen op pagina 112 en verder van ordner 13, deel uitmakend van het onder 1. genoemde dossier, zakelijk weergegeven inhoudende:

als bevindingen van de verbalisant:

Op 4 juli 2009 bevond ik mij op camping Flevo Natuur te Zeewolde. Ik heb een getuige, genaamd [getuige 1], gehoord. Nadat ik de getuige vroeg of er een overzicht was van de bewoners van [a-straat 1] te Zeewolde, nodigde de getuige mij uit om mee te komen naar de receptie om documenten te bekijken. De getuige maakte een print uit een computersysteem met betrekking tot de key van [verdachte], [b-straat 1] te Soesterberg. Deze print werd aan mij overhandigd. Het betrof een overzicht van de key. De getuige verklaarde dat campinggasten een key krijgen zodat er met een auto het terrein opgereden kan worden. De camping is namelijk afgesloten middels een slagboom. Verder verklaarde de getuige dat een computersysteem bijhoudt wanneer iemand gebruik maakt van een key. De getuige verklaarde dat op het formulier de aankomsttijden en vertrektijden van de slagboom bij de ingang staan vermeld. De gegevens van de key betroffen de periode van 1-6-2009 te 00:00 uur en 4-7-2009 te 23:59 uur.

Bijlage:

Lijst historie gast, key 007, Flevo-Natuur

Naam: [verdachte]

Adres: [b-straat 1]

Woonplaats: Soesterberg

Vanaf: 1-6-09 t/m 4-7-09 23:59 uur

Datum tijd transactie sleutel locatie lezer

20-06-09 17:07 aankomst 912 kwa027 ingang

20-06-09 17:27 vertrek 912 kwa027 uitgang

30-06-09 09:32 aankomst 912 kwa027 ingang

30-06-09 09:37 vertrek 912 kwa027 uitgang

30. Een in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 20 juli 2009, opgenomen op pagina 217 en verder van ordner 4, deel uitmakend van het onder 1. genoemde dossier, zakelijk weergegeven inhoudende:

als verklaring van [getuige 2]:

Ik ben een medewerkster van het recreatiepark Flevo Natuur gevestigd aan de Wielse Weg 3 te Zeewolde. De parkeerplaats is voor het grootste deel normaal bereikbaar, maar wordt tussen 18.00 uur en 07.00 uur afgesloten middels een rolhek. Dit rolhek is te openen middels de aan de bewoners van het park uitgereikte Sepkey. Dit is een elektronische sleutel/kaart. Het gebruik van het rolhek met de sepkey wordt niet geregistreerd. Wel van de slagboom die toegang geeft tot het park. De slagboom die toegang geeft tot de camping zelf kan ook worden geopend met de sepkey.”

“41. Een in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal van onderzoek forensische opsporing d.d. 30 november 2009, opgenomen voorafgaand aan het genummerde gedeelte in ordner 26, deel uitmakend van het onder 1. genoemde dossier, zakelijk weergegeven inhoudende:

als bevindingen van de verbalisant:

Keycard 0912

Tijdens het ingestelde onderzoek aan het interieur van de Renault werd een keycard aangetroffen met opschrift Flevo Natuur, voorzien van nummer 0912. Volgens verstrekte informatie van de campingbeheerder is de slagboom op 20 juni 2009 te 17:07 en 17:27 uur voor het laatst bediend met de key-card 912. Deze key-card stond geregistreerd op naam van [slachtoffer].

(…)”

13. Volgens de toelichting op het middel is sprake van onverenigbaarheid van de bewijsmiddelen 29 en 41, nu volgens bewijsmiddel 29 de keycard 912 is gebruikt om op 30 juni 2009 het campingterrein te betreden doch bewijsmiddel 41 slechts rept van gebruik op 20 juni 2009. Deze klacht berust op verkeerde lezing van bewijsmiddel 41. Dit houdt in dat de slagboom op 20 juni 2009 te 17:07 en 17:27 uur voor het laatst is bediend met de key-card 912, niet ook dat deze op andere dagen niet met die keycard zou zijn bediend.

14. Voor zover wordt geklaagd dat bewijsmiddel 29 enerzijds spreekt van key 007, anderzijds van sleutel 912 geldt dat de vermelding key 007 aan het hoofd van de Lijst historie gast voor het bewijs niet relevant is, derhalve achterwege had kunnen blijven, en naar het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld niet afdoet aan de waarde voor het bewijs van hetgeen in de bijlage over sleutel 912 wordt vermeld. Een blik achter de papieren muur leert namelijk dat niet alleen aan het hoofd van het historisch overzicht van het gebruik van de sleutels 429 en 9121, maar ook aan het hoofd van het historisch overzicht van het gebruik van de in- en uitrijgegevens van alle sleutels op 7 juli 2009 tussen 18.00 en 24.00 uur2 de vermelding KEY007 voorkomt. Een verwijzing naar het nummer van een sleutel ligt, naar het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld in die aanduiding dus niet besloten.

15. Ten slotte wordt geklaagd dat voor het oordeel van het hof niet redengevend is dat de verdachte - die op 7 juli 2009 onder observatie van de politie stond - op die dag rijdend in zijn auto is gesignaleerd terwijl hij zich met zijn auto op de parkeerplaats van de camping begaf, daar enige tijd was en vervolgens de parkeerplaats weer verliet. Deze klacht begrijp ik niet. Ook uit deze waarneming volgt immers dat onjuist is verdachtes verklaring dat hij na het door hem beweerde vertrek ’s ochtends op 20 juni 2009 niet meer op het campingterrein is geweest.

16. Het middel faalt.

17. Het derde middel klaagt dat het oordeel van het hof dat de vondst van DNA van een andere persoon dan verzoeker op de vuilniszak in een afvalbak bij de caravan, alsmede een voetspoor in die caravan, geen dadersporen zijn, onbegrijpelijk is en ontoereikend is gemotiveerd.

18. Het hof heeft onder 6.8 overwogen dat het DNA-spoor op de vuilniszak in de afvalbak geen daderspoor is omdat de afvalbak buiten stond. In aanmerking genomen dat niet is gesteld of gebleken dat de afvalbak op een afgesloten terrein of in een afgesloten ruimte stond, alsmede dat de afvalbak op een camping stond waar in de zomer naar de ervaring leert kinderen rondlopen die ook wel eens uit nieuwsgierigheid in een afvalbak kijken en ook andere personen dat wel doen op zoek naar weggegooid voedsel of anderszins, is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

19. Hetgeen het hof onder 6.9 overweegt over het voetspoor is niet onbegrijpelijk en stuit voor het overige af op de omstandigheid dat de waardering van de bewijsmiddelen aan de feitenrechter is.

20. Het middel faalt.

21. Het vierde middel klaagt dat het oordeel van het hof dat het gedrag van verdachte, zoals beschreven in bewijsoverweging 6.6.2, slechts verklaarbaar is indien hij [slachtoffer] om het leven heeft gebracht, onbegrijpelijk is omdat uit ’s hofs bewijsvoering niet zonder meer kan worden afgeleid dat degene die - volgens de redenering van het hof - het overlijden van het slachtoffer heeft veroorzaakt ook degene is die het stoffelijk overschot van het slachtoffer heeft ingepakt c.q. verborgen.

22. Ik zou niet weten waarom niet uit al de door het hof onder 6.6.2 genoemde gedragingen van de verdachte, beschouwd in samenhang met de in overweging 6.6 genoemde omstandigheden, kan worden afgeleid dat hij [slachtoffer] om het leven heeft gebracht nu niet tevens vaststaat dat de verdachte degene is geweest die het stoffelijk overschot van het slachtoffer heeft ingepakt c.q. verborgen. Ook al is dat laatste niet het geval - dat staat overigens niet vast - dan doet dit niet af aan de voor de verdachte uiterst belastende gedragingen en omstandigheden zoals het hof deze in rechtsoverweging 6.6 opsomt.

23. Het middel faalt.

24. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

25. Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende. Verdachte, die gedetineerd is, heeft op 12 maart 2015 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat sedertdien meer dan zestien maanden zijn verstreken. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dat moet leiden tot strafvermindering.

26. Ambtshalve heb ik voor het overige geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

27. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de duur van de opgelegde straf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Proces-verbaal van bevindingen, p. 114.

2 Proces-verbaal van bevindingen, p. 131.