Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1044

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
13-09-2016
Datum publicatie
01-11-2016
Zaaknummer
14/06090
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2457, Gedeeltelijk contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Belaging BN-er en ex-vriendin van verdachte. 2. Absolute verjaringstermijn belaging, art. 72.2 Sr.

Ad 1. Falende bewijsklachten belaging. HR: art. 81.1 RO.

Ad 2. HR ambtshalve: Hof heeft bewezenverklaard dat verdachte zich in de periode van 1 mei 2003 tot 1 oktober 2005 heeft schuldig gemaakt aan belaging van zijn ex-vriendin. Gelet op de aard van het delict en op de omstandigheid dat het Hof het bewezenverklaarde heeft gekwalificeerd als één misdrijf, is er gelet op art. 72.2 Sr, zoals dit artikel luidt sedert de i.w.tr. op 7 juli 2006 van de Wet van 5 juli 2006, Stb. 2006, 310, geen sprake van verjaring. CAG: anders t.a.v. verjaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/06090

Zitting: 13 september 2016

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 18 november 2014 de verdachte wegens 1. en 6. telkens: “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht”, 2 (tweede deel) en 3-B. telkens: “belaging”, 4. “mishandeling” en 5. “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, terwijl deze bedreiging schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde geschiedt”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van voorarrest.

  2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. A. Groeneveld, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende zes middelen van cassatie.

  3. Alvorens de middelen te bespreken vestig ik de aandacht op de (partiële) verjaring van het onder 3-B bewezenverklaarde (belaging van [betrokkene 1] ). Dit in de middelen 4 en 5 bedoelde feit is volgens de tenlastelegging begaan in of omstreeks de periode van 1 mei 2002 tot en met 1 februari 2006. Het hof heeft in zijn arrest het openbaar ministerie reeds niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de verdachte voor zover het ten laste gelegde ziet op de periode van 1 mei 2002 tot en met 18 november 2002 (verjaard) en een kortere periode bewezen verklaard, te weten: ‘de periode van 1 mei 2003 tot 1 oktober 2005’. Het feit is strafbaar gesteld bij art. 285b Sr. Op dit misdrijf staat een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren. Ingevolge art. 70 lid 1, aanhef en onder 2˚, Sr vervalt het recht tot strafvordering in zes jaren voor de misdrijven waarop een gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld. Op grond van art. 72 Sr vervalt het recht tot strafvordering in ieder geval indien vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die gelijk is aan twee maal de voor het feit geldende verjaringstermijn. Ingevolge lid 2 van art. 72 Sr beloopt de verjaringstermijn voor het bedoelde feit dus ten hoogste twee maal zes jaar. Dat betekent dat het vervolgingsrecht ten aanzien van een gedeelte van de ten laste gelegde periode inmiddels, na twaalf jaren, is verjaard. De Hoge Raad kan de bestreden uitspraak vernietigen wat betreft de beslissing ter zake van het onder feit 3-B tenlastegelegde, voor zover dit zou zijn begaan in de periode van 1 mei 2003 tot en met de datum dat de Hoge Raad uitspraak doet, minus twaalf jaar, en het openbaar ministerie in zoverre niet-ontvankelijk verklaren. De strafoplegging behoeft in mijn optiek niet te worden vernietigd aangezien door het schrappen van een gedeelte van de pleegperiode de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet worden aangetast.1 Het grootste deel van de in de bewezenverklaring beschreven feitelijke gedragingen is immers geschied in de ‘niet-verjaarde periode’ (van nu nog circa nagenoeg één jaar; november 2004 tot en met 1 oktober 2005).2 Uit de bewijsmiddelen 9 en 10 kan worden afgeleid dat de verdachte in juni of in juli 2005 twee dagen langs de organisatie waar [betrokkene 1] werkzaam was is gelopen, naar binnen heeft gegluurd en met zijn hoofd tegen het raam heeft staan bonken. Voorts heeft de verdachte op 17 en 18 augustus 2005 vier brieven op het werk van [betrokkene 1] afgeleverd en heeft hij op die dagen rond haar werk rondgehangen, naar binnen gegluurd en een collega van haar aangesproken en gezegd dat hij in gevecht was met [betrokkene 1] . Bewijsmiddel 11 houdt als verklaring van de vader van [betrokkene 1] onder meer in dat er tot september 2005 vele brieven van de verdachte aan huis zijn bezorgd. Blijkens bewijsmiddel 15 dateert een brief afkomstig van de verdachte verstuurd naar het adres van (de vader van) [betrokkene 1] , en geadresseerd aan de vader van [betrokkene 1] , van 6 mei 2005. Tenslotte verdient opmerking dat door de verdediging noch in feitelijke aanleg, noch in cassatie van de verjaring een punt is gemaakt.

4. De eerste drie middelen zijn gericht tegen de bewezenverklaring van feit 2 (de belaging van [betrokkene 2] ). Omwille van de overzichtelijkheid zal ik eerst het tweede middel, daarna het derde middel en tot slot het eerste middel bespreken.

5 Het tweede middel

5.1.

Het tweede middel klaagt dat de bewijsmiddelen de bewezenverklaring van feit 2 niet kunnen dragen wat betreft het bestanddeel ‘opzettelijk inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van [betrokkene 2] ’. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat uit de aard, inhoud en frequentie van de berichten bedoelde inbreuk en het opzet van de verdachte gericht op bedoelde inbreuk niet kunnen volgen.

5.2.

Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 2 bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 9 december 2005 tot en met 17 februari 2006 in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [betrokkene 2] met het oogmerk om [betrokkene 2] te dwingen iets te dulden, immers heeft hij,

A) op de website van het televisieprogramma [A] e-mailberichten gericht aan [betrokkene 2] achtergelaten, te weten op de navolgende data en met de inhoud zoals opgenomen in de hieronder genoemde pagina's van het voorgeleidingsproces-verbaal:

- 9 december 2005 (p. 30-31 proces-verbaal),

- 16 december 2005 (p. 32-34 proces-verbaal),

- 9 januari 2006 (p. 23-25 proces-verbaal),

- 21 januari 2006 (p. 26 van het proces-verbaal),

- 9 februari 2006 (p. 21 van het proces-verbaal),

- 16 februari 2006 (p. 27-29 van het proces-verbaal) en

- 17 februari 2006 (p. 20 van het proces-verbaal)

en

B) in het gastenboek van de persoonlijke website van [betrokkene 2] ( [website] ) berichten gericht aan [betrokkene 2] , achtergelaten, te weten op de navolgende data met inhoud als opgenomen in de genoemde pagina's van het voorgeleidingsproces-verbaal:

- 2 januari 2006 zes berichten (p. 45-46 van het proces-verbaal) en

- 4 januari 2006 veertig berichten (p. 39-45 van het proces-verbaal).”

5.3.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen komen de volgende feiten en omstandigheden naar voren:

(i) de verdachte heeft in de periode van 9 december 2005 tot en met 17 februari 2006 [betrokkene 2] , een bekende televisiepersoonlijkheid, belaagd. De verdachte heeft op de website van het televisieprogramma “ [A] ” zeven e-mailberichten gericht aan [betrokkene 2] achtergelaten en in het gastenboek van de persoonlijke website van [betrokkene 2] in totaal 46 ‘posts’ gericht aan [betrokkene 2] , achtergelaten (op 2 januari 2006 zes berichten en op 4 januari 2006 veertig berichten);

(ii) de verdachte heeft zich aanvankelijk tot [betrokkene 2] gericht met het verzoek om hulp bij het uitzoeken van zijn stamboom. Daar is de zaak mee begonnen. De verdachte erkent dat hij in zijn e-mail van 16 december 2015 heeft geschreven: ‘het liefste pak ik jullie allemaal’ en dat hij veertig posts in het gastenboek op de fansite van [betrokkene 2] heeft geplaatst in twee uur tijd (bewijsmiddel 2);

(iii) een medewerker van [betrokkene 2] heeft op enig moment, te weten op 16 februari 2006, besloten [betrokkene 2] van de ontvangst van een grote hoeveelheid aan haar gerichte e-mailberichten van de verdachte op de hoogte te brengen vanwege het onrustbarende karakter van die berichten (bewijsmiddelen 3 en 4);

(iv) de zeven e-mailberichten van 17 februari 2006, 9 februari 2006, 9 januari 2006, 21 januari 2006, 16 februari 2006, 9 december 2005 en 16 december 2005, die zijn verzonden vanaf verdachtes emailadres aan ‘Email [betrokkene 2] ’ (het e-mailadres [betrokkene 2] op haar account bij het televisieprogramma “ [A] ”) bevatten veel (verwarde) mededelingen over het eigen leven van de verdachte, maar ook mededelingen aan [betrokkene 2] die haar persoonlijk betreffen:

- In zijn e-mailbericht van 9 december 2005 legt de verdachte [betrokkene 2] uit waarom hij ervan overtuigd is dat hij Koning is. Met het oog op haar programma wil de verdachte haar benaderen voor een stamboomonderzoek. Verder denkt hij [betrokkene 2] een paar jaar geleden in Apeldoorn te hebben gezien en dat hij haar wel wilde meenemen. De verdachte schrijft dat als hij Koning wordt dat hij [betrokkene 3] , haar zoon, Prins zal maken.

- Op 16 december 2005 schrijft de verdachte over zijn verleden en over zijn dromen. Dit bericht bevat tevens de tekst: “Het liefste pakte ik jullie. Sleepte jullie naar de auto. Hup ma en jij er in. Snel [betrokkene 3] bij me, en van achter de achterbank. Rijden maar!” Tenslotte wenst de verdachte [betrokkene 2] een fijne kerst en een gelukkig uiteinde toe.

- Op 9 januari 2006 vertelt de verdachte uitgebreid over zijn slechte jeugd en zijn tienerjaren (misbruikt, jeugdprostitutie), gaat het over haar energiekostenrekening en hoopt de verdachte dat [betrokkene 2] zijn stamboom gaat uitzoeken.

- In zijn e-mailbericht van 21 januari 2006 feliciteert de verdachte [betrokkene 2] alvast met haar verjaardag de volgende dag.

- In zijn e-mailbericht van 9 februari 2006 feliciteert de verdachte [betrokkene 3] , de zoon van [betrokkene 2] , met zijn derde verjaardag de volgende dag.

- De verdachte schrijft in zijn e-mail van 16 februari 2006 uitgebreid over zijn mislukte relaties met zijn ex-partners, de problemen en hun zwangerschappen. Verder droomt de verdachte van een leven samen met [betrokkene 2] . Het bericht bevat onder meer de volgende bewoordingen: ‘Van mij mag alles de pleuris krijgen, als ik [betrokkene 3] maar heb. Voor hem heb ik alles over, ook omdat het mijn eigen behoefte is, en die is heel sterk. Als die van een papa. (…) [betrokkene 2] ik hou van jou.’

- Op 17 februari 2006 schrijft de verdachte [betrokkene 2] dat hij in de problemen zit en dat hij haar heeft gezien in een tijdschrift. Dit bericht bevat de tekst: ‘Als ik Oranje ben wil ik dat weten want dan hoef ik toch niet meer op straat? Nou, ik hoop het beste. Ik wil zo graag bij jullie zijn.” (bewijsmiddelen 5 en 6)

(v) Op 2 en 4 januari 2006 heeft de verdachte. zes resp veertig berichten achtergelaten in het gastenboek van de fansite van [betrokkene 2] . De verdachte heeft zich daarbij ‘ [verdachte] ’ genoemd. In deze berichten schrijft de verdachte onder meer over zijn stamboom(onderzoek), over het feit dat hij Koning hoort te zijn, dat hij [betrokkene 3] prins gaat maken en doet hij mededelingen over zijn persoonlijke leven(sgeschiedenis) (bewijsmiddel 7);

(vi) [betrokkene 2] heeft ten overstaan van de politie verklaard dat de verdachte, die zich [verdachte] noemt, meerdere pagina’s vol heeft geschreven in het gastenboek van haar fansite. Zij merkte dat de aard van de berichten van de verdachte steeds persoonlijker naar haar werd. [betrokkene 2] vond dit erg vervelend en bedreigend. Ook kreeg [betrokkene 2] berichten van de verdachte binnen op de redactie van haar televisieprogramma [A] . Zij heeft de berichten van de verdachte gelezen en is erg geschrokken van de inhoud daarvan (bewijsmiddel 7).

5.4.

Het hof heeft ten aanzien van de bewijsvoering voorts nog het volgende overwogen -voor zover van belang:

“Aangeefster [betrokkene 2] heeft op of omstreeks 2 januari 2006 en 4 januari 2006 kennis genomen van een grote hoeveelheid door de verdachte op haar Website geplaatste berichten/posts en is op 16 en 17 februari 2006 op de hoogte gesteld van de ontvangst van een grote hoeveelheid aan haar gerichte e-mailberichten die in de daaraan voorafgaande periode door de verdachte via de website van [A] zijn achtergelaten dan wel verzonden.

(…)

Anders dan de raadsvrouw oordeelt het hof dat ook in de zaak van aangeefster [betrokkene 2] sprake is van voldoende intensiteit, duur en frequentie om te spreken van stelselmatigheid. Van belang hierbij is dat [betrokkene 2] op in ieder geval drie dagen heeft kennis genomen van een grote hoeveelheid aan haar gerichte correspondentie, die gedurende een periode van enkele maanden aan [A] was verzonden.

Het hof stelt vast dat de gedragingen van de verdachte gericht waren op de persoon van beide aangeefsters, in dier leef- en/of werkomgeving. Gelet op de aard, inhoud en intensiteit van de gedragingen moet de verdachte voorts hebben beseft dat de aangeefsters niet van zijn gedragingen gediend waren, hetgeen hem echter niet ervan heeft weerhouden zijn gedrag te ontplooien. Door het handelen van de verdachte is aldus met het daarvoor vereiste opzet inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van beide aangeefsters.”

5.5.

De tenlasteleggingen onder 2 en (hierna voor de bespreking van de middelen 4 en 5 van belang) 3-B zijn toegesneden op art. 285b lid 1 Sr. Deze bepaling luidt:

“Hij, die wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maakt op eens anders persoonlijke levenssfeer met het oogmerk die ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen wordt, als schuldig aan belaging, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van de vierde categorie.”

5.6.

Vooropgesteld moet worden dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in art. 285b lid 1 Sr van belang zijn de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijke leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. Geen van deze beoordelingsfactoren is als zodanig doorslaggevend, maar zij verhouden zich te dezen tot elkaar als communicerende vaten: het gaat om het totaalbeeld dat uit de gedragingen van de verdachte naar voren komt. Waar zich de ondergrens van belaging bevindt, laat zich niet in algemene bewoordingen formuleren en wisselt al naar gelang de omstandigheden van het geval. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad kan in dit verband worden afgeleid dat gedrag relatief snel als indringend stelselmatig lastig vallen wordt aangemerkt indien dat gedrag gepaard gaat met bedreigingen of beledigingen.3

5.7.

Bewezen verklaard is dat de verdachte in een tijdsbestek van 70 dagen - in de periode van 9 december 2005 tot en met 17 februari 2006 - in totaal 53 berichten aan [betrokkene 2] heeft gestuurd via twee websites bestemd voor het publiek. Op 2 januari 2006 liet de verdachte 6 berichten achter in het gastenboek op de fansite van [betrokkene 2] en op 4 januari 2006 waren het er maar liefst 40 in twee uur tijd (zie bewijsmiddel 2). De overige 7 berichten zijn verspreid, maar met enige regelmaat in de zin van circa 2 per maand, over de bewezenverklaarde periode verstuurd en betreffen (veelal) zeer uitgebreide e-mailberichten gericht aan [betrokkene 2] via het e-mailadres van haar televisieprogramma [A] . Gelet hierop acht ik de feitelijke vaststelling van het hof dat sprake is geweest van ontvangst van een grote hoeveelheid aan [betrokkene 2] gerichte emailberichten, niet onbegrijpelijk. Bovendien is door of namens de verdachte in hoger beroep op dit punt geen verweer gevoerd. In zijn nadere bewijsoverwegingen heeft het hof voorts de lange duur en de niet geringe frequentie van het handelen van de verdachte tot uitdrukking gebracht.

5.8.

De bewering van de steller van het middel dat het een feit van algemene bekendheid is dat het sturen van een hoeveelheid van 53 berichten in 70 dagen niet als overmatig veel bestempeld kan worden in het internetverkeer, kan ik niet volgen. Een en ander moet mijns inziens bekeken worden in de context en tegen de achtergrond van de feiten en omstandigheden van het geval waarbij verschillende factoren een rol kunnen spelen. Het gaat daarbij om een aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering, die in cassatie niet verder kan worden getoetst.

5.9.

Hiervoor onder 5.3 heb ik reeds - samengevat - de feiten en omstandigheden die uit de gebezigde bewijsmiddelen volgen weergegeven. Met name wil ik verwijzen naar punt iv en v onder 5.3 waar kort de inhoud van de berichten van de verdachte is vermeld. Daaruit valt te destilleren dat verschillende mededelingen van de verdachte gericht zijn op de persoon van [betrokkene 2] en haar zoon [betrokkene 3] . Zo schrijft de verdachte onder meer dat hij [betrokkene 3] prins gaat maken, dat hij graag bij [betrokkene 2] en haar zoon wil zijn en dat hij van haar houdt. Ook kent de verdachte kennelijk de data van de verjaardagen van [betrokkene 2] en haar kind. Dat de toonzetting in de berichten niet altijd even vriendelijk is, blijkt wel uit de bewoordingen van de verdachte op 16 december 2005 dat hij [betrokkene 2] en haar zoon het liefste wil pakken, hen wil meeslepen in de auto en daarna wil wegrijden. Op 16 februari 2006 schrijft de verdachte dat van hem alles de pleuris mag krijgen, als hij [betrokkene 3] maar heeft en dat hij voor hem alles over heeft. Naar objectieve maatstaven - en dat heeft [betrokkene 2] subjectief ook zo ervaren - zijn deze teksten zonder meer bedreigend en intimiderend te noemen en kunnen deze gelet op hun strekking ook zo zijn bedoeld, want zij beogen [betrokkene 2] duidelijk te maken dat zij door de verdachte - een voor haar onbekende afzender van deze berichten - permanent in de gaten wordt gehouden en dat hij wellicht haar en haar zoon wil ontvoeren dan wel iets wil aandoen. ’s Hofs vaststelling dat de gedragingen van de verdachte gericht waren op de persoon van [betrokkene 2] in zowel haar leef- en werkomgeving acht ik, in het licht van het vorenstaande, dan ook niet onbegrijpelijk. De omstandigheid dat de berichten zijn gestuurd naar algemene, op het publiek gerichte websites maakt - anders dan door de steller van het middel is betoogd - mijns inziens niet dat de gedragingen aldus niet gericht kunnen zijn op de leefomgeving van [betrokkene 2] . Wanneer de inhoud van de berichten, die gaandeweg specifieker en indringender werden, in hun onderlinge samenhang en verband wordt bezien, is het goed voorstelbaar dat bij [betrokkene 2] een beeld van de persoon van de verdachte is ontstaan met voor haar onmiskenbaar een vreesaanjagend en onheilspellend karakter. [betrokkene 2] heeft op 20 februari 2006 tegenover de politie verklaard dat zij de berichten van de verdachte heeft gelezen en erg geschrokken is van de inhoud, dat zij merkte dat de berichten van de verdachte naar haar toe steeds persoonlijker werden en dat zij dit erg vervelend en bedreigend vond. In haar voornoemde verklaring valt voorts nog te lezen dat de gedragingen van de verdachte daadwerkelijk een aanzienlijke impact op haar persoonlijk leven / vrijheid en ook die van haar zoon [betrokkene 3] hebben gehad. [betrokkene 2] heeft uit angst voor haar eigen veiligheid en die van haar kind een aantal voorzorgsmaatregelen getroffen. Zo ging zij niet langer alleen met haar zoon de straat op en heeft zij een alarminstallatie in haar huis laten aanbrengen. Ik merk op dat het hof, anders dan de rechtbank, dit gedeelte van de verklaring van [betrokkene 2] niet voor het bewijs heeft gebruikt. Het hof had voormelde omstandigheden voor de volledigheid en ter kleuring van de situatie waarin [betrokkene 2] zich heeft bevonden naar mijn mening kunnen aanhalen, maar redengevend voor het bewezenverklaarde zijn zij strikt genomen niet.

5.10.

Voor zover wordt aangevoerd dat het opzet op bedoelde inbreuk ontbreekt, geldt het volgende. Voor het opzettelijk inbreuk maken op iemands persoonlijke levenssfeer is vereist dat de verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, heeft op het feit dat de desbetreffende persoon niet van zijn gedrag gediend is. Voor zover het oordeel van de steller van het middel steunt op de opvatting dat een in art. 285b Sr omschreven gedraging pas dan als inbreuk makend op de persoonlijke levenssfeer van een ander kan worden aangemerkt indien die ander te kennen heeft gegeven geen berichten van de verdachte meer te willen ontvangen, getuigt dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting. Die opvatting vindt geen steun in het recht en in het bijzonder niet in art. 285b Sr.4

5.11.

Het hof heeft klaarblijkelijk de inhoud van de berichten, in hun onderlinge samenhang en verband beschouwd bezien, van dien aard aangemerkt dat zij naar objectieve maatstaven bedreigend en intimiderend zijn - hiervoor onder 5.9 zijn tekstfragmenten opgenomen - en dat het niet anders kan zijn dan dat [betrokkene 2] deze placht te ervaren als een stelselmatige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer. Het hof heeft dan ook niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de verdachte gelet op de aard, inhoud en intensiteit van zijn gedragingen beseft moet hebben dat [betrokkene 2] daarvan niet was gediend.

5.12.

De voorgaande beschouwingen, waarin het totaalbeeld van de situatie is geschetst, brengen mij tot de slotsom dat het oordeel van het hof dat de verdachte door zijn handelen (e-mails en posts sturen), gelet op de aard, omvang, duur en intensiteit daarvan, met het daarvoor vereiste opzet inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [betrokkene 2] , niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is.5

5.13.

Het middel faalt.

6 Het derde middel

6.1.

Het derde middel klaagt ten aanzien van feit 2 over het bewijs van het bestanddeel ‘stelselmatig’ als bedoeld in art. 285b Sr.

6.2.

In zijn nadere bewijsoverwegingen heeft het hof in aanmerking genomen dat [betrokkene 2] op of omstreeks 2 januari 2006 en 4 januari 2006 kennis heeft genomen van de grote hoeveelheid door de verdachte geplaatste posts op haar website en dat zij op 16 en 17 februari 2006 op de hoogte is gesteld van de e-mailberichten die door de verdachte zijn achtergelaten via de website van [A] . Echter verderop, ten aanzien van de stelselmatigheid, overweegt het hof dat [betrokkene 2] op in ieder geval drie dagen kennis heeft genomen van de grote hoeveelheid aan haar gerichte correspondentie, die gedurende een periode van enkele maanden aan [A] was verzonden. Anders dan de steller van het middel meen ik dat deze laatste zinsnede niet in die zin moet worden begrepen dat het hof enkel het oog heeft gehad op de zevental e-mailberichten die via [A] zijn binnengekomen. Gelet op zijn eerdere overweging daaromtrent heeft het hof kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat [betrokkene 2] zowel op 2 als op 4 januari 2006 en op 16 en/of 17 februari 2006 (nadat zij op de hoogte was gebracht van een en ander) - het hof spreekt ook van ‘op in ieder geval drie dagen’- van alle aan haar gerichte berichten heeft kennis genomen. Dat deze gedachtegang meer in de rede ligt volgt tevens uit de voor het bewijs opgenomen verklaring van [betrokkene 2] bij de politie van 20 februari 2006. Daaruit kan worden afgeleid dat [betrokkene 2] alle ingekomen berichten van de verdachte heeft gelezen. Het moet er daarom voor worden gehouden dat het hof aan het einde van zijn overweging aangaande de stelselmatigheid abusievelijk de berichten die zijn binnengekomen via haar fanwebsite niet heeft aangehaald. Voor zover het middel aanvoert dat het hof bij zijn oordeel of sprake is van stelselmatigheid slechts zeven e-mailberichten heeft betrokken, faalt het dus.

6.3.

De toelichting op dit middel bestaat grotendeels uit een herhaling van een betoog dat terug te vinden in de toelichting op het vorige middel. Niet vreemd, gelet op de nauwe samenhang van de desbetreffende bestanddelen van belaging waarover wordt geklaagd. Aan het begrip ‘stelselmatig’ dient de betekenis van ‘een bepaalde intensiteit, duur en/of frequentie’ te worden gegeven waarbij kan worden gerefereerd aan ‘een voorbedacht plan’ (dus geen toeval). De stelselmatigheid moet van dien aard zijn, dat zij de gedragingen een indringend karakter geeft. De factoren die de Hoge Raad in zijn beoordelingskader ten aanzien van strafbare ‘belaging’ in acht neemt, zijn tevens van belang bij de vraag of sprake is van stelselmatigheid. Bij de bespreking van het vorige middel heb ik uitvoerig de aard, de duur, de frequentie ende intensiteit/indringendheid van verdachtes handelen aan de orde gesteld. Ik volsta met de verwijzing naar punt 5.3 ev. Gelet daarop (met name de bewijsvoering) en op hetgeen het hof ter beoordeling van de stelselmatigheid in aanmerking heeft genomen, geeft diens oordeel dat de verdachte ‘stelselmatig’ inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [betrokkene 2] niet blijk van een onjuiste uitleg van art. 285b lid 1 Sr. De bewezenverklaring is voorts ook in zoverre toereikend gemotiveerd.6

6.4.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

7 Het eerste middel

7.1.

Het eerste middel klaagt dat uit de bewijsmiddelen het onder 2 bewezenverklaarde bestanddeel ‘met het oogmerk om [betrokkene 2] te dwingen iets te dulden’ niet kan volgen. Omdat de berichten waren verzonden naar een professioneel e-mailadres resp. een website bestemd voor het publiek en de verdachte er nooit op is gewezen dat zijn berichten niet welkom waren, kan zonder nadere motivering niet worden gesteld dat het vereiste oogmerk is vervuld.

7.2.

Voor het bewijs van het voor belaging vereiste 'oogmerk' is voldoende dat de vastgestelde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer geëigend en bedoeld is om een persoon te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen. De verdachte heeft zich, zoals gezegd, ruim twee maanden bezig gehouden met het versturen van vele e-mailberichten aan [betrokkene 2] . In een onderzoek naar zijn stamboom heeft de verdachte aanleiding gezien om per e-mail contact met [betrokkene 2] op te nemen. De verdachte heeft haar hulp nodig. Zijn vermeende afkomst kan als rode draad in de berichtgeving aan [betrokkene 2] worden beschouwd. Vaak verwijst de verdachte daarnaar en zet een en ander af tegen zijn levensverhaal. Daarbij betrekt hij [betrokkene 2] in haar hoedanigheid als bekende televisiepersoonlijkheid, maar ook als persoon, bijvoorbeeld als moeder zijnde (van [betrokkene 3] ). Ook haar zoon [betrokkene 3] komt in zijn berichten regelmatig aan bod. Uit verdachtes e-mailberichten valt af te leiden dat hij een toekomst samen met [betrokkene 2] en haar zoon [betrokkene 3] wenst. Dat [betrokkene 2] niet bepaald gediend was van de berichten en de daarin beschreven (toekomst)plannen van de verdachte blijkt duidelijk uit haar verklaring van 20 februari 2006 bij de politie. In aanmerking genomen het uit de berichten van de verdachte af te leiden resultaat kan het oogmerk richting [betrokkene 2] worden afgeleid. De inbreuk van de verdachte op de persoonlijke levenssfeer van [betrokkene 2] heeft ertoe geleid dat zij de ontvangst van de voor haar bestemde posts en e-mailberichten afkomstig van de verdachte heeft moeten dulden en feitelijk gedwongen was te dulden dat stelselmatig contact met haar werd gezocht door de verdachte. Het vorenstaande brengt mee dat het hof het ‘oogmerk om te dwingen iets te dulden’ genoegzaam uit de bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden.

7.3.

Anders dan de steller van het middel meen ik dat in het onderhavige geval de omstandigheid dat de berichten zijn verzonden naar een professioneel e-mailadres dan wel website bestemd voor het grote publiek het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk maakt, nu de berichten [betrokkene 2] in persoon hebben bereikt (weliswaar via die publieke e-mailadressen), zij daarvan kennis heeft genomen en de bedoeling - het vereiste ‘oogmerk’ - van de verdachte die achter de berichtgevingen schuilt, overeind is gebleven.

7.4.

Tenslotte wil ik nog een enkele opmerking maken over de opgeworpen stelling dat de verdachte er nimmer op is geattendeerd dat zijn berichten niet welkom waren, hetgeen op het ontbreken van het oogmerkvereiste zou wijzen. Daarbij wordt verwezen naar een reactie van de redactie van [A] naar aanleiding van de ontvangst van het e-mailbericht van de verdachte van 9 december 2005, met de tekst: “Beste [verdachte] , bedankt voor het sturen van uw email naar de redactie van [A] .” In de eerste plaats betreft de reactie van de redactie kennelijk een automatisch genereerd bericht aan een ieder die (voor de eerste maal) een bericht op de website van [A] achterlaat ter attentie van [betrokkene 2] met het verzoek een helpende hand te bieden bij een probleem. Het ontvangen van deze mail (de ontvangstbevestiging) rechtvaardigt mijns inziens geenszins dat de redactie vervolgens als het ware wordt ‘overspoeld’ met ellenlange berichten van de verdachte, waarvan de inhoud bepaald niet alleen betrekking heeft op het verzochte stamboomonderzoek. In de tweede plaats is het, zoals reeds overwogen, voldoende dat het oogmerk om te dwingen te dulden uit verdachtes gedragingen kan worden afgeleid. Waarom dit afhankelijk moet worden gesteld aan het feit dat aan hem tevoren is medegedeeld dat zijn gedragingen al dan niet wenselijk zijn, vermag ik niet in te zien. Het normale sociale verkeer zou, indien een dergelijke opvatting algemeen ware, wel erg snel ontsporen. Daarenboven vindt die opvatting - dat het oogmerk pas aanwezig kan zijn als aan de verdachte kenbaar is gemaakt dat zijn contact ongewenst is, evenmin steun in art. 285b Sr.

7.5.

Het middel faalt.

8 Het vierde middel

8.1.

Het vierde middel klaagt ten aanzien van feit 3-B (belaging van [betrokkene 1] , de ex-vriendin van de verdachte) dat de bewijsmiddelen de bewezenverklaring niet kunnen dragen wat betreft het bestanddeel ‘opzettelijk inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van [betrokkene 1] ’. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat aan de bewezenverklaarde handelingen, die op zichzelf beschouwd niet bezwaarlijk en ongepast hoeven te zijn, niet zonder meer de conclusie kan worden verbonden dat sprake is geweest van een opzettelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [betrokkene 1] , nu aan de verdachte nooit te kennen is gegeven dat zijn contact niet op prijs werd gesteld.

8.2.

Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 3-B bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 1 mei 2003 tot 1 oktober 2005 te Leeuwarden wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [betrokkene 1] met het oogmerk om [betrokkene 1] te dwingen iets te dulden, immers heeft hij,

- in voornoemde periode poststukken/brieven verstuurd naar het adres van en

geadresseerd aan [betrokkene 1] ,

- in voornoemde periode poststukken/brieven verstuurd naar het adres van [betrokkene 1] en geadresseerd aan de vader van [betrokkene 1] , te weten [betrokkene 4] ,

- in voornoemde periode poststukken/brieven op het werk van [betrokkene 1]

afgeleverd, welke poststukken/brieven geadresseerd waren aan [betrokkene 1] of aan een of meer collega's van [betrokkene 1] ,

- in voornoemde periode rond het werk van [betrokkene 1] rondgelopen en/of naar binnen gegluurd en/of rondgehangen,

- in voornoemde periode rond het werk van [betrokkene 1] een collega van [betrokkene 1] aangesproken en tegen die collega gezegd dat hij, verdachte, in gevecht met [betrokkene 1] was en

- in de periode juni 2005 en/of juli 2005 rond het werk van [betrokkene 1] met zijn hoofd tegen een raam gebonkt.”

8.3.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“8. De verklaring van de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik werkte in hetzelfde kantoor als [betrokkene 1] . De personen aan wie ik brieven stuurde, waren mijn ex-manager en mijn ex-collega’s. Ik heb poststukken en brieven gestuurd aan [betrokkene 1] en/of aan haar vader. De vader van [betrokkene 1] zei mij dat zij de sportschool niet meer wilde en dat zij andere dingen wilde zien. Ik heb daarop de sportschool verkocht om een ander leven te gaan leiden. Ik heb [betrokkene 1] en haar vader daarvan op de hoogte gebracht met mijn brieven. Ik bleef hen hierover informeren.

9. Een proces-verbaal van aangifte van 4 oktober 2005 met nummer 2005094350-1 (doorgenummerde bladzijden 47-51 van het ‘Voorgeleidingsverbaal’), in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , voor zover inhoudende als de op 30 september 2005 door [betrokkene 1] afgelegde verklaring, zakelijk weergegeven:

Ik heb een relatie met [verdachte] gehad. De relatie duurde van december 1999 tot mei 2002. Sinds 2002 stuurt [verdachte] brieven naar het adres van mijn vader. Op dat moment was ik nog woonachtig bij mijn vader. De brieven zijn onder andere ook aan mijn vader gericht, echter de inhoud is vaak aan mij gericht of betreft mij als persoon. [verdachte] schrijft onder andere in deze brieven of hij mij wel of geen rust gunt. Door deze brieven en uitspraken voel ik mij in mijn persoonlijke levenssfeer aangetast. Hij schrijft nu ook brieven naar mijn werk. Afgelopen juli 2005 heeft [verdachte] twee dagen voor mijn werk langs gelopen. Ik werk bij de jeugdreclassering aan de Westersingel te Leeuwarden. Op dat moment was ik aan het werk. Op 17 en 18 augustus 2005 heeft [verdachte] vier brieven afgeleverd bij mij op het werk. Eén brief was aan mij en aan mijn directeur gericht. En één brief aan mijn collega en twee brieven aan zijn toenmalige manager. Tevens heeft [verdachte] op die dagen rond het bureau gelopen en naar binnen gegluurd. Tevens heeft [verdachte] mijn collega, [betrokkene 5] , aangesproken. Hij heeft tegen [betrokkene 5] gezegd dat hij in gevecht was met mij. Ook heb ik gehoord dat [verdachte] met zijn hoofd tegen een raam heeft staat bonken. Dit hele gebeuren heeft een behoorlijke invloed op mijn leven. Ik zit momenteel in de ziektewet door dit hele gebeuren. Ik heb aangevraagd bij mijn werkgever om overgeplaatst te worden.

10. Een proces-verbaal van aangifte met nummer 2006050559-1 van 29 mei 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , voor zover inhoudende als de op die datum afgelegde verklaring van [betrokkene 6] , namens Stichting Jeugdzorg Friesland, zakelijk weergegeven:

[verdachte] heeft een relatie gehad met een van de medewerksters van Bureau Jeugdzorg te Leeuwarden, genaamd [betrokkene 1] (het hof begrijpt: [betrokkene 1] ). Het bureau Jeugdzorg heeft van [verdachte] brieven en videoboodschappen ontvangen. [verdachte] is in juni of juli 2005 twee dagen lang bij onze organisatie langs gelopen en heeft met zijn hoofd tegen het raam staan bonken. Tevens heeft [verdachte] verschillende keren door de ramen staan gluren terwijl er in die ruimte een overleg gaande was.

11. Een proces-verbaal met nummer 2006050441-1 van 29 mei 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] , voor zover inhoudende de op die datum afgelegde verklaring van [betrokkene 4] , zakelijk weergegeven:

Mijn adres is [a-straat 1] in [plaats] . Ik doe aangifte tegen [verdachte] . [verdachte] had een relatie met mijn dochter. Wij hebben vanaf februari 2003 tot september 2005 vele brieven van [verdachte] ontvangen. Afschriften van deze brieven heb ik overgelegd aan het parket in Amsterdam.

12. Een geschrift, zijnde een brief van [betrokkene 1] , kennelijk gericht aan de politie en/of het openbaar ministerie, als doorgenummerde bladzijden 1 en 2 in het dossier gevoegd achter tabblad ‘Bijlage A’, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Vanaf eind november 2003 zijn de volgende poststukken binnen gekomen bij mijn familie. Van 22 april 2004 tot en met 31 augustus 2005 is negen keer een poststuk bezorgd.

13. Geschriften, zijnde bijlagen bij het onder 12 genoemde geschrift, betreffend kopieën van de enveloppen en de inhoud daarvan, genummerd 1 tot en met 9, als doorgenummerde bladzijden 5 tot met 88 gevoegd achter tabblad ‘Bijlage A’, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

De enveloppen zijn geadresseerd: [a-straat 1] , [plaats]. De brieven zijn gericht aan [betrokkene 4] , […], […] en/of [betrokkene 1] .

14. Een geschrift, zijnde een kopie van de envelop en de inhoud daarvan als doorgenummerde bladzijden 1 tot met 5 gevoegd achter tabblad ‘Bijlage B’, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

[betrokkene 1] , gedateerd 25 juni 2003.

15. Geschriften, zijnde kopieën van enveloppen en de inhoud daarvan als doorgenummerde bladzijden 1 tot met 20 gevoegd achter tabblad ‘Bijlage C’, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

De enveloppen zijn geadresseerd: [betrokkene 4] , [a-straat 1] , [plaats] . De brieven zijn gedateerd 22 mei 2003 tot en met 6 mei 2005.”

8.4.

Het bestreden arrest bevat daarnaast onder meer de volgende nadere bewijsoverwegingen:

“Aangeefster [betrokkene 1] heeft gedurende een periode van twee en een half jaar moeten dulden dat de verdachte haar of haar vader post toestuurde, haar collega’s brieven schreef en bij het kantoor waar zij werkte verscheen.

(…)

Het hof stelt vast dat de gedragingen van de verdachte gericht waren op de persoon van beide aangeefsters, in dier leef- en/of werkomgeving. Gelet op de aard, inhoud en intensiteit van de gedragingen moet de verdachte voorts hebben beseft dat de aangeefsters niet van zijn gedragingen gediend waren, hetgeen hem echter niet ervan heeft weerhouden zijn gedrag te ontplooien. Door het handelen van de verdachte is aldus met het daarvoor vereiste opzet inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van beide aangeefsters.”

8.5.

Voor zover het middel steunt op de opvatting dat een in art. 285b Sr omschreven gedraging pas dan als inbreuk makend op de persoonlijke levenssfeer van een ander kan worden aangemerkt indien die ander te kennen heeft gegeven geen contact meer met de verdachte te willen hebben, stuit het af op het hiervoor onder 5.10 overwogene.

8.6.

Het hof heeft vastgesteld dat de gedragingen van de verdachte gericht waren op de persoon van [betrokkene 1] gepleegd in haar leef- en werkomgeving, en dat de verdachte gelet op de aard, inhoud en intensiteit van zijn gedragingen beseft moet hebben dat [betrokkene 1] daarvan niet was gediend. De voor het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, houdt in dat de verdachte poststukken en brieven heeft gestuurd aan [betrokkene 1] en aan haar vader en dat hij hen bleef informeren (bewijsmiddel 8). [betrokkene 1] heeft verklaard dat de verdachte na het beëindigen van hun relatie haar en haar vader vele brieven heeft gestuurd. Door de inhoud van die brieven voelde [betrokkene 1] zich in haar persoonlijke levenssfeer aangetast, omdat die meestal haar als persoon betroffen. In die brieven schrijft de verdachte bijvoorbeeld dat hij haar of wel of geen rust gunt. Ook verklaart [betrokkene 1] dat er brieven van de verdachte zijn binnengekomen op haar werk, dat verdachte meerdere malen bij haar werk rond heeft gehangen, daar naar binnen heeft gegluurd en met zijn hoofd tegen het raam heeft gebonkt. Tegen een collega zou de verdachte hebben gezegd dat hij met haar in gevecht was. Door het hele gebeuren is [betrokkene 1] in de ziektewet beland en heeft zij bij haar werkgever een aanvraag gedaan voor overplaatsing (bewijsmiddel 9). De verklaring van [betrokkene 1] wordt ondersteund door de verklaring van [betrokkene 6] van Stichting Jeugdzorg Friesland (bewijsmiddel 10), de verklaring van de vader van [betrokkene 1] (bewijsmiddel 11) en de aan de politie overgelegde poststukken en brieven afkomstig van de verdachte (bewijsmiddelen 12 tot en met 15). Gelet op deze uit de bewijsmiddelen voortvloeiende feiten en omstandigheden, heeft het hof kennelijk de bewezen verklaarde gedragingen van de verdachte als van dien aard aangemerkt dat [betrokkene 1] deze pleegde te ervaren als een stelselmatige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer en dat het niet anders kan zijn dan de verdachte zich daarvan bewust moet zijn geweest. Hierbij dient de omstandigheid te worden betrokken dat juist het verbreken van de relatie erop wijst dat [betrokkene 1] geen contact meer met de verdachte wenste, zeker niet in de in de bewezenverklaring beschreven vormen. Dat deze voorgeschiedenis invloed heeft gehad op de mate van indringendheid van de bewezenverklaarde gedragingen en de invloed daarvan op het persoonlijke leven van [betrokkene 1] , lijkt mij evident. Het oordeel van het hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en het is evenmin onbegrijpelijk.

8.7.

Gelet op de voorgaande beschouwingen geeft het oordeel van het hof dat de verdachte door zijn handelen, gelet op de aard, omvang, duur en intensiteit daarvan, met het daarvoor vereiste opzet inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [betrokkene 1] , geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het geenszins onbegrijpelijk.

8.8.

Het middel faalt.

9 Het vijfde middel

9.1.

Het vijfde middel borduurt voort op het vierde middel en klaagt ten aanzien van feit 3-B dat uit de bewijsmiddelen het vereiste oogmerk bij de verdachte om [betrokkene 1] te dwingen iets te dulden niet kan worden afgeleid.

9.2.

In dit middel wordt, evenals in het vorige middel, als uitgangspunt genomen dat bij de verdachte geen opzet heeft bestaan op het maken van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [betrokkene 1] , zodat niet gesteld kan worden dat het verdachtes bedoeling is geweest om [betrokkene 1] te dwingen iets te dulden. Gelet op het falen van het vierde middel, gaat die redenering al mank.

9.3.

Op grond van de hierboven weergegeven bewijsmiddelen, heeft het hof vastgesteld (en kunnen vaststellen) dat [betrokkene 1] gedurende een lange periode - daarbij neem ik in ogenschouw dat de door het hof bewezenverklaarde periode thans nog nagenoeg één jaar bedraagt vanwege het verjaarde deel van de periode - heeft moeten dulden dat de verdachte haar of haar vader post toestuurde, haar collega’s brieven schreef en bij het kantoor waar zij werkte verscheen. De verdachte heeft aldus met zijn handelen [betrokkene 1] gedwongen feitelijk te dulden stelselmatig contact met hem te hebben. Zo kan uit het nadrukkelijk in de buurt van het werk van [betrokkene 1] ophouden, daar naar binnen te gluren en met zijn hoofd tegen het raam te bonken, onmiskenbaar volgen dat de verdachte het oogmerk had [betrokkene 1] te dwingen zijn aanwezigheid te dulden. Het hof heeft derhalve zonder meer het vereiste oogmerk uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden. Diens oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. De bewezenverklaring is ook in dit opzicht toereikend gemotiveerd.

9.4.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

10 Het zesde middel

10.1.

Het zesde middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

10.2.

Namens de verdachte is op 27 november 2014 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezet stempel op 24 september 2015 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dit betekent dat de inzendtermijn, die acht maanden bedraagt, met bijna twee maanden is overschreden. Het verzuim dient volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad te leiden tot strafvermindering.

10.3.

Het middel slaagt.

11. Het eerste, tweede, derde, vierde en vijfde middel falen en kunnen met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan. Het zesde middel slaagt, hetgeen ertoe zal dienen te leiden dat de Hoge Raad de opgelegde straf verlaagt.

12. Gronden die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden, heb ik niet aangetroffen.

13. Deze conclusie strekt ertoe dat:

- de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, doch uitsluitend ten aanzien van de beslissingen ter zake van de onder 3-B tenlastegelegde feit voor zover die zijn begaan in de periode van 1 mei 2003 tot en met de datum dat de Hoge Raad uitspraak doet, minus twaalf jaar, alsmede ten aanzien van de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- de officier van justitie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging wat betreft het onder 3-B tenlastegelegde feit voor zover die zijn begaan in voormelde periode;

- de Hoge Raad de opgelegde gevangenisstraf zal verminderen in de mate als hem gepast acht;

- het beroep voor het overige zal verwerpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. o.m. HR 15 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ2769 en HR 20 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2535.

2 Ervan uitgaande dat de Hoge Raad in november 2016 uitspraak zal doen.

3 In zijn arrest van 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3625 oordeelde de Hoge Raad dat de omstandigheid dat de verdachte slechts een beperkt aantal (drie) sms-berichten in een periode van een week had verstuurd, er niet aan in de weg stond om in dat specifieke geval een stelstelmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer aan te nemen. Daarbij speelde een rol dat de berichten gaandeweg specifieker en indringender werden, refereerden aan de functionele betrokkenheid van de aangeefster bij een grootschalig opsporingsonderzoek naar wapenhandel, leidden tot angst voor de veiligheid van haar en haar kinderen en tot ontwrichting van haar sociale leven en haar belemmerden in haar werk.

4 Vgl. HR 2 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1447, rov. 3.5.

5 Vgl. o.m. HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4855.

6 Anders: bijv. HR 11 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:533 (het oordeel van het hof dat sprake was van 'stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer' als bedoeld in art. 285b Sr was niet zonder meer begrijpelijk).