Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1031

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-08-2016
Datum publicatie
03-01-2017
Zaaknummer
15/03314
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:3, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag ex art. 94 Sv op auto onder klager. 1. Strafvorderlijk belang niet meer aanwezig, teruggave auto aan beslagene dan wel andere rechthebbende. 2. Verbeterde lezing overzichtsbeschikking ECLI:NL:HR:2010:BL2823 door HR.

Ad 1. Zowel klager als B stellen eigenaar te zijn van auto. OvJ stelt zich op het standpunt dat het strafvorderlijk belang zich niet verzet tegen teruggave van auto. Rb verklaart klaagschrift van B ongegrond, nu B niet met stukken heeft kunnen onderbouwen dat zij de rechtmatige eigenaar van auto is. Rb verklaart klaagschrift van klager ongegrond, omdat zij niet kan beoordelen of klager een geldige aanspraak op auto heeft. HR herhaalt relevante overwegingen uit overzichtsbeschikking ECLI:NL:HR:2010:BL2823 m.b.t. toepasselijke maatstaf en verplichting rechter te beslissen indien OM te kennen geeft dat belang van strafvordering zich niet meer tegen teruggave verzet. Gelet hierop had Rb beklag van klager gegrond moeten verklaren en ex art. 552a.7 Sv de daarmee overeenkomende last behoren te geven.

Ad 2. HR tekent aan dat rov. 2.11 van voormelde overzichtsbeschikking moet worden gelezen zonder de tussen gedachtestrepen gezette zinsnede m.b.t. de situatie waarin degene tegen wie het strafrechtelijk onderzoek is gericht het voor beslag vatbare voorwerp in de feitelijke macht van een ander heeft gebracht. Bij nader inzien is er geen reden die ander, onder wie ex art. 94 Sv beslag is gelegd, als “derde” en niet als beslagene aan te merken. Indien het belang van strafvordering niet (meer) aanwezig is, dient het inbeslaggenomen voorwerp aan deze, als beslagene, te worden teruggegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 15/03314 B

Zitting: 30 augustus 2016

Mr. G. Knigge

Conclusie inzake:

[klager]

  1. De rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, heeft bij beschikking van
    9 juni 2015 het door de klager ingediende klaagschrift strekkende tot teruggave aan hem van het in de bovenvermelde beschikking genoemde voorwerp ongegrond verklaard.

  2. Namens de klager is beroep in cassatie ingesteld. Namens de klager heeft mr. J.S. Nan, advocaat te Dordrecht, een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij niet kan beoordelen of de klager een geldige aanspraak heeft op het in beslag genomen voorwerp, nu de officier van justitie zich op het standpunt heeft gesteld dat het strafvorderlijk belang zich niet verzet tegen teruggave van het onder de klager in beslag genomen voorwerp.

  4. De bestreden beschikking houdt omtrent het beklag het volgende in:

"De rechtbank gaat bij de beoordeling van het onderhavige beklag uit van de navolgende feiten en omstandigheden:

1. onder [klager] is op 28 september 2014 in beslag genomen: een personenauto, merk Ford Focus, kenteken [AA-00-AA];

2. beslagene heeft geen afstand gedaan van hetgeen in beslag is genomen.

Overwegingen

[klager] heeft aangevoerd dat de auto onder hem in beslag is genomen ter zake verdenking van een strafbaar feit. Klager stelt eigenaar te zijn van die auto. Het strafvorderlijk belang verzet zich niet tegen teruggave van de auto. Door het voortduren van de inbeslagneming wordt niet alleen klager benadeeld, maar tevens zijn familiekring. Mede krachtens het beginsel van onschuldpresumptie wenst klager teruggave van voornoemde auto.

[betrokkene 1] heeft aangevoerd dat haar ex-partner de autopapieren uit haar auto heeft gestolen en de auto heeft overgeschreven op naam van zijn vriend [klager]. Klaagster heeft hiervan aangifte gedaan. Klaagster heeft rekeningafschriften en een kentekenbewijs overgelegd om aan te tonen dat zij de rechtmatige eigenaar van de auto is.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het strafvorderlijk belang zich niet verzet tegen teruggave van de in beslag genomen auto. Nu het in het midden blijft aan wie de auto toebehoort, is het uitgangspunt dat het beslag teruggeven dient te worden aan degene onder wie het in beslag is genomen. In dit geval is dat [klager].

De rechtbank oordeelt als volgt. [betrokkene 1] heeft haar standpunt dat zij de rechtmatige eigenaar van de auto is, niet kunnen onderbouwen met stukken. Dat het zo gegaan is als zij heeft verklaard, kan de rechtbank op basis van de thans voorliggende stukken niet vaststellen. Het klaagschrift van [betrokkene 1] zal daarom ongegrond worden verklaard.

Dat [klager] civielrechtelijk een sterker recht op de auto heeft, kan de rechtbank eveneens niet vaststellen, omdat niet vastgesteld kan worden dat [klager] een koper te goeder trouw is geweest (artikel 3:86, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek). De rechtbank kan daarom niet beoordelen of [klager] een geldige aanspraak heeft op het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp en verklaart het klaagschrift van [klager] om die reden ongegrond.

De officier van justitie heeft aangegeven dat de ex-partner van [betrokkene 1] als verdachte is aangemerkt in de onderliggende strafzaak. Mocht deze verdachte nog worden gedagvaard, dan zal de zittingsrechter een beslissing moeten nemen over het beslag. Indien dagvaarding achterwege blijft, zal de officier van justitie een beslissing over het beslag dienen te nemen."

5. In een geval als het onderhavige, waarin de officier van justitie zich op het standpunt heeft gesteld dat het belang van de strafvordering het voortduren van het op de voet van art. 94 Sv gelegde beslag niet meer vordert, mag de beklagrechter niet in de beoordeling van dit punt treden.1 In dat geval dient de beklagrechter de teruggave van het voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.2 De beklagrechter dient dus niet (nader) te onderzoeken of de beslagene redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.3

6. De rechtbank heeft dit miskend. In haar overweging dat zij op basis van de thans voorliggende stukken niet kan vaststellen dat [betrokkene 1] de rechtmatige eigenaar van de auto is, lijkt besloten te liggen dat zich het uitzonderingsgeval waarin een ander dan de beslagen redelijkerwijs als rechthebbende moet worden aangemerkt, zich niet voordoet, zodat de rechtbank de teruggave van de auto aan de klager had moeten gelasten. 4 Het middel klaagt daarover terecht.

7. Mogelijk is de rechtbank op het verkeerde been gezet door rov. 2.11 van de reeds door mij in voetnoot 1 aangehaalde overzichtsbeschikking van de Hoge Raad. Die overweging luidt als volgt:

“In een geval waarin het belang van strafvordering het voortduren van een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag niet meer vordert en waarin een derde – als zodanig kan ook gelden degene onder wie het beslag feitelijk is gelegd, maar tegen wie het strafrechtelijk onderzoek niet is gericht – op de voet van art. 552a Sv een klaagschrift heeft ingediend strekkende tot teruggave, dient de rechter te beoordelen of de klager die stelt rechthebbende te zijn, inderdaad redelijkerwijze als rechthebbende op het inbeslaggenomene kan worden aangemerkt.”

Op het eerste gezicht wordt de beslagene (“degene onder wie het beslag feitelijk is gelegd”) in deze overweging aangemerkt als een “derde”, zodat de beklagrechter ingeval van een door de beslagene ingediend klaagschrift dient te onderzoeken of die beslagene “inderdaad redelijkerwijs als rechthebbende op het inbeslaggenomene kan worden aangemerkt”. Dat echter kan, gezien hetgeen in rov. 2.8 van diezelfde overzichtsbeschikking is gesteld, niet de bedoeling zijn. Hoe de weergegeven overweging dan wel moet worden begrepen, is een vraag die hier in het midden kan blijven. Ik merk slechts op dat de Hoge Raad mogelijk het oog heeft op de situatie waarin “degene onder wie het beslag feitelijk is gelegd” juist niet de beslagene is (dat is dan degene onder wie het beslag niet feitelijk, maar wel juridisch gezien is gelegd).

8. Ik merk nog het volgende op. Het probleem waarvoor de rechtbank zich zag geplaatst, was mogelijk dat zij moeilijk over de juistheid van de beweringen van [betrokkene 1] kon oordelen zonder vooruit te lopen op de uitkomst van de onderliggende strafzaak waarin de ex van [betrokkene 1] als verdachte was aangemerkt. Wellicht achtte zij het daarom wijs om de beslissing aan de zittingsrechter over te laten en in afwachting daarvan beide klaagschriften ongegrond te verklaren. Die mogelijkheid kent de beklagprocedure echter niet, net zo min als zij de mogelijkheid kent om de bewaring ten behoeve van de rechthebbende te gelasten. Wat misschien nog wel een begaanbare weg was geweest, is dat de rechtbank de beslissing op de klaagschriften had aangehouden totdat de zittingsrechter had geoordeeld, aangenomen tenminste dat dit oordeel binnen afzienbare tijd viel te verwachten. Als onzeker blijft of in de onderliggende strafzaak zal worden gedagvaard, ligt die oplossing niet in de rede.

9. Ik heb mij afgevraagd of de Hoge Raad zelf in de zaak zou kunnen voorzien, nu de rechtbank het klaagschrift van [betrokkene 1] ongegrond heeft verklaard en tegen die beschikking naar het zich laat aanzien geen beroep in cassatie is ingesteld. Dat laatste staat in cassatie echter niet vast. Daar komt bij dat ik niet uitsluit dat de rechtbank anders zou hebben geoordeeld als zij er zich bewust van was geweest dat de beslissing niet aan de zittingsrechter kan worden overgelaten. Ik merk daarbij op dat het weliswaar de vraag is of [betrokkene 1] in een eventuele door haar ingediend tweede klaagschrift zal kunnen worden ontvangen, maar dat zij in elk geval na terug- of verwijzing als belanghebbende zal moeten worden opgeroepen.

10. Het middel is terecht voorgesteld.

11. Gronden waarop de bestreden beschikking ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, zijn door mij niet aangetroffen.

12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot terugwijzing of verwijzing van de zaak als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie de overzichtsbeschikking van de Hoge Raad van 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ2010/654, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.10.

2 Zie dezelfde overzichtsbeschikking, rov. 2.8.

3 Zijn recht op het voorwerp ontleent de beslagene aan het feit dat hij ten tijde van de inbeslagneming bezitter of houder van dat voorwerp was.

4 Vgl. HR 15 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS1803 en HR 18 december 2007, ECLI:NL:HR:BB8869, NJ 2008/35.