Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1022

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-10-2016
Datum publicatie
03-02-2017
Zaaknummer
15/04204
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:139
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Pensioenrecht. Vervolg van HR 14 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:625, NJ 2014/171. Uitleg toezegging weduwenpensioen aan de echtgenote van voormalige werknemer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Zaaknummer: 15/04204

mr. J. Wuisman

Rolzitting: 14 oktober 2016

Conclusie inzake:

[eiseres],

eiseres tot cassatie,

advocaten: mr. J.P. Heering en mr. J.W. de Jong;

tegen:

1. [verweerster 1],

2. [verweerster 2],

verweersters in cassatie,

advocaat: mr. P.S. Kamminga.

In de voorliggende zaak, waarin de Hoge Raad bij arrest d.d. 14 maart 2014(1) al een uitspraak deed en na verwijzing het hof Den Haag op 12 mei 2015 arrest wees, gaat het nu nog slechts om de vraag of eiseres cassatie (hierna: [eiseres]) tegenover verweerster in cassatie sub 1 (hierna: [verweerster 1]) aanspraken ter zake van nabestaandepensioen heeft verkregen uit hoofde van een toezegging van 7/9 april 1999.

1 Feiten en procesverloop

1.1

Een opsomming van de feiten waarvan in de onderhavige zaak kan worden uitgegaan, treft men aan in de genoemde arresten van de Hoge Raad (sub 3) en het hof Den Haag (sub 2). Voor het goede begrip van de vraag die in de voorliggende zaak nog speelt, worden hier kort nog de volgende feiten vermeld.

(i) [eiseres] is op 28 mei 1999 in het huwelijk getreden met [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) na voordien met hem vanaf mei/oktober 1992 een gezamenlijke huishouding te hebben gevoerd. [betrokkene 1], geboren op 12 april 1946, was al eerder gehuwd geweest met [betrokkene 3]. Uit dat op 10 december 1993 geëindigde huwelijk is een dochter - te weten [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) – geboren.

(ii) Aanvankelijk was [betrokkene 1] bestuurder en enig aandeelhouder van [verweerster 1], die op haar beurt de aandelen hield in de dochtervennootschap [A] B.V. (hierna: [A]). Op 24 juni 1999 heeft [betrokkene 1] de aandelen in [verweerster 1] overgedragen aan Stichting [B]. Hij bedong daarbij het optierecht dat de aandelen weer aan hem zouden worden terug geleverd na een daartoe strekkend verzoek. Tot 1 januari of 1 februari 1999 had [betrokkene 1] een dienstverband bij [A] en daarna nog voor de periode 1 januari 2001 tot 27 augustus 2001.

(iii) Bij pensioenbrief van 1 januari 1994 heeft [A] toezeggingen inzake ouderdomspensioen aan [betrokkene 1] gedaan. Die toezeggingen betroffen een levenslang ouderdomspensioen en een tijdelijk extra-ouderdomspensioen(2). De ingangsdatum van beide pensioenen zou zijn de eerste dag van de maand waarin [betrokkene 1] de leeftijd van zestig jaar zou bereiken. Het tijdelijk extra-ouderdomspensioen zou eindigen op de laatste dag van de maand waarin [betrokkene 1] vijfenzestig jaar zou worden. Ter zake van de dekking van de pensioenaanspraken is bepaald dat daarvoor wordt gezorgd deels in eigen beheer door vorming van een pensioenreserve binnen de vennootschap en deels door het afsluiten van een kapitaalverzekering met Nationale-Nederlanden Levensverzekeringmaatschappij N.V. In artikel 8.1 van de pensioenbrief is het voorbehoud opgenomen:

“Nu voor alsdan zijn de voorgaande regelingen met betrekking tot de hoogte van de pensioenen en met betrekking tot de daarmee verband houdende nadere voorwaarden vervallen op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst in geval de belastingadministratie, respectievelijk na ingesteld beroep de hoogstgeroepen rechter in belastingzaken de regelingen niet aanmerkt als een pensioenregeling in de zin van de wettelijke bepalingen alsmede in de zin van de hoe dan ook genaamde en tevens rechtskracht hebbende voor de uitvoering van die bepalingen openbaar gemaakte uitvoeringsregelingen vanwege het Ministerie van Financiën.”

Krachtens een overeenkomst van 1 januari 1996 tussen [A] en [verweerster 1] zijn met ingang van die datum de rechten en plichten uit de pensioentoezeggingen van 1 januari 1994 van [A] overgegaan op [verweerster 1]. [betrokkene 1] heeft zich hiermee akkoord verklaard onder het voorbehoud:

“mits dit plaats vindt zonder enige fiscale consequenties voor partijen.”

Bij brief van 10 januari 1998 deelt [betrokkene 1] aan [A] mee dat hij met ingang van 1 januari 1998 van verdere pensioenopbouw ten gunste van hem afziet.

(iv) Op 7 april 1999 is tijdens een aandeelhoudersvergadering van [A] het besluit genomen om de pensioenaanspraken van [betrokkene 1] uit te breiden met een aanspraak ter zake van weduwenpensioen. Bij brief van 9 april 1999 is dit besluit door [A] aan [betrokkene 1] bevestigd. In de brief staat vermeld:

“Hierbij bevestigen wij, dat (…) is besloten de aan U toegekende wijziging in de pensioen-aanspraken als volgt vast te leggen:

Weduwenpensioen

De pensioenregeling zal tevens de volgende aanspraken omvatten:

- een weduwenpensioen voor de vrouw met wie U gehuwd bent op het moment van overlijden, ingaande terstond na Uw overlijden, ongeacht wanneer dit plaats vindt, en alsdan levenslang aan haar uit te keren;

- het jaarlijks weduwenpensioen bedraagt 70% van het jaarlijkse oudedagspensioen c.q. tijdelijk extra ouderdomspensioen dat U heeft genoten, dan wel 70% van het laatstelijk voor U vastgestelde oudedagspensioen c.q. tijdelijk extra oudedagspensioen.”

(v) [betrokkene 1] is op 30 mei 2003, zevenenvijftig jaar oud, overleden. Bij testament had hij [eiseres] tot enig erfgename benoemd. In het testament waren verder drie legaten ten behoeve van [betrokkene 2] opgenomen. Eén daarvan hield in de toekenning aan [betrokkene 2] van [betrokkene 1]’s optierecht ten opzichte van Stichting [B] inzake onder meer de aandelen [verweerster 1].

(vi) Tussen [eiseres] en [betrokkene 2] zijn meningsverschillen over de afwikkeling van de nalatenschap van [betrokkene 1] ontstaan. In verband hiermee hebben zij met bijstand over en weer van raadslieden op 26 januari 2006 een vaststellingsovereenkomst gesloten. Daarin is onder meer bepaald:

“De vordering van de heer [betrokkene 1] op de Stichting [B] ter zake van de verkoop, koop en levering van de aandelen in [verweerster 2] en [verweerster 1] wordt toebedeeld aan [betrokkene 2] onder de verplichting van de vennootschappen om de koopsom die nodig is om aan [eiseres] het op grond van de pensioenbrieven toegekende recht op levenslang nabestaandepensioen (…) onder te brengen bij één of meerdere Nederlandse verzekeringsmaatschappijen.”

Namens [verweerster 1] is in december 2006 ten titel van afkoop van nabestaandepensioenverplichtingen een bedrag van € 500.920,- overgemaakt naar de derdenrekening van de notaris.

(vii) De vaststellingsovereenkomst heeft ook tot verwikkelingen geleid. Eén van die verwikkelingen bestond hieruit dat volgens [eiseres] in die overeenkomst ten onrechte geen rekening was gehouden met een recht op indexatie van de uitkeringen ter zake van het nabestaandepensioen.

1.2

In een door [eiseres] bij de rechtbank Utrecht tegen onder meer [verweerster 1] ingestelde procedure heeft laatstgenoemde in reconventie zich op het standpunt gesteld dat voor haar noch uit de vaststellingsovereenkomst noch uit de pensioentoezeggingen aan [betrokkene 1] verplichtingen ter zake van nabestaandepensioen jegens [eiseres] zijn ontstaan, zodat de reeds verrichte betalingen ter zake als onverschuldigd gedaan moeten worden beschouwd. Zij vordert terugbetaling van wat zij aan nabestaandepensioen heeft betaald. De rechtbank wijst deze vordering bij vonnis d.d. 4 februari 2009 af, maar het hof Amsterdam bij arrest d.d. 13 november 2012 toe. Daarbij bouwt het hof voort op zijn tussenarrest d.d. 16 maart 2010 waarin het concludeert dat de vaststellingsovereenkomst geen verplichtingen voor [verweerster 1] tot betaling van een afkoopsom voor nabestaandepensioen meebracht, en op zijn tussenarrest d.d. 13 november 2012 waarin het – onder verwijzing naar een opmerking van die strekking in een rapport dat een door hem eerder benoemde belastingdeskundige had uitgebracht – oordeelt dat, nu [betrokkene 1] op 7 april 1999 niet in dienst was van [A], er vanwege de toen geldende Pensioen- en Spaarfondsenwet aan hem geen rechtsgeldige pensioentoezegging kon worden gedaan. Het hof veroordeelt [eiseres] tot betaling aan [verweerster 1] van een bedrag van € 510.767,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 november 2007 tot de dag der voldoening. In het arrest d.d. 14 maart 2014 oordeelt de Hoge Raad de aan de Pensioen- en Spaarfondsenwet ontleende grond voor het ontzeggen van gebondenheid van [verweerster 1] aan de pensioentoezegging van 7 april 1999 onjuist. Het feit dat [betrokkene 1] op 7 april 1999 niet in dienst was van [A] staat niet aan de rechtsgeldigheid van de op die dag gedane toezegging in de weg.

1.3

In het na verwijzing door het hof Den Haag op 12 mei 2015 gewezen arrest wordt de door het hof Amsterdam uitgesproken veroordeling van [eiseres] jegens [verweerster 1] gehandhaafd. Uitgaande van de rechtsgeldigheid van de pensioentoezegging van 7 april 1999 als zodanig komt het hof op grond van uitlegging van die toezegging tot de slotsom dat noch ter zake van het aan het tijdelijk ouderdomspensioen gerelateerde nabestaande-pensioen noch ter zake van het op het levenslange ouderdomspensioen geënte nabestaandepensioen op [verweerster 1] een verplichting jegens [eiseres] heeft gerust.

1.4

[eiseres] is tijdig van het arrest van het hof Den Haag in cassatie gekomen. Na de conclusie van antwoord tot verwerping van het cassatieberoep zijn eerst de in cassatie ingenomen standpunten over en weer schriftelijk toegelicht. Vervolgens is er nog gere- en –dupliceerd.

2 Bespreking van het – uit twee onderdelen bestaand – cassatiemiddel

2.1

Zoals al opgemerkt komt het hof, na de rechtsgeldigheid van de toezegging van 7 april 1999 inzake het nabestaandepensioen tot uitgangspunt te hebben genomen, niettemin tot de slotsom dat op [verweerster 1] ter zake van nabestaandepensioen niet een uitkeringsverplichting jegens [eiseres] heeft gerust. Die slotsom bereikt het hof op grond van uitleg van de toezegging. In rov. 3.4 formuleert het hof de bij die uitleg aan te houden uitgangspunten. Zo merkt het aldaar op dat bij de uitleg van de aan een derde, te weten [eiseres], gedane toezegging de ‘CAO-norm’ is aan te houden. (3) Dat betekent dat in beginsel de bewoordingen van de toezegging, gelezen in het licht van de tekst van de pensioenbrief van 1 januari 1994 (waarop de toezegging een aanvulling vormt) en de brief van 9 april 1999 (waarin [A] de toezegging aan [betrokkene 1] bevestigt), van doorslaggevende betekenis zijn. Het komt daarbij aan op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen van de toezegging en de pensioenbrief zijn gesteld. Verder moet ook naar de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen worden gekeken.

2.2

De eerste stap met het oog op de uitlegging van de toezegging inzake het nabestaandepensioen zet het hof in rov. 3.5. Uit aldaar genoemde voorbehouden leidt het hof af dat [betrokkene 1] en [verweerster 1] bij het doen van pensioentoezeggingen beoogd hebben ‘fiscaal rationeel’ te handelen. Daarmee wil het hof zeggen dat [betrokkene 1] en [verweerster 1] - (en ook [A]) – met de gedane pensioentoezeggingen niet beoogd hebben af te wijken van hetgeen fiscaal en volgens de geldende pensioenwetgeving werd aanvaard. Daaraan verbindt het hof het gevolg dat het bij de uitleg van de omvang en hoogte van de pensioentoezegging van belang acht wat fiscaal en volgens de geldende pensioenwetgeving is toegestaan.

2.3

Hetgeen het hof in de rov. 3.4 en 3.5 overweegt bestrijdt [eiseres] als zodanig in cassatie niet. Sub 10 van de schriftelijke toelichting aan de zijde van [eiseres] wordt dit ook met zoveel woorden bevestigd.(4)

2.4

Omdat het resultaat van de bespreking van de in onderdeel 2 aangevoerde klachten mede van belang is voor de beoordeling van de klachten in onderdeel 1, wordt hierna eerst bij onderdeel 2 stilgestaan.

Onderdeel 2

2.5

In onderdeel 2 wordt tegen rov. 3.7 opgekomen, waarin het hof uiteenzet dat en waarom op [verweerster 1] jegens [eiseres] geen betalingsverplichting heeft gerust ter zake van weduwenpensioen, dat gerelateerd is aan het aan [betrokkene 1] toegezegde levenslang ouderdomspensioen.

2.6

Voor zijn oordeel dat op [verweerster 1] geen betalingsverplichting heeft gerust ter zake van weduwenpensioen, dat gerelateerd is aan het aan [betrokkene 1] toegezegde levenslang ouderdomspensioen, voert het hof in dat gedeelte van de tweede alinea van rov. 3.7 dat begint met “De door het hof benoemde deskundige” en eindigt met “onder een fiscaal vriendelijk regime’’, kort weergegeven, met name de volgende drie gronden aan:

(a) Zoals door de door het hof benoemde deskundige gesteld(5), kan en mag naar de fiscale regels bij het reserveren in eigen beheer geen rekening worden gehouden met een nabestaandepensioen bij overlijden vóór de pensioendatum. Naar tussen partijen vaststaat, heeft een reservering voor een dergelijk nabestaandepensioen ook niet plaatsgevonden.(6)

(b) Ten tijde dat de toezegging inzake het nabestaandepensioen werd gedaan – april 1999 –, was er bij [verweerster 1] sprake van deels in eigen beheer opgebouwd en deels extern, te weten bij Nationale Nederlanden, verzekerd pensioen.

(c) [verweerster 1] en [betrokkene 1], die ten tijde van de toezegging van het nabestaandepensioen kennis hadden van de op dat moment op het vlak van pensioen al getroffen voorzieningen en van de hoogte van de voorziene uitkeringen, hebben met de toezegging niet meer maar ook niet minder beoogd dan een toezegging uit hoofde waarvan [eiseres] (ter zake van nabestaandepensioen) aanspraak zou kunnen maken op (de) uitkering(en) uit hoofde van de reeds getroffen pensioenvoorzieningen onder een fiscaal vriendelijk regime. Met dit laatste doelt het hof, zo valt uit de door het hof vermelde stelling van de belastingdeskundige af te leiden, op pensioenvoorzieningen die fiscaal aanvaardbaar worden geacht. Dat geldt volgens de door het hof benoemde deskundige niet voor het in eigen beheer reserveren voor een nabestaandepensioen bij overlijden vóór de pensioendatum.

2.7

In de subonderdelen 2.1 en 2.3, in onderling verband gelezen, wordt als rechtsklacht aangevoerd dat het hof in strijd met de CAO-uitlegnorm in aanmerking heeft genomen dat [betrokkene 1] en [verweerster 1] hebben beoogd aan [eiseres] enkel aanspraak te geven op de uitkering(en) uit hoofde van de reeds getroffen pensioenvoorzieningen onder een fiscaal vriendelijk regime. Die bedoeling is immers niet kenbaar uit de tekst van de aanvullende pensioentoezegging en de daarbij behorende stukken.

2.7.1

De rechtsklacht faalt om de volgende reden. Hierboven in 2.1 en 2.2. zijn kort de uitgangspunten vermeld die het hof bij de uitleg van de toezegging inzake het nabestaandepensioen heeft aangehouden. Eén van die uitgangspunten is dat in beginsel doorslaggevende betekenis toekomt aan de bewoordingen van de toezegging, gelezen in het licht van de tekst van de pensioenbrief van 1 januari 1994 en de brief van 9 april 1999. Een ander uitgangspunt is dat uit de voorbehouden, die in de zojuist genoemde brieven zijn opgenomen, blijkt dat [betrokkene 1] en [verweerster 1] (en [A]) beoogd hebben fiscaal rationeel, d.w.z. overeenkomstig dat wat fiscaal aanvaardbaar wordt geacht, te handelen. Deze uitgangspunten zijn, zoals hierboven in 2.3 al opgemerkt, in cassatie niet bestreden en brengen mee dat er ten aanzien van de afspraak inzake het nabestaande-pensioen kan worden gesproken van een objectief kenbare bedoeling ter zake van de betekenis van het fiscale recht voor die afspraak.

2.8

Subonderdeel 2.2 bevat de rechtsklacht dat het Hof bij de uitleg van de toezegging van het nabestaandepensioen in strijd met de CAO-norm in het subonderdeel genoemde feiten en omstandigheden in aanmerking heeft genomen die niet objectief kenbaar zijn uit de tekst van de aanvullende pensioentoezegging en de daarbij behorende stukken.

2.8.1

Zoals hierboven in 2.1 jo. voetnoot 3 al uiteengezet, heeft het hof geoordeeld en ook kunnen oordelen dat bij de uitleg van de pensioentoezegging aan de hand van de CAO-norm mede in aanmerking worden genomen de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen die een uitleg aan de hand van objectieve maatstaven indiceert. Bij de beoordeling van die aannemelijkheid zullen andere ten processe gebleken feiten en omstandigheden in aanmerking mogen worden genomen. Die feiten en omstandigheden vormen het kader voor het toetsen van de aannemelijkheid van de uitleg waartoe men aan de hand van objectieve maatstaven komt. De feiten en omstandigheden waaraan in subonderdeel 2.2 wordt gerefereerd, vormen een dergelijk kader. Dit betekent dat het hof door binnen dat verband met die feiten en omstandigheden rekening te houden geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting over de reikwijdte van de CAO-norm.

2.9

De subonderdelen 2.4, 2.5 en 2.6 bevatten motiveringsklachten van de strekking dat het hof met de in die subonderdelen vermelde feiten omstandigheden niet duidelijk heeft gemaakt waarom [eiseres] aan de toezegging in april 1999 niet de aanspraak kan ontlenen op een nabestaandepensioen ter hoogte van 70% van het volledige ouderdomspensioen van [betrokkene 1], d.w.z. met inbegrip van in eigen beheer opgebouwd ouderdomspensioen.

2.9.1

De motiveringsklachten stuiten af op het volgende. Het hoofdargument dat het hof in rov. 3.7 bezigt voor zijn oordeel dat [eiseres] geen aanspraak kan maken op nabestaandepensioen voor zover zij daarvoor een beroep doet op aan [betrokkene 1] toegezegd ouderdoms-pensioen dat in eigen beheer is opgebouwd, bestaat hieruit dat [betrokkene 1] en [verweerster 1] (alsmede [A]) blijkens tussen hen gemaakte voorbehouden niet hebben beoogd om nabestaandepensioen door [verweerster 1] in eigen beheer te doen opbouwen dat ingaat vóór de voor [betrokkene 1] geldende pensioendatum. Zoals hierboven in 2.7.1 jo. 2.3 uiteengezet, geeft het hof met het bezigen van dat hoofdargument geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting ter zake van de CAO-norm. Dat argument kan reeds ten volle het oordeel dragen dat [eiseres] geen aanspraak kan maken op nabestaandepensioen, voor zover die aanspraak ziet op nabestaandepensioen dat zowel vóór de pensioendatum van [betrokkene 1] ingaat als van in eigen beheer opgebouwd ouderdomspensioen wordt afgeleid. Dit laatste brengt mee dat de motiveringsklachten reeds falen wegens gemis aan belang.

Onderdeel 1

2.10

In onderdeel 1 wordt rov. 3.6 bestreden. In deze overweging zet het hof uiteen dat en waarom naar zijn oordeel [eiseres] geen recht op nabestaandepensioen kan doen gelden, voor zover dat aan het aan [betrokkene 1] toegezegde tijdelijk extra-ouderdomspensioen is gekoppeld. Met over vier subonderdelen verdeelde klachten wordt hiertegen opgekomen.

2.11

Tegen deze klachten wordt door [verweerster 1] in haar schriftelijke toelichting sub 28 t/m 39 een prealabel verweer gevoerd. Dat verweer komt, zo blijkt uit met name het sub 38 en 39 gestelde, uiteindelijk hierop neer dat bij de klachten belang ontbreekt omdat in het bedrag van € 510.767,-, tot betaling waarvan het hof in zijn arrest van 12 mei 2015 [eiseres] veroordeelt, niet een bedrag is opgenomen dat betrekking heeft op nabestaandepensioen dat gerelateerd is aan het tijdelijk extra-ouderdomspensioen. Voor dit laatste wordt onder sub 39 aangevoerd: “Tijdelijk nabestaandepensioen is niet onderwerp van debat van partijen leidende tot het arrest van 13 november 2012 geweest, en ook niet in het debat na verwijzing voor wat betreft de te beoordelen vordering (van [verweerster 1]). Tot de stellingen van [eiseres] voor dan wel na verwijzing behoort (ook) niet de stellingname dat in het door het Hof in het arrest van 13 november 2012 vastgestelde bedrag van € 510.767 is begrepen een bedrag ter zake van betaald tijdelijk ouderdomspensioen, dat haar wel zou toekomen, de grootte daarvan en dat dit in mindering zou moeten worden gebracht.”

2.11.1

Het prealabele verweer gaat niet op. Reeds in de dagvaarding waarmee de procedure bij de rechtbank te Utrecht wordt ingeleid, wordt door [eiseres] sub 3.3 en 3.4 aangevoerd dat de krachtens de vaststellingsovereenkomst door [verweerster 2] en [verweerster 1] af te storten afkoopsom mede strekt om te voorzien in een tijdelijk, te weten tot 15 juni 2018 lopend(7), nabestaandepensioen en dat bij de uitgevoerde berekeningen van die afkoopsom daarmee ook rekening is gehouden. In de bij de dagvaarding gevoegde producties 8, 9 en 10, die betrekking hebben op de berekening van de afkoopsom, wordt ook steeds mede gewag gemaakt van een tijdelijk nabestaandepensioen. In de conclusie van antwoord stelt [verweerster 1] zich in het kader van de reconventionele vordering primair op het standpunt ter zake van weduwenpensioen niets verschuldigd te zijn en – sub 39 en 40 – subsidiair alleen gehouden te zijn een afkoopsom van € 309.024,- te betalen voor levenslang weduwenpensioen, zodat zij in ieder geval nog een bedrag van € 221.784,89 als onverschuldigd betaalde afkoopsom heeft terug te vorderen. In dat verband beroept zij zich op een rapport van het accountants- en belastingadviseurskantoor Mazars (productie 5 bij de conclusie), waarin de waarde van het van het blijvende ouderdomspensioen afgeleide nabestaandepensioen wordt berekend op € 309.024,- (blz. 7), na eerder opgemerkt te hebben (blz. 6) dat op basis van de pensioen- en fiscale wetgeving het niet mogelijk is dat een premievrije aanspraak op tijdelijk overbruggingspensioen bij overlijden overgaat op de weduwe.

2.12

Er is intussen een andere reden om te oordelen dat de in onderdeel 1 aangevoerde klachten wegens gebrek aan belang geen doel treffen. Zoals hierboven bij de bespreking van onderdeel 2 vermeld, heeft het hof bij zijn overwegingen inzake het niet bestaan bij [verweerster 1] van een verplichting tot het uitkeren van nabestaandepensioen voor zover geënt op het aan [betrokkene 1] toegekende levenslange ouderdomspensioen in aanmerking genomen de – in cassatie als zodanig onbestreden gebleven – stelling van de deskundige dat naar de fiscale regels bij het reserveren in eigenbeheer geen rekening kan en mag worden gehouden met een nabestaandepensioen bij overlijden vóór de pensioendatum. Voorts heeft het hof in aanmerking genomen de objectief kenbare bedoeling van [betrokkene 1] en [verweerster 1] (alsmede van [A]) om bij pensioentoezeggingen fiscaal rationeel te handelen, welke bedoeling meebrengt dat zij geacht willen worden op het vlak van pensioen geen afspraken te hebben gemaakt die fiscaal niet worden aanvaard. Deze twee omstandigheden, die het hof in aanmerking heeft kunnen nemen, kunnen reeds het oordeel dragen dat [eiseres] geen aanspraak kan maken op nabestaandepensioen voor zover dat afgeleid wordt van in eigen beheer op te bouwen levenslang ouderdomspensioen. Gelet op de hiervoor vermelde, algemeen luidende stelling van de deskundige dient hetzelfde te worden aangenomen voor de aanspraak van [eiseres] op nabestaandepensioen dat geënt is op in eigen beheer op te bouwen tijdelijk extra-ouderdomspensioen. Ook ten aanzien van dat nabestaandepensioen stelt [eiseres] zich immers op het standpunt dat dat pensioen ingaat bij een overlijden vóór de pensioendatum. Een en ander brengt mee dat voor het oordeel van het hof dat [eiseres] geen recht op nabestaandepensioen kan doen gelden voor zover dat van het aan [betrokkene 1] toegezegde tijdelijk extra-ouderdomspensioen wordt afgeleid, nog een andere dan in rov. 3.6 gebezigde grond bestaat die niet alleen dat oordeel ten volle kan dragen maar ook in cassatie vruchteloos wordt bestreden. Daarmee is gegeven dat bij de tegen rov. 3.6 aangevoerde klachten het voor cassatie vereiste belang ontbreekt en dat derhalve die klachten geen doel kunnen treffen.

2.13

Niettemin wordt hierna voor het geval dat het betoog in 2.12 voor niet valabel wordt gehouden, nog stilgestaan bij de tegen rov. 3.6 aangevoerde klachten.

2.14

In rov. 3.6 overweegt het hof onder meer dat tussen partijen vaststaat dat het fiscaal niet is toegestaan dat een tijdelijk ouderdomspensioen bij het overlijden van de pensioen-gerechtigde tot uitkering komt aan de nabestaande. In subonderdeel 1.1 wordt tegen het cursief weergegeven gedeelte van de overweging aangevoerd dat het hof hiermee blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

2.14.1

Deze klacht faalt om de volgende reden. Dat het fiscaal niet is toegestaan dat een tijdelijk ouderdomspensioen bij het overlijden van de pensioengerechtigde tot uitkering komt aan de nabestaande, neemt het hof niet aan op grond van een door hem zelf gevormd juridisch oordeel maar op de grond dat dit tussen partijen vaststaat. Nu zich niet voordoet het geval van een al eerder gegeven oordeel van deze inhoud dat door geen van de partijen is bestreden, is genoemde overweging, zo komt het voor, aldus te verstaan dat volgens het hof beide partijen in het geding het standpunt innemen dat het fiscaal niet is toegestaan dat een tijdelijk ouderdomspensioen bij het overlijden van de pensioengerechtigde tot uitkering komt aan de nabestaande, en dat om die reden daarvan dient te worden uitgegaan.

2.15

In subonderdeel 1.2 wordt als onbegrijpelijk bestreden de overweging dat tussen partijen vaststaat dat fiscaal niet is toegestaan dat een tijdelijk ouderdomspensioen bij het overlijden van de pensioengerechtigde tot uitkering komt aan de nabestaande. Tot dat vaststaan kan niet op grond van de processtukken worden geconcludeerd.

2.15.1

Deze klacht wordt terecht voorgedragen. Uit met name hetgeen [verweerster 1] sub 41 van haar memorie na verwijzing doet opmerken valt af te leiden, dat zij mede met een beroep op een – niet nader onderbouwde – uitlating van die strekking van de door het hof Amsterdam benoemde deskundige het standpunt inneemt dat uitkering van tijdelijk extra-ouderdomspensioen aan een nabestaande niet is toegestaan en dat dan artikel 8.1 uit de pensioenovereenkomst van 1 januari 1994 meebrengt dat het er voor gehouden moet worden dat [betrokkene 1] de verlening van weduwenpensioen dat afgeleid is van het tijdelijk extra-ouderpensioen uiteindelijk toch niet bedoeld heeft. Dit standpunt is van de zijde van [eiseres] bestreden met name bij gelegenheid van het bij het hof Den Haag op 10 april 2015 gehouden pleidooi; zie Pleitnotities van mr. Struyken, sub 26. Bij hetgeen daar wordt opgemerkt is mede te betrekken hetgeen wordt opgemerkt in de memorie na cassatie en verwijzing van [eiseres], sub 73 t/m 76. In een en ander ligt besloten dat volgens [eiseres] niet op grond van artikel 8.1 van de pensioenovereenkomst van 1 januari 1994 kan worden aangenomen dat [betrokkene 1], [verweerster 1] en [A] het weduwenpensioen, voor zover afgeleid van het tijdelijk extra-ouderdomspensioen, uiteindelijk toch niet gewild hebben omdat dit fiscaal niet zou zijn toegestaan.

2.16

Als grond voor zijn conclusie dat [eiseres] geen recht heeft op aan het tijdelijk extra-ouderdomspensioen gerelateerd nabestaandepensioen voert het hof in rov. 3.6 mede aan:

“Daar komt bij dat in de tekst van het aandeelhoudersbesluit en de weergave daarvan in de brief van 9 april sprake is van 70% van het laatstelijk oudedagspensioen c.q. tijdelijk extra oudedagspensioen. Dat met “c.q.” (in welk geval) “en“ bedoeld is, zoals door [eiseres] wordt beoogd, ligt niet in de rede. Tekstueel ligt meer voor de hand te veronderstellen dat “c.q.” ziet op de situatie van overlijden van [betrokkene 1] op een moment dat hij tijdelijk ouderdomspensioen geniet, dus in geval van overlijden op een leeftijd tussen de 60- en 65-jaar. Deze situatie heeft zich echter niet voorgedaan.”

Dit oordeel wordt in de subonderdelen 1.3 en 1.4 eveneens als onbegrijpelijk bestreden.

2.16.1

Het hof heeft in het bestreden oordeel een tekstuele uitleg op het oog; het overweegt immers: “Tekstueel ligt meer voor de hand te veronderstellen …”. In de brief van 9 april 1999 ter bevestiging van de toezegging van weduwenpensioen wordt het beoogde weduwenpensioen omschreven als hierboven in 1.1 sub (iv) weergegeven. Uit de tekst achter het eerste gedachtestreepje valt af te leiden dat toegezegd wordt een weduwen-pensioen, dat ingaat op het moment van overlijden van [betrokkene 1] ongeacht wanneer dit plaats vindt en dat alsdan levenslang is uit te keren. Achter het tweede gedachtestreepje wordt de hoogte van het jaarlijks weduwenpensioen aangegeven waarbij, zo mag worden aangenomen, gedoeld wordt op het achter het eerste gedachtestreepje genoemde weduwen-pensioen. Uitgangspunt is: “70% van het jaarlijks oudedagspensioen c.q. tijdelijk extra oudedagspensioen”, waarna nog twee situaties met betrekking tot beide typen oudedagspensioen worden onderscheiden: “jaarlijks oudedagspensioen c.q. tijdelijk extra oudedagspensioen dat U heeft genoten, dan wel ….. het laatstelijk voor U vastgestelde oudedagspensioen c.q. tijdelijke extra oudedagspensioen.” Tekstueel gezien geeft het achter de twee gedachtestreepjes bepaalde geen aanleiding om voor het weduwenpensioen, voor zover daarvoor aangeknoopt wordt bij het tijdelijk extra-oudedagspensioen, aan te nemen dat daarop alleen aanspraak kan worden gemaakt in het geval dat [betrokkene 1] overlijdt op een leeftijd tussen de 60- en 65-jaar. Er wordt immers gesproken van een levenslang weduwen-pensioen vanaf de datum van overlijden van [betrokkene 1] ongeacht waarop dit plaats vindt, terwijl bovendien voor de bepaling van de hoogte van dat pensioen van belang kan zijn niet slechts het genoten maar ook het vastgestelde tijdelijk extra-oudedagspensioen. De vaststelling van het tijdelijk extra-oudedagspensioen had al plaatsgevonden vóór de datum waarop [betrokkene 1] de leeftijd van 60 jaar zou bereiken. Een en ander voert tot de slotsom dat, tekstueel gezien, er meer voor pleit om aan de afkorting “c.q.” de betekenis van “en” toe te kennen en dat derhalve de motiveringsklachten in de subonderdelen 1.3 en 1.4 terecht zijn voorgedragen.

2.17

De klacht in subonderdeel 1.5 gaat op, voor zover zij voortbouwt op klachten in de hierboven besproken subonderdelen, die als terecht aangevoerd zijn aangemerkt.

3 Conclusie

Aangenomen dat ook de klachten in onderdeel 1 uiteindelijk geen doel treffen wegens het ontbreken van het vereiste belang bij cassatie, wordt geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Komen de klachten in onderdeel 1 wel in aanmerking voor een inhoudelijke beoordeling dan wordt geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

(A-G)

1 . ECLI:NL:HR:2014:625, NJ 2014-171, RAR 2014-75.

2 . Omtrent de grootte van dit pensioen was bepaald: “Het tijdelijk ouderdomspensioen is gelijk aan de ingebouwde A.O.W., vermeerderd met de zogenaamde prijscompensatie ter grootte van de gebruteerde premieheffing.”

3 . De toezegging is gedaan in het kader van een overeenkomst, zodat op de vaststelling van de inhoud van de toezegging de regels inzake uitleg van een overeenkomst van toepassing zijn. Te dien aanzien wordt een onderscheid gemaakt tussen uitleg aan de hand van de Haviltex-norm en van de CAO-norm. Zie over uitleg van overeenkomsten meer in het algemeen Asser/Hartkamp&Sieburgh, 6-III, 2014, nrs. 354 e.v. In met name de nrs. 373 en 374 wordt aandacht aan de CAO-norm geschonken. Omtrent die norm heeft de Hoge Raad in rov. 4 van het arrest DSM/Fox - HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR: 2004:AOI1427, NJ 2005, 493 – onder meer overwogen: “Anderzijds leidt de CAO-norm niet tot een louter taalkundige uitleg; in het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2002, nr. C00/186, NJ 2003, 110, is de hiervoor in 4.3 aangehaalde rechtspraak in die zin verduidelijkt dat hier sprake is van een uitleg naar objectieve maatstaven, waarbij onder meer acht kan worden geslagen op de elders in de cao gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden.”

4 . Dit brengt onder meer mee dat voor de uitleg van de toezegging van weduwenpensioen, zoals door het hof geoordeeld, de CAO-norm is aan te houden en niet de Haviltex-norm. Voor zijn oordeel voert het hof als grond aan dat het hier gaat om een ten behoeve van een derde gedane pensioentoezegging. Het is echter de vraag of die omstandigheid in casu reeds de toepassing van de CAO-norm kan rechtvaardigen. Er is in casu sprake van een overeenkomst met een beding (toezegging) ten behoeve van een enkele derde, te weten de weduwe van [betrokkene 1] die, naar ten tijde van de toezegging werd verwacht, [eiseres] zou zijn. Voor de uitleg van een overeenkomst met een dergelijk derdenbeding geldt, zo wordt aangenomen, in principe de Haviltex-norm zij het dat de betrokkenheid van een derde aanleiding kan geven om bij de vaststelling van diens rechtspositie wat meer gewicht toe te kennen aan objectieve maatstaven. Zie in dit verband R.P.J.L. Tjittes, Uitleg van schriftelijke contracten, AA Libri, 2009, hoofdstuk 5, in het bijzonder par. 5.5, alsmede Asser/Hartkamp&Sieburgh, 6-III, 2014, nr. 375, waar onder meer verwezen wordt naar HR 18 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5160, NJ 2003, 503, m.nt. Du Perron (rov. 3.5.1).

5 . Zie het deskundigenbericht d.d. 5 december 2011 aan het hof, vervolgblad 24.

6 . Deze twee vaststellingen van het hof zijn inhoudelijk in cassatie niet bestreden. Van de juistheid van die vaststellingen is bijgevolg in cassatie uit te gaan.

7 . Het aan [betrokkene 1] toegezegde tijdelijk extra-ouderdomspensioen zou tot die datum aan hem zijn uitgekeerd, indien hij dan nog zou hebben geleefd.