Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1088

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
13-09-2016
Datum publicatie
09-11-2016
Zaaknummer
15/01778
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2530, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bewijsmotiveringsklachten. 1. tezamen en in vereniging plegen van bedreiging. 2. Schuldheling auto. Ad 1. Het Hof heeft zijn oordeel dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander de tlgd. bedreiging heeft gepleegd i.h.b. gebaseerd op de overweging dat verdachte “de schutter” was. Dit oordeel is echter niet begrijpelijk. Ad 2. Uit de bewijsvoering kan niet z.m. worden afgeleid dat verdachte t.t.v. het voorhanden krijgen van de auto in die mate is tekortgeschoten in zijn onderzoeksplicht dat hij met de voor schuldheling vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld. De bewezenverklaring is niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/01778

Zitting: 13 september 2016

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 7 april 2015 door het gerechtshof Amsterdam - met niet-ontvankelijk verklaring in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 primair en subsidiair tenlastegelegde - wegens 1 “medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd”, 2 subsidiair “schuldheling” en 4 “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft het hof de onttrekking aan het verkeer bevolen van het in beslag genomen pistool.

  2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld.1 Mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, heeft op 14 september 2015 een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie. De raadsman heeft vervolgens, nadat de rolraadsheer in verband met het aanvankelijk ontbreken van de aanvulling op het verkorte arrest de termijn voor het indienen van een nadere schriftuur had verlengd, bij nadere schriftuur van 25 januari 2016 twee cassatiemiddelen voorgesteld. Aangezien niet duidelijk is of de raadsman de middelen in de aanvullende schriftuur in de plaats stelt van het middel dat aanvankelijk werd voorgesteld, zal ik het aanvankelijk voorgestelde middel toch bespreken.

3 Het bij schriftuur van 14 september 2015 voorgestelde middel

3.1

Het middel richt zich tegen de omstandigheid dat het hof heeft verzuimd zijn verkorte arrest aan te vullen met bewijsmiddelen.

3.2.

Overeenkomstig art. IV lid 3 van het Procesreglement van de Strafkamer Hoge Raad heeft de raadsman bij faxbericht van 14 september 2015 tijdig aan de rolraadsheer verzocht alsnog in het bezit te worden gesteld van een “aanvulling verkort arrest” van het gerechtshof Amsterdam ten aanzien van het arrest van 7 april 2015. Desgevraagd heeft het hof bij faxbericht van 21 september 2015 een “aanvulling verkort arrest” verzonden aan de Hoge Raad.

3.3.

Aan de raadsman van de verdachte is vervolgens op 23 december 2015 een schrijven verzonden waarin hem werd medegedeeld dat een afschrift van het door de raadsman opgevraagde stuk alsnog aan hem is toegestuurd en dat is beslist dat in deze zaak een nadere termijn wordt verleend teneinde de raadsman, naar aanleiding van het vorenstaande, in de gelegenheid te stellen de eerder ingediende schriftuur te wijzigen, aan te vullen, dan wel het middel in te trekken.

3.4.

Zoals uit de hier voor weergegeven gang van zaken blijkt, faalt het middel bij gebrek aan feitelijke grondslag.

4. Dan kom ik nu toe aan een bespreking van de middelen die zijn ingediend bij nadere schriftuur van 25 januari 2016.

5 Het eerste middel

5.1.

Het eerste middel richt zich tegen de aan de bewezenverklaring van feit 1 ten grondslag gelegde bewijsconstructie. Dit middel valt uiteen in twee deelklachten.

5.2.

In de toelichting op het middel wordt ten eerste gesteld dat uit de, uit het vernietigde vonnis van de rechtbank overgenomen bewijsmiddelen noch uit de bewijsoverwegingen van het hof kan worden afgeleid dat de verdachte de schutter en de bestuurder van de Audi RS4 was. Voorts wordt geklaagd dat het arrest een innerlijke tegenstrijdigheid bevat.

5.3.

Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaard dat:

“hij op 25 december 2012 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander onbekend gebleven omstanders heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers hebben verdachte en zijn mededader opzettelijk dreigend een vuurwapen ter hand genomen en vervolgens in de directe nabijheid van voornoemde omstanders met voornoemd vuurwapen patronen in de lucht afgevuurd.”

5.4.

De bewezenverklaring vindt steun in de volgende door het hof uit het vonnis van de rechtbank overgenomen bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 2012328963-11 van 25 december 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , doorgenummerde pagina 46 e.v.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van getuige [getuige] , zakelijk weergegeven:

Ik was op 25 december 2012 omstreeks 04:20 uur met mijn auto op de kruising van de Rhoneweg met de Mekongweg te Amsterdam. Ik zag dat een grijze Audi stationcar met kenteken [CC-00-DD] met hoge snelheid aan kwam rijden, ik zag dat er twee mannen uit de Audi sprongen en in de richting van de kruising van de Rhoneweg met de Mekongweg renden. Ik zag dat de bijrijder een bivakmuts droeg. Ik zag dat de bestuurder van de Audi een wapen in zijn hand had en daar zeker drie maal maar mogelijk vier keer mee in de lucht schoot. Nadat hij geschoten had renden beide mannen terug naar de Audi en sprongen daar in. Ik zag dat zij daarop met hoge snelheid wegreden.

2. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2012328963-25 van 25 december 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , doorgenummerde pagina 34.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op 25 december 2012 bevonden wij ons op de Mekongweg. Ter plaatste hebben wij een onderzoek ingesteld en zagen wij op de geasfalteerde rijbaan van de Mekongweg drie koperkleurige hulzen liggen. Wij zagen dat er op de onderzijde van een (1) huls stond: ‘Luger 9 mm Win’. Op de andere twee hulzen zagen wij aan de onderzijde de tekst: ‘Luger 9mm Lupua’.

3. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2012328963-5 van 25 december 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , doorgenummerde pagina 21 e.v.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op 25 december 2012 omstreeks 04.21 uur arriveerden wij op de A8 rechts, bij hectometerpaal 1.6. Wij zagen dat een grijze Audi RS4 Avant, voorzien van het kenteken [CC-00-DD] op de rijstroken 1 en 2 stilstond. Uit de controle van het kentekenregister bleek dat voornoemde Audi als gestolen gesignaleerd stond.

4. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2012328963-57 van 28 december 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 6] , doorgenummerde pagina 185 e.v.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in, als verklaring van verbalisant voornoemd [verbalisant 7] , zakelijk weergegeven:

Desgevraagd verklaarde [verbalisant 7] het volgende:

Ik reed op 25 december 2012 tussen 4:00 en 5:00 uur op de snelweg komende uit de richting van Amsterdam en gaande in de richting van Zaandam. In de buurt van de Coentunnel werden wij ingehaald door een grijskleurige Audi die wel ongeveer 180 tot 200 km/u reed. Na een aantal seconden kwam ik op de A8 om en nabij hectometerpaal 1.6. Daar zag ik dezelfde grijskleurige Audi onbemand op het midden van de rijbaan stilstond. Honderd meter verderop zag ik drie mensen wegrennen langs de geluidswallen van de autosnelweg, vanuit de kant van de grijskleurige Audi in de richting van Oostzaan.

5. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2012084216-5 van 25 december 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 8] en [verbalisant 9] , doorgenummerde pagina 25 e.v.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op 25 december 2012 omstreeks 05.07 uur reden wij de Ambacht in Oostzaan op. Wij zochten met een warmtebeeldcamera de omgeving af. Wij zagen twee personen onder een vrachtwagen liggen, die beiden zijn aangehouden.

6. Een proces-verbaal van aanhouding met nummer 2012084216-7 van 25 december 2012 in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 9] en [verbalisant 8] , doorgenummerde pagina 1 e.v.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verbalisanten voornoemd, zakelijk weergegeven:

Op 25 december 2012 te 05.12 uur hielden wij [verdachte] aan op de locatie Ambacht te Oostzaan.

7. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2012084216-18 van 25 december 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 10] , doorgenummerde pagina 32.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Bij het insluiten van verdachte [verdachte] heb ik de verdachte zijn kleding uit laten trekken. Wij hebben de kleding in een plastic sealbag gedaan. Nadat alle vijf de kledingstukken in aparte zakken zaten en er geen kledingstukken meer in de sealbag zaten, zag ik een 9mm patroon in de sealbag zitten.

8. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2012084216-24 van 28 december 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 11] en [verbalisant 12] , doorgenummerde pagina 188 e.v.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op vrijdag 28 december 2012 waren wij ter plaatste bij het Ambacht 4 te Oostzaan.

Wij zagen een zwartkleurig vuurwapen op de grond liggen achter de vuilcontainer. Het door ons aangetroffen wapen is overgedragen aan collega [verbalisant 13] (de rechtbank leest: [verbalisant 13] ).

9. Een geschrift, te weten een Kennisgeving van inbeslagneming van een vuurwapen, pistool, merk Beretta Metro 9000s, Sinnummer AAFM4853NL. Plaats van inbeslagneming: industriegebied Oostzaan.

10. Een proces-verbaal van sporenonderzoek met nummer 2012328963-7 van 8 januari 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 14] , [verbalisant 13] en [verbalisant 15] , ongenummerde pagina.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Het te onderzoeken voertuig betrof een Audi, type RS4 voorzien van kentekenplaat [CC-00-DD] . Wij zagen op het zitvlak van de bestuurdersstoel een huls liggen. Wij zagen op de bodemstempel van deze huls de volgende tekst: ‘9MM Luger WIN’.

12. Een verslag van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 25 februari 2013 betreffende een wapen- en munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Amsterdam op 25 december 2012, nummer 2013.02.01.040, opgemaakt door W. Kerkhoff op de door hem als vast gerechtelijk deskundige afgelegde belofte.

Dit verslag houdt onder meer in als verklaring van voornoemde deskundige, zakelijk weergegeven:

Overzicht te onderzoeken materiaal

AAFM4839NL Huls vanaf zitting Audi

AAFM4854NL Huls uit kamer Beretta

AAFM4668NL Patroon uit zak [verdachte]

AAFM4855NL 3 patronen uit patroonmagazijn Beretta

AAFR5383NL Huls vanaf PD

AAFM4853NL Pistool, Beretta

AAFM4669NL Huls vanaf PD

AAFM4670NL Huls vanaf PD

Voor de vijf hulzen [AAFM4839NL, AAMF4854NL, AAFR5383NL, AAFM4669NL en AAFM4670NL] en het pistool [AAFM4853NL] zijn de volgende hypothesen beschouwd:

Hypothese 1: De hulzen zijn verschoten met het pistool.

Hypothese 2: De hulzen zijn verschoten met één of meerdere andere vuurwapens van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als het pistool.

De bevindingen van het vergelijkend hulsonderzoek zijn zeer veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is, dan wanneer hypothese 2 juist is.

Voor de patroon [AAFM4668NL] en het pistool [AAFM4853NL] zijn de volgende Hypothesen beschouwd:

Hypothese 3: De patroon is ten minste één maal doorgeladen geweest in het pistool

Hypothese 4: De patroon is nooit doorgeladen geweest in het pistool, maat [AEH: maar] in één of meer andere pistolen van hetzelfde kaliber.

De bevindingen van het vergelijkend hulsonderzoek zijn waarschijnlijker wanneer hypothese 3 juist is, dan wanneer hypothese 4 juist is.

5.5.

Het hof heeft onder het kopje “Nadere bewijsoverweging” het navolgende overwogen en vastgesteld, voor zover van belang voor de beoordeling van het middel:

“De raadsman van de verdachte heeft in hoger beroep vrijspraak bepleit van het aan de verdachte ten laste gelegde onder 1, 2 primair en subsidiair en 4 - kort samengevat - bij gebreke van wettig en overtuigend bewijs, zoals weergegeven in de ter terechtzitting overgelegde pleitnota.

Het hof verenigt zich grotendeels met hetgeen de rechtbank in haar vonnis onder 4.3.2. heeft overwogen en neemt daarbij het volgende over.

Op 25 december 2012 krijgt de politie een melding van een eenzijdig ongeluk met een Audi RS4 op de A8 ter hoogte van hectometerpaal 1.6. Aldaar treffen zij een Audi RS4 onbemand aan. Een getuige verklaart dat hij drie inzittenden uit de aangetroffen auto heeft zien wegrennen en dat hij door diezelfde auto vlak daarvoor op de AIO nabij de Coentunnel met een snelheid van 180 à 200 km/u is ingehaald. Kort op deze melding krijgt de politie een melding van een schietpartij bij uitgaansgelegenheid The Sand. Een getuige ter plaatse heeft verklaard dat hij een Audi RS4 hard aan zag komen rijden. Twee mannen stapten vervolgens uit de Audi RS4, waaronder één, de bijrijder, met een bivakmuts. De bestuurder had een vuurwapen bij zich en schoot daarmee meerdere malen in de lucht. Beide mannen zijn weer in de Audi RS4 gestapt en weggereden. Het kenteken van de Audi RS4 bij The Sand blijkt overeen te komen met het kenteken van de Audi RS4 bij voornoemd ongeluk. Het is mogelijk de afstand tussen The Sand en hectometerpaal 1.6 op de A8 te overbruggen tussen de tijdstippen van de meldingen van de schietpartij en het eenzijdig ongeluk. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte één van de mannen in de Audi RS4 is geweest.

De verdachte wordt op 25 december 2012 samen met de medeverdachte kort na het ongeluk in de nabije omgeving van de plaats van het ongeluk aangetroffen onder een vrachtwagen. De verdachte en zijn medeverdachte worden ter plekke aangehouden. Bij het insluiten van de verdachte heeft hij zijn kleding uit moeten trekken, waarna die kleding in een plastic sealbag is gedaan. Nadien is in die sealbag, naast de kleding van de verdachte, ook een 9 mm patroon aangetroffen. Voorts zijn er bij uitgaansgelegenheid The Sand en in de Audi RS4 op de bestuurdersstoel hulzen aangetroffen. Enkele dagen na het ongeluk en de schietpartij wordt er in de directe omgeving van de plaats van aanhouding van de verdachte een vuurwapen aangetroffen.

Bij onderzoek van de hulzen door het NFI zijn daarop sporen aangetroffen die als zeer kenmerkend voor het gevonden vuurwapen zijn beoordeeld, terwijl het nagenoeg is uitgesloten dat de bevonden mate van overeenkomst wordt waargenomen als de hulzen met een ander vuurwapen zouden zijn verschoten. Volgens het NFI zijn deze bevindingen dan ook zeer veel waarschijnlijker wanneer de hulzen met het gevonden vuurwapen zijn verschoten dan wanneer zij met een ander vuurwapen zijn verschoten. Bij vergelijking van sporen op de bij de kleding van verdachte aangetroffen patroon met die op een in het gevonden vuurwapen doorgeladen proefpatroon komt het NFI tot de slotsom dat de daarbij waargenomen bevindingen waarschijnlijker zijn wanneer de gevonden patroon ten minste één maal doorgeladen is geweest in het gevonden vuurwapen, dan wanneer die patroon nooit in het gevonden vuurwapen maar wel in een ander vuurwapen is doorgeladen.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de verdachte de bestuurder van de Audi RS4, de schutter, is geweest. De omstandigheid dat er getuigen zijn die de kleding en het uiterlijk van degenen die zij uit de Audi zagen komen (summier, maar) anders hebben beschreven dan de kleding en het uiterlijk van de verdachte was toen hij werd aangetroffen, doet aan de aanwezigheid van de patroon in de kleding van de verdachte en het wapen waarmee die avond bij The Sand is geschoten in zijn directe nabijheid niet af. Het verweer met betrekking tot die getuigenverklaringen wordt dan ook verworpen.”

5.6.

Het hof heeft voorts in zijn arrest onder het kopje “Voorwaardelijke verzoeken” het volgende overwogen en beslist:

“De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bij pleidooi verzocht om de zaak aan te houden teneinde

a) te gelasten dat aan de processtukken zal worden toegevoegd de Forensisch technische norm 112.01, op grond waarvan de schiethandensets zijn aangeleverd bij het NFI;

b) als getuige-deskundige te doen horen de deskundige ing. S.B.C.G. Chang, indien het hof het rapport van het NFI tot het bewijs gebruikt.

Nu het hof het rapport van het NFI met betrekking tot de resultaten van het onderzoek naar schiethanden niet voor het bewijs bezigt, komt het hof niet toe aan een bespreking en daarmee beoordeling van de voorwaardelijke verzoeken.”

5.7.

Het hof is op grond van de gebezigde bewijsmiddelen tot het oordeel gekomen dat de verdachte niet alleen één van de inzittenden van de Audi RS4 is geweest, maar ook de bestuurder van die auto en de schutter. Het hof heeft in zijn bewijsoverwegingen vooral in aanmerking genomen de omstandigheid, dat de patroon die bij de kleding van de verdachte is aangetroffen in verband kan worden gebracht met het wapen waarmee die avond bij The Sand is geschoten en dat ditzelfde wapen bij de aanhouding in de directe nabijheid van de verdachte is aangetroffen. De omstandigheid dat een getuige de kleding van de bestuurder anders heeft omschreven dan de kleding van de verdachte was bij zijn aanhouding, doet daar naar het oordeel van het hof niet aan af.

5.8.

Voor zover het hof heeft overwogen dat “… en het wapen waarmee die avond bij The Sand is geschoten in zijn directe nabijheid...” meen ik dat sprake is van een kennelijke misslag, gelet op hetgeen het hof daarvoor onder het kopje : “Nadere bewijsoverweging” heeft overwogen:

“ (…) Enkele dagen na het ongeluk en de schietpartij wordt er in de directe omgeving van de plaats van aanhouding van de verdachte een vuurwapen aangetroffen. (…)”

Voor zover in de eerste deelklacht wordt geklaagd dat het arrest een innerlijke tegenstrijdigheid bevat, faalt de eerste deelklacht.

5.9.

Uit de bewijsmiddelen heeft het hof kunnen afleiden dat i) degene die bij The Sand de Audi bestuurde de schutter is geweest, ii) de verdachte één van de twee of drie inzittenden van die auto was en iii) het vuurwapen zowel met de inzittenden van de auto als met de schietpartij in verband kan worden gebracht. De actieve betrokkenheid van de verdachte bij het afvuren van het wapen kan evenwel alleen worden afgeleid uit de omstandigheid dat een patroon bij zijn kleding is aangetroffen. Nu deze patroon ook op een ander moment, dan wel op een andere manier in zijn kleding terecht kan zijn gekomen dan door of rechtstreeks verband houdend met het (zelf) afschieten van het wapen zoals tenlastegelegd, is het aantreffen van de patroon naar ik meen een onvoldoende onderscheidende omstandigheid en is het oordeel van het hof, dat de verdachte degene is geweest die wordt aangemerkt als ‘de schutter’, niet begrijpelijk. Ik teken daarbij aan dat het hof, op dat punt de bewijsconstructie van de rechtbank expliciet niet volgend, het onderzoek naar de ‘schiethanden’ van de verdachte niet onder de bewijsmiddelen heeft opgenomen. Voorts heeft het hof weliswaar het medeplegen van het onderhavige feit bewezenverklaard, maar door daarbij het uitdrukkelijke uitgangspunt te kiezen dat de verdachte de schutter is geweest lijkt mij dat het hof de in het medeplegen besloten liggende mogelijkheid dat de verdachte niet zelf de schutter was maar niettemin voor het lossen van de schoten door een mededader wel aansprakelijk kan worden gehouden, heeft afgesneden.

5.10.

De bewezenverklaring is derhalve niet toereikend gemotiveerd. Voor zover het middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld.

5.11.

In de tweede plaats bevat het middel de klacht dat het hof de bewezenverklaring, inhoudende dat in de directe nabijheid van omstanders patronen in de lucht zijn afgevuurd, niet toereikend heeft gemotiveerd. Voor de volledigheid zal ik ook deze klacht bespreken.

5.12.

Een blik achter de papieren muur leert mij dat het hof in bewijsmiddel 1 (dossierpagina 46 en verder) niet de volledige verklaring van de getuige [getuige] heeft opgenomen. De steller van het middel moet worden toegegeven dat als gevolg daarvan de bewezenverklaring in zoverre niet toereikend is gemotiveerd. Het middel kan echter niet tot cassatie leiden. Bij een volledige lezing van de genoemde verklaring kan daar uit worden afgeleid, dat de getuige zich bevond op de kruising van de Mekongweg en de Rhoneweg in de nabijheid van The Sand, dat de weg naar genoemde uitgaansgelegenheid was afgesloten, dat (daarom) op de Mekongweg een hoeveelheid personen aanwezig was, dat de Audi RS4, waaruit de bestuurder/schutter sprong, op ongeveer een meter afstand van de auto van de getuige stopte, dat de bestuurder een wapen in zijn hand had en daarmee zeker drie maal in de lucht schoot. Gelet hierop is evident dat het hof heeft kunnen oordelen dat in de directe omgeving van omstanders patronen in de lucht zijn afgevuurd. De tweede deelklacht faalt.

6 Het tweede middel

6.1.

Het tweede middel richt zich tegen de aan de bewezenverklaring van feit 2 ten grondslag gelegde bewijsconstructie. Dit middel valt uiteen in twee deelklachten, die zich lenen voor een gezamenlijke bespreking.

6.2.

In de toelichting op het middel wordt in de eerste plaats gesteld dat (afgezien van de stelling dat de verdachte niet de bestuurder van de auto was) het oordeel van het hof, dat de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de Audi door misdrijf was verkregen, ontoereikend gemotiveerd is aangezien het steunt op de vaststelling dat de verdachte, van jeugdige leeftijd, een dure auto heeft bestuurd. Ten tweede wordt gesteld dat de enkele omstandigheid dat de verdachte als 22-jarige een dure auto heeft bestuurd, niet een toereikende motivering voor de bewezenverklaring oplevert.

6.3.

Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 2 subsidiair bewezenverklaard dat:

“hij op 25 december 2012 te Amsterdam een personenauto (merk Audi, type RS4, gekentekend [AA-00-BB] , Chassisnummer [001] ) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.”

6.4.

Het hof heeft onder het kopje “Nadere bewijsoverweging” met betrekking tot feit 2 subsidiair het navolgende overwogen en vastgesteld:

(…).

“Voorts is het hof van oordeel dat ook het onder 2 subsidiair ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard. Gelet op de bewijsmiddelen en al hetgeen hiervoor is overwogen, staat vast dat verdachte, als bestuurder, in de Audi RS4 met kenteken [AA-00-BB] heeft gezeten. Door een getuige is gezien dat daarnaast nog tenminste twee andere personen in de auto hebben gezeten. Verdachte heeft ondanks zijn jeugdige leeftijd en het feit dat hij geen inkomen heeft, de Audi RS4 voorhanden gehad nu hij hem zelf heeft bestuurd. Het voorhanden hebben van een dusdanig dure auto zonder inkomen is zo opmerkelijk, dat daaromtrent van verdachte een nadere verklaring of uitleg mag worden verwacht. Nu van noch verdachte, noch van de andere zich in de auto bevindende personen hieromtrent een verklaring is verkregen, is het hof, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de verdachte niet wist, maar wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de Audi RS4 van misdrijf afkomstig was.”

(…).

6.5.

Het hier van toepassing zijnde artikel 417bis, lid 1, onder a Sr luidt als volgt:

“hij die een goed verwerft, voorhanden heeft of overdraagt, dan wel een persoonlijk recht op of zakelijk recht ten aanzien van een goed vestigt of overdraagt, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van het goed dan wel het vestigen van het recht redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;”

6.6.

Voor een veroordeling ter zake van schuldheling is aldus vereist dat ten tijde van het verwerven en het voorhanden krijgen van het bewuste goed, sprake is van schuld ten aanzien van de omstandigheid dat het desbetreffende goed door misdrijf is verkregen. In de woorden ‘redelijkerwijs moeten vermoeden’ komt in de wettekst de schuld tot uitdrukking.2 Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat het hierbij gaat om ‘grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid’ en dat daarvan sprake is indien de verdachte in de gegeven omstandigheden bij enig nadenken had kunnen vermoeden dat het goed gestolen was en dat hij derhalve zonder nader onderzoek niet had mogen handelen. 3 Het te kort schieten in de onderzoeksplicht moet wel uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid, wil sprake zijn van de aanmerkelijke onvoorzichtigheid.4

6.7.

Het hof heeft de bewezenverklaring van de schuld gebaseerd op de volgende feiten en omstandigheden: de verdachte was jong, hij had geen inkomen, de auto die hij bestuurde was een Audi RS4 - een naar het oordeel van het hof dure auto - en de verdachte heeft geen verklaring gegeven voor deze combinatie van omstandigheden. Voorts blijkt uit het enige specifiek op dit feit betrekking hebbende, door het hof overgenomen bewijsmiddel, dat de eigenaar van de Audi op 28 augustus 2012 aangifte heeft gedaan van diefstal van de auto.

6.8.

Het hof heeft voor het overige niets vastgesteld over de omstandigheden ten tijde van het voorhanden krijgen van de auto en uit de gebezigde bewijsmiddelen blijken dergelijke omstandigheden evenmin. Zodoende heeft het hof mijns inziens onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat de verdachte gehandeld heeft met de voor schuldheling vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid en in welke mate de verdachte is te kort geschoten in zijn onderzoeksplicht, zoals hierboven bedoeld onder 6.6. Het hof heeft kennelijk in het kader van zijn bewijsbeslissing waarde gehecht aan de leeftijd van de verdachte, destijds 22 jaar, en aan de omstandigheid dat hij geen inkomen heeft, hoewel dat laatste niet uit de gebezigde bewijsmiddelen naar voren komt. Mogelijk beschouwt het hof als een feit van algemene bekendheid dat dure auto’s als een Audi RS4 veelvuldig het voorwerp zijn van diefstal en heling. Deze door het hof redengevend geachte feiten en omstandigheden zijn echter onvoldoende om van een gebrek aan de vereiste voorzichtigheid te spreken ten tijde van het voorhanden krijgen van de auto.

6.9.

Het oordeel van het hof, inhoudende dat de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de auto van misdrijf afkomstig was, is niet zonder meer begrijpelijk en aldus ontoereikend gemotiveerd, zodat het middel gegrond is.

6.10.

Het middel slaagt.

7. Het middel uit de aanvankelijke schriftuur faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het eerste middel van de nadere schriftuur slaagt ten dele. Het tweede middel slaagt.

8. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, teneinde in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De raadsman heeft in zijn schriftelijke volmacht tot het instellen van cassatieberoep van 14 april 2015 te kennen gegeven het cassatieberoep te willen beperken tot het onder 1, 2 subsidiair. en 4 tenlastegelegde waarvoor het hof de verdachte heeft veroordeeld.

2 C.P.M. Cleiren, J.H. Crijns en M.J.M. Verpalen, T&C, Deventer: Kluwer 2014, aant. 8 bij art. 417 bis Sr.

3 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge (ECLI:NL:PHR:2013:BZ6515) vóór HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6515.

4 HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:647.