Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1029

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-08-2016
Datum publicatie
25-10-2016
Zaaknummer
15/05945
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2418
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag. Beslag onder verschoningsgerechtigde (advocaat). Ingevolge art. 98.4 Sv kan de verschoningsgerechtigde tegen de beschikking van de R-C ex art. 552a Sv een klaagschrift indienen bij de Rb. Nu de Rb. heeft vastgesteld dat de klager m.b.t. de bedoelde bestanden zich op zijn verschoningsrecht heeft beroepen en de R-C daaromtrent (nog) niet heeft beslist, had de Rb. de behandeling van het klaagschrift dienen aan te houden en de stukken in handen van de R-C moeten stellen teneinde een beschikking te geven a.b.i. art. 98.1 Sv. Het oordeel van de Rb. dat het klaagschrift in afwachting van de beschikking van de R-C ongegrond moet worden verklaard, is onjuist. Volgt terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 15/05945 Bv

Zitting: 30 augustus 2016

Mr. G. Knigge

Conclusie inzake:

[klager]

  1. De rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar, heeft bij beschikking van 20 november 2015 het klaagschrift van de klager, strekkende tot opheffing van het beslag op stukken en digitale bestanden die onder zijn verschoningsrecht als advocaat vallen en tot teruggave daarvan, partieel ongegrond verklaard.

  2. Namens de klager hebben mr. F.G.L. van Ardenne en mr. R.J.E. Merkus, beiden advocaat te Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.1 Het door de officier van justitie op 27 november 2015 ingestelde cassatieberoep is blijkens de daarvan opgemaakte akte op 7 juli 2016, en dus tijdig, ingetrokken. 2

3 De procesgang

3.1.

De bestreden beschikking heeft betrekking op twee klaagschriften. De eerste, gedateerd 27 mei 2015, is op de griffie van de rechtbank binnengekomen op 28 mei 2015. De tweede, gedateerd 21 oktober 2015, is gepresenteerd als een aanvullend klaagschrift en is binnengekomen op 21 oktober 2015. De bestreden beschikking houdt hierover, onder het kopje “Ontstaan en loop van de procedure” onder meer het volgende in:

“Het klaagschrift gedateerd 27 mei 2015 strekt tot opheffing van het gelegde beslag op, met last tot teruggave aan klager van:

- de op 18 mei 2015 op het kantooradres van klager ( [b-straat] ) inbeslaggenomen goederen;

- de op 18 mei 2015 op het toenmalige privéadres van klager ( [a-straat 1] , [plaats] ) inbeslaggenomen goederen.

(…)

Op 15 oktober 2015 heeft de rechter-commissaris beschikt (art. 98 Sv) dat zij de inbeslagname toestaat van 15 documenten, waarvan 7 documenten aangetroffen bij klager en 8 documenten aangetroffen bij [medeverdachte] , medeverdachte in de strafzaak tegen klager:

Het klaagschrift gedateerd 21 oktober 2015 strekt tot opheffing van het gelegde beslag op, met last tot teruggave aan klager van:

- de 15 documenten genoemd in de beschikking van de rechter-commissaris van 15 oktober 2015.”

3.2.

Het “nadere klaagschrift” van 21 oktober 2015 heeft gelet op het voorgaande betrekking op het oordeel dat de rechter-commissaris gaf.3 Het moet er derhalve voor worden gehouden dat dit klaagschrift een klaagschrift is als bedoeld in art. 98 lid 4 Sv gericht tegen de beschikking van de rechter-commissaris. Die beschikking heeft, zoals uit het voorgaande blijkt, niet alleen betrekking op hetgeen onder klager op zijn kantoor en privéadres in beslag genomen is (waartoe het eerste klaagschrift zich beperkt), maar ook op documenten aangetroffen bij een medeverdachte van klager ( [medeverdachte] ).

3.3.

De rechtbank heeft zich in de bestreden beschikking niet beperkt tot hetgeen waartoe de beide klaagschriften strekten volgens haar onder het kopje “Omvang en loop van de procedure” gegeven vaststelling. Onder het kopje “Omvang van het beslag” overweegt de rechtbank onder meer:

“Het voorgaande betekent dat zowel op het kantooradres van klager, zijn verblijfadres van destijds en door latere beschikbaarstelling goederen onder klager in beslag zijn genomen. Daarnaast zijn er goederen onder medeverdachte [medeverdachte] en onder getuige [getuige] in beslag genomen, waarop volgens klager zijn verschoningsrecht rust. Nu het klaagschrift, zo begrijpt de rechtbank, zich uitstrekt over al deze goederen, terwijl in het dossier geen duidelijke lijst voorhanden is, wordt hieronder kort aangegeven welke goederen de rechtbank in haar oordeel heeft betrokken.

Kantooradres klager: [b-straat 1] te [plaats]

• een externe harde schijf (gesloten envelop procedure), waarop na het invoeren van de zoekterm “ [medeverdachte] ” in het systeem Viktor (in gebruik vanaf 2008) veertien bestanden zijn gevonden en gekopieerd. In beslag genomen op 18 mei 2015.

• een kopie van de inbox (gesloten envelop procedure) van klager, op 19 mei 2015 door de ICT-medewerker van het advocatenkantoor persoonlijk afgeleverd op het kantoor van de FIOD in Amsterdam en aldus op die datum inbeslaggenomen:

Naar aanleiding van de doorzoeking van het kantoor van klager zijn op een later moment inbeslaggenomen:

• mogelijk relevante dossiers opgeslagen bij archiefbedrijf [A] , zonder inzage afgegeven aan Kabinet RC op 26 mei 2015 na een vordering ex artikel 96a Sv en aldus op 26 mei 2015 in beslag genomen,

• dossiers, na een vordering 126nd Sv, welke op 15 september 2015 door [betrokkene 1] aan het Kabinet RC ter beschikking zijn gesteld.

Ten aanzien van voorgaande inbeslaggenomen goederen die allemaal te relateren zijn aan het kantoor van klager staat niet ter discussie dat deze moeten worden beschouwd als inbeslaggenomen onder een verschoningsgerechtigde. De rechter-commissaris heeft deze inbeslagneming blijkens haar beschikking en het proces-verbaal van doorzoeking ook als zodanig beschouwd.

Verblijfadres klager

Uit de lijst van inbeslaggenomen goederen locatie [a-straat 1] te [plaats] blijkt dat op 18 mei 2015 op het verblijfadres van klager in beslag is genomen:

• 62 stuks usb-sticks

• iMac Apple

• iPad3 Apple

• laptop Samsung NP-R710 snr GM5293GS200234R en voeding

• usb-stick [betrokkene 1] 2GB

Uit de stukken blijkt dat tijdens die doorzoeking tevens aanwezig waren de Deken van de Orde van Advocaten en de portefeuillehouder strafrecht tevens lid van de Raad van Toezicht. Ten aanzien van de bestanden op de gegevensdragers/computer/tablet/laptop is in het proces-verbaal van doorzoeking vermeld dat deze uitsluitend zullen worden bekeken door de FIOD geheimhouder medewerkers.

Volgens een mondelinge toelichting van de rechter-commissaris zou klager zich niet op zijn verschoningsrecht hebben beroepen. Tijdens de behandeling in raadkamer heeft klager meegedeeld dat hij zich bij de doorzoeking ook ten aanzien van deze goederen heeft beroepen op zijn verschoningsrecht. De officier van justitie heeft bevestigd dat klager zich in de [a-straat] (ten aanzien van een aantal goederen) heeft beroepen op zijn verschoningsrecht. Naar het oordeel van de rechtbank dienen de in de [a-straat] inbeslaggenomen goederen derhalve ook te worden beschouwd als inbeslaggenomen onder een verschoningsgerechtigde. De rechter-commissaris heeft zich in haar beschikking niet over de beoordeling van de op de [a-straat] inbeslaggenomen goederen uitgelaten.

[getuige]

Tijdens het verhoor van getuige [getuige] kwam een notitie ter sprake van klager aan [medeverdachte] . Die notitie was in het bezit van [getuige] en is inbeslaggenomen.

• een notitie van klager aan [medeverdachte] , op 19 juli 2015 door [getuige] aan de rechter-commissaris ter beschikking gesteld na een vordering 126nd Sv en aldus op die datum inbeslaggenomen.

Naar het oordeel van de rechtbank dient de onder [getuige] inbeslaggenomen notitie, gezien de inhoud, te worden beschouwd als een document, dat onder het verschoningsrecht van klager valt. De rechter-commissaris heeft zich in haar beschikking niet over de beoordeling van deze notitie uitgelaten.

[medeverdachte]

Uit de lijst van inbeslaggenomen goederen locatie [c-straat 1] te [plaats] blijkt dat op 18 mei 2015 op het verblijfadres van [medeverdachte] , medeverdachte in de strafzaak tegen klager, diverse documenten, ordners, harde schijven, etcetera in beslag zijn genomen. Ten aanzien van een aantal, goederen is een gesloten envelop procedure gehanteerd. De overige goederen betreffen volgens een mondelinge toelichting van de rechter- commissaris geen geheimhouderstukken. Van een viertal inbeslaggenomen goederen (gesloten-envelop procedure) heeft de rechter-commissaris bepaald dat het om een geheimhouderstuk gaat. Het betreft:

• diverse bescheiden inzake [B]

• een zwarte ordner “Memorie van Grieven [getuige] Hof 03062014”

• een zwarte ordner “ [getuige] 2013”

• (een groen/witte ordner “ [...] Advocaten).

Naar het oordeel van de rechtbank dienen deze vier genoemde onder [medeverdachte] inbeslaggenomen bescheiden te worden beschouwd als documenten, die onder het verschoningsrecht van klager vallen.”

3.4.

Ten aanzien van alle stukken en bestanden die aldus naar het oordeel van de rechtbank onder het verschoningsrecht van de klager vallen, heeft zij in de bestreden beschikking een beslissing gegeven. Daarbij onderscheidde zij drie categorieën:
(1) Documenten waarvan de rechter-commissaris, na te hebben geconcludeerd dat sprake was van zeer uitzonderlijke omstandigheden die een doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigen, heeft geoordeeld dat zij relevant zijn voor het onderzoek; het gaat hier om de vijftien documenten waarop het “aanvullende klaagschrift” specifiek zag.
(2) Documenten en bestanden waarvan de rechtercommissaris oordeelde dat zij relevantie misten en
(3) Documenten en bestanden die door de rechter-commissaris nog niet zijn beoordeeld.

4 Het eerste middel

4.1.

Het middel heeft betrekking op de vijftien documenten waarvan de rechter-commissaris heeft geoordeeld dat zij relevant zijn voor het onderzoek. Het middel klaagt dat de rechtbank ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat klagers beklag in zoverre ongegrond is. In het bijzonder keert het middel zich tegen het oordeel van de rechtbank dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen die de kennisneming van deze stukken rechtvaardigen.

4.2.

De bestreden beschikking houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in:

“4. Beoordeling

Artikel 98 Sv

Artikel 98 Sv beperkt de mogelijkheid tot inbeslagneming van brieven of andere geschriften bij de in artikel 218 Sv bedoelde professionele verschoningsgerechtigden, waaronder een advocaat. De bescherming van artikel 98 Sv geldt evenwel niet alleen in geval van beslag en doorzoeking bij de verschoningsgerechtigde, maar ook wanneer op andere plaatsen goederen worden aangetroffen, die onder diens verschoningsrecht vallen. Op de bescherming van artikel 98 Sv zijn twee uitzonderingen.

Ten eerste strekt de vrijwaring tegen beslag en doorzoeking zich niet uit tot de zogenoemde corpora et instrumenta delicti, te weten brieven of geschriften die het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of die tot het begaan daarvan hebben gediend. Deze goederen vallen niet onder het verschoningsrecht van de betrokken beroepsbeoefenaar. Hoewel artikel 98 Sv slechts brieven of geschriften noemt, is de rechtbank van oordeel dat ook (kopieën van) digitale bestanden daaronder dienen te vallen. De rechtbank is met de officier van justitie en klager eens, dat het in casu niet gaat over corpora et instrumenta delicti.

Daarnaast geldt de bescherming van artikel 98 Sv niet wanneer sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden. Daarbij moet met name worden gedacht aan gevallen waarin de verschoningsgerechtigde verdacht wordt van ernstige strafbare feiten. Het belang dat de waarheid aan het licht komt prevaleert in dat geval boven het belang dat ten grondslag ligt aan het verschoningsrecht. De vraag of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die een (doorzoeking ter) inbeslagneming bij een verschoningsgerechtigde toestaan, zal dan ook duidelijk moeten zijn voorafgaand aan de doorbreking van het verschoningsrecht, in dit geval voorafgaand aan 18 mei 2015. Op deze vraag - die dus naar het oordeel van de rechtbank ziet op de inbeslagneming op zich en niet op een nadere selectie - komt de rechtbank later terug.

(…)

Zeer uitzonderlijke omstandigheden

Klager wordt verdacht van (medeplegen van) valsheid in geschrifte, strafbaar gesteld in de artikelen (47) 225 en 226 Wetboek van Strafrecht. Klager wordt verweten dat hij in strijd met de waarheid de volgende stukken zou hebben opgesteld:

A. D-001: een op schrift gestelde verklaring waarin is opgenomen dat klager bij fax van 3 juni 2004 een rekening-courant vordering schriftelijk bij de curator van [B] B. V. heeft ingediend;

B. D-002: een (fax)brief waarin is opgenomen dat een vordering van medeverdachte [medeverdachte] op de gefailleerde [B] B. V. ter hoogte van fl. 650.000,00 onder de aandacht van de curator wordt/is gebracht en ter verificatie wordt/is ingediend met het verzoek deze op te nemen op de lijst van voorlopig erkende crediteuren;

C. D-003: een (verzend)bewijs van een (fax)brief waarin faxregels en/of gegevens betreffende de ontvangstbevestiging zijn opgenomen.

In de beslissing doorzoeking van 23 april 2015 heeft de rechter-commissaris de vordering doorzoeking van de officier van justitie als volgt beoordeeld.

(...) Deze verdenking is door de officier van justitie voldoende onderbouwd. Mede gezien de functie van [klager] als advocaat betreft dit een zeer ernstig feit.

Voor het onderzoek naar de achtergronden en de totstandkoming van de valse faxbrief en de valse op schrift gestelde verklaring is van belang de totstandkoming van de vordering van [medeverdachte] op [B] B.V. en vervolgens wat er tussen 2003 en 2012 met die vordering wel of met is gebeurd met betrekking tot verpanding, compensatie, faillissement, etc. Het strafvorderlijk en maatschappelijk belang bij waarheidsvinding is in deze zaak groot. Duidelijk zal moeten worden waarom de juridische status van de vordering telkens anders is voorgesteld en welk aandeel de verdachten elk in de gang van zaken hebben gehad. Nu uit de toelichting van de officier van justitie blijkt dat de achtergrond moet worden gevonden in de communicatie tussen [klager] en [medeverdachte] kunnen andere (minder ingrijpende) middelen dan een doorzoeking onvoldoende bijdragen aan dit belang. De rechter-commissaris heeft daarbij in aanmerking genomen dat er sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden waarbij de waarheidsvinding boven het verschoningsrecht van [klager] prevaleert. De doorzoekingen op het advocatenkantoor en de woonadressen van klager en zijn medeverdachte, een en ander zoals door de officier van justitie gevorderd, voldoen derhalve aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

In haar beschikking van 15 oktober 2015 heeft de rechter-commissaris als redengevend voor het aannemen van uitzonderlijke omstandigheden overwogen dat op klager de verdenking rust dat hij zich in zijn hoedanigheid van advocaat schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte en dat dit, gelet op zijn functie, een zeer ernstig feit is. Zij heeft overwogen dat de verdenking zodanig samenhangt met de kern van zijn werkzaamheden als advocaat dat die verdenking een ontwrichtende werking in de samenleving heeft op het vertrouwen dat in de werkzaamheden als advocaat moet kunnen worden gesteld.

De rechtbank is met de rechter-commissaris van oordeel dat zich in casu uitzonderlijke omstandigheden voordoen, zoals omschreven in haar beslissing van 23 april 2015. Klager wordt verdacht van (medeplegen van) valsheid in geschrifte door het opstellen van een valse verklaring en/of een valse (fax)brief en/of het vervalsen van een (fax)verzendbewijs. Uit het dossier blijkt dat de verklaring en de brief zijn opgesteld op briefpapier van [betrokkene 1] advocaten en zijn voorzien van de naam, meestertitel en functie (respectievelijk advocaat en raadsman van [medeverdachte] ) van klager. Ook het (fax)verzendafschrift van een brief/schriftelijk stuk naar het kantoor van de curator is afkomstig van het kantoor van klager.

Gezien het voorgaande heeft klager naar het oordeel van de rechtbank - anders dan door de raadsman betoogd - opgetreden in zijn hoedanigheid van advocaat en betreft het handelen van klager de kern van de werkzaamheden van een advocaat. Klager heeft tot nu toe een beroep gedaan op zijn zwijgrecht en medeverdachte [medeverdachte] kan zich niets herinneren of stelt geen weet te hebben van de opgestelde stukken. Nu er geen andere, minder ingrijpende mogelijkheden zijn om achter de waarheid te komen, is daarmee voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De maatschappelijke functie van advocaat brengt met zich dat in het maatschappelijk verkeer vertrouwd moet kunnen worden op de door hem opgestelde, ondertekende en verzonden stukken. Zou bewezen worden verklaard dat klager zich in het kader van de uitoefening van zijn ambt schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte in het financieel belang van zijn cliënt, dan zou dat ernstig afbreuk doen aan het ambt van advocaat en de maatschappelijke functie van de advocaat in het algemeen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het belang van de waarheidsvinding wegens zeer uitzonderlijke omstandigheden dient te prevaleren boven het respecteren van de geheimhoudingsplicht van klager. Daarbij is het naar het oordeel van de rechtbank niet van belang of het gaat om een of enkele verdenkingen van valsheid in geschrifte.

(…)

De rechter-commissaris heeft van vijftien documenten geoordeeld dat het gaat om voor de verdenking relevante documenten. Klager heeft dit onvoldoende gemotiveerd weersproken. De rechtbank acht het klaagschrift ten aanzien van deze vijftien relevant geachte documenten ongegrond.”

4.3.

Voorop moet worden gesteld dat het bestaan van zeer uitzonderlijke omstandigheden waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt moet prevaleren boven het verschoningsrecht van de advocaat, onder meer kan worden aangenomen indien jegens de advocaat sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan een ernstig strafbaar feit. De inbreuk op het verschoningsrecht mag echter niet verder gaan dan strikt nodig is voor het aan het licht brengen van de waarheid van het desbetreffende feit.4

4.4.

De rechtbank heeft (in navolging van de rechter-commissaris in haar beschikking van 15 oktober 2015 als bedoeld in art. 98 lid 4 Sv) mijns inziens toereikend en niet onbegrijpelijk gemotiveerd geoordeeld dat zich in het onderhavige geval dergelijke zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen, nu de klager ervan wordt verdacht zich in de hoedanigheid van advocaat schuldig te hebben gemaakt aan ernstige misdrijven, te weten: medeplegen van valsheid in geschrifte ten aanzien van een drietal, in strijd met de waarheid, opgemaakte stukken.

4.5.

Voor zover het middel erover klaagt dat de rechtbank gewaagt van een door de klager bekleed “ambt”, heeft het een punt. Veel schiet de klager daarmee evenwel niet op, aangezien de strekking van het door de rechtbank overwogene niet verandert als in plaats van “ambt” gelezen wordt “beroep”.

4.6.

Voor zover het middel berust op de opvatting dat ten aanzien van een advocaat alleen sprake kan zijn van zeer uitzonderlijke omstandigheden als het ernstige misdrijf waarvan hij wordt verdacht in die zin de kern van zijn werkzaamheden als advocaat raakt dat het misdrijf (proces)handelingen betreft die enkel door een advocaat kunnen worden verricht, faalt het middel omdat die opvatting onjuist is. Met meer recht zou misschien betoogd kunnen worden dat werkzaamheden die ook door anderen kunnen worden verricht, niet onder het verschoningsrecht zouden moeten vallen, althans dat, als het aankomt op een afweging tegen het belang van de waarheidsvinding, het verschoningsrecht bij dergelijke werkzaamheden minder zwaar weegt.

4.7.

Het verwijt dat de klager wordt gemaakt, betreft (nog) niet het gebruiken (door indiening ervan) van een valselijk opgemaakte stuk, maar juist het valselijk opmaken van drie stukken. Dat zijn ernstige misdrijven, die de klager - gelet op de omstandigheid dat de desbetreffende stukken zijn gesteld op briefpapier van het kantoor waaraan de klager als advocaat is verbonden en door de klager met zijn meestertitel en functie van advocaat en raadsman van [medeverdachte] zijn ondertekend - heeft begaan in zijn hoedanigheid van advocaat, daarbij misbruik makend van het vertrouwen dat wordt gesteld in een gewetensvolle beroepsuitoefening door de advocatuur, welk vertrouwen de toekenning van een verschoningsrecht maatschappelijk verantwoord doet zijn. Ik acht het oordeel van de rechtbank dan ook niet onbegrijpelijk. Aan de ernst van de misdrijven doet naar mijn mening niet af dat het, zoals middel verder betoogt, daarbij gaat om een beperkt aantal documenten, terwijl die valsheid tot geen enkel gevolg heeft geleid. In zoverre is het middel tevergeefs voorgesteld.

4.8.

Het middel faalt ook voor zover het klaagt over de begrijpelijkheid van de overweging van de rechtbank dat de verdediging onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken dat, zoals de rechter-commissaris heeft geoordeeld, de vijftien in de bestreden beschikking bedoelde stuken die onder de klager en [medeverdachte] in beslag zijn genomen, relevant zijn voor de bestaande verdenking. Kennisneming van het proces-verbaal van de raadkamerbehandeling leert inderdaad dat de raadsman van klager heeft aangevoerd dat er in de drie verhuisdozen die in het kabinet van de rechter-commissaris staan, stukken zitten die gaan over “de verkoop van een paard, een lichtmast, wijziging van alimentatie, erfscheiding”, maar dat aangevoerde had geen betrekking op de bedoelde vijftien stukken. De officier van justitie had zich in raadkamer op het standpunt gesteld dat het beslag op de door de rechter-commissaris irrelevant geoordeelde stukken gehandhaafd moest blijven omdat uit de verdere voortgang van het onderzoek zou kunnen blijken dat (enkele van) die stukken toch relevant zijn. In het kader van het debat dat daarover ontstond, voerde de raadsman aan wat hiervoor is weergegeven en waarop het middel thans een beroep doet.5 Zoals uit de bestreden beschikking blijkt, heeft de rechtbank de klager op dit punt in het gelijk gesteld en het beklag in zoverre gegrond geoordeeld. De klacht faalt dan ook bij gebrek aan feitelijke grondslag.

4.9.

Het middel faalt.

5 Het tweede middel

5.1.

Het middel klaagt dat de rechtbank het klaagschrift van de klager ten onrechte ongegrond heeft verklaard, voor zover dit strekte tot opheffing van het beslag op de bestanden die op het adres [a-straat 1] te [plaats] onder de klager in beslag zijn genomen.

5.2.

De rechtbank heeft blijkens haar onder 3.3 weergegeven overwegingen vastgesteld dat de rechter-commissaris zich niet heeft uitgelaten over de beoordeling van de stukken die op het bedoelde (privé)adres van de klager in beslag zijn genomen.6 Met betrekking tot die stukken houdt de bestreden beschikking voorts het volgende in:

“Op de nog niet door de rechter-commissaris beoordeelde documenten/bestanden (notitie [getuige] en bestanden/gegevensdragers [a-straat] ) dient het beslag te blijven voortduren totdat de rechter-commissaris heeft geoordeeld over de relevantie van die documenten/bestanden.

(…)

De rechtbank verklaart het klaagschrift ongegrond ten aanzien van:

(…)

Alle goederen/bestanden, op 18 mei 2015 in beslag genomen op het adres [a-straat] ”.

5.3.

Sinds de inwerkingtreding op 1 maart 2015 van de versnelde beklagprocedure voor de behandeling van een klaagschrift dat door een persoon met bevoegdheid tot verschoning is ingediend, geldt als te volgen procesgang dat de rechter-commissaris dient te beslissen of van de desbetreffende stukken kennis mag worden genomen.7 Het oordeel van de rechtbank dat de inbeslaggenomen stukken eerst door de rechter-commissaris moeten worden beoordeeld, getuigt derhalve niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.8 Voor zover het middel daarover klaagt, faalt het.

5.4.

Iets anders is of het bedoelde oordeel tot de (gedeeltelijke) ongegrondverklaring van het klaagschrift dient te leiden. Het komt mij voor dat de rechtbank in gevallen als de onderhavige, waarin zij constateert dat een persoon met de bevoegdheid tot verschoning een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv heeft ingediend tegen de inbeslagneming (onder hem of onder een derde) van stukken waarover de rechter-commissaris nog niet op de voet van art. 98 lid 1 Sv heeft beslist, de behandeling van het klaagschrift in raadkamer dient aan te houden, met verwijzing van de zaak naar de rechter-commissaris ten einde (binnen een al dan niet door de rechtbank bepaalde termijn) te beslissen als in art. 98 lid 1 Sv bepaald. Indien die beslissing in het voordeel van de klager uitvalt, zal hij in diens ex art. 552a Sv ingediende klaagschrift, mocht hij dat niet hebben ingetrokken, bij gebrek aan belang niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. In het andere geval zal diens klaagschrift moeten worden verstaan als een klaagschrift ex art. 98 lid 4 Sv tegen de beschikking van de rechter-commissaris.

5.5.

Ik merk daarbij op dat een verschoningsgerechtigde onder wie stukken in beslag zijn genomen, niet als gevolg van de nieuwe regeling tot lijdzaam afwachten veroordeeld is. Aan zijn recht om ex art. 552a Sv over de inbeslagneming en het voortduren ervan te klagen, heeft de nieuwe regeling geen einde gemaakt. In gevallen waarin een oordeel van de rechter-commissaris om wat voor reden dan ook uitblijft, kan een beklag ex art. 552a Sv een probaat middel zijn om een opdracht van de rechtbank aan de rechter-commissaris uit te lokken. Er is dus in mijn ogen geen reden om de klager in zijn beklag niet-ontvankelijk te verklaren op de grond dat het oordeel van de rechter-commissaris eerst moet worden afgewacht. Er is evenmin reden om het beklag in een dergelijk geval ongegrond te verklaren. Ook die ongegrondverklaring zou immers maken dat de verschoningsgerechtigde met lege handen staat als het oordeel van de rechter-commissaris uitblijft.

5.6.

Nu is de vraag of de klager bij zijn klacht hierover voldoende belang heeft. Het is duidelijk dat de ongegrondverklaring van het beklag in de ogen van de rechtbank een voorlopig karakter heeft. Zij overweegt immers dat het beslag moet voortduren totdat de rechter-commissaris daarover heeft geoordeeld. Een beletsel om tegen de beschikking van de rechter-commissaris, zodra die afkomt, een klaagschrift ex art. 98 lid 4 Sv in te dienen, levert de ongegrondverklaring van het ex art. 552a Sv gedane beklag in elk geval niet op. In de toelichting op het middel wordt niet aangevoerd dat er in casu aanleiding is om te veronderstellen dat de rechter-commissaris in de beschikking van de rechtbank geen reden zal zien om zich alsnog over de desbetreffende stukken uit te laten. Ook van een ander belang van de klager bij cassatie blijkt niet uit de toelichting. Om die reden faalt het middel.

5.7.

Een andere mogelijkheid is dat de Hoge Raad de gegeven beslissing overeenkomstig haar kennelijke strekking in die zin verstaat dat de rechtbank de behandeling van de zaak heeft aangehouden in afwachting van het oordeel van de rechter-commissaris. Dat zou dan wel expliciet moeten gebeuren, omdat het verschil maakt voor de verdere behandeling van de zaak. Als de ongegrondverklaring is stand blijft, moet de klager tegen een eventuele voor hem negatieve beslissing van de rechter-commissaris een nieuw bezwaarschrift indienen. Als de behandeling geacht moet zijn te zijn aangehouden, is dat niet nodig.

5.8.

Het middel faalt.

6. De middelen falen. Het eerste middel kan worden afgedaan met de motivering ontleend aan art. 81 lid 1 RO.

7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.

8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De overschrijding van de veertien dagen-termijn van art. 552d lid 3 Sv is verschoonbaar nu in de aanzegging van dertig dagen werd gesproken.

2 Vgl. HR 6 augustus 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE6175.

3 Ik trof dit klaagschrift niet aan bij de gedingstukken. Naar mijn oordeel is kennisneming van dat klaagschrift niet noodzakelijk voor de beoordeling van de middelen, zodat ik er, mede gelet op de spoed die art. 552d lid 3 Sv voorschrijft, ervan afgezien pogingen te ondernemen dit stuk alsnog boven water te krijgen.

4 Vgl. HR 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1740, NJ 2014/93 en HR 18 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3314, NJ 2013/356.

5 Zie p. 5-6 van het proces-verbaal.

6 Hetzelfde geldt voor de notitie die onder de getuige [getuige] in beslag is genomen, maar daarover klaagt het middel niet.

7 Zie in dit verband ook HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3714, NJ 2016/140 en HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3076, NJ 2016/8.

8 Ik laat in het midden of de beklagrechter in gevallen als de onderhavige niet ook voor een andere oplossing mag kiezen door zelf van de stukken kennis te nemen en zich daarover een oordeel te vormen.