Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1075

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-10-2016
Datum publicatie
19-05-2017
Zaaknummer
15/04201
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:936
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Effectenlease-overeenkomst. Geldt voor het Dexia Aanbod het toestemmingsvereiste van art. 1:88 BW? Belang bij antwoord op die vraag? Verjaring van de vordering tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomst; beroep op stuiting van de verjaring door een collectieve actie, indien men niet is aangesloten bij de rechtspersoon die de collectieve actie is begonnen; HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018, NJ 2016/490 ([A]/Dexia). Op welk moment eindigt de stuitende werking van de collectieve actie en vangt de in art. 3:316 lid 2 BW bedoelde termijn van zes maanden aan? Uitleg van de ‘Duisenberg-regeling’. Ontvankelijkheid van cassatieberoep tegen de echtgenote en van het incidentele beroep van laatstgenoemde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Zaaknr: 15/04201

mr. M.H. Wissink

Zitting: 28 oktober 2016

Conclusie in de zaak van:

[eiser]

(hierna: [eiser])

Tegen

1. de vennootschap naar Iers recht Värde Investments (Ireland) Ltd.

(hierna: Värde)

2. [verweerster 2]

(hierna: [verweerster 2])

1 Feiten en procesverloop

1.1

Deze effectenleasezaak gaat in cassatie over (i) de geldigheid van de Overeenkomst Dexia Aanbod en (ii) de stuiting van de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten op de voet van art. 1:89 BW na een collectieve actie in de zin van art. 3:305a BW. De volgende feiten zijn vastgesteld.1

1.2

[eiser] heeft omstreeks 13 mei 1998, 12 oktober 1999, 23 juni 2000, 25 oktober 2000 en 15 november 2000 effectenleaseovereenkomsten gesloten onder de nummers: 59007390 (Feestplan II), 59107094 (Korting Kado), 74491281 (WinstVerDriedubbelaar), 57102642 (Feestplan) en 76087078 (WinstVer10Dubbelaar) met respectievelijk Legio Lease B.V. en Bank Labouchere N.V. Laatstgenoemde overeenkomst heeft een looptijd van 10 jaar. De overige overeenkomsten hebben een looptijd van drie jaar. [verweerster 2], de echtgenote van [eiser], heeft deze overeenkomst niet mede ondertekend.

1.3

De effectenleaseovereenkomsten zijn geëindigd. De opbrengst van de verkoop van de aandelen was ontoereikend om de leningen af te lossen, zodat sprake is van een restschuld.

1.4

Dexia heeft als rechtsopvolgster onder algemene titel van Bank Labouchere (op haar beurt de rechtsopvolgster onder algemene titel van Legio Lease) op 22 maart 2003 met [eiser] een overeenkomst gesloten waarin het Dexia Aanbod wordt overeengekomen. [verweerster 2] heeft die overeenkomst niet mede ondertekend.

1.5

De vordering die Dexia heeft op [eiser], heeft zij bij akte gecedeerd aan Värde. Van die cessie is aan [eiser] mededeling gedaan bij brieven van 10 januari 2008.

1.6

Värde vordert van [eiser] een bedrag van € 4.220,55 vermeerderd met rente en kosten. Zij legt aan haar vordering ten grondslag dat de effectenleaseovereenkomsten zijn geëindigd met een restschuld, waarvoor partijen een minnelijke regeling hebben getroffen in de vorm van het Dexia Aanbod. De verplichtingen die uit dat Dexia Aanbod voortvloeien zijn door [eiser] niet voldaan. Subsidiair stelt Värde dat [eiser] is gebonden aan de algemeen verbindend verklaarde WCAM-schikking (ook wel aangeduid als de Duisenberg-regeling).

1.7

[eiser] voert gemotiveerd verweer. Hij stelt dat [verweerster 2] de vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten heeft ingeroepen bij brieven van 29 december 2002, 28 augustus 2004 en van medio 2006. [eiser] erkent het Dexia Aanbod te hebben aanvaard, maar stelt dat deze overeenkomst vernietigbaar is wegens dwaling, bedrog en misbruik van omstandigheden. Hij stelt bovendien dat aan het Dexia Aanbod geen betekenis toekomt, omdat de effectenleaseovereenkomsten tussentijds zijn geëindigd. Aan de Duisenberg-regeling acht [eiser] zich niet gebonden, omdat hij a) het Dexia Aanbod heeft aanvaard en b) tijdig een opt-out verklaring heeft uitgebracht.

1.8

[verweerster 2] heeft zich gevoegd aan de zijde van [eiser] en heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van Värde, omdat, zo voert zij aan, de vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten reeds op grond van art. 1:88 jo. 1:89 BW is ingeroepen. Voorts heeft [verweerster 2] als tussenkomende partij gevorderd om Värde te veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen in het kader van de onderhavige overeenkomsten door [eiser] aan Värde dient te worden betaald, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot aan de dag van algehele terugbetaling.

1.9

De kantonrechter in de rechtbank Assen (locatie Emmen) heeft bij vonnis van 1 september 2010 de vorderingen van Värde afgewezen, omdat [verweerster 2] de onderliggende effectenleaseovereenkomsten heeft vernietigd. Als gevolg van die vernietiging is het Dexia Aanbod zonder betekenis geworden. [eiser] kon met het aanvaarden van dat Dexia Aanbod in ieder geval geen afstand doen van de rechten die art. 1:89 BW aan zijn echtgenote toekent. Voor zover de vordering van Värde is gebaseerd op de Duisenberg-regeling slaagt deze evenmin, nu [eiser] als gevolg van het accepteren van het Dexia Aanbod geen gerechtigde was in de zin van de Duisenberg-regeling. Daarbij is niet van belang dat het Dexia Aanbod niet meer bestaat, maar wel of zij op enig moment heeft bestaan. De voorwaardelijke vordering van [verweerster 2] is bij gebrek aan belang afgewezen.

1.10

Värde heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de kantonrechter. [eiser] heeft voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld. De voorwaardelijke vordering van [verweerster 2] ligt in hoger beroep niet ter beoordeling voor.2

1.11

Ten aanzien van de vraag of de vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten door [verweerster 2] bij brief van juli 2016 binnen de verjaringstermijn heeft plaatsgevonden,3 overweegt het hof:

“6.4 [eiser] voert aan dat [verweerster 2] vanaf 29 december 2002 de door de Stichting Eegalease tegen Dexia gevoerde procedure volgde. Toen in die zaak op 25 augustus 2004 uitspraak werd gedaan, heeft [verweerster 2], gesterkt in haar mening, nogmaals een vernietigingsbrief aan Dexia gestuurd. [eiser] stelt zich op het standpunt dat de door de Stichting Eegalease gevoerde rechtszaak voor alle eega's van afnemers van effectenleaseovereenkomsten alle mogelijke vorderingen in verband met die overeenkomsten op de voet van artikel 3:316 BW de eventuele verjaring heeft gestuit en geschorst tot de dag nà de dag waarop de laatste uitspraak in die zaak onherroepelijk is geworden. Op die dag begint een nieuwe verjaringstermijn van drie jaar, zodat de verjaring op zijn vroegst kan zijn voltooid na 25 augustus 2007, zo stelt [eiser].

6.5

Het hof verwerpt dit standpunt van [eiser]. Gesteld noch gebleken is dat [verweerster 2] één van de echtgenoten of geregistreerde partners was die zich bij de Stichting Eegalease had aangesloten. De door deze stichting gevoerde procedure heeft dan ook geen stuitende werking gehad ten aanzien van de verjaring van de mogelijkheid die [verweerster 2] had om de vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten in te roepen. Nu [verweerster 2] volgens [eiser] op 29 december 2002 met het bestaan van de effectenleaseovereenkomsten bekend was, stond de mogelijkheid om de vernietiging van die overeenkomsten in te roepen in juli 2006 niet meer voor haar open. Immers op grond van artikel 3:52 lid 1 aanhef en onder d BW verjaart de rechtsvordering tot vernietiging op grond van artikel 1:89 jo. artikel 1:88 BW drie jaar nadat die mogelijkheid aan [verweerster 2] ten dienste kwam te staan, derhalve drie jaar na 29 december 2002. De brief van [verweerster 2] die in juli 2006 door Dexia werd ontvangen kon dan ook niet meer tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten leiden.”

Bij eindarrest van 9 september 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:6953, overweegt het hof, daartoe aangezocht door [eiser], in rov. 2.4 dat er geen aanleiding bestaat terug te komen op het oordeel in het tussenarrest dat de door Stichting Eegalease ingestelde rechtsvordering de verjaringstermijn van de vernietigingsactie niet heeft gestuit.

1.12

In zijn eindarrest oordeelt het hof dat de Overeenkomst Dexia Aanbod een vaststellingsovereenkomst is (rov. 2.8) en verwerpt het diverse stellingen van [eiser] met betrekking tot de geldigheid van deze overeenkomst, waaronder:4

“2.10 Grief 1 in het incidenteel appel houdt in dat het Dexia Aanbod nietig is wegens strijd met de openbare orde. [eiser] betoogt dat daarvan sprake is omdat art. 1:88 BW zich er tegen verzet dat de handelende echtgenoot door het sluiten van een vaststellingsovereenkomst ter zake van een overeenkomst waarop art. 1:88 BW betrekking heeft, een beroep van de andere echtgenoot op vernietiging van die overeenkomst op grond, van art. 1:89 BW onmogelijk maakt.

2.11

Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Voor het aangaan van een als koop op afbetaling te kwalificeren effectenleaseovereenkomst behoeft een echtgenoot de toestemming van de andere echtgenoot (art. 1:88 lid 1 sub d BW). Gaat de echtgenoot een dergelijke rechtshandeling zonder toestemming aan, dan is die rechtshandeling vernietigbaar; slechts de andere echtgenoot kan een beroep op die vernietigingsgrond doen (art. 1:89 lid 1 BW).

Voor het aangaan van een vaststellingsovereenkomst geldt echter niet het vereiste dat dit met toestemming van de echtgenote geschiedt. Wanneer de handelende echtgenoot een vaststellingsovereenkomst sluit, bindt hij daarmee alleen zichzelf en niet de andere echtgenoot die de vaststellingsovereenkomst niet medeondertekent. Daardoor wordt de mogelijkheid van laatstgenoemde om een beroep op vernietiging van de effectenleaseovereenkomst te doen dan ook niet onmogelijk gemaakt. Van strijd met de openbare orde is dus geen sprake.”

1.13

In zijn eindarrest heeft het hof, kort gezegd, het vonnis in eerste aanleg vernietigd voor zover daarbij de vorderingen van Värde waren afgewezen en Värde was veroordeeld in de proceskosten van [eiser]. Opnieuw rechtdoende heeft het hof [eiser] veroordeeld om aan Värde te betalen een bedrag van € 4.220,55 met wettelijke rente vanaf 15 maart 2008 tot aan de dag de algehele voldoening, en [eiser] veroordeeld in de kosten van het geding in eerste aanleg en in de kosten van de procedure in principaal appel.5

1.14

Bij cassatiedagvaardingen van 5 en 8 december 2014 heeft [eiser] tegen Värde respectievelijk [verweerster 2] tijdig cassatieberoep ingesteld. Bij herstelexploot van 23 januari 2015 is een gebrek aan de cassatiedagvaarding van 8 december 2014 hersteld. [verweerster 2] heeft in het beroep van [eiser] tot referte geconcludeerd en een incidenteel cassatiemiddel doen instellen, dat gelijk is aan het principale cassatiemiddel van [eiser]. Värde heeft geconcludeerd tot verwerping.

2 Ontvankelijkheid

2.1

Hoewel het partijdebat dit punt niet aanroert, maak ik enkele opmerkingen over de ontvankelijkheid van beide cassatieberoepen. Het principale cassatieberoep van [eiser] is gericht tegen Värde en tegen [verweerster 2]. Door de voeging is [verweerster 2] in deze procedure partij geworden aan de zijde van [eiser]. [eiser] is in het tegen [verweerster 2] gerichte beroep niet-ontvankelijk. De arresten van het hof zijn immers niet tussen hen gewezen, nu zij beiden als mede-geïntimeerden in de procedure voor het hof waren betrokken.6

2.2

Het incidentele beroep van [verweerster 2] is gericht tegen Värde. Als procespartij komt de gevoegde partij het recht toe om een rechtsmiddel aan te wenden tegen in de procedure gewezen uitspraken, dat wil zeggen tegen de wederpartij van de partij aan wier zijde zij zich heeft gevoegd. [verweerster 2] behoudt haar belang bij dit beroep nu het door [eiser] ingestelde cassatieberoep het door [verweerster 2] beoogde gevolg – afwijzing van de tegen [eiser] ingestelde vordering – zal kunnen hebben.7 Het principale beroep van [eiser] is tijdig en met een geldige dagvaarding aanhangig gemaakt. De ontvankelijkheid van [verweerster 2] in haar incidentele beroep is, m.i. ook in dit geval, niet afhankelijk van de ontvankelijkheid van [eiser] in diens principale beroep tegen [verweerster 2].8

3 Bespreking van het principale en het incidentele cassatiemiddel

3.1

De middelen, waartussen ik verder geen onderscheid zal maken, richten klachten tegen de oordelen over de collectieve stuiting (onderdelen 2 t/m 4) en de nietigheid van de vaststellingsovereenkomst (onderdeel 1).

3.2

Ik stel voorop dat in deze zaak als vaststaand moet worden aangenomen, nu geen grief is gericht tegen de desbetreffende oordelen van de kantonrechter:

(i) dat indien komt vast te staan dat [verweerster 2] tijdig de vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten heeft ingeroepen, het Dexia Aanbod zonder betekenis is geworden en de daarop gebaseerde vordering van Värde dient te worden afgewezen; en

(ii) dat [eiser] niet als gerechtigde in de zin van de WCAM-regeling is aan te merken, zodat de vordering van Värde voor zover die is gegrond op de zogenoemde Duisenbergregeling niet voor toewijzing in aanmerking komt.9

Overeenkomst Dexia Aanbod

3.3

Onderdeel 1 ziet op rov. 2.11 van het eindarrest. Het voert aan dat zich niet in het algemeen laat zeggen of een vaststellingsovereenkomst waarbij nadere regelingen worden getroffen omtrent de gevolgen van een effectenleaseovereenkomst ook weer de toestemming van de eega behoeft. Denkbaar is dat de vaststellingsovereenkomst zelf als een vorm van koop op afbetaling moet worden aangemerkt of dat voor de vaststellingsovereenkomst toestemming vereist is omdat zij voortbouwt op de initiële overeenkomst. De argumenten die het hof noemt, zijn dus niet decisief. Als het hof zulks niet zou hebben miskend, is het bestreden arrest op dit punt in ieder geval ontoereikend gemotiveerd.

3.4

Het onderdeel stelt de vraag aan de orde of de eega op grond van art. 1:88 BW de onderhavige vaststellingsovereenkomst, de Overeenkomst Dexia Aanbod, kan vernietigen. Het onderdeel haakt aan bij HR 9 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:41, NJ 2015/45 (Damon/Dexia), waarin het ging om de vraag of voor een verlenging van een effectenleaseovereenkomst ook de toestemming van de echtgenoot vereist is. Uw Raad oordeelde:

“(…) De hier aan de orde zijnde overeenkomsten houden in dat de looptijd van de eerder aangegane leaseovereenkomsten wordt verlengd, met handhaving van de voorwaarden daarvan. De ratio van art. 1:88 lid 1 BW is om echtgenoten, in hun belang en dat van het gezin, tegen elkaar te beschermen, onder meer wat betreft het verrichten van rechtshandelingen die kunnen ingrijpen in hun financiële positie, zoals die tot het aangaan van de in het artikellid onder d genoemde koop op afbetaling (waaronder ook valt die tot het aangaan van een huurkoop). Deze ratio brengt mee dat ook voor verlengingsovereenkomsten zoals hier aan de orde, de toestemming van de andere echtgenoot is vereist. Aan die overeenkomsten is immers hetzelfde bezwaar verbonden als aan de oorspronkelijke aangegane overeenkomsten, namelijk dat deze leiden tot de verplichting om maandelijks (nieuwe) termijnbetalingen te verrichten voor de duur van de (nieuwe) looptijd.”

3.5

Het hof heeft in rov. 2.11 van zijn eindarrest de vraag beantwoord of de onderhavige vaststellingsovereenkomst nietig is wegens strijd met de openbare orde (art. 7:902 BW), omdat zij de eega de mogelijkheid uit handen slaat om de onderliggende effectenleaseovereenkomsten te vernietigen (zie rov. 2.10 eindarrest). Het antwoord van het hof op die vraag is: neen, want die mogelijkheid wordt de eega niet uit handen geslagen. Dat laatste ligt in deze zaak trouwens al besloten in het bij 2.2 onder (i) bedoelde oordeel van de kantonrechter. De vraag of het toestemmingsvereiste van art. 1:88 BW ook ziet op een vaststellingsovereenkomst behoefde daartoe geen beantwoording. Naar mijn mening wijst Värde (s.t. nr. 18) er terecht op dat belang bij deze klacht ontbreekt. Onderdeel 1 kan daarmee niet tot cassatie leiden.

Collectieve stuiting

3.6

De onderdelen 2 t/m 4, die zien op rov. 2.4 van het eindarrest en (kennelijk) rov. 6.5 van het tussenarrest, betogen kort gezegd dat het aldaar gegeven oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, nu voor de stuiting van de verjaringstermijn niet vereist is dat [verweerster 2] een van de echtgenoten of geregistreerde partners was die zich bij de Stichting Eegalease hadden aangesloten.

3.7

Nadat Uw Raad in 2014 had geoordeeld dat een rechtspersoon in de zin van art. 3:305a BW de verjaring kan stuiten van vorderingen van personen voor wiens belangen hij opkomt, waaronder de vordering tot vergoeding van schade,10 en nadat het hof eindarrest in de onderhavige zaak had gewezen, oordeelde HR 9 oktober 2015 ([A]/Dexia) in verband met de eegaleaseproblematiek:11

“3.4.1 Uit de hiervoor in 3.3.4 weergegeven strekking van art. 3:305a BW, alsmede uit de hiervoor in 3.3.5 aangehaalde parlementaire geschiedenis, vloeit voort dat het instellen van een collectieve actie op de voet van art. 3:316 lid 1 BW de verjaring kan stuiten van vorderingen van belanghebbenden voor wie de rechtspersoon opkomt. Tevens volgt daaruit dat ook aan een vordering tot verklaring voor recht stuitende werking kan toekomen, voor zover het gaat om de verjaring van individuele vorderingen die bij die verklaring voor recht aansluiten.

3.4.2

Anders dan Dexia betoogt, bestaat er geen grond de stuitende werking van een collectieve actie te beperken tot vorderingen tot schadevergoeding, met uitsluiting van andere vorderingen, zoals de in dit geding aan de orde zijnde vordering tot vernietiging van een effectenleaseovereenkomst. Blijkens de op art. 3:305a BW gegeven toelichting kunnen op grond van die bepaling alle vorderingen, behoudens die tot schadevergoeding, als collectieve actie worden ingesteld, waaronder uitdrukkelijk ook die tot vernietiging van overeenkomsten die door de individuele belanghebbenden zijn aangegaan, en kan terzake, zoals in dit geval is gebeurd, een verklaring voor recht worden gevorderd (Kamerstukken II 1991-1992, 22 486, nr. 3, p. 24-26). De belangen van individuele gerechtigden bij vernietiging van overeenkomsten als hier aan de orde lenen zich dan ook in beginsel voor bundeling in een daarbij aansluitende vordering op de voet van art. 3:305a BW. Indien een dergelijke vordering wordt ingesteld, past bij de met de collectieve actie beoogde effectieve en efficiënte rechtsbescherming dat een gerechtigde in afwachting van de uitkomst van die collectieve actie vooralsnog kan afzien van stuitingshandelingen of buitengerechtelijke vernietiging van de overeenkomst.

Ook uit de slotzin van de hiervoor in 3.3.5 aangehaalde passage uit de parlementaire geschiedenis volgt niet dat de wetgever de stuitende werking van een collectieve actie heeft willen beperken tot schadevergoedingsvorderingen. Deze zijn in de desbetreffende passage slechts als voorbeeld genoemd.

3.4.3

In een geval als dit, waarin de collectieve actie heeft geleid tot een WCAM-overeenkomst, heeft het uitbrengen van een ‘opt-out’-verklaring als bedoeld in art. 7:908 lid 2 BW niet tot gevolg dat de belanghebbende zich niet meer op de stuitende werking van die actie kan beroepen. De collectieve actie was immers mede ten behoeve van deze belanghebbende ingesteld en deze kan pas na het tot stand komen van een schikking beoordelen of hij daaraan gebonden wenst te zijn. Daarmee strookt niet om aan degenen die zich uiteindelijk niet aan de collectieve schikking willen binden achteraf de stuitende werking van de collectieve actie te ontzeggen.

3.4.4

Gelet op het voorgaande moet vraag 1 aldus worden beantwoord dat de stuitende werking op de voet van art. 3:316 lid 1 BW van een collectieve vordering in de zin van art. 3:305a BW zich uitstrekt tot de verjaring van op die collectieve actie aansluitende individuele vorderingen tot vernietiging van rechtshandelingen krachtens art. 1:89 BW, hetgeen ingevolge het bepaalde in art. 3:52 lid 2 BW ertoe leidt dat ook de verjaring van de bevoegdheid tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring wordt gestuit.”

3.8

Tot aan Uw arrest van 9 oktober 2015 werd over de kwestie verschillend geoordeeld.12 Het hof is in zijn in cassatie bestreden overwegingen, naar uit Uw arrest is gebleken, op dit punt uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. De onderdelen 2 t/m 4 zijn daarom terecht voorgesteld. Daarmee is het debat op dit punt nog niet afgerond, omdat de Värde (s.t. nr. 22) opwerpt dat ook in het licht van deze uitspraak de vernietigingsbrief van juli 2006 te laat was.

3.9

Uit het arrest van 9 oktober 2015 blijkt dat er krachtens art. 3:316 lid 2 BW een termijn van zes maanden is waarbinnen nog een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring kan worden uitgebracht:

“3.5.1 Bij de beantwoording van vraag 2 dient tot uitgangspunt dat de collectieve actie heeft geleid tot een collectieve schikking, waarvan onderdeel uitmaakt dat het hoger beroep is ingetrokken. Aldus is de procedure voor de toepassing van art. 3:316 lid 2 BW geëindigd op andere wijze dan door toewijzing van de vorderingen.

3.5.2

Art. 3:316 lid 2 BW bepaalt dat de verjaring in dat geval slechts is gestuit indien binnen zes maanden nadat het geding is geëindigd een nieuwe eis wordt ingesteld en deze alsnog tot toewijzing leidt. Deze bepaling moet aldus worden begrepen dat het niet (tijdig) instellen van een nieuwe eis tot gevolg heeft dat de stuitende werking van de eerder ingestelde eis komt te vervallen (HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7846, NJ 2014/495).

3.5.3

Het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging is niet aan te merken als het instellen van een nieuwe eis als bedoeld in art. 3:316 lid 2 BW. Niettemin ziet de Hoge Raad aanleiding het uitbrengen van zodanige verklaring in geval van stuiting door een collectieve actie voor de toepassing van art. 3:316 lid 2 BW op één lijn te stellen met het instellen van een nieuwe eis. Daartoe wordt het volgende overwogen.

3.5.4

Uit de op art. 3:305a BW gegeven toelichting blijkt niet dat is gedacht aan het bijzondere geval van de in art. 3:52 lid 2 BW geregelde verjaring van de bevoegdheid om een overeenkomst buitengerechtelijk te vernietigen.

Zoals hiervoor in 3.4.2-3.4.4 is overwogen, is het uit een oogpunt van effectieve en efficiënte rechtsbescherming wenselijk dat een gerechtigde na stuiting van de verjaring door de collectieve actie vooralsnog kan afzien van stuitingshandelingen en van buitengerechtelijke vernietiging van de overeenkomst. Nu de wet een partij die een rechtshandeling kan vernietigen de mogelijkheid biedt om, in plaats van het instellen van een rechtsvordering tot vernietiging, een daartoe strekkende buitengerechtelijke verklaring uit te brengen, zou afbreuk worden gedaan aan het doel van effectieve en efficiënte rechtsbescherming indien de stuitende werking van een collectieve actie in dat geval slechts zou kunnen worden behouden door het in rechte instellen van een tot vernietiging strekkende vordering.

3.5.5

Gelet op het voorgaande moet vraag 2 aldus worden beantwoord dat een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring als bedoeld in vraag 1, die wordt uitgebracht voor het tijdstip waarop de in art. 3:316 lid 2 BW bedoelde termijn van zes maanden is verstreken, tijdig is uitgebracht.”

3.10

Volgens Värde (s.t. nr. 22) ontbreekt belang bij de onderdelen 2 t/m 4 omdat de collectieve actie van Stichting Eegalease is geëindigd door de schikking medio 2005, en de vernietigingsverklaring van juli 2006 meer dan zes maanden nadien is ontvangen. [eiser] (repliek nr. 5) betitelt dat betoog als voorbarig, omdat volgens verscheidene kantonrechters de termijn van zes maanden afloopt een half jaar na de verbindend verklaring van de WCAM-overeenkomst.

3.11.1

In de rechtspraak is gewezen op verschillende momenten die zouden kunnen dienen als aanvangsmoment van de zesmaandentermijn als bedoeld in HR 9 oktober 2015, te weten:

- 23 juni 2005: totstandkoming van de schikking in het kader van de Duisenbergregeling;

- 25 augustus 2005: einde van de eegaleaseprocedure door intrekking daarvan;

- 18 november 2005: indiening van het WCAM-verzoek bij het gerechtshof Amsterdam;

- 8 mei 2006: totstandkoming van de gewijzigde schikking;

- 25 januari 2007: uitspraak tot algemeen verbindend verklaring van de (gewijzigde) schikking door het hof Amsterdam, met een ‘op-out’-termijn van zes maanden.

3.11.2

Gesteld voor de vraag of het aanvangsmoment van de zesmaandentermijn 23 juni 2005 of 25 augustus 2005 was, oordeelde Rb. Overijssel (kantonrechter Enschede) 3 mei 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:1804, met gedaagde dat de termijn van zes maanden pas is begonnen na royement van de procedure, want een geding eindigt niet enkel door een schikking.13

3.11.3

Door verschillende rechters is geoordeeld dat deze zesmaandentermijn loopt vanaf 25 januari 2007 (uiteraard onder het voorbehoud dat de verjaringstermijn niet reeds op 13 maart 2003, het moment van dagvaarding door (onder meer) Stichting Eegalease, was geëindigd). Zie bijvoorbeeld Rb. Midden-Nederland (kantonrechter Utrecht) 27 januari 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:820:14

“4.7. Dat doet de vraag rijzen op welk moment de hiervoor bedoelde collectieve actie is geëindigd en dus op welk moment de termijn van zes maanden als bedoeld in artikel 3:316 lid 2 BW is aangevangen. De uitkomst van de collectieve actie is het gevolg geweest van een proces van onderhandelen en procederen, waarbij mede de in de WCAM voorgeschreven procedure is gevolgd. Relevante data zijn 23 juni 2005 (tot stand komen WCAM-overeenkomst in hoofdlijnen onder leiding van wijlen dr. W.F. Duisenberg), 18 november 2005 (indienen verzoek tot verbindend verklaren WCAM-overeenkomst bij het Hof Amsterdam), 8 mei 2006 (wijziging WCAM-overeenkomst) en 25 januari 2007 (verbindendverklaring door het Hof Amsterdam, ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033).

4.8.

Opgemerkt wordt dat door het indienen van het bovenbedoelde verzoek tot verbindendverklaring (hierna: het verzoek) de verjaring van de onderhavige vordering tot vernietiging en ongedaanmaking niet werd gestuit op de voet van artikel 7:907 lid 5 BW, omdat die stuiting slechts ziet op de verjaring van vorderingen tot schadevergoeding. Wel kan het indienen van dit verzoek niet los worden gezien van de daaraan voorafgaand ingestelde collectieve vordering in de zin van artikel 3:305a BW, en was dit verzoek gericht op het bereiken van een definitief resultaat van de onderhandelingen tussen de partijen bij die collectieve actie.

4.9.

Voor zover in de periode dat het verzoek in behandeling was reeds individuele procedures aanhangig waren of aanhangig werden gemaakt, werden deze (na een daartoe strekkende akte van Dexia) geschorst krachtens artikel 1015 lid 1 Rv. Deze wetsbepaling vloeit voort uit het uitgangspunt dat, indien eenmaal een overeenkomst als bedoeld in de WCAM is gesloten, de afwikkeling zoveel mogelijk op basis daarvan dient plaats te vinden, behoudens de gevallen waarin na verbindendverklaring van de WCAM-overeenkomst een opt-out verklaring wordt ingediend. Het instellen dan wel behandelen van een individuele vordering in de periode dat het verzoek in behandeling was strookte derhalve niet met de bedoeling van de wetgever.

4.10.

Voorts is van belang dat de rechter, alvorens op het verzoek te beslissen, met instemming van partijen die de overeenkomst hebben gesloten de overeenkomst kan aanvullen of wijzigen, dan wel die partijen in de gelegenheid kan stellen dat te doen (artikel 7:907 lid 4 BW). Dat betekent dat pas door de beschikking van het Hof Amsterdam van 25 januari 2007 definitief is komen vast te staan wat de uitkomst is geweest van de hiervoor bedoelde collectieve actie, en dat een belanghebbende pas op dat moment wist waar hij aan toe was.

4.11.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat, indien een eerdere datum dan die van laatstbedoelde beschikking in aanmerking wordt genomen als aanvangsmoment van de termijn van zes maanden als bedoeld in artikel 3:316 lid 2 BW, de door de Hoge Raad in r.o. 3.4.2 bedoelde effectieve en efficiënte rechtsbescherming van de belanghebbende geweld [wordt] aangedaan.

4.12.

Uit het voorgaande volgt dat tot uitgangspunt moet worden genomen dat de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van de overeenkomst is gestuit indien uiterlijk zes maanden na 25 januari 2007, dat wil zeggen uiterlijk op 25 juli 2007, een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring is afgegeven.

4.13.

Geconcludeerd wordt dat, tenzij de bevoegdheid daartoe reeds op 13 maart 2003 (het moment van dagvaarding door Stichting Eegalease) was verjaard, een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring die is uitgebracht voor 25 juli 2007 tot rechtsgevolg heeft gehad dat de overeenkomst waarop zij betrekking heeft is vernietigd.”

3.12

De opmerking dat het beroep van Värde op het ontbreken van belang bij de onderdelen 2 t/m 4 voorbarig is, lijkt mij juist. Wellicht is de onderhavige procedure niet de meest geschikte voor een verduidelijking door Uw Raad, zo daaraan behoefte zou bestaan, van het aanvangsmoment van de bedoelde zesmaandentermijn nu over deze kwestie in cassatie geen inhoudelijk debat is gevoerd. In ieder geval zal in het onderhavige geval na cassatie en verwijzing moeten worden beoordeeld in hoeverre het beroep op verjaring van Värde slaagt en, voor zover dat niet het geval mocht zijn, wat de rechtsgevolgen zijn van de vernietigingsbrief van juli 2016 ter zake van de afzonderlijke effectenleaseovereenkomsten, zulks in het licht van hetgeen in deze zaak als vaststaand moet worden aangenomen.

4 Conclusie

De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheid van het principale cassatieberoep voor zover het is ingesteld tegen [verweerster 2] en voorts in het principale en in het incidentele cassatieberoep tot vernietiging en verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 De onder 1.2-1.5 genoemde feiten zijn door het hof Arnhem-Leeuwarden (locatie Leeuwarden) vastgesteld bij tussenarrest van 11 februari 2014, rov. 4.2-4.6.

2 Tussenarrest van 11 februari 2014, rov. 3.1.

3 In appel is niet komen vast te staan de stelling van [eiser], dat [verweerster 2] deze overeenkomst bij brieven van 29 december 2002 en van 29 augustus 2004 heeft vernietigd. Zie rov. 6.6-6.8 van het tussenarrest en rov. 2.2 van het eindarrest.

4 In rov. 2.14 grijpt het hof hierop terug in verband met de stelling van [eiser] dat de Overeenkomst Dexia Aanbod niet tot stand is gekomen omdat de handtekening van [verweerster 2] ontbrak c.q. is vernietigd door de vernietigingsbrieven van [verweerster 2].

5 In het incidenteel appel volgde geen kostenveroordeling omdat dat betrekking had op punten die het hof ook zonder incidenteel appel moest behandelen (rov. 2.32 van het eindarrest).

6 HR 7 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9740, NJ 1989/552; HR 9 augustus 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2115, NJ 2002/473; Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/51; G. Snijders, GS Burgerlijke rechtsvordering, paragraaf 3 Rv, aant. 5.

7 Zie ook hiervoor HR 7 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9740, NJ 1989/552 en G. Snijders, GS Burgerlijke rechtsvordering, paragraaf 3 Rv, aant. 5.

8 HR 18 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1274, NJ 1994/606 m.nt. H.E. Ras; Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/223.

9 Zie rov. 6.2 van het tussenarrest. Vgl. over deze problematiek ook mijn conclusie d.d. 12 augustus 2016 in de thans onder nr. 15/00293 aanhangige zaak.

10 HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:766, NJ 2015/306 m.nt. H.J. Snijders (VEB NCVB/Deloitte), rov. 3.8.

11 HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018, JOR 2015/337 m.nt. T.M.C. Arons ([A]/Dexia). Zie voor het eindarrest in deze zaak Hof Amsterdam 14 juni 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2291. Vgl. voorts naar aanleiding van de werking van het arrest van 9 oktober 2015, zonder in te gaan op het punt van het einde van de zesmaandentermijn, Hof Arnhem-Leeuwarden (locatie Arnhem) 19 april 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:3085; Rb. Overijssel (kantonrechter Almelo) 2 augustus 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:3031; Rb. Zeeland-West-Brabant (kantonrechter Bergen op Zoom) 24 augustus 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:6242; Rb. Zeeland-West-Brabant (kantonrechter Middelburg) 31 augustus 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:5388; Rb. Zeeland-West-Brabant (kantonrechter Middelburg) 7 september 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:5983; Rb. Overijssel (kantonrechter Enschede) 13 september 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:3502.

12 Zie de conclusie van de plv. P-G sub 25-28 voor het arrest.

13 Hof Arnhem-Leeuwarden (locatie Leeuwarden) 12 juli 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:5730, kon naar aanleiding van die vraag zonder te kiezen oordelen dat een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring van 11 november 2005 tijdig was uitgebracht.

14 Zie voorts in deze zin Rb. Midden-Nederland (kantonrechter Utrecht) 27 januari 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:1006; Rb. Oost-Brabant (kantonrechter Eindhoven) 11 februari 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:584; Rb. Amsterdam (kantonrechter) 18 februari 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:1043; Rb. Gelderland (kantonrechter Arnhem) 2 maart 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:1223; Rb. Den Haag (kantonrechter Leiden) 16 maart 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:3175; Rb. Den Haag (kantonrechter Gouda) 28 april 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:7057; Rb. Limburg (kantonrechter Maastricht) 4 mei 2016, ECLI:NL:RBLIM:2016:4053; Rb. Overijssel (kantonrechter Enschede) 24 mei 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:1850; Rb. Den Haag (kantonrechter Den Haag) 20 juli 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:11780; Rb. Rotterdam (kantonrechter) 2 september 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:7011.