Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:111

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-03-2016
Datum publicatie
12-07-2016
Zaaknummer
15/02379
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:1457, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Echtscheidingsprocesrecht. Boedelscheiding na echtscheiding. Benadeling van gemeenschap, art. 1:164 BW. Kan een op art. 1:164 BW gebaseerd verzoek worden behandeld als een verzoek tot het treffen van een nevenvoorziening (art. 827 lid 1, onder f, Rv)?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

15/02379

Mr. E.B. Rank-Berenschot

Zitting 11 maart 2016

Conclusie inzake:

[de vrouw],

verzoekster tot cassatie

(hierna: de vrouw)

adv.: mr. M.E. Bruning

tegen

[de man],

verweerder in cassatie

(hierna: de man)

adv: mr. J. van Duijvendijk-Brand

Deze echtscheidingszaak zaak betreft de vraag of er sprake is van verspilling van gemeenschapsgoederen zoals bedoeld in art. 1:164 BW. In dat verband komt tevens de vraag aan de orde of een procedure uit hoofde van die bepaling kan worden ingeleid bij verzoek en, zo ja, of het verzoek kwalificeert als een verzoek tot een nevenvoorziening in de zin van art. 827 lid 1 onder f Rv.

1 Feiten en procesverloop

1.1

Partijen zijn op 14 september 1979 in gemeenschap van goederen gehuwd.1

1.2

Bij inleidend verzoekschrift van 10 december 2010 heeft de man verzocht tussen partijen de echtscheiding uit te spreken. Voorts heeft hij als nevenvoorziening verzocht – onder meer en voor zover in cassatie van belang – (3) te bepalen dat partijen over dienen te gaan tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en (5) de voorlopige verdeling te gelasten van de bank-, giro- en beleggingsrekeningen van partijen in die zin dat deze aan de man worden toebedeeld als voorschot op de definitieve verdeling.2 De vrouw heeft verweer gevoerd tegen de verzochte echtscheiding en nevenvoorzieningen. Zij heeft voorts onder meer zelfstandige verzoeken gedaan met betrekking tot de verdeling.

1.3

Bij beschikking van 24 mei 2012 heeft de rechtbank Alkmaar tussen partijen de echtscheiding uitgesproken en een door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie vastgesteld van € 2.242,- per maand met ingang van 24 mei 2012. De behandeling van de verdeling is aangehouden in afwachting van de door partijen over te leggen bescheiden.

1.4

Bij ‘Akte overlegging producties tevens (…) verzoek als bedoeld in artikel 1:164 lid 1 BW’ d.d. 3 juli 2012 heeft de man voorgesteld aan de vrouw toe te delen de saldi per 24 december 2010 op de gemeenschappelijke spaarrekening bij Credit Europe Bank (nr. [001]) en de gemeenschappelijke beleggingsrekening bij Ohra (nr. [002]), totaal € 85.166,15 (akte onder 4-c, met verwijzing naar de specificatie in prod. IV). Voorts heeft hij in die akte gesteld:

‘6. Verzoek ex artikel 1:164 lid 1 BW

Voor het geval de vrouw zich verzet tegen toedeling van de onder 4-c bedoelde spaarsaldi verzoekt de man de rechtbank te bepalen dat de vrouw aan de gemeenschap voldoet een bedrag van € 85.166,15 als vergoeding van schade die wegens de benadeling van de gemeenschap is ontstaan.

Toelichting:

Door de vrouw zijn in de periode tussen 24 december 2010 tot en met 3 januari 2011 tot een bedrag van € 85.166,15 overboekingen gedaan van de gemeenschappelijke spaarrekening bij Credit Europe Bank met nummer [001] en de gemeenschappelijke beleggingsrekening bij Ohra met nummer [002] naar een of meerdere rekeningen buiten de invloedsfeer van de man. Hij heeft daarvoor geen toestemming gegeven. Deze overboekingen zijn gespecificeerd in productie IV-c. Door deze overboekingen is de huwelijksgemeenschap benadeeld. Deze mutaties hebben plaatsgevonden na de aanvang van de echtscheidingsprocedure of binnen een termijn van 6 maanden daarvoor.

Op grond van het bepaalde in artikel 1:164 BW is de vrouw gehouden de hierdoor ontstane schade aan de gemeenschap te vergoeden. De in artikel 1:164 lid 2 bedoelde rechtsvordering wordt hierbij ingesteld.’

1.5

Het huwelijk is op 4 september 2012 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.3

1.6

Bij tussenbeschikking van 18 september 2013 heeft de rechtbank Noord-Holland vastgesteld dat 4 september 2012 geldt als peildatum voor de omvang van de te verdelen gemeenschap (rov. 2.1). De door de vrouw in september 2011 met als gemeenschappelijk aan te merken gelden aangeschafte Skoda maakt eveneens onderdeel uit van de gemeenschap en moet worden verdeeld naar de waarde per datum verdeling (rov. 2.10). De saldi van de gezamenlijke spaarrekening bij Credit Europe Bank en de beleggingsrekening bij Ohra bedroegen per peildatum van de omvang respectievelijk € 0,30 en nagenoeg nihil (rov. 2.11.4-2.11.5). De vrouw heeft erkend dat zij van deze rekeningen eind 2010/begin 2011 in totaal een bedrag van € 85.166,15 heeft opgenomen, zonder medewerking of instemming van de man. Ter zitting van 10 april 2013 heeft zij desgevraagd verklaard dat van deze gelden niets meer over is en dat deze zijn gebruikt voor de aanschaf van haar auto, een bijdrage in de studiekosten van de zoon van partijen en betaling van hypotheeklasten en advocaatkosten (rov. 2.11.6). De man heeft (onder meer) betoogd dat de vrouw de gemeenschap voor genoemd bedrag heeft benadeeld en dat zij dit aan de gemeenschap dient terug te betalen (rov. 2.11.7). De rechtbank overwoog ter zake:

‘2.11.8 (…) Op grond van de stukken en de erkenning door de vrouw is voldoende komen vast te staan dat de vrouw de gemeenschap benadeeld heeft door opname van deze gelden. (…) Nu het door de vrouw overgemaakte bedrag partijen ieder voor de helft toekwam en de vrouw zich dit geheel heeft toegeëigend, zal de vrouw worden veroordeeld de helft van dit bedrag (€ 42.583,08) aan de man te vergoeden (…)’.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich er o.m. over uit te laten wat er met de rekeningen bij Credit Europe Bank en Ohra moet gebeuren (toedelen of opheffen) (rov. 2.45).

1.7

Bij eindbeschikking van 15 januari 2014 (aangevuld bij beschikking van 26 februari 20144) heeft de rechtbank ten aanzien van de rekeningen bij Credit Bank Europe en Ohra onder meer overwogen:

‘2.9 (…) In de tussenbeschikking heeft de rechtbank in rechtsoverweging 2.11.8 overwogen dat de vrouw zal worden veroordeeld een bedrag van € 42.583,08 aan de man te vergoeden, zijnde de helft van de gelden die de vrouw zich van die rekeningen heeft toegeëigend. (…) Nu de vrouw bezwaar maakt tegen opheffing van die rekeningen, zal de rechtbank de rekeningen aan de vrouw toedelen. Uit de door partijen eerder overgelegde stukken blijkt dat de saldi op deze rekeningen op de peildatum (nagenoeg) nihil waren zodat de toedeling zal gebeuren onder de verplichting om het eerder overwogen bedrag van € 42.583,08 aan de man te vergoeden.’

In een schema, inhoudende de toedeling van de afzonderlijke vermogensbestanddelen tegen vergoeding (rov. 2.13) heeft de rechtbank de verdeling aldus vastgesteld dat aan de vrouw onder meer zullen worden toegedeeld: de Skoda tegen een vergoeding aan de man ad € 8.095,- en de rekeningen bij Credit Europe Bank en Ohra als vermeld in rov. 2.9 tegen een vergoeding aan de man ad € 42.583,08. De rechtbank heeft vervolgens vastgesteld dat per saldo de vrouw aan de man dient te voldoen ter zake van overbedeling een bedrag van € 45.977,60.

In het dictum is bepaald dat partijen dienen over te gaan tot verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap op de wijze als onder 2.13 is overwogen en is de vrouw veroordeeld tot betaling aan de man van een bedrag ad € 45.977,60 ter zake van overbedeling.

1.8

De vrouw is in hoger beroep gekomen van de beschikkingen van de rechtbank met het verzoek, na vernietiging, het door de man als nevenvoorzieningen verzochte af te wijzen en voorts – wat betreft de nevenvoorziening tot verdeling – de verdeling vast te stellen met inachtneming van hetgeen de vrouw ter zake heeft gesteld. Grief III strekt tot betoog dat de rechtbank de man ten onrechte heeft ontvangen in zijn verzoek als bedoeld in art. 1:164 lid 1 BW. Grief VI is gericht tegen de beslissing dat de vrouw wegens benadeling van de gemeenschap een bedrag ad € 42.583,08 aan de man dient te vergoeden. Met grief XI wordt betoogd dat de Skoda ten onrechte dubbel in de verrekening is betrokken en dat toedeling zou moeten geschieden tegen een waarde van € 12.950,-.

1.9

De man heeft verweer gevoerd en op zijn beurt voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld met het verzoek de vrouw te veroordelen aan hem ter zake van overbedeling te voldoen een bedrag ad € 45.977,60 met wettelijke rente.5

1.10

Bij beschikking van 24 februari 20156 heeft het hof Amsterdam het niet-ontvankelijkheidsverweer betreffende het verzoek ex art. 1:164 lid 1 BW verworpen (rov. 4.6-4.7) en geoordeeld dat de vrouw wegens opzettelijke benadeling van de gemeenschap een bedrag ter grootte van de helft van (het opgenomen bedrag ad € 85.166,15 minus de aankoopsom van de Skoda ad € 16.190,-7 =) € 68.976,15 ofwel € 34.488,08 aan de man dient te vergoeden, en wel ten titel van schadevergoeding (rov. 4.14). De met geld van de gemeenschappelijke spaarrekeningen door de vrouw gekochte Skoda wordt in de verdeling betrokken voor een waarde van € 12.950 (rov. 4.20). Daarmee komt het ten titel van overbedeling door de vrouw aan de man te vergoeden bedrag uit op € 6.990,50 in totaal (rov. 4.23).

In het dictum heeft het hof – samengevat en voor zover in cassatie van belang – onder gedeeltelijke vernietiging van de beschikkingen van 15 januari 2014 en van 26 februari 2014 bepaald dat het bedrag dat de vrouw ten titel van overbedeling aan de man dient te betalen € 6.990,50 bedraagt en voorts dat de vrouw aan de man een bedrag dient te betalen van € 34.488,08 ten titel van schadevergoeding.

1.11

De vrouw heeft tijdig8 cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het hof. Overeenkomstig het daarbij gemaakte voorbehoud heeft zij tijdig9 een aanvullend verzoekschrift ingediend. De man heeft een verweerschrift ingediend met verzoek het cassatieberoep te verwerpen.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatieberoep komt op tegen de verwerping van de grieven III en VI. Het cassatiemiddel bevat daartoe twee onderdelen (1 en 2).

2.2

Onderdeel 1 betoogt dat het hof (in rov. 4.6 en 4.7) ten onrechte heeft geoordeeld dat de man ontvankelijk is in zijn op art. 1:164 BW gebaseerde verzoek tot veroordeling van de vrouw tot betaling van schadevergoeding. Voorts betoogt het middel dat het hof dit verzoek van de man, als nevenverzoek, ten onrechte heeft toegewezen. Deze algemene rechtsklacht wordt nader uitgewerkt in de onderdelen 1.1 t/m 1.5.

2.3

Onderdeel 1.1 klaagt dat het hof miskent dat art. 1:164 BW niet van toepassing is in een geval als het onderhavige, waarin de man vordert dat de vrouw wordt veroordeeld om schadevergoeding te betalen aan de man. Daartoe wordt aangevoerd dat de bepaling uitsluitend voorziet in een schadevergoedingsplicht van de benadelende echtgenoot jegens de gemeenschap. Daarom is volgens het middel onjuist de beslissing van het hof dat de vrouw ten titel van schadevergoeding aan de man zal moeten betalen een bedrag van € 34.488,08 (zie rov. 4.14 en 4.23).

2.4

Bij de bespreking van deze klacht is het volgende van belang. Art. 1:164 BW is geplaatst in Afdeling 2 (‘Echtscheiding’) van Titel 9 (‘Ontbinding van het huwelijk’) van Boek 1 BW, en luidt als volgt:

‘1. Indien een tussen de echtgenoten bestaande gemeenschap van goederen door één van hen is benadeeld doordat hij na de aanvang van het geding of binnen zes maanden daarvóór lichtvaardig schulden heeft gemaakt, goederen der gemeenschap heeft verspild, of rechtshandelingen als bedoeld in artikel 88 van dit boek zonder de vereiste toestemming of beslissing van de rechtbank heeft verricht, is hij gehouden na de inschrijving van de beschikking waarbij de echtscheiding is uitgesproken, de aangerichte schade aan de gemeenschap te vergoeden.

2. Een op het vorige lid gegronde rechtsvordering kan niet later worden ingesteld dan drie jaren na de inschrijving van de beschikking.’10

2.5

Volgens de wettekst is de benadelende echtgenoot na de echtscheiding gehouden de door hem aan de huwelijksgoederengemeenschap aangerichte schade te vergoeden aan de gemeenschap. Dat de schadevergoedingsplicht bestaat jegens de gemeenschap wordt bevestigd in de parlementaire geschiedenis: ‘(…) de actie mondt uitsluitend uit in een schadevergoedingsplicht (…) jegens de gemeenschap (…)’.11 Hieruit volgt dat tot de ontbonden gemeenschap een vordering op de betrokken deelgenoot behoort.1213

2.6

Het middel berust op het uitgangspunt dat de man heeft gevorderd dat de vrouw wordt veroordeeld om schadevergoeding te betalen aan de man. Daarmee ziet het eraan voorbij dat de man in zijn bij akte van 3 juli 2012 gedane verzoek ex art. 1:164 lid 1 BW uitdrukkelijk (subsidiair) heeft verzocht te bepalen dat de vrouw ten titel van schadevergoeding het gehele opgenomen bedrag ad € 85.166,15 aan de gemeenschap voldoet, in welk verband hij verklaart de in lid 2 van genoemde bepaling bedoelde rechtsvordering in te stellen. Ik verwijs naar de hiervoor (onder 1.4) aangehaalde tekst van de akte. De rechtbank heeft het verzoek van de man dan ook opgevat als strekkende tot terugbetaling aan de gemeenschap van het met de benadeling gemoeide bedrag.14 In zoverre ontbeert het middel feitelijke grondslag.

2.7

Wat betreft de klacht dat het hof de vrouw ten onrechte op grond van art. 1:164 lid 1 BW heeft veroordeeld om ten titel van schadevergoeding een bedrag ad € 34.488,08 aan de man te betalen, geldt het volgende. Het hof heeft vastgesteld dat de vrouw de gemeenschap voor een totaal bedrag van € 68.976,15 heeft benadeeld in de zin van art. 1:164 lid 1 BW (rov. 4.14). Hierin ligt besloten dat de gemeenschap mede een vordering ad € 68.976,15 jegens de vrouw omvatte. Het hof heeft deze omstandigheid aldus in de verrekening tussen partijen verwerkt dat hieruit een rechtstreeks vergoedingsrecht van de man jegens de vrouw ten bedrage van de helft van de aan de gemeenschap verschuldigde schadevergoeding (ofwel € 34.488,08) resulteert (vgl. art. 3:184 BW).15 Hiermee heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot art. 1:164 BW.

2.8

Onderdeel 1.2 heeft betrekking op rov. 4.7, waarin het hof als volgt overweegt:

‘Het door de man gedane verzoek [als bedoeld in art. 1:164 lid 1 BW, A-G; vgl. rov. 4.6] is, anders dan de vrouw stelt, een verzoek als bedoeld in artikel 827 lid 1 onder f Rv en is door de man gedaan alvorens de echtscheiding werd uitgesproken door de rechtbank. (…) De vrouw miskent verder dat de wet het woord ‘vordering’ niet uitsluitend voorbehoudt aan procedures die met een dagvaarding worden ingeleid, doch dat het woord ‘rechtsvordering’ tevens toepasselijk is in verzoekschriftprocedures. Grief III faalt eveneens.’

Volgens het middel miskent het hof hiermee dat art. 1:164 BW blijkens het tweede lid ziet op een ‘rechtsvordering’ tot schadevergoeding, waarmee uitsluitend wordt bedoeld dat de daartoe strekkende vordering wordt ingesteld in een van de echtscheidingsprocedure losstaand rechtsgeding in een dagvaardingsprocedure.

2.9

Bij de beoordeling van deze klacht staat voorop dat de bepaling spreekt van een ‘rechtsvordering’. Deze term duidt naar mijn mening op een neutraal begrip dat slechts ziet op de mogelijkheid tot het in rechte geldend kunnen maken van een subjectief recht (vgl. titel 3.11 BW) en geen uitsluitsel geeft omtrent de wijze waarop het betreffende geding moet worden ingeleid: met een dagvaarding (‘vordering’) of een verzoekschrift (‘verzoek’). Uit de parlementaire geschiedenis van art. 1:164 BW kan niet worden afgeleid dat de wetgever de toepassing van de verzoekschriftprocedure steeds heeft willen uitsluiten. Vermeld wordt slechts dat de ‘rechtsvordering’ vervalt binnen drie jaren na de inschrijving van het echtscheidingsvonnis.16 Verder is van belang dat het onderwerp van art. 1:164 BW zo nauw verweven is met de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, dat het niet doelmatig zou zijn om de schadevergoeding op grond van art. 1:164 BW niet te kunnen betrekken in de echtscheidingsprocedure en de daarbij verzochte verdeling.17 Aannemelijk is dat de wetgever het neutrale begrip rechtsvordering in art. 1:164 BW heeft gebruikt omdat de schadevergoeding ook nog na voltooiing van de echtscheidingsprocedure, maar uiterlijk binnen drie jaar na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, kan worden gevraagd; in dat geval is de dagvaardingsprocedure van toepassing (vgl. art. 3:179 lid 2 BW). Tegen deze achtergrond meen ik dat de klacht, die uitgaat van de verplichte toepasselijkheid van de dagvaardingsprocedure in het kader van art. 1:164 BW, niet tot cassatie zal kunnen leiden.1819

2.10

In aansluiting op de voorgaande klacht betogen de onderdelen 1.3 en 1.4 dat het hof het op art. 1:164 BW gestoelde verzoek ten onrechte heeft aangemerkt als een verzoek om een nevenvoorziening als bedoeld in art. 827 lid 1 sub f Rv. Daartoe wordt aangevoerd dat de schadevergoedingsactie niet voldoende samenhang vertoont met het echtscheidingsverzoek en niet kan worden aangemerkt als een eenvoudig geschil als door de wetgever bedoeld.

2.11

Volgens art. 827 lid 1 Rv kan, voor zover van belang, ingeval de echtscheiding wordt uitgesproken, de rechter de onder a t/m e van het eerste lid van deze bepaling genoemde specifieke nevenvoorzieningen treffen, zoals die met betrekking tot de verdeling van de gemeenschap of bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen verrekening van inkomsten of van vermogen (sub b). Art. 827 lid 1 sub f Rv biedt de echtscheidingsrechter onder voorwaarden de mogelijkheid om – naast de onder a t/m e van het eerste lid van deze bepaling genoemde specifieke nevenvoorzieningen – ook andere voorzieningen te treffen.20

Blijkens de parlementaire geschiedenis heeft de wetgever met art. 827 lid 1 sub f Rv willen voorkomen dat ‘voor geschillen die direct verband houden met de betreffende scheidingsproblematiek onnodig afzonderlijke procedures moeten worden gevoerd’ aangezien het ‘juist de bedoeling (is) geschillen tussen echtgenoten zoveel mogelijk tezamen in één zitting te behandelen’, zodat het praktisch en efficiënt kan zijn om in het kader van de echtscheidingsprocedure de mogelijkheid te hebben ook andere voorzieningen te verzoeken dan de in art. 827 lid 1 sub a t/m e Rv genoemde specifieke nevenvoorzieningen.21 Om te voorkomen dat al te lichtvaardig wordt omgegaan met de door art. 827 lid 1 sub f Rv geboden mogelijkheid, heeft de wetgever twee voorwaarden gesteld, te weten dat (i) de verzochte voorziening voldoende samenhang vertoont met het echtscheidingsverzoek en (ii) niet te verwachten is dat de behandeling van de verzochte voorziening tot onnodige vertraging van het geding zal leiden. Dit betekent ‘dat de gevraagde voorziening moet aansluiten bij de regeling van de gevolgen van de scheiding’ en ‘dat de behandeling ervan niet een extra complicerende factor vormt in die zin dat daardoor vertraging in de procedure optreedt’.22 Gaat het wel om ingewikkelde zaken die het geding aanzienlijk kunnen ophouden, dan is daarvoor een afzonderlijke procedure aangewezen. Weliswaar wordt in de parlementaire geschiedenis in dit verband nog opgemerkt dat het bij de restcategorie van art. 827 lid 1 sub f Rv moet gaan om kwesties van tamelijk eenvoudige aard,23 maar hier moet vermoedelijk niet al te veel gewicht aan worden toegekend. Het is immers een illusie om te menen dat het bij de overige in art. 827 lid 1 sub a t/m e Rv genoemde specifieke nevenvoorzieningen, zoals die betreffende alimentatie, verdeling en verrekening, steeds om kwesties van eenvoudige aard gaat. De bepaling wordt in de literatuur wel aangemerkt als een vangnet voor niet in de voorgaande onderdelen geregelde gevallen waar het de afwikkeling van de vermogensrechtelijke aspecten van de scheiding betreft.24 Het gaat erom dat de krachtens art. 827 lid 1 sub f Rv verzochte nevenvoorziening het geding niet onnodig zal vertragen.

2.12

Het komt mij voor dat het hof het verzoek van de man op grond van art. 1:164 BW terecht heeft gekwalificeerd als een andere voldoende met het echtscheidingsverzoek samenhangende voorziening zoals bedoeld in art. 827 lid 1 sub f Rv. Deze voldoende verbondenheid blijkt reeds uit de plaatsing van art. 1:164 BW in Titel 9, Afdeling 2 van Boek 1 BW, handelend over echtscheiding. Voorts ziet art. 1:164 BW specifiek op de situatie van benadeling van de huwelijksgoederengemeenschap door een echtgenoot kort voor of in de loop van de echtscheidingsprocedure tussen de echtgenoten. Ik zou menen dat, uit een oogpunt van efficiency, in een echtscheidingsprocedure een op art. 1:164 BW gegrond verzoek als nevenvoorziening in de zin van art. 827 lid 1 sub f Rv aan bod moet kunnen komen, tenzij vast komt te staan dat de behandeling van deze voorziening in het concrete geval het geding onnodig zal vertragen. Van dat laatste is in het onderhavige geval geen sprake, zo heeft het hof vastgesteld in rov. 4.7. Mitsdien falen de onderdelen 1.3 en 1.4.

2.13

Kort gezegd verwijt onderdeel 1.5 het hof ten onrechte niet (ambtshalve) de wisselbepaling van art. 69 Rv te hebben toegepast.

De klacht faalt omdat, zoals uit het voorgaande volgt, het onderdeel berust op het onjuiste uitgangspunt dat de man zijn op art. 1:164 BW gebaseerde actie had moeten inleiden met een dagvaarding in plaats van een verzoekschrift.

2.14

In onderdeel 2 worden verschillende klachten geformuleerd tegen de in rov. 4.14 (en daarop voortbouwend rov. 4.19 en 4.23) vervatte beslissing van het hof tot toewijzing van het verzoek van de man ex art. 1:164 lid 1 BW. Voor een juist begrip haal ik ook de voorafgaande overweging aan:

‘4.12 Partijen bezaten bankrekeningen bij onder meer Credit Europe Bank en Ohra. De vrouw heeft erkend dat zij van deze rekeningen eind 2010/begin 2011 in totaal een bedrag van € 85.166,15 heeft opgenomen zonder medewerking of instemming van de man. Ter zitting van de rechtbank van 10 april 2013 heeft zij onder andere verklaard dat van dit bedrag niets meer over is en dat zij het geld heeft gebruikt voor de aanschaf van een auto, een bijdrage in de studiekosten van de zoon van partijen, de betaling van de hypotheeklasten en de advocaatkosten. De rechtbank heeft overwogen dat voldoende is komen vast te staan dat de vrouw de gemeenschap heeft benadeeld door de opname van deze gelden zonder toestemming van de man. (…) Daartegen richt zich grief VI van de vrouw.’

In de aangevallen rechtsoverweging 4.14 overweegt het hof als volgt:


‘4.14. De vrouw heeft verklaard in de periode 2011 tot het voorjaar van 2013 het totale bedrag van € 85.166,15 te hebben verbruikt. Uit een door haar als bijlage 8 bij de brief van 1 maart 2012 (productie 11 bij appelschrift) aan de rechtbank gezonden overzicht, heeft de man in 2011 totaal als bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw een bedrag van € 28.971,- aan haar overgemaakt, derhalve gemiddeld € 2.414,25 per maand. De vrouw heeft in deze procedure niet inzichtelijk gemaakt dat zij in bedoelde periode uit voormelde lopende partneralimentatie de kosten voor haar levensonderhoud niet heeft kunnen voldoen. Evenmin heeft zij, met uitzondering van de aanschaf van een auto tot een bedrag van € 16.190,0 die in de verdeling zal worden betrokken, aangetoond waaraan zij het door haar opgenomen bedrag heeft besteed. De gelden waren van partijen gezamenlijk, nu zij in gemeenschap van goederen waren gehuwd. De stelling van de vrouw dat zij niet gehouden is aan de man rekening en verantwoording af te leggen, verwerpt het hof. De rechtsverhouding tussen (ex)echtgenoten maakt dat de vrouw de man had dienen te informeren over het voornemen het geld op te nemen en, nadat zij de gelden had opgenomen, met de man had behoren te overleggen over de besteding van de gelden, althans ter zake van de helft die toekwam aan de man. Nu zij dit heeft nagelaten, de man niet onderhoudsplichtig was voor de kosten van levensonderhoud van de meerderjarige zoon waaraan de vrouw zegt gelden te hebben besteed, en de vrouw volgens vaste rechtspraak haar advocaatkosten met betrekking tot de echtscheidingsprocedure alleen heeft te dragen, is sprake van lichtvaardig verspillen van goederen van de gemeenschap in de zin van artikel 1:164 BW. De vrouw heeft zonder redelijke grond de huwelijksgoederengemeenschap opzettelijk benadeeld. De vrouw dient aan de man de door haar aangerichte schade te vergoeden. Zij dient de man een bedrag van € 85.166,15 minus € 16.190,-- = € 68.976,15 : 2 = € 34.488,08 te vergoeden. (…)’.

2.15

Onderdeel 2.1 verwijt het hof een onjuiste – te zware – maatstaf te hebben aangelegd voor de beoordeling van het op art. 1:164 lid 1 BW gebaseerde verzoek van de man. Ten onrechte zou het hof in rov. 4.14 hebben onderzocht of sprake is van lichtvaardig verspillen van gemeenschapsgoederen en het zonder redelijke grond opzettelijk benadelen van de huwelijksgoederengemeenschap, terwijl het hof slechts had dienen te onderzoeken of het verbruiken van de gemeenschapsgelden door de vrouw meebracht dat er sprake is van het ‘verspillen’ van gemeenschapsgoederen waardoor de tussen partijen tot de ontbinding van het huwelijk bestaande huwelijksgoederengemeenschap is ‘benadeeld’.

Het middel kan niet tot cassatie leiden, nu het oordeel van het hof dat sprake is van opzettelijke benadeling door lichtvaardige verspilling insluit dat het hof heeft getoetst of en vervolgens tot de bevinding is gekomen dat sprake is van benadeling door verspilling.

2.16

Onderdeel 2.2 valt uiteen in verschillende klachten. De klacht onder a betoogt in de kern dat het hof in rov. 4.14 miskent dat de vrouw tot aan de ontbinding van het huwelijk van partijen op 4 september 2012 zelfstandig bestuursbevoegd was ten aanzien van de gemeenschappelijke gelden (art. 1:97 BW (oud)).

Deze klacht faalt, omdat bestuursbevoegdheid niet aan de toepasselijkheid van art. 1:164 BW in de weg staat.25 Tekst noch wetsgeschiedenis van de bepaling geeft daar aanleiding toe. Bovendien zou de regeling van art. 1:164 lid 1 BW anders zinledig zijn.

2.17

Voorts wordt het hof onder a verweten art. 1:98 BW (oud) onjuist te hebben toegepast, door te beslissen dat de vrouw op grond van deze bepaling verplicht was om de man steeds en vooraf te informeren over het voornemen om het geld van de gezamenlijke bankrekeningen op te nemen en over de besteding van het opgenomen geld.

De klacht gaat eraan voorbij dat het hof niet zulks heeft geoordeeld, maar slechts in het kader van de beoordeling van het verzoek van de man ex art. 1:164 BW van belang heeft geacht dat de vrouw de man niet heeft geïnformeerd over de opname van gelden van de gezamenlijke bankrekeningen en met hem geen overleg heeft gevoerd over de besteding van dat geld, waartoe zij in casu op grond van de rechtsverhouding tussen partijen gehouden was.

2.18

De klacht onder b berust op de lezing dat naar het oordeel van het hof art. 1:98 BW (oud) de algemene verplichting meebrengt om rekening en verantwoording af te leggen voor het gevoerde bestuur over de gemeenschapsgoederen. Op gelijke gronden als de vorige faalt ook deze klacht bij gebrek aan feitelijke grondslag.

2.19

De klacht onder c bouwt voort op de klachten onder a en b en kan daarom evenmin tot cassatie leiden.

2.20

Onderdeel 2.3 bevat twee klachten. De klacht onder a betoogt dat het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting door in rov. 4.14 te oordelen dat de man ten opzichte van de meerderjarige zoon aan wie de vrouw zegt gelden te hebben besteed, niet onderhoudsplichtig was. Volgens de klacht miskent het hof dat de man in de periode tot de ontbinding van het huwelijk op 4 september 2012 op de voet van art. 1:82 en/of 1:84 lid 1 BW (oud) gehouden was de kosten van verzorging en opvoeding van deze zoon te dragen.

De klacht faalt reeds omdat de verplichting tot het bijdragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van kinderen op grond van de genoemde wetsbepalingen slechts geldt voor minderjarige kinderen. Voor het in casu toepasselijke art. 1:82 BW volgt dit reeds uit de wettekst zelf26, voor art. 1:84 BW volgt dit uit de wetsgeschiedenis.27 Voorts waren partijen naar de vaststelling van de rechtbank in ieder geval vanaf maart 2010 feitelijk uiteen (beschikking van 24 mei 2012, rov. 4.5.1), zodat vanaf dat tijdstip geen sprake meer was van een gemeenschappelijke huishouding als in genoemde bepalingen bedoeld.

2.21

De klacht onder b betoogt dat het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting door in rov. 4.14 in aanmerking te nemen dat de vrouw volgens vaste rechtspraak haar advocaatkosten met betrekking tot de echtscheidingsprocedure alleen heeft te dragen. Volgens de klacht miskent het hof daarmee dat deze advocaatkosten in de periode tot de ontbinding van het huwelijk hebben te gelden als gemeenschapsschulden. Het oordeel dat de besteding van gemeenschapsgelden aan deze advocaatkosten geldt als het verspillen door de vrouw van gemeenschapsgoederen in de zin van art. 1:164 lid 1 BW is volgens de klacht dan ook rechtens onjuist.

De klacht faalt. Dat een schuld kwalificeert als gemeenschapsschuld staat niet aan toepasselijkheid van art. 1:164 lid 1 BW in de weg. Men vergelijke hetgeen hiervoor onder 2.16 is betoogd met betrekking tot bestuursbevoegdheid.

2.22

Onderdeel 2.4 bouwt voort op de voorgaande klachten en behoeft geen afzonderlijke bespreking.

2.23

Onderdeel 2.5 bestaat uit twee klachten. Onder a wordt betoogd dat het hof de bewijslast ten onrechte bij de vrouw heeft gelegd door te oordelen dat de vrouw niet inzichtelijk heeft gemaakt dat zij met de ontvangen partneralimentatie haar kosten van levensonderhoud niet heeft kunnen voldoen en niet heeft aangetoond waaraan zij het opgenomen bedrag heeft besteed. Volgens de hoofdregel van art. 150 Rv rustte op de man de bewijslast van zijn stelling dat de vrouw de huwelijksgoederengemeenschap heeft benadeeld door verspilling van gemeenschapsgelden. Anders dan het hof kennelijk en ten onrechte van oordeel is, behoefde de vrouw volgens het middel niet meer aan te voeren dan zij heeft gedaan – het middel verwijst hiervoor naar de brief van de advocaat van de vrouw van 21 november 2014 en de daarbij overgelegde producties 1 en 2 – om de stelling van de man dat de vrouw gemeenschapsgelden heeft verspild, gemotiveerd te betwisten.

Volgens de klacht onder b heeft het hof dan ook ten onrechte de stellingen van de vrouw niet aangemerkt als een voldoende gemotiveerde betwisting van hetgeen de man aan zijn verzoek ten grondslag heeft gelegd, in het licht waarvan het hof de man bewijs had moeten opdragen.

2.24

De klachten faalt. Het hof heeft de regels van (stelplicht- en) bewijslastverdeling niet miskend. Ik licht dat als volgt toe.

De overweging dat de vrouw niet inzichtelijk heeft gemaakt dat zij in 2011 uit de lopende partneralimentatie de kosten voor haar levensonderhoud niet heeft kunnen voldoen, moet worden begrepen tegen de achtergrond van de voorafgaande vaststelling van het hof dat de man in 2011 gemiddeld € 2.414,25 per maand als bijdrage in haar levensonderhoud heeft overgemaakt. Hierin ligt het oordeel besloten dat de vrouw op dit punt onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat zij van het opgenomen geld meer heeft uitgegeven dan voor haar eigen levensonderhoud noodzakelijk was.

Wat betreft de overweging dat de vrouw (afgezien van de aanschaf van de auto tot een bedrag van € 16.190,-, welke auto in de verdeling wordt betrokken) niet heeft aangetoond waaraan zij het door haar opgenomen bedrag heeft besteed, ben ik met de man (verweerschrift onder 2.27.1) van mening dat deze wordt gerechtvaardigd doordat de vrouw op dit punt een verzwaarde stel- of motiveringsplicht heeft.28 Het ligt immers in haar domein om informatie te verschaffen over de besteding van het opgenomen geld.

De in hoge mate feitelijke oordelen van het hof omtrent de waardering van de stellingen van de vrouw als zijnde een onvoldoende gemotiveerde betwisting respectievelijk een onvoldoende aanknopingspunt voor bewijslevering door de wederpartij kunnen in cassatie niet op juistheid worden getoetst.

2.25

Onderdeel 2.6 klaagt onder a over onbegrijpelijkheid van het oordeel dat de vrouw niet inzichtelijk heeft gemaakt dat zij in de bedoelde periode uit de lopende partneralimentatie de kosten voor haar levensonderhoud niet heeft kunnen voldoen. Daartoe wordt gewezen op het gedetailleerde en met concrete bedragen toegelichte chronologisch overzicht dat als productie 1 en 2 bij brief van 21 november 2014 is overgelegd en waarop namens en door29 de vrouw ter zitting een beroep is gedaan.

Deze klacht faalt. Naar het kennelijk oordeel van het hof konden de in het overzicht vermelde kosten van levensonderhoud van de vrouw uit de ontvangen partneralimentatie ad gemiddeld € 2.414,25 per maand worden voldaan. Dit feitelijk oordeel is niet onbegrijpelijk. Ik teken daarbij nog aan dat, zoals namens de man is opgemerkt (proces-verbaal d.d. 4 december 2014, p. 2), de vrouw in haar overzicht ook uitgaven heeft vermeld in de periode voordat de litigieuze opnamen hebben plaatsgevonden.

2.26

Onder b wordt als onbegrijpelijk bestempeld het oordeel dat de vrouw niet heeft aangetoond waaraan zij het door haar opgenomen bedrag heeft besteed, waartoe wederom wordt verwezen naar voormeld overzicht.

Ook deze klacht faalt. Anders dan de indruk die het middel zou kunnen wekken, is het overzicht van de vrouw niet geadstrueerd met bewijsstukken. Het betoog dat in het overzicht is uiteengezet aan welke kosten van verzorging en opvoeding van de jongste zoon het opgenomen geld is besteed, ziet eraan voorbij dat naar ’s hof tevergeefs bestreden oordeel deze kosten buiten beschouwing dienen te blijven (zie hiervoor onder 2.20).

2.27

In onderdeel 2.7 wordt geklaagd dat het hof in zijn oordeelsvorming ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan de essentiële stelling van de vrouw dat zij het opgenomen geld niet heeft verzwegen en de man en de rechtbank heeft geïnformeerd dat zij gedurende de echtscheidingsprocedure tot aan de echtscheiding het geld heeft besteed ten behoeve van haar zelf en het gezin. Door niet alle door de vrouw in de producties 1 en 2 bij de brief van 21 november 2014 opgevoerde kosten van huishouding in zijn beoordeling te betrekken heeft het hof voorts art. 24 Rv geschonden, aldus de klacht.

Vooropgesteld dat het hof ongemotiveerd voorbij mocht gaan aan niet voldoende onderbouwde of niet terzake dienende stellingen, zijn ook deze klachten tevergeefs voorgesteld. Kennelijk heeft het hof gemeend dat de stelling van de vrouw over het niet verzwijgen van de opname van de gelden jegens de rechtbank en de man niet terzake dienend was. Dat is niet onbegrijpelijk; het hof heeft zijn oordeel omtrent de verspilling met name gebaseerd op de besteding van de opgenomen gelden. Voor de door de vrouw in de producties 1 en 2 bij de brief van 21 november 2014 opgevoerde uitgaven geldt dat het hof daaraan voor een deel als niet relevant of niet voldoende onderbouwd voorbij kon gaan. Voor zover het betreft gestelde uitgaven ten behoeve van het gezin en/of de man (onderhoud, belasting, verzekering etc.), nader gespecificeerd in productie 2, geldt dat deze niet met stukken zijn gestaafd en, als gezegd, gedeeltelijk betrekking hebben op een niet-relevante periode.

2.28

De voortbouwende slotklacht (p. 15 van het cassatierekest) heeft geen zelfstandige betekenis.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie rov. 2.1van de bestreden beschikking van het hof Amsterdam van 24 februari 2015.

2 Dit verzoek is later, gelet op het tijdsverloop, niet langer gehandhaafd, zie rov. 2.11 van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 18 september 2013.

3 Zie rov. 2.1 van de beschikking van het hof Amsterdam van 24 februari 2015.

4 Deze beschikking is hersteld bij beschikking van 12 maart 2014.

5 Vgl. rov. 3.3 van de beschikking van het hof.

6 ECLI:NL:GHAMS:2015:577; JPF 2015/45.

7 De aankoopsom van de met gemeenschappelijk geld aangeschafte Skoda is buiten beschouwing gelaten. De auto wordt in de verdeling betrokken. Zie rov. 4.20 van de bestreden beschikking.

8 Het verzoekschrift tot cassatie is binnengekomen op 26 mei 2015, zijnde de dag na tweede Pinksterdag.

9 Het aanvullend verzoekschrift is binnengekomen op 23 juni 2015, in vervolg op de brief van de griffier d.d. 10 juni 2015.

10 De regeling is van overeenkomstige toepassing op een ontbinding van een geregistreerd partnerschap (art. 1:80e lid 1 BW), opheffing van de gemeenschap bij rechterlijke beschikking (art. 1:111 BW) en scheiding van tafel en bed (art. 1:174 BW).

11 Kamerstukken II 1968/69, 10 213, nr. 3, p. 25; vgl. Asser/De Boer 1* 2010/663.

12 Personen- en familierecht, huwelijksvermogens- en erfrecht (M.J.A. van Mourik), 2015, nr. 156.

13 Nu het onderhavige echtscheidingsverzoek is ingediend voor 1 januari 2012, is de oude regeling van art. 1:99 BW van toepassing. Deze brengt mee dat de gemeenschap, anders dan onder huidig recht, eerst is ontbonden op het tijdstip van de echtscheiding.

14 Zie rov. 1.4 en 2.11.7 van de tussenbeschikking van 18 september 2013.

15 Zie voor deze benadering ook Hof Den Haag 5 november 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:3575, rov. 10 en Hof Den Haag 12 november 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:3736, rov. 16 (cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard ex art. 80a lid 1 RO, HR 22 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1292, RvdW 2015/673).

16 Kamerstukken II 1968/69, 10 213, nr. 3, p. 25.

17 Aldus kennelijk ook Hof Den Haag 17 september 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:3706; vgl. Hof Den Haag 5 november 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:3575 en Hof Den Haag 12 november 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:3736 (cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard ex art. 80a lid 1 RO, HR 22 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1292, RvdW 2015/673).

18 Vgl. R.Y. Nauta, T&C Burgerlijke rechtsvordering (2014), Boek 3, Zesde titel, Inleidende opmerkingen, aant. 2 sub d.

19 Anders: Groene Serie Personen- en familierecht, art. 1:164 BW, A10 (S.F.M. Wortmann).

20 Zie over de achtergrond van deze bepaling: Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 827 Rv, aant. A3, 3 en 11 (B.E.S. Chin-A-Fat).

21 Zie TK 1999/2000, 26 862, nr. 6, p. 10.

22 Zie TK 1999/2000, 26 862, nr. 3, p. 10, waar verder als voorbeelden worden genoemd: een verklaring voor recht dat een recht op pensioenverevening bestaat en een verzoek tot afgifte van bepaalde zaken.

23 TK 1999/2000, 26 862, nr. 6, p. 10.

24 Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 827 Rv, aant. 5 (B.E.S. Chin-A-Fat).

25 Asser/De Boer I* 2010/347 en B. Breederveld, De aangepaste gemeenschap van goederen in verband met echtscheiding, Recht & Praktijk Personen- en familierecht, nr. 2, 2011, par. 9.1.2.

26 Met de toevoeging ‘minderjarige’ bij wetswijziging van 22 juni 2001 is slechts verduidelijking beoogd: ook voordien werd aangenomen dat de verplichting uit art. 1:82 BW was beperkt tot minderjarige kinderen.

27 Zie Parl. Gesch. NBW, Boek 1, p. 244: ‘Bij het eerste lid van het artikel wordt tenslotte nog opgemerkt dat, dat in deze bepaling onder ,,kinderen’’ zijn te verstaan de kinderen, wier verzorging en opvoeding overeenkomstig de tweede afdeling van de titel Levensonderhoud van dit boek door beide echtgenoten moet worden bekostigd.’. Vgl. Asser/De Boer 1* 2010/208.

28 Asser Procesrecht/Asser 3 2013/9.17.

29 Aanvullend cassatieverzoekschrift, p. 1.