Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1027

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-09-2016
Datum publicatie
25-10-2016
Zaaknummer
15/04441
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2414, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Dagvaardingsperikelen. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2002:AD5163. HR verklaart om doelmatigheidsredenen de dagvaarding in h.b. nietig omdat niet is getracht de appeldagvaarding uit te reiken aan een tijdens een verhoor bij de politie opgegeven adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/04441

Zitting: 6 september 2016

mr. P.C. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 18 september 2015 door het hof Arnhem-Leeuwarden wegens “verduistering”, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een taakstraf van veertig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door twintig dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen en hierbij tevens de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het arrest is weergegeven.

  2. Namens de verdachte heeft mr. J.J. Weldam, advocaat te Utrecht, drie middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Ten laste van verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

“zij in de periode van 15 november 2014 t/m 27 mei 2015 in de gemeente Goirle, opzettelijk een auto, toebehorende aan [A], welk goed verdachte anders dan door misdrijf, te weten door (bruik)lening en/of (het maken van) een proefrit, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.”

4. Het eerste middel klaagt over het oordeel van het hof dat sprake is van een rechtsgeldige betekening van de dagvaarding in hoger beroep.

5. De zaak is in hoger beroep ter terechtzitting van 4 september 2015 inhoudelijk behandeld. Verdachte is daar niet verschenen. Namens verdachte is mr. Weldam als gevolmachtigd raadsman opgetreden. Het proces-verbaal van die zitting houdt - voor zover hier van belang - onder meer het volgende in:

“(…)

De oudste raadsheer deelt mede dat verdachte blijkens de ID-staat SKDB op 17 juni 2014 geen vaste woon- of verblijfplaats hier te lande meer heeft en vertrokken is met onbekende bestemming. De dagvaarding in hoger beroep is op 21 augustus 2015 aan de griffier betekend, waarbij een afschrift is verstuurd naar de [b-straat 1] te Tilburg. Voorts is er een afschrift is verstuurd naar [c-straat 1] te Assen.

De raadsman merkt - zakelijk weergegeven - op;

Ik heb eerder deze week stukken toegestuurd naar het hof. Dit betreft aanvullende processen-verbaal welke betrekking hebben op de verduistering van dezelfde Opel Corsa als waarvoor zij thans in hoger beroep wordt vervolgd. Uit deze stukken (p. 32) blijkt dat mijn cliënte verblijft aan de [a-straat 1] te Voorthuizen. Mijn cliënte heeft toen bij de politie verklaard dat dit haar postadres is.

Gelet hierop ben ik van mening dat sprake is van een ongeldige betekening.

De advocaat-generaal merkt - zakelijk weergegeven - op;

Mijns inziens is er sprake van een geldige betekening. Verdachte heeft dit adres niet genoemd tijdens het eerste politieverhoor in deze zaak.

De raadsman merkt - zakelijk weergegeven - op;

In de door mij nader toegezonden processen-verbaal staat het juiste adres.

Volgens mij gaat het hier om dezelfde zaak, namelijk de vermeende verduistering van de Opel Corsa. Mijn cliënte is hiervoor opnieuw aangehouden. De advocaat-generaal heeft echter geweigerd deze processen-verbaal aan dit dossier toe te voegen. Ik heb wel contact gehad met mijn cliënte, maar niet over de zitting van vandaag of over dit punt.

Na beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat sprake is van een rechtsgeldige betekening. Ingevolge artikel 588a van het Wetboek van Strafvordering wordt in drie gevallen bovendien een afschrift van de dagvaarding of oproeping van de verdachte toegezonden aan het laatste door verdachte opgegeven adres, namelijk indien de verdachte bij zijn eerste verhoor in de desbetreffende strafzaak aan de verhorende ambtenaar een adres in Nederland heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden, ten tweede indien de verdachte bij aanvang van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg een adres in Nederland heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden en ten derde indien de verdachte bij het instellen van het hoger beroep een adres in Nederland heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. Geen van deze drie situaties is in casu van toepassing, nu het door de raadsman naar voren gebrachte verblijfadres ziet op een in het kader van een ander dossier opgegeven adres in Voorthuizen. Van een adreswijziging zoals bedoeld in artikel 588a tweede lid van het Wetboek van Strafvordering is in casu eveneens geen sprake geweest.

De raadsman verklaart uitdrukkelijk door verdachte gemachtigd te zijn de verdediging te voeren.

De advocaat-generaal draagt de zaak voor.

(…)”

6. Voorts houden de ter terechtzitting overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnotities van de raadsman onder meer het volgende in:

“(…)

Nietigheid appeldagvaarding

Uit het proces-verbaal van politie met registratienummer PL2600-2015023259 (o.a. pagina 32, 40, 59, 65 en 69) blijkt dat bij de justitiële autoriteiten bekend is dat cliënte een postadres heeft. Cliënte heeft bij de politie op 28 mei 2015 verklaard (pag. 59) dat gerechtelijke stukken kunnen worden toegestuurd naar haar postadres: [a-straat 1] Voorthuizen. Dit is tevens het adres waarop cliënte op 28 mei 2015 is aangehouden. Volgens de politie zou cliënte op dit adres verblijven (pag. 32). Dit betekent dat er sprake is van een adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van cliënte geldt. Nu de appeldagvaarding op dit adres niet is aangeboden is de appeldagvaarding nietig.

(…)”

7. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Uit artikel 588 Sv en vaste rechtspraak1 volgt dat wanneer een verdachte niet is gedetineerd en niet is ingeschreven in een GBA, op straffe van nietigheid2 getracht moet worden de uitreiking van de dagvaarding te doen plaatsvinden op een uit de stukken van het geding blijkend - voor de hand liggend en niet door een latere opgave achterhaald - adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte zou kunnen gelden (art. 588, eerste lid aanhef en onder b sub 2, Sv). Anders kan de onbekendheid van een feitelijke woon-of verblijfplaats niet worden aangenomen en kan betekening aan de griffier van de rechtbank als bedoeld in
art. 588, eerste lid aanhef en onder b sub 3, Sv niet geldig plaatshebben. Of sprake is van een adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte zou kunnen gelden, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.

8. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevinden zich onder meer:

- het (eind-) proces-verbaal van politie met nummer PL0900-2015075890, met daarbij behorende bijlagen, doorgenummerd en met op pagina 56 de opgave door verdachte op 7 januari 2015 van de ‘[b-straat 1] te Tilburg3 als feitelijke woon- of verblijfplaats;

- een ID-staat SKDB van 4 augustus 2015 onder meer inhoudende dat verdachte vanaf 17 juni 2014 is ‘Vertrokken Onbekend Waarheen (VOW)’ en dus geen vaste woon- of verblijfplaats meer heeft hier te lande;

- een dagvaarding in hoger beroep van 4 augustus 2015 met als adressering ‘Thans zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande’, met daaraan gehecht een akte van uitreiking inhoudende dat deze dagvaarding op 4 augustus 2015 is betekend aan de griffier van de rechtbank Midden-Nederland en op die datum tevens een afschrift is verzonden aan de [b-straat 1] te Tilburg;

- een dagvaarding in hoger beroep van 4 augustus 2015 met als adressering [b-straat 1] Tilburg, met daaraan gehecht een akte van uitreiking inhoudende dat deze dagvaarding op 7 augustus 2015 tevergeefs is aangeboden op voornoemd adres, vervolgens tot 15 augustus 2015 op het postkantoor heeft gelegen en niet is afgehaald binnen de gestelde termijn en dat de gerechtelijke brief op 21 augustus 2015 na een nieuwe SKDB-controle aan de griffier is betekend waarbij op die datum tevens een afschrift is verzonden aan de [b-straat 1] te Tilburg;

- een dagvaarding in hoger beroep van 14 augustus 2015 met als adressering [c-straat 1] Assen, met daaraan gehecht een akte van uitreiking inhoudende dat deze dagvaarding op 20 augustus 2015 tevergeefs is aangeboden op voornoemd adres, vervolgens tot 28 augustus 2015 op het postkantoor heeft gelegen en niet is afgehaald binnen de gestelde termijn en dat de gerechtelijke brief op 4 september 2015 na een nieuwe SKDB-controle aan de griffier is betekend waarbij op die datum tevens een afschrift is verzonden aan het adres [c-straat 1] te Assen4;

- een brief van de raadsman van verdachte mr. Weldam van 31 augustus 2015, gericht aan het hof, met in bijlage het doorgenummerde proces-verbaal van politie met registratienummer PL2600-2015023259, onder meer inhoudende:

(i) op pagina 32 (proces-verbaal van aanhouding verdachte) dat verdachte op 28 mei 2015 op de bij de politie bekende verblijfslocatie [a-straat 1] te Voorthuizen is aangehouden en meegenomen voor verhoor;

(ii) op pagina 52 (proces-verbaal van bevindingen van 29 mei 2015) dat uit onderzoek is gebleken dat verdachte en haar medeverdachte verblijven op een vakantiepark aan de [a-straat 1] te Voorthuizen;

(iii) op pagina 59 (proces-verbaal van verhoor verdachte) dat verdachte tijdens haar verhoor op 28 mei 2015 op de vraag van de verbalisanten waar gerechtelijke stukken naartoe kunnen worden gestuurd antwoordt dat die naar haar advocaat en anders naar haar postadres kunnen worden gestuurd, dat haar postadres is [a-straat 1]5 in Voorthuizen en dat zij geen vast woonadres heeft;

(iv) op pagina 65 (proces-verbaal van verhoor medeverdachte) dat verdachte een chalet huurt met adres [a-straat 1] te Voorthuizen en dat medeverdachte en verdachte daar samen wonen.

Voorts verzoekt de raadsman in deze brief om voornoemd proces-verbaal bij de processtukken te voegen. Volgens een daarop gezet stempel is de brief met bijlagen op 31 augustus 2015 bij de informatiebalie van het arrondissement Gelderland te Arnhem6 ontvangen.

9. Het door de raadsman van verdachte aan het hof gestuurde politieproces-verbaal met nummer PL2600-2015023259 houdt - voor zover hier van belang - verder in:

- op doorlopende pagina’s 52-53 (proces-verbaal van bevindingen): dat verdachte wordt verdacht van meerdere feiten, te weten (i) verduistering van een grijze Opel Corsa met kenteken [CC-00-DD] op of omstreeks 20 september 2014, (ii) diefstal van twee kentekenplaten met kenteken [EE-00-FF] op of omstreeks
4 oktober 2014; (iii) verduistering van een bruine Opel Corsa met kenteken [AA-00-BB] op of omstreeks 15 november 2014 (de onderhavige zaak in cassatie, feit 2); (iv) verduistering van een Saab met kenteken [GG-00-HH] op of omstreeks 2 januari 2015 (de onderhavige zaak, feit 1); en (v) verduistering van een Audi A5 op of omstreeks 16 januari 2015. Uit de verschillende (lopende) onderzoeken komt naar voren dat verdachte regelmatig auto’s meeneemt voor een proefrit zonder deze terug te brengen. Op 27 mei 2015 wordt de medeverdachte door de politie tijdens een controle op de A12 aangehouden, rijdend in de op 15 november 2014 verduisterde bruine Opel Corsa met kenteken [AA-00-BB] die centraal staat in de onderhavige zaak in cassatie, voorzien van het kenteken [CC-00-DD] van de op 20 september 2014 verduisterde grijze Opel Corsa. Medeverdachte verklaart dan dat de bruine Opel Corsa van verdachte is en als sinds december 2014 in haar bezit is. In de bruine Opel Corsa wordt voorts een mes aangetroffen. Vervolgens wordt verdachte op 28 mei 2015 op het adres in Voorthuizen buiten heterdaad aangehouden voor verhoor;

- op pagina 58-60 (proces-verbaal van verhoor verdachte van 28 mei 2015): dat verdachte aan de tand gevoeld wordt over de tegen haar liggende verdenkingen van verduistering, diefstal en heling, over de relatie met haar medeverdachte en over het bezit van de bruine Opel Corsa waarin haar medeverdachte is aangehouden;

- op pagina 61-64 (proces-verbaal van verhoor verdachte van 29 mei 2015): dat verdachte verder aan de tand wordt gevoeld over de verduistering van de grijze Opel Corsa met kenteken [CC-00-DD], de verduistering van de bruine Opel Corsa met kenteken [AA-00-BB], de verduistering/diefstal van diverse kentekenplaten en de aanwezigheid van het mes in de bruine Opel Corsa.

10. Bezien tegen deze achtergrond is ten eerste niet zonder meer begrijpelijk dat het hof hier heeft geoordeeld dat het (post)adres te Voorthuizen, opgegeven door verdachte tijdens het politieverhoor van 28 mei 2015 - en het adres waar zij op die dag buiten heterdaad is aangehouden en meegenomen door de politie -, een adres betreft dat is opgegeven in een ander dossier. Uit de hierboven onder punten 8 en 9 genoemde feiten en omstandigheden volgt immers dat verdachte (voor een tweede maal7) onder meer en met name nader gehoord is over (haar bezit van) de bruine Opel Corsa met kenteken [AA-00-BB] waarvan de verduistering als tenlastegelegd tweede feit in de onderhavige strafzaak aan de orde is. Voorts merk ik hier - wellicht ten overvloede - nog op dat op pagina 17 van het doorlopend proces-verbaal van politie met nummer PL2600-2015023259 nog staat dat nu verdachte op 2 juni 2015 voor de politierechter te Utrecht diende te verschijnen in verband met onder andere de verduistering van de Opel Corsa met kenteken [AA-00-BB], ‘in opdracht van de officier van justitie (…) relevante informatie aangaande de verduistering van de Opel Corsa met kenteken [AA-00-BB] naar het OM is toegezonden’. Ik leid daaruit af dat het proces-verbaal (van het ‘tweede’ onderzoek) nog niet gereed was voor inzending, maar dat dit onderzoek wel relevante informatie bevatte voor het door de politierechter in Utrecht op 2 juni 2015 te berechten feit. In het algemeen zal in een dergelijk geval het nogal voor de hand liggen dat na voltooiing van het proces-verbaal alsnog toezending daarvan, althans relevante onderdelen aan het OM plaatsvindt. Alsdan kan voeging in het reeds bestaande dossier plaatsvinden. Kennelijk is zulks hier achterwege gebleven.

11. Ten tweede is daarmee ook niet zonder meer begrijpelijk dat het hof hier kennelijk heeft geoordeeld dat deze specifieke feiten en omstandigheden niet dwongen tot de conclusie dat het adres in Voorthuizen op het moment van dagvaarden redelijkerwijs aangemerkt had moeten worden als een feitelijke woon- of verblijfplaats van verdachte en derhalve als een adres waarop het openbaar ministerie de appeldagvaarding had moeten aanbieden. Nu dat laatste niet is gebeurd kan het oordeel van het hof omtrent de rechtsgeldigheid van de betekening in hoger beroep niet in stand blijven.8

12. Reeds op deze grond slaagt het middel.

13. Nu het eerste middel slaagt kunnen de overige middelen die klagen over de bewezenverklaring en de strafoplegging buiten bespreking blijven. Evenwel ben ik uiteraard bereid nader te concluderen indien Uw Raad dit wenselijk acht.

14. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing naar het hof om op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317, HR 24 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ9076, HR 7 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1628 en HR 3 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3216.

2 Tenzij de verdachte verschijnt ter terechtzitting, of de raadsman van de aldaar niet aanwezige verdachte wel is verschenen maar niet klaagt over een betekeningsverzuim. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317, ro. 3.26.

3 In de zich bij de stukken bevindende ID-staten SKDB genoemd als [b-straat 1]
Tilburg.

4 Niet duidelijk is mij geworden op basis waarvan verdachte op dit adres is gedagvaard zodat ook niet kan worden geconcludeerd dat dit adres het adres in Voorthuizen heeft achterhaald.

5 Bedoeld is kennelijk ‘[postcode]’ te Voorthuizen.

6 De rechtbank Gelderland en het hof Arnhem-Leeuwarden delen hetzelfde postbusadres (vgl. de gegevens op rechtspraak.nl), hetwelk gebruikt is door de raadsman om de brief met bijlagen aan het hof te zenden.

7 Haar eerste verhoor in deze zaak heeft immers plaatsgevonden op 7, 8 en 9 januari 2015, zie het politieproces-verbaal met registratienummer PL0900-2015075890, doorlopende pagina’s 56-70.

8 Ik wijs er voorts op dat volgens een zich in het dossier bevindend reclasseringsrapport van 29 mei 2015 verdachte op het bedoelde adres in Voorthuizen woont en dat ze zich niet op dat adres mag inschrijven (kennelijk omdat in het chalet permanente bewoning niet is toegestaan). Blijkens een zich in het dossier bevindende aan de reclassering gerichte brief van 11 augustus 2015 is verdachte in het kader van de uitvoering van de taakstraf bereikbaar op het adres in Voorthuizen.