Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1026

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-09-2016
Datum publicatie
25-10-2016
Zaaknummer
15/04436
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2413, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Diefstal van vee, art. 311.1 sub 1 Sr. Strekking bepaling is, mede o.g.v. wetsgeschiedenis, een bijzondere bescherming te bieden tegen de diefstal van dieren die vanwege de omstandigheid dat deze gewoonlijk in een weide worden gehouden waar doorgaans weinig toezicht wordt uitgeoefend "aan de openbare trouw zijn overgelaten". Gelet hierop heeft het Hof de bewezenverklaarde diefstal van de wallaby's uit een weide terecht gekwalificeerd als - kort gezegd - diefstal van "vee" a.b.i. art. 311.1 sub 1 Sr. Dat sommige wallaby's ook als huisdier mogen worden gehouden doet hieraan niet af. Middel stuit daarop af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/04436

Zitting: 20 september 2016

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 7 september 2015 de verdachte wegens “diefstal van vee uit de weide door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, één en ander zoals in het arrest vermeld.

  2. Namens de verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel behelst de klacht dat het hof het bewezen verklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als diefstal van vee uit de weide, omdat wallaby’s niet kunnen worden gekwalificeerd als vee in de zin van art. 311, eerste lid, onder 1, Sr, althans dat de beslissing om wallaby’s aan te merken als vee onvoldoende met redenen is omkleed.

  4. Ten laste van de verdachte heeft hof bewezen verklaard dat:

“hij op 17 maart 2015 te De Lutte, gemeente Losser, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 8 wallaby’s die zich ten tijde van de diefstal in de weide bevonden, toebehorende aan [betrokkene 1].”

5. In zijn bewijsoverwegingen heeft het hof onder meer het volgende overwogen:

“Uit de aangifte van [betrokkene 1] volgt dat hij de eigenaar is van een vrijstaande woning aan de [a-straat 1] te [plaats] en het weiland aan de rechterzijde van die woning. Het weiland is omheind door gaas van ongeveer 1,60 meter hoog, zodat de dieren het weiland niet uit kunnen. In het weiland stonden – onder meer – elf Wallaby’s.

Op 17 maart 2015 omstreeks 23:15 uur ging aangever zijn hond uitlaten. Hij liep op de [a-straat] in de richting van het weiland. Naar de achterzijde van het weiland loopt een zandpad. Toen aangever aankwam bij het zandpad hoorde hij kloppende geluiden. Dit geluid was afkomstig van de achterzijde van het weiland. Aangever liep vervolgens het zandpad in. Hij zag meteen twee mannen rennen. De mannen renden van de achterzijde van het weiland een akkerveld in. Aangever zag even later een groot gat in het gaas aan de achterzijde van het weiland zitten. Buiten het weiland zag hij drie kisten staan. Hij hoorde klopgeluiden uit deze kisten komen. In deze kisten zaten acht Wallaby’s die toebehoren aan aangever.”

6. Het hof heeft het bewezen verklaarde gekwalificeerd als: “Diefstal van vee uit de weide door twee of meer verenigde personen”.

7. Voordat ik aan een inhoudelijke bespreking van het middel toekom, besteed ik aandacht aan twee prealabele vragen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging geen kwalificatieverweer gevoerd, ertoe strekkende dat wallaby’s niet kunnen worden aangemerkt als vee in de zin van art. 311, eerste lid, onder 1, Sr. De vraag rijst of hierover met vrucht voor het eerst in cassatie kan worden geklaagd. Ik meen dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Het hof heeft feitelijk vastgesteld dat wallaby’s zijn weggenomen. In cassatie staat de vraag centraal of het in het arrest van het hof besloten liggende oordeel dat wallaby’s zijn aan te merken als vee in de zin van de genoemde bepaling getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Voor de beantwoording van deze rechtsvraag zijn geen nadere feitelijke vaststellingen noodzakelijk. Het kan als een feit van algemene bekendheid worden beschouwd dat een wallaby een kleine tot middelgrote kangoeroe betreft, die in de regel in een ruim buitenverblijf met veel gras wordt gehouden.

8. Daarnaast kan de vraag worden gesteld of de verdachte belang heeft bij het beroep in cassatie. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt immers dat in geval sprake is van meer dan één strafverzwarende omstandigheid als bedoeld in art. 311, eerste lid, Sr en wellicht één daarvan hen onrechte in aanmerking is genomen, het belang van de verdachte bij zijn cassatieberoep niet evident is.1 Bij de beoordeling of een dergelijk belang bestaat komt relevantie toe aan de opgelegde straf in het licht van het wettelijk strafmaximum en aan de strafmotivering. De schriftuur dient in een dergelijk geval een toelichting te bevatten ten aanzien van het belang bij het ingestelde cassatieberoep en het -rechtens te respecteren- belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het hof met het oog op een nieuwe behandeling. In de schriftuur wordt zulks onderkend. Daarin wordt gewezen op de strafmaatoverweging van het hof, waaruit zou volgen dat het zeer aannemelijk is dat het hof de verdachte een lagere straf zou hebben opgelegd indien en voor zover het hof de desbetreffende dieren niet zou hebben aangemerkt als “vee”. Het hof heeft in het bestreden arrest in dit verband het volgende overwogen:

“Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen – en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden – dat verdachte zich samen met zijn mededader schuldig heeft gemaakt aan diefstal van acht Wallaby’s uit een weide.”

9. Het hof heeft aldus de omstandigheid dat de diefstal vee uit de weide betrof in het bijzonder bij het bepalen van de soort en hoogte van de straf in aanmerking genomen. De omstandigheden dat het hof daarbij mede in zijn afweging heeft betrokken dat de diefstal samen met een mededader is begaan en dat de straf ruimschoots binnen het strafmaximum is gebleven, doen daaraan niet af. Naar mijn mening heeft de verdachte daarmee voldoende belang bij zijn cassatieberoep. Ook als de Hoge Raad daarover anders mocht oordelen, meen ik dat een beantwoording van de voorliggende rechtsvraag door de Hoge Raad op dit braakliggende terrein van het materiële strafrecht in het belang van de rechtsontwikkeling is.

10. Art. 311, eerste lid, aanhef en onder 1, Sr luidt als volgt:

“Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft:

1°. diefstal van vee uit de weide (…)”

11. Het bestanddeel ‘vee’ is in de context van deze bepaling door de wetgever niet nader gedefinieerd. In art. 388 van de Code Pénal (oud) werd de volgende opsomming gehanteerd: “chevaux, bêtes de charge, de voiture ou de monture, gros et menus bestiaux”. In de Nederlandse vertaling luidde art. 388 CP (oud)2:

“Al wie paarden of lastbeesten, koets-, wagen-, of karrebeesten, of rijbeesten, groot en klein vee, gereedschap van landbouw, oogsten, koren- of graanstapels hoopen die een deel van de oogst uitmaken, in de weiden of op de akkers gestolen zal hebben, zal met het tuchthuis gestraft worden.

Het zal even zoo zijn met houtdieveryen in de verkoopingen, en steendieveryen in de steengroeven, gelijk ook met het steelen van visch in vyvers, vischkommen, of vischwaters.”

12. Wat opvalt aan deze opsomming, is dat daarin niet alleen dieren zijn opgenomen. De dieren staan vermeld tussen voorwerpen die worden gebruikt in het kader van de landbouw dan wel de vrucht daarvan zijn. Die opsomming kan de gedachte doen postvatten dat de bescherming van het eigendomsrecht zich in dit verband toespitst op de bescherming van economische belangen die met de landbouw gemoeid zijn en waarbij goederen in het geding zijn die, evenals de in het tweede lid genoemde goederen, doorgaans relatief eenvoudig te bemachtigen zijn.

13. In art. 337 ORO keert de diefstal van vee uit de weide in de volgende opsomming terug:

“1°. diefstal van voorwerpen bewaard of tentoongesteld in eene kerk of openbaar gebouw, begaan door iemand aldaar toegelaten;

2°. diefstal van voorwerpen van wetenschap, kunst of nijverheid die in voor het publiek toegankelijke verzamelingen worden bewaard of van voorwerpen die op tentoonstellingen zijn bijeengebragt ;

3°. diefstal van vee uit de weide;

4°. diefstal van dijkmaterialen of gereedschappen, bestemd tot het herstellen van dijken of tot het voorkomen of stuiten van overstrooming.”

14. In deze opsomming is de landbouw (en veeteelt) geen gemeenschappelijke noemer. In deze bepaling is volgens de toelichting daarop bijzondere bescherming verleend aan “voorwerpen die aan de openbare trouw zijn overgelaten”.3 Het gaat daarbij om voorwerpen die relatief eenvoudig zijn weg te nemen. Het maken van misbruik daarvan werd als grond voor strafverzwaring beschouwd. Voor de diefstal van vee uit de weide werd daarbij verwezen naar art. 388 CP, waaraan werd toegevoegd dat sprake was van minder omhaal van woorden.4 Na kritiek op verschillende onderdelen van art. 337 Sr, werd zonder nadere motivering besloten dat art. 337 Sr kon worden gemist, met overbrenging van de onder 3 gerubriceerde diefstal van vee uit de weide naar art. 338 Sr (thans: art. 311 Sr).5

15. De term ‘vee’ keert ook terug in art. 459 Sr, dat kort samengevat strafbaar stelt het onbevoegd vee over andermans grond laten lopen. Aanvankelijk was voorgesteld om in die bepaling op te nemen “een stuk vee, een paard of een varken”. De woorden “paard en varken” zijn in de loop van het wetgevingstraject geschrapt. Daarbij is aansluiting gezocht bij art. 311 Sr, waarin enkel van diefstal van vee wordt gesproken. Vervolgens kwam de vraag ter sprake wat onder ‘vee’ moest worden verstaan. Voorgesteld werd aansluiting te zoeken bij de “Wet regelende het veeartsenijkundig Staatstoezigt en de veeartsenijkundige politie” waarin onder vee werd verstaan “de éénhoevige en de herkaauwende dieren en de varkens”.6 Minister Modderman gaf hierop het volgende antwoord:

“Hoewel de door den heer Idzerda aangehaalde definitie mij niet onjuist voorkomt, zou ik haar echter niet in dit Wetboek willen opnemen. Ik meen dat de interpretatie van het artikel vrij moet blijven. Men kan niet alles definieren.”7

16. In art. 388 CP was de term ‘vee’ wel opgenomen, maar werden daarnaast paarden, lastbeesten, koets-, wagen-, karrebeesten en rijbeesten genoemd. De wetgever lijkt deze bonte opsomming te hebben willen terugbrengen tot één term, zonder dat deze reductie betekent dat bijvoorbeeld paarden en lastdieren voortaan niet meer onder het bereik van de desbetreffende strafbepaling zouden vallen. De wetgever heeft de rechtspraak bovenal vrijheid willen laten bij de interpretatie van de term.

17. Rechtspraak van de Hoge Raad over diefstal van vee uit de weide is zeer schaars.8 In de zaak die ten grondslag lag aan een arrest uit 1869 ging het om diefstal van een schaap uit een kudde op een weide. In cassatie werd betoogd dat een herder toezicht hield op de kudde schapen en dat de dieren dus niet aan de openbare trouw waren overgelaten, zodat het feit ten onrechte was gekwalificeerd als diefstal van vee uit de weide. De Hoge Raad overwoog het volgende:

“O. dienaangaande dat art. 388 geenerlei onderscheid maakt tusschen de beesten, die onder het opzigt van een herder staan, en die, welke onbewaakt zijn; dat dit soort van opzigt niet bedoelt, en het doel niet bereiken kan de beesten tegen ondernemingen van dieven te beveiligen; dat zij ook onder zoodanig opzigt niettemin aan de publieke trouw zijn overgelaten, en het van wezenlijk belang voor den landbouw en de veeteelt is, dat zij zoowel in het eene als in het andere geval onder de bijzondere bescherming der wet geplaatst zijn.”

18. Het deed voor strafbaarheid onder art. 311, eerste lid, onder 1, Sr aldus niet ter zake dat het vee in kwestie onder het toezicht van een herder stond. De Hoge Raad verwijst in dit verband wel naar de omstandigheid dat de dieren “aan de publieke trouw zijn overgelaten”.

19. Daarbij aansluitend, maakt de enkele omstandigheid dat het weiland waarin de wallaby’s zich bevonden was omheind met een gaas van ongeveer 1.60 meter hoog niet dat de diefstal daarvan niet kan worden geschaard onder diefstal van vee uit de weide, als bedoeld in art. 311, eerste lid, onder 1, Sr.

20. De steller van het middel betoogt dat het in het arrest van het hof besloten liggende oordeel dat wallaby’s kunnen worden aangemerkt als vee als bedoeld in art. 311, eerste lid, onder 1, Sr getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Ter onderbouwing van die stelling wijst hij op een uitspraak van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland. In de hieraan ten grondslag liggende zaak stond de vraag centraal of het houden van een pony in de achtertuin van een huis in strijd was met de Algemene Huurvoorwaarden, voor zover deze inhielden dat het de huurder niet is toegestaan in het gehuurde andere dieren dan de gebruikelijke huisdieren te houden en in ieder geval geen paard, varken, geit, haan of ander vee.9 De kantonrechter oordeelt dat de eiser, in het licht van de gemotiveerde betwisting, te weinig heeft gesteld ter onderbouwing van de stelling dat een pony kan worden aangemerkt als paard of ander vee, “te meer nu, zoals te doen gebruikelijk bij vee, niet is gebleken dat de onderhavige pony om economische redenen wordt gehouden”. De kantonrechter wijst daarnaast op de brief van de staatssecretaris van Economische Zaken van 28 januari 2015 waarin wordt aangekondigd dat een aantal dieren, waaronder de pony, per 1 februari 2015 op de ‘Huisdierenlijst zoogdieren’ wordt geplaatst. Dat betekent volgens de kantonrechter dat de pony niet kan worden aangemerkt als een ongebruikelijk huisdier.

21. De steller van het middel sluit zich bij de hiervoor samengevatte overwegingen van de kantonrechter aan en maakt een onderscheid tussen huisdieren en vee. Hij wijst erop dat op de huisdierenlijst twee soorten wallaby’s staan die als huisdier mogen worden gehouden.10 Aangezien het hof niet nader heeft gemotiveerd om welk soort wallaby’s het in de onderhavige zaak ging, moet het er volgens de steller van het middel voor worden gehouden dat de desbetreffende dieren als huisdieren kunnen worden beschouwd, zodat het oordeel van het hof dat deze zijn aan te merken als vee ontoereikend is gemotiveerd.

22. Ik deel het standpunt van de steller van het middel niet. Niet valt in te zien dat de uitleg van de term ‘vee’ in art. 6.8 van de Algemene Huurvoorwaarden maatgevend zou moeten zijn voor de interpretatie van die term in art. 311, eerste lid, onder 1, Sr. Daarbij komt dat de aan het middel kennelijk ten grondslag liggende veronderstelling dat een dier dat is opgenomen op de huisdierenlijst geen vee kan zijn, in haar algemeenheid onjuist is. De huisdierenlijst is slechts een lijst van dieren waarvan de staatssecretaris heeft vastgesteld dat deze als huisdier mogen worden gehouden. Dat neemt niet weg dat de hierop vermelde dieren eveneens vee kunnen zijn, zoals al blijkt uit het feit dat ook runderen, varkens, schapen en geiten op deze lijst worden vermeld.11

23. Ik meen dat de vraag of het hof is uitgegaan van een verkeerde rechtsopvatting ten aanzien van het begrip ‘vee’ moet worden beantwoord in het licht van de ratio van art. 311, eerste lid, onder 1, Sr. Uit de hiervoor beschreven wetsgeschiedenis blijkt dat deze bepaling er in het bijzonder toe strekt extra bescherming te bieden tegen diefstal van dieren die door de eigenaar in de weide gehouden worden en die (vrijwel) onmogelijk continu in de gaten kunnen worden gehouden, omdat deze buiten moeten worden gehouden en veel ruimte nodig hebben. De wetgever heeft daarbij uiteraard niet het oog gehad op mogelijkheden van elektronische surveillance. De definitie van ‘vee’ die in Noyon/Langemeijer/Remmelink is gegeven, sluit goed bij deze ratio aan. Volgens deze definitie worden daaronder verstaan “al die dieren waarvoor de weide bestemd is, die men niet in vrijheid laat lopen en die gewoonlijk, althans veelal, in de weide gehouden worden”.12 Een dergelijke begripsbepaling staat er niet aan in de weg om ook de diefstal van struisvogels, lama’s, herten of ganzen onder art. 311 Sr te brengen, wanneer deze dieren in een weide worden gehouden.13 Hetzelfde geldt naar mijn mening voor wallaby’s als in de onderhavige zaak aan de orde.

24. De vraag rijst nog of het een vereiste is dat de dieren met een commercieel oogmerk worden gehouden, om bescherming te kunnen ontlenen aan art. 311, eerste lid, onder 1, Sr. De term ‘vee’ wordt in het dagelijks spraakgebruik immers in verband gebracht met dieren die een bepaald product (vlees, melk, wol) opleveren en met het oog daarop worden gehouden. Ik meen dat de gestelde vraag ontkennend moet worden beantwoord. Gelet op de in de vorige paragraaf besproken ratio, lijkt mij niet maatgevend of het dier al dan niet een economische functie heeft in het kader van de landbouw of veeteelt. Een andere opvatting zou betekenen dat de eigenaar van enkele schapen die hij als hobby houdt in de weide voor zijn huis, geen bescherming zou kunnen ontlenen aan art. 311, eerste lid, onder 1, Sr. Dat komt mij onwenselijk voor. Ook ‘hobbyschapen’ worden doorgaans buiten gehouden. Als de eigenaar deze laat grazen op een weide, laat hij zijn schapen over aan de publieke trouw, op gelijke wijze als de eigenaar die schapen wel met een commercieel oogmerk houdt. De omstandigheid dat het hof niet heeft vastgesteld met welk doel de gestolen wallaby’s door de eigenaar werden gehouden, betekent dan ook niet dat het oordeel van het hof dat sprake is van ‘vee’ in de zin van art. 311, eerste lid, onder 1, Sr ontoereikend is gemotiveerd.

25. Gelet op het voorafgaande, getuigt het oordeel van het hof dat het bewezen verklaarde kan worden gekwalificeerd als diefstal van vee uit de weide (door twee of meer verenigde personen) niet van een onjuiste rechtsopvatting en is zijn oordeel, mede gelet op het feit dat op dit punt geen verweer is gevoerd, toereikend gemotiveerd.

26. Het middel faalt.

27. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

28. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 7 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005 en HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:510.

2 Code pénal, édition officielle, Amsterdam/Rotterdam: Jean Allart et Immerzeel et comp. 1811. Bij Wet van 29 juni 1854, St. 102 is art. 388 CP gewijzigd. Diefstal van gereedschap e.d. werd daarbij bedreigd als eenvoudige diefstal. Zie nader M. Schooneveld, Wetboek van Strafrecht (Code Pénal), met aantekeningen, vierde uitgave, bewerkt door G.A. van Hamel en T.J. Noyon, Den Haag: Gebr. Belinfante 1876, p. 422-423.

3 H.J. Smidt, Het Wetboek van Strafrecht, 1891, deel II, p. 499.

4 Smidt II, p. 499.

5 Smidt II, p. 502.

6 Vgl. art. 4 van de per 1 februari 2006 vervallen Veewet, waarin “herkauwende en eenhoevige dieren en varkens” als vee worden beschouwd.

7 Smidt 1891, deel II, p. 343.

8 HR 30 juni 1869, W 3135.

9 Rb. Noord-Nederland 31 maart 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:1602.

10 De Parmawallaby en de Bennettwallaby.

11 Ter illustratie wijs ik op Rb. Noord-Nederland 28 januari 2013, ECLI:NL:RBNNE:2013:4840, waarin de diefstal van onder meer pony’s uit een weide werd gekwalificeerd als diefstal van vee uit de weide.

12 E.J. Hofstee in Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aant. 2 bij art. 311 Sr (actueel t/m 15 mei 2015). In Van Dale wordt vee gedefinieerd als “de tamme dieren die de mens wegens hun nut houdt, m.n. de viervoetige dieren die melk, wol, vlees enz. leveren”.

13 E.J. Hofstee in Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aant. 2 bij art. 311 Sr (actueel t/m 15 mei 2015).