Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1071

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-10-2016
Datum publicatie
03-02-2017
Zaaknummer
16/02625
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:160
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verzet tegen griffierecht (art. 29 Wgbz). Niet-ontvankelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Zaaknr: 16/02625

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 28 oktober 2016

Conclusie inzake:

[betrokkene 1]

tegen

de Griffier van de Hoge Raad der Nederlanden

Het gaat in deze verzetprocedure op de voet van art. 29 lid 1 Wet griffierecht in burgerlijke zaken om een verzoek tot nihilstelling dan wel vermindering van het griffierecht op de grondslag dat de verzoeker tot cassatie niet over enig inkomen of vermogen beschikt. Hierbij wordt een beroep gedaan op (de precedentwerking) van de uitspraak van de Hoge Raad van 8 april 20161.

1. Procesverloop 2

1.1 Verzoeker tot cassatie, hierna: [betrokkene 1]3, is bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 10 december 2015 niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap op de voet van art. 17 RWN.

1.2 In het daartegen ingestelde cassatieberoep, hierna: de hoofdzaak4, is [betrokkene 1] bij beschikking van de Hoge Raad van 8 juli 2016 niet-ontvankelijk verklaard op de voet van art. 80a lid 1 RO.

1.3 Op 12 maart 2016 is door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak een bedrag van € 325,-- aan griffierecht geïncasseerd van de rekening-courant van de cassatieadvocaat van [betrokkene 1], mr. Schuckink Kool. Bij e-mail van 6 april 2016 is een overzicht gezonden door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak aan mr. Schuckink Kool met alle afschrijvingen in maart 2016, waaronder de afschrijving van het griffierecht van € 325,-- voor de procedure met het zaaknummer 16/013445.

1.4 Mr. Schuckink Kool heeft bij brief van 17 maart 20166 het dossier in de hoofdzaak gefourneerd en daarin tevens het volgende verzoek gedaan:

“Geachte heer/mevrouw,

Hierbij fourneer ik het dossier, alsmede overleg ik u de reeds eerder per email toegezonden toevoeging.

Voorts verzoek ik hierbij tot nihilstelling c.q. vermindering van het griffiegeld, nu verzoeker ten gevolge van het verlies van de Nederlandse nationaliteit en als uitvloeisel van de Koppelingswet niet meer over enig inkomen en vermogen beschikt en ook niet in staat is zich inkomen te verschaffen. De verplichting tot betaling van griffierechten vormt in die zin een overkomelijke hindernis bij zijn beroep op rechtsbescherming in de onderhavige zaak.

Het procesdossier

1. Verzoekschrift met bijlagen

2. Verweerschrift

3. Beschikking rechtbank

Met vriendelijke groet,

M.A.R. Schuckink Kool”

1.5 Op 18 april 2016 heeft mr. Schuckink Kool telefonisch contact opgenomen met de griffie van de Hoge Raad en geïnformeerd naar de status van zijn verzoek tot nihilstelling dan wel vermindering van het griffierecht7.

1.6 Naar aanleiding van het telefoongesprek van 18 april 2016 heeft de griffie van de Hoge Raad de brief van 17 maart 2016 opnieuw bekeken en het verzoek om nihilstelling doorgestuurd naar verweerder, hierna: de griffier8.

1.7 In een telefoongesprek op 29 april 2016 tussen de griffie van de Hoge Raad en de secretaresse van mr. Schuckink Kool is meegedeeld dat het verzoek om nihilstelling van het griffierecht is afgewezen en dat “indien men het er niet mee eens is verzet [kan] indienen op de voet van art. 29 Wgbz9”.

1.8 Op 11 mei 201610 heeft de griffie van de Hoge Raad per e-mail het volgende verzetschrift ontvangen van Mr. Schuckink Kool:

“Geachte heer/ mevrouw,

Hierbij ga ik (zo nodig mede namens mijn client dhr. Manmohan) op nader aan te voeren gronden in verzet tegen de weigering van mijn verzoek de griffierechten voor zijn zaak tegen de IND op nihil te stellen. Aangezien ik niet weet op welke datum deze van mijn rekening-courant zijn afgeschreven, pas ik hierbij deze noodgreep toe.

--

Met vriendelijke groet,

Marcel Schuckink Kool”

1.9 Mr. Schuckink Kool is vervolgens bij telefoongesprek van 19 mei 2016 door de griffie van de Hoge Raad bericht dat hij uiterlijk tot en met 2 juni 2016 de gronden voor zijn verzetschrift zou kunnen indienen. Deze telefonische afspraak is bevestigd bij brief van 19 mei 201611.

1.10 Op 22 mei 2016 is ter griffie de toelichting van mr. Schuckink Kool op het verzet ingekomen. Dit verzetschrift is op 24 mei 2016 toegezonden aan de griffier.

1.11 Nadat in onderling overleg de termijn voor het indienen van een verweerschrift is verlengd tot 5 juli 201612, heeft de griffier op 1 juli 2016 een verweerschrift met bijlagen ingediend, en daarin geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn verzet.

2. Stellingen van partijen met betrekking tot de ontvankelijkheid van het verzet

2.1 In de toelichting op het verzetschrift van 22 mei 2016 wordt met betrekking tot “de procedurele kant” aangevoerd dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding omdat (i) mr. Schuckink Kool pas op 11 mei 2016 telefonisch heeft vernomen van de griffie van de Hoge Raad dat zijn verzoek om nihilstelling dan wel vermindering van het griffierecht is afgewezen en hij er voor die tijd van uit is gegaan dat op zijn verzoek om nihilstelling een uitspraak van de Hoge Raad, na een conclusie van het Parket, zou volgen vergelijkbaar met de gang van zaken in de procedure in de zaak [betrokkene 2] en [betrokkene 3] t. de Staat (15/02208) en hij niet in redelijkheid de conclusie heeft hoeven trekken dat zijn verzoek om nihilstelling niet zou worden ingewilligd; (ii) dat hij voor 11 mei 2016 niet op de hoogte was van de afwijzing van zijn verzoek om nihilstelling van het griffierecht en dat de afschrijving van het griffierecht op 6 april 2016 niet in redelijkheid kan worden aangemerkt als startpunt van de verzettermijn in art. 29 lid 1 Wpbz; en (iii) tot slot dat zijn verzoek van 17 maart 2016 dient te worden aangemerkt als verzetschrift in de zin van art. 29 lid 1 Wgbz.

2.2 Volgens de griffier is [betrokkene 1] niet-ontvankelijk in zijn verzet omdat het verzetschrift niet binnen de termijn in art. 29 lid Wgbz is ingediend. Op 6 april 2016 heeft mr. Schuckink Kool een overzicht ontvangen van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak waarop de afschrijving van het griffierecht van € 325,-- stond vermeld. Op deze datum is de termijn van één maand in art. 29 lid 1 Wgbz gaan lopen en deze is op 6 mei 2016 verstreken. Het verzetschrift van 11 mei 2016 is dan ook, zo stelt de griffier, niet tijdig ingediend.

3 Beoordeling van de ontvankelijkheid

3.1

Art. 29 Wgbz luidt als volgt:

1 Degene die de griffierechten en verschotten heeft betaald, kan gedurende een maand na die betaling tegen de beslissing van de griffier tot heffing van het griffierecht of de verschotten bij verzoekschrift in verzet komen bij het gerecht waaraan het griffierecht of de verschotten werden betaald.

2 Tegen de beslissing van het gerecht is geen hogere voorziening toegelaten.

3 Voor de indiening van het verzoekschrift, bedoeld in het eerste lid, wordt geen griffierecht geheven.

3.2

Op grond van het in het eerste lid bepaalde kan binnen een maand na de betaling van het griffierecht verzet worden ingesteld. Zoals hiervoor onder 1.3 vermeld is de rekening-courant van mr. Schuckink Kool op 12 maart 2016 gedebiteerd, terwijl, zoals eveneens hiervoor vermeld mr. Schuckink Kool bij e-mail van 6 april 2016 door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak op de hoogte is gesteld van de afboeking van zijn rekening-courant van het griffierecht voor de hoofdzaak van zijn cliënt.

3.3

Art. 29 Wgbz is op 1 november 2010 in de plaats gekomen van art. 25 Wtbz (oud), waarvan het eerste lid als volgt luidde:

“1.Gedurende een maand na de mededeling van de uit het voorschot verrekende rechten en verschotten, en bij rechtstreekse betaling daarvan, binnen een maand na die betaling, kunnen hij van wie de rechten en verschotten zijn geheven alsmede, in het eerste geval de voorschotgever, in het tweede geval hij die de rechten en verschotten betaalde, bij het gerecht ter griffie waarvan voorschot werd gestort of werd betaald, rechtdoende in burgerlijke zaken, tegen de beslissing van de griffier, bij verzoekschrift, in verzet komen. Tegen de beslissing van de griffier omtrent de toepassing van artikel 18a kunnen de betrokkene en de voorschotgever, onderscheidenlijk degene die het vast recht betaalde, op overeenkomstige wijze gedurende een maand na de mededeling daarvan in verzet komen.”

3.4

De Raad voor de Rechtspraak heeft op 15 juni 2011 advies uitgebracht aan de minister inzake het wetsvoorstel tot reparatie van de Wgbz13, waarin de Raad uitdrukkelijk aandacht heeft gevraagd voor de positie van rekening-couranthouders bij de toepassing van art. 29 Wgbz:

“Artikel 29 Wgbz

(…) Voorts levert de formulering in artikel 29 Wgbz een probleem op ten aanzien van het instellen van verzet tegen het geheven griffierecht en verschotten bij rekening couranthouders. Het beleid binnen de Rechtspraak is dat degene die een rekening courantverhouding heeft met een gerecht geacht wordt te hebben betaald. Echter pas aan het einde van de maand ontvangt de rekening couranthouder een overzicht met de geheven griffierechten. Indien het griffierecht in de eerste week van de maand is geheven, is de verzettermijn al bijna verstreken op het moment dat de betaling bekend wordt, en voor het in de ander weken van de maand geheven griffierecht is de verzettermijn nog maar kort. Het kan naar de mening van de Raad niet zo zijn dat een partij niet-ontvankelijk is in haar verzet, terwijl de termijn al (bijna) was verstreken op het moment dat de betaling bekend werd. Mogelijke oplossingen kunnen zijn: het geven van een langere termijn, een aanvulling dat de termijn voor verzet pas begint te lopen op het moment waarop de heffing bekend was of toepassing van de hardheidsclausule.”

De minister heeft de door de Raad voor de Rechtspraak aangedragen oplossingsrichtingen niet overgenomen in het wetsvoorstel.

3.5

Deze (al dan niet uitdrukkelijke) keuze van de wetgever om geen uitzondering te maken voor rekening-couranthouders, brengt m.i. mee dat in alle gevallen de datum van betaling van het griffierecht bepalend is voor de aanvang van de verzettermijn. Zo wordt art. 29 Wgbz in de rechtspraak ook toegepast14.

Nu de rekening-courant van mr. Schuckink Kool op 12 maart 2016 is gedebiteerd, dient derhalve te worden aangenomen dat hij vanaf deze datum verzet kon instellen en dat de daarvoor geldende termijn eindigde op 12 april 2016.

3.6

[betrokkene 1] zou ontvankelijk kunnen zijn indien de brief van mr. Schuckink Kool van 17 maart 2016 als verzetschrift kan worden aangemerkt. Mr. Schuckink Kool heeft in deze brief een verzoek gedaan aan “de Hoge Raad, civiele griffie” tot nihilstelling c.q. vermindering van het griffierecht. Hij heeft dit niet, zoals in de zaak waarnaar hij verwijst en die heeft geleid tot het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 8 april 2016, in de vorm van een bij voorbaat ingesteld verzet gedaan. In de brief wordt niet verwezen naar de indebetstelling van het griffierecht op 12 maart 2016 noch wordt daarin de term “verzet” gebezigd of verwezen naar art. 29 Wgbz. De brief kan om die reden m.i. niet worden aangemerkt als verzetschrift.

Uit het op 29 april 2016 gevoerde telefoongesprek tussen de griffie van de Hoge Raad en de secretaresse van mr. Schuckink Kool, blijkt dat de griffier dit verzoek ook niet heeft aangemerkt als ‘verzet’ tegen de beslissing tot de heffing van het griffierecht van € 325,--, in de zin van art. 29 Wgbz, maar als een verzoek aan de griffier, zonder nader geduide wettelijke grondslag, tot nihilstelling dan wel vermindering van het griffierecht.

Dit komt mij terecht voor.

3.7

Op grond van het voorgaande is mijn voorlopige standpunt dat [betrokkene 1] niet-ontvankelijk is in zijn verzet tegen de heffing van het griffierecht ten bedrage van € 325,- omdat de termijn is verstreken op 12 april 2016 en hij pas op 11 mei 2016 (een vorm van) verzet heeft ingediend.

Verschoonbare termijnoverschrijding?

3.8

Zoals hiervoor vermeld heeft mr. Schuckink Kool een beroep gedaan op verschoonbare termijnoverschrijding. M.i. dient dit beroep te falen.

3.9

Uit het verweerschrift van de griffier blijkt dat het verzoek inzake de nihilstelling c.q. vermindering van het griffierecht in de brief van 17 maart 2016 in eerste instantie door de griffie over het hoofd is gezien en pas na het telefonische bericht van mr. Schuckink Kool van 18 april 2016 opnieuw is bekeken. Het verzoek tot nihilstelling dan wel vermindering van het griffierecht is vervolgens afgewezen door de griffier. Deze beslissing van de griffier is mr. Schuckink Kool op 29 april 2016 meegedeeld. Tijdens dit telefoongesprek is opgemerkt dat tegen ‘de heffing van het griffierecht’ verzet kan worden ingesteld in de zin van art. 29 lid 1 Wgbz zonder hierbij te vermelden dat deze termijn al was verstreken op 12 april 2016.

3.10

Gesteld noch gebleken is dat in het telefoongesprek op 29 april 2016 door de griffie mededelingen zijn gedaan omtrent de datum van begin en einde van de verzettermijn15.

Voor zover mr. Schuckink Kool stelt dat de afschrijving van het bedrag op 6 april 2016 heeft plaatsgevonden en hij er daarmee van uitgaat dat de verzettermijn op 6 mei afliep, is zijn op 11 mei 2016 ingestelde verzet (op nader aan te voeren gronden) sowieso te laat.

3.11

Voor zover het standpunt zou worden ingenomen dat door de expliciete afwijzing van het verzoek tot nihilstelling dan wel vermindering van het griffierecht op 29 april 2016 de griffier opnieuw een beslissing inzake de heffing van het griffierecht heeft genomen, en derhalve een nieuwe termijn is gaan lopen, merk ik het volgende op.

3.12

Het is m.i. zeer onwenselijk indien zou worden aangenomen dat de wettelijke termijn voor het instellen van verzet, zonder wettelijke grondslag, zou kunnen worden verlengd. Uit vaste rechtspraak volgt immers dat in het belang van een goede rechtspleging omtrent de tijdstip waarop een termijn voor het instellen van een rechtsmiddel aanvangt (en eindigt) duidelijkheid dient te bestaan en dat aan die termijn strikt de hand moet worden gehouden16.

[betrokkene 1] had bovendien twee wettelijke mogelijkheden om nihilstelling dan wel vermindering van het griffierecht te bewerkstelligen, namelijk (a) door een beroep te doen op de hardheidsclausule op de voet van art. 127a lid 3 Rv in verbinding met art. 409a lid 3 Rv17 en (b) door tijdig verzet in te stellen tegen de beslissing van de griffier tot heffing van het griffierecht op de voet van art. 29 Wgbz. Een verzoek tot nihilstelling c.q. vermindering van het griffierecht, zoals in deze zaak is gedaan, is een niet in de wet genoemde route en is m.i. niet de te verkiezen weg.

De verwijzing naar de gang van zaken in de zaak die heeft geleid tot de beslissing van 8 april 2016 kan [betrokkene 1] niet baten, nu in die zaak onmiddellijk (bij voorbaat) verzet was ingesteld tegen de heffing van griffierecht.

3.13

De slotsom is mitsdien dat [betrokkene 1] niet-ontvankelijk is in zijn verzet.

3.14

Voor het geval uw Raad tot een andere conclusie komt, bespreek ik de aangevoerde verzetgronden ook inhoudelijk.

4 Beoordeling van de aangevoerde verzetgronden

4.1

[betrokkene 1] heeft in de toelichting op het verzet een tweetal inhoudelijke gronden aangevoerd op grond waarvan zijn verzoek tot nihilstelling zou moeten worden toegewezen en het verzet gegrond zou moeten worden verklaard.

De eerste grond is dat hij gezien zijn omstandigheden geen enkele aanspraak op inkomen heeft en feitelijk ook niet over enig inkomen en vermogen beschikt.

4.2

Het verzetschrift bevat geen nadere informatie over de huidige status van [betrokkene 1]. Mr. Schuckink Kool heeft als bijlage 1 bij zijn verzetschrift de door hem bij de Raad voor de Rechtsbijstand ingediende aanvraag “Aanvullen Toevoeging” van 19 maart 2016 overgelegd, waarin hij heeft verzocht om nihilstelling van de voor de toevoeging door zijn cliënt verschuldigde eigen bijdrage. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft mr. Schuckink Kool aangevoerd dat zijn cliënt “beschikt over geen enkel inkomen en vermogen, nu hij als illegaal verblijvend beschouwd wordt”.

4.3

Ik acht deze stelling onvoldoende gemotiveerd. Uit de stukken blijkt dat [betrokkene 1] het Nederlanderschap is ontnomen, maar niet bekend is of hij staatloos is 18. Dat laatste brengt overigens niet automatisch mee dat hij zich geen inkomen kan verwerven noch dat hij niet over enig vermogen beschikt. De betalingsonmacht van [betrokkene 1] is m.i., anders dan die van bijvoorbeeld uitgeprocedeerde asielzoekers zoals in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van de Hoge Raad van 8 april 2016, derhalve nog niet een gegeven.

4.4

Er is voorts geen dan wel conflicterende informatie verstrekt over de gezinssituatie van [betrokkene 1].

Door de griffier is er in het verweerschrift op gewezen dat uit de beschikking van de rechtbank19 blijkt dat [betrokkene 1] is gehuwd en er geen zicht is op eventuele inkomsten en vermogen van de partner.

Uit de beschikking van de rechtbank volgt dat het gaat om een huwelijk in India met [betrokkene 4], waarvan is gebleken in een door de Nederlandse ambassade in India ingesteld verificatieonderzoek. De minister heeft naar aanleiding van deze informatie bij beschikking van 3 februari 2009 het besluit waarbij aan [betrokkene 1] het Nederlanderschap is verleend ingetrokken omdat hij dit huwelijk bij zijn aanvraag zou hebben verzwegen. In de procedure bij de rechtbank heeft [betrokkene 1] gesteld dat hij ten tijde van de naturalisatieaanvraag ongehuwd was en daarna pas (op 21 oktober 1998) is gehuwd met de vrouw uit India.

In de beschikking van de rechtbank is niet vermeld of [betrokkene 1] nog steeds gehuwd is.

In de door de griffier overgelegde ”Aanvraag toevoeging vreemdelingenrecht” van 11 maart 2016 (bijlage VI verweerschrift) is echter opgegeven dat [betrokkene 1] alleenstaand is en geen gemeenschappelijke huishouding voert.

4.5

De tweede in de toelichting op het verzetschrift aangevoerde grond is dat de Raad voor de Rechtsbijstand [betrokkene 1] op grond van het geheel ontbreken van inkomsten en vermogen als 'have-not' heeft aangemerkt en op die grond geen eigen bijdrage in rekening brengt.

4.6

Op grond van art. 35 lid 1 Wet op de Rechtsbijstand (hierna: Wrb) is een rechtzoekende een eigen bijdrage verschuldigd voor de verlening van rechtsbijstand, tenzij bij algemene maatregel van bestuur anders is bepaald. De uitzonderingen op de hoofdregel zijn uitgewerkt in art. 6 van Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand (hierna: Bebr).

In art. 6 lid 1 Bebr is een aantal genoemde categorieën rechtszoekenden (zoals asielzoekers en gedetineerden) uitgezonderd van de verplichting om een eigen bijdrage te betalen.

4.7

Daarnaast is in art. 6 lid 2 Bebr de bevoegdheid opgenomen voor de Raad voor de Rechtsbijstand (hierna: RvR) om geen eigen bijdrage op te leggen in geval de rechtzoekende geen inkomen of vermogen heeft.

In de werkinstructie “Geen eigen bijdrage”20 van de RvR is deze in lid 2 genoemde categorie aangeduid als “have nots” en is deze onder meer als volgt toegelicht:

“Het gaat hier om personen, bijvoorbeeld illegalen, die aannemelijk kunnen maken dat zij al geruime tijd geen (recht op) inkomen of vermogen hebben en voor wie er ook geen uitzicht is dat dit op korte termijn zal veranderen.”

4.8

De griffier heeft aangevoerd, onder verwijzing naar de hiervoor genoemde toevoegingsaanvraag van 11 maart 2016, dat het kantoor van mr. Schuckink Kool een zgn. deelnemer High Trust is, zodat de RvR bij afgifte van de toevoeging (nog) niet zou hebben gecontroleerd of [betrokkene 1] daadwerkelijk een “have not” is. Om die reden geeft de verstrekte toevoeging geen aanleiding tot nihilstelling dan wel vermindering van het griffierecht, aldus de griffier.

4.9

Volgens informatie op de website van de RvR wordt evenwel bij beide varianten van High Trust-deelname, de variant met een steekproefcontrole en de variant met een één-op-één-controle, het inkomen en vermogen van de rechtzoekende gecontroleerd door de RvR bij de Belastingdienst aan de hand van de op de toevoegingsaanvraag ingevulde burgerservicenummer en wordt tevens aan de hand van de NAW-gegevens bij de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens gecontroleerd of de rechtzoekende op het opgegeven adres woont21. Op de toevoegingsaanvraag van mr. Schuckink Kool is een burgerservicenummer vermeld, zodat m.i. voorshands ervan uit kan worden gegaan dat ook in dit geval een draagkrachtcontrole heeft plaatsgevonden (let wel: vermoedelijk op basis van de in de toevoegingsaanvraag opgegeven alleenstaande status van [betrokkene 1]).

4.10

In zijn beslissing van 8 april 2016 heeft de Hoge Raad voor het eerst beoordeeld of een verzet op de voet van art. 29 Wgbz in een bepaald geval gegrond is in verband met het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter. Er dient, aldus dit arrest, in het concrete geval een afweging plaats te vinden waarin worden betrokken de hoogte van het griffierecht en de draagkracht van de rechtzoekende. Gelet op het geheel ontbreken van financiële middelen bij betrokkene c.s. (uitgeprocedeerde asielzoekers), komt de heffing van griffierecht in dit geval neer op een ontoelaatbare belemmering van het recht op toegang tot de rechter. De Hoge Raad verklaarde het verzet gegrond en stelde het door de twee uitgeprocedeerde asielzoekers verschuldigde griffierecht op nihil22. In die zaak kon de Hoge Raad echter in cassatie uitgaan van de onbetwiste stellingen van partijen dat zij niet over enig inkomen of vermogen beschikte23. Dat is in de onderhavige zaak niet het geval.

4.11

Mr. Schuckink Kool heeft in zijn toelichting op het verzetschrift van 22 mei 2016 vermeld dat hij zich kan voorstellen dat Uw Raad “dit mogelijk een wat summiere onderbouwing vindt” en dat hij bereid is nader gespecificeerde inlichtingen ter onderbouwing van dit verzoek te verstrekken. Hij heeft echter niet toegelicht waarop deze meer gespecificeerde inlichtingen betrekking hebben en waarom hij deze specifieke inlichtingen niet eerder in het geding heeft gebracht. In het onderhavige geval was hiertoe gelegenheid bij brief van 17 maart 2016, bij verzetschrift van 11 mei 2016 en bij aanvullende verzetschrift van 22 mei 2016. Nu de betalingsonmacht van [betrokkene 1] niet vaststaat en [betrokkene 1] heeft nagelaten tijdig gespecificeerde inlichtingen te verschaffen inzake zijn financiële situatie is het verzet op de grondslag dat er sprake is van betalingsonmacht m.i. ongegrond. Het beroep op de (precedent)werking van de beslissing van de Hoge Raad van 8 april 2016 gaat in dit geval niet op omdat er geen sprake is van een gelijk geval.

4.12

Opmerking verdient ten slotte dat de heffing van het griffierecht in de hoofdzaak het individuele recht van [betrokkene 1] op toegang tot de rechter in de zin van artikel 6 EVRM geenszins heeft beperkt, nu de Hoge Raad immers al op 8 juli 2016 heeft beslist in de hoofdzaak en het cassatieberoep van [betrokkene 1] niet-ontvankelijk verklaard op de voet van art. 80a RO (zie HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1516, RvdW 2016/871). De feiten in de onderhavige procedure wijken dan ook af van de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van de Hoge Raad van 8 april 2016 nu in die procedure mr. Schuckink Kool het cassatieberoep heeft ingesteld op de voorwaarde dat geen griffierecht zou worden geheven omdat zijn cliënten in betalingsonmacht verkeerden en hij niet bereid was het griffierecht uit eigen middelen te voldoen.

5.Conclusie

De conclusie strekt:

- primair tot niet-ontvankelijkverklaring van [betrokkene 1] in zijn verzet;

- subsidiair tot afwijzing van het verzet.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 HR 8 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:607, NJ 2016/220.

2 Voor zover thans van belang. Bij de vermelding van de diverse procedurestappen heb ik gebruik gemaakt van de zich in het griffiedossier bevindende stukken (waaronder o.m. het “Verweerschrift op het verzoek ex art. 29 lid 1 Wet griffierecht in burgerlijke zaken gedateerd 11 mei 2016” met bijlagen en de toelichting op het verzet van mr. Schuckink Kool van 22 mei 2016) alsmede van de elektronisch opgeslagen correspondentie.

3 In de stukken opgesteld door de cassatieadvocaat, M.A.R. Schuckink Kool, wordt verzoeker tot cassatie aangeduid als “dhr. Manmohan”. In de processtukken in de hoofdzaak, zowel in cassatie als in feitelijke instanties, is de verzoeker tot cassatie steeds aangeduid als “[betrokkene 1]”. Om deze reden heb ik verzoeker tot cassatie hier aangeduid als “[betrokkene 1]”.

4 Met zaaknummer 16/01344.

5 Opgenomen in bijlage V bij het verweerschrift van de griffier.

6 Zie bijlage I van het verweerschrift van de griffier.

7 Dit blijkt alleen uit een notitie in het statusoverzicht in Casus, er is geen verdere schriftelijke verslaglegging van dit telefoongesprek.

8 Zie de email van E. Versteeg aan de griffier van 22 april 2016.

9 Zie het verweerschrift van de griffier, p. 1 onder (iv).

10 Zie bijlage II van het verweerschrift van de griffier.

11 Zie bijlage II van het verweerschrift van de griffier.

12 Zie de brieven van de griffie aan mr. Schuckink Kool en de Griffier van 14 juni 2016.

13 Bijlage bij Kamerstukken II 2011-2012, 33108, nr. 3, zie: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-143736.

14 Vgl. HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3883, NJ 2012/169, rov. 1.3. Zie voor de lagere rechtspraak bijv. Rb Den Haag 7 januari 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:548, rov. 3.4-3.5.

15 Het afgaan op onjuiste dan wel onvolledige informatie verstrekt door een gerecht aan een partij die een rechtsmiddel wenst in te stellen mag er niet toe leiden dat deze effectief de toegang tot de rechter wordt ontnomen, vgl. EHRM 8 november 2007, app.no. 3321/04 (De la Fuente Ariza/Spanje) en EHRM 9 november 2004, app.no. 46300/99, EHRC 2005/2 m.nt. F.J. Fernhout (Marpa/Nederland), F.J. Fernhout, ‘Formele regels in het civiel procesrecht en ‘acces to justice’, een analyse van de jurisprudentie van het EHRM op het op art. 6 EVRM gebaseerde begrip ‘excessief formalisme’, PP 2008/3, p. 62 en F.J. Fernhout, ‘De ondraaglijke hardheid van termijnen’, Tijdschrift voor de Procespraktijk 2010/3, p. 86-87 en de in die artikelen genoemde jurisprudentie.

16 Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2012/ 40 en de aldaar genoemde jurisprudentie.

17 Zie ook de brief van de minister van Veiligheid en Justitie aan de Tweede Kamer van 13 mei 2016, in antwoord op Kamervragen die zijn gesteld naar aanleiding van de beslissing van de Hoge Raad van 8 april 2016, waarin de minister onder meer het volgende heeft opgemerkt: “Het uitgangspunt is dat deze griffierechten de toegang tot de rechter voor de verschillende categorieën rechtzoekenden niet beperkt. Een afweging of iemand individueel in staat is het verschuldigde griffierecht te voldoen vindt plaats als de betrokkene zich erop beroept het griffierecht niet te kunnen voldoen. De rechter moet de betrokkene dan in de gelegenheid stellen zich uit te laten over het niet tijdig voldoen van het verschuldigde griffierecht (artikel 127a, tweede en derde lid, artikel 128, zesde lid en artikel 282a, tweede tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). De rechter kan vervolgens de gevolgen van het niet betalen van het griffierecht - het niet in behandeling nemen van de vordering, het verzoek of het verweer - geheel of ten dele buiten toepassing laten als hij van oordeel is dat dat, gelet op het belang van één of meer van de partijen bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.” De brief is te raadplegen op www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2016/05/13/antwoorden-kamervragen-over-het-griffierecht-voor-onvermogenden-en-het-recht-op-toegang-tot-het-recht.

18 Op grond van raadpleging van https://ind.nl/particulier/nederlander-worden/landenlijst?tab=gl en aannemende dat in 1998 dit al de gangbare praktijk was, is aannemelijk dat [betrokkene 1] door de verkrijging van het Nederlanderschap de Indiase nationaliteit heeft verloren. Met het verlies van zijn Nederlanderschap in 2009 is het dus aannemelijk dat [betrokkene 1] staatloos is geworden. Uit art. 14 lid 6 RWN volgt dat geen verlies van het Nederlanderschap plaatsvindt indien staatloosheid daarvan het gevolg is. Hierop wordt echter een uitzondering gemaakt indien de minister de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap intrekt, indien zij berust op een door de betrokken persoon gegeven valse verklaring of bedrog dan wel op het verzwijgen van enige voor de verkrijging of verlening relevant feit zoals in art. 14 lid 1 RWN. In de onderhavige zaak doet dit laatste zich voor nu de minister het besluit waarbij aan [betrokkene 1] het Nederlanderschap is verleend heeft ingetrokken omdat hij bij zijn aanvraag informatie heeft verzwegen die van belang was voor de naturalisatieprocedure.

19 Zie rov. 3.2 van de beschikking van de rechtbank Den Haag van 10 december 2015.

20 Te raadplegen via de website van de Raad voor de Rechtsbijstand: http://kenniswijzer.rvr.org/werkinstructies-toevoegen/allerechtsterreinen/financiele-beoordeling%5B2%5D/geen-eigen-bijdrage-artikel-6-bebr.html.

21 http://www.rvr.org/Informatie-over-de-raad/High+Trust/controlevormen.html. Zie ook de “Brochure High Trust”, tevens te raadplegen via de website van de Raad voor de Rechtsbijstand: http://www.rvr.org/binaries/content/assets/rvrorg/nieuws/brochure-high-trust---nieuwe-werkwijze.pdf.

22 De minister van Veiligheid en Justitie heeft zich in de in voetnoot 17 genoemde brief aan de Tweede Kamer positief uitgelaten over deze uitspraak van de Hoge Raad. Naar het oordeel van de minister is de toegang tot het recht hierdoor gewaarborgd en verschaft de uitspraak duidelijkheid voor de rechtbanken en de hoven wanneer zij te maken krijgen met vergelijkbare situaties.

23 Zie HR 8 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:607, NJ 2016/220, rov. 2.2.