Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2016:1014

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-09-2016
Datum publicatie
18-10-2016
Zaaknummer
15/05909
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2376, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bedreiging met een “AK-47” n.a.v. een woordenwisseling op straat. 1. Beroep op (putatief) noodweer. 2. TBS met dwangverpleging opgelegd aan weigerende observandus. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/05909

Zitting: 20 september 2016

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 7 december 2015 de verdachte wegens 1. “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht”, 2. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II” en “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” en 3. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr, en met onttrekking aan het verkeer en teruggave van in beslag genomen voorwerpen, zoals in het arrest omschreven. Voorts heeft het hof gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en bevolen dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

  2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof ten aanzien van feit 1 ten onrechte, althans onvoldoende met redenen omkleed, het beroep op noodweer en het beroep op putatief noodweer heeft verworpen.

  4. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezen verklaard dat:

“hij op 13 februari 2013 te 's-Gravenhage [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een vuurwapen getoond aan en gericht op die [slachtoffer] .”

5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen1:
(i) De op de terechtzitting in eerste aanleg van 7 januari 2014 afgelegde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende:

“Op 13 februari 2013 liep ik vanuit de Albert Heijn in Den Haag en toen kwam ik [betrokkene 1] en [slachtoffer] tegen. […] Ik pakte hierop mijn wapen en liet het wapen zien. Ik zei: "Afstand".

Ik had het wapen thuis onder mijn bank gelegd.

Het is juist dat de amfetamine in mijn huis is aangetroffen.”

(ii) Een proces-verbaal van politie van 13 februari 2013, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :

“Ik ben vanmiddag door een jongen met een mitrailleur bedreigd. Hij liep naar achter en naar voren, deed zijn jas open en trok een mitrailleur, een AK47, en hij richtte die op mij.[...]

Het wapen was van metaal en hij wilde hem bijna een klik geven. Hij wilde hem doorladen. Hij deed met zijn hand over het wapen van voor naar achteren. Hij stond met zijn vuurwapen voor zijn borst in mijn richting en bedreigde daar nog mee. Ik was bang.

Ik verbalisant toon aangever de foto van [verdachte] .

Ja, dat is hem, 100% zeker. Dat is de man die mij vanmiddag heeft bedreigd met het wapen, die AK47. [...]

Ik zag dat hij de rits van zijn jas naar beneden deed en met zijn hand in zijn jas greep. Ik zag toen dat hij een pistool trok. Een wapen, een AK47. Het was een lang wapen met 2 handvaten en dat je hem zo een schuif kan geven. Hij wees met het wapen naar mij terwijl ik op 1 meter afstand van hem stond. Ik zag dat hij met een heel boos gezicht over het wapen keek in mijn richting, terwijl hij het wapen op mij richtte. Hij richtte op mijn borst.”

(iii) Een proces-verbaal van politie van 13 februari 2013, voor zover inhoudende als verklaring van [verbalisant] :

“Op een gegeven moment zag ik dat persoon 4 zijn hand in zijn binnenzak stak en een schietwapen in zijn hand had.

[…]

Het ding dat persoon 4 in zijn hand hield zag eruit als een vuurwapen. Ik zag dat het zwart van kleur was en 30 à 35 cm groot. Ook zag ik iets dat leek op een kolf die je tegen je schouder kan zetten.

Het was duidelijk een pistoolvorm maar daarachter zat nog een soort verlenging, een open stuk.”

(iv) Een proces-verbaal van politie van 13 februari 2013, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] :

“Ik ging vandaag met [slachtoffer] naar de supermarkt, ik bedoel [slachtoffer] maar ik noem hem [slachtoffer] . Op de brug zag ik een jongen lopen. Die jongen heeft zich ooit voorgesteld maar ik weet zijn naam niet meer. Hij werd heel agressief. Ik zag toen dat hij een wapen pakte, een groot wapen. Hij pakte het wapen uit zijn binnenzak. Groot, brede onderkant, breed handvat, met een lange loop. Het leek meer een klein geweer. Ik dacht dat ze zoiets AK-47 noemen, het was zwart. Hij had het vast als een mitrailleur. Hij richtte het wapen op [slachtoffer] zijn borst, op borst hoogte. De afstand tussen hem en [slachtoffer] was ongeveer 2 meter, vrij dichtbij.”

6. Zoals blijkt uit de op de terechtzitting in hoger beroep van 23 november 2015 overgelegde pleitaantekeningen, heeft de raadsman van de verdachte bepleit dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging ter zake van de bedreiging van [slachtoffer] . In de eerste plaats heeft de raadsman een beroep gedaan op noodweer ex art. 41 Sr. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd. De gedraging van de verdachte is een directe reactie op een onmiddellijk dreigend gevaar in de vorm van een aanval van [slachtoffer] die de verdachte dreigde neer te steken. [slachtoffer] was niet voor rede vatbaar, terwijl de verdachte [slachtoffer] onberekenbaar achtte vanwege zijn cocaïnegebruik. De vriendin van [slachtoffer] ( [betrokkene 1] ) heeft getracht [slachtoffer] tot bedaren te brengen en hem mee te trekken, hetgeen niet is gelukt. Op het moment dat de verdachte trachtte weg te lopen, heeft [slachtoffer] de verdachte mondeling met de dood bedreigd, is [slachtoffer] de verdachte achterna gelopen en heeft [slachtoffer] daarbij zijn hand dreigend in zijn rechter jaszak gehouden. Voorts heeft de raadsman, voor het geval [slachtoffer] niet daadwerkelijk de bedoeling zou hebben gehad om de verdachte te doden of zwaar te verwonden, een beroep gedaan op putatief noodweer. Onder de gegeven omstandigheden mocht de verdachte uitgaan van een levensbedreigende aanval, terwijl alternatieve mogelijkheden om het gevaar af te wenden reeds waren ingezet maar niet tot beëindiging van de bedreigende situatie hadden geleid, aldus de raadsman.
Daarnaast heeft de verdachte op de voornoemde terechtzitting in hoger beroep verklaard dat [slachtoffer] “gelijk helemaal gek” werd, dat de verdachte is weg gelopen, dat [slachtoffer] met zijn hand in zijn zak achter hem aan kwam en dat [slachtoffer] “stop of ik steek je neer” tegen de verdachte heeft gezegd.

7. Het hof heeft dit verweer onder “strafbaarheid van de verdachte” als volgt samengevat en verworpen:

“De verdediging heeft primair betoogd dat verdachte ter zake van de ten laste gelegde bedreiging ontslagen moet worden van alle rechtsvervolging en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte heeft gehandeld naar aanleiding van een onmiddellijk dreigend gevaar van een aanval van [slachtoffer] , die immers op hem afliep en dreigde hem neer te steken. Subsidiair heeft verdachte zich beroepen op putatief noodweer. Onder de gegeven omstandigheden, zoals onder meer de onberekenbaarheid van [slachtoffer] vanwege zijn cocaïnegebruik, moest verdachte rekening houden met een levensbedreigende aanval en alternatieve mogelijkheden om dit gevaar af te wenden hadden niet tot resultaat geleid.

Het hof oordeelt als volgt.

Het scenario van de verdachte, dat [slachtoffer] op hem af bleef lopen en verbaal dreigde de verdachte te zullen neersteken, waarbij hij zijn hand dreigend in zijn rechterjaszak hield, is niet aannemelijk geworden, nu het dossier daarvoor geen aanknopingspunten biedt. De getuigen [betrokkene 1] en [verbalisant] hebben niet gezien dat [slachtoffer] op verdachte bleef aflopen en zij hebben evenmin de gestelde bedreiging jegens verdachte gehoord of gezien. Er is weliswaar uit het dossier af te leiden dat [slachtoffer] zich onvriendelijk en met een dreigende lichaamshouding tegenover de verdachte heeft opgesteld, maar een dergelijke houding brengt niet zonder meer met zich mee dat sprake is van een objectiveerbare (dreigende) ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van de verdachte waartegen hij zich heeft mogen verdedigen. Het beroep op noodweer wordt verworpen.

Ook de feiten en omstandigheden die door de verdediging aan het beroep op putatief noodweer ten grondslag zijn gelegd zijn niet aannemelijk geworden. De feiten en omstandigheden zoals ze uit het dossier blijken en zoals deze bij de bespreking van het beroep op noodweer hierboven zijn weergegeven, leveren geen situatie op waarin de verdachte abusievelijk doch verschoonbaar heeft kunnen menen dat een noodzaak tot verdediging bestond. Derhalve wordt ook dit verweer verworpen.

Er is voorts geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.”

8. In de hiervoor weergegeven overwegingen heeft het hof geoordeeld dat de aan het beroep op noodweer althans putatief noodweer ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden niet aannemelijk zijn geworden. De verwerping van de beroepen op noodweer en putatief noodweer heeft aldus een feitelijke grondslag. Het hof heeft niet aannemelijk bevonden dat de genoemde [slachtoffer] met zijn hand dreigend in zijn rechter jaszak achter de verdachte aan is gaan lopen en daarbij mondeling heeft gedreigd de verdachte neer te steken. Wat resteert, is dat de betrokken [slachtoffer] zich onvriendelijk en met een dreigende lichaamshouding tegenover de verdachte heeft opgesteld. Het oordeel van het hof dat een dergelijke houding onvoldoende is om aan te nemen dat sprake is van een objectiveerbare (dreigende) ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de verdachte waartegen hij zich heeft mogen verdedigen, is niet onbegrijpelijk en kan in cassatie niet verder worden getoetst.2

9. Ten aanzien van het beroep op putatief noodweer geldt voorts het volgende. Er is sprake van putatief noodweer indien de verdachte abusievelijk in de veronderstelling heeft verkeerd dat hij zich moest verdedigen, omdat de verdachte zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel een onjuiste opvatting had over de uitleg van de noodweerregeling. Een beroep op putatief noodweer komt als een vorm van een beroep op afwezigheid van alle schuld uitsluitend voor honorering in aanmerking wanneer de verdachte verschoonbaar heeft gedwaald ten aanzien van het verkeren in een noodweersituatie. Daarbij is de beoordeling door een objectieve waarnemer ten tijde van het handelen beslissend.3 Wanneer door of namens de verdachte een beroep is gedaan op putatief noodweer dient het hof eerst te onderzoeken of er inderdaad sprake was van een verschoonbare dwaling aan de kant van de verdachte. Dit is het geval indien de verdachte niet alleen kon maar ook redelijkerwijs mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze zoals hij heeft gedaan, omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld.4 Wanneer het hof heeft vastgesteld dat de verdachte in redelijkheid kon en mocht menen dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, moet het hof zoveel mogelijk in overeenstemming met de bij noodweer voorgeschreven werkwijze onderzoeken of de voorwaarden voor de aanvaarding van het noodweerverweer voor het overige zijn vervuld.5 Een beroep op putatief noodweer kan niet slagen, indien de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept noch op grond van diens bedoeling daarbij noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm ervan kan worden aangemerkt als verdedigend, maar - naar de kern bezien - als aanvallend, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht.6

10. In de overwegingen van het hof ligt als diens oordeel besloten dat uit de stukken van het geding en op grond van het onderzoek ter terechtzitting geen feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden op grond waarvan de verdachte in redelijkheid kon en mocht menen dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar voor zodanige aanranding. Aldus heeft het hof het beroep op putatief noodweer op goede gronden en toereikend gemotiveerd verworpen. Gelet op hetgeen de verdediging ter onderbouwing van het verweer heeft aangevoerd, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering.7

11. Anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd, was het hof bij de verwerping van dit verweer niet gehouden expliciet in te gaan op de in de toelichting op het middel aangehaalde onderdelen van de onderbouwing van het verweer van de raadsman, te weten de onberekenbaarheid van [slachtoffer] , het justitiële verleden van [slachtoffer] en de omstandigheid dat de vriendin van [slachtoffer] ook niet in staat was [slachtoffer] van de verdachte weg te trekken. De verdediging heeft deze omstandigheden aangevoerd in aansluiting op het door haar geschetste scenario dat de genoemde [slachtoffer] op de verdachte af kwam lopen, verbaal dreigde de verdachte te zullen neersteken en zijn hand dreigend in zijn rechter jaszak hield. Dit scenario heeft het hof juist niet aannemelijk bevonden. De motiveringsplicht van art. 358, derde lid, Sv gaat ten aanzien van een beroep op (putatief) noodweer bovendien niet zo ver dat bij de verwerping daarvan op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.8

12. Het middel faalt.

13. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende met redenen omkleed, heeft gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en heeft bevolen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

14. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

(i) In een andere zaak, die in eerste aanleg heeft geleid tot een veroordeling van de verdachte ter zake van onder meer moord en een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren bij vonnis van de rechtbank te ’s-Gravenhage van 8 december 2003, is zowel een psychiatrisch rapport als een psychologisch rapport betreffende de verdachte opgemaakt.9 De verdachte heeft zijn medewerking verleend aan de desbetreffende onderzoeken. Het Pro Justitia rapport van 17 november 2003, opgemaakt door de klinisch psycholoog W.M.J. Kortis, houdt in dat er bij de verdachte weliswaar sprake is van antisociale trekken maar dat er bij de verdachte ten tijde van het begaan van het ten laste gelegde geen sprake was van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en dat hij volledig toerekeningsvatbaar moet worden geacht. Het Pro Justitia rapport van 18 november 2003, opgemaakt door de psychiater F.C. Karayalçin, vermeldt dat de persoonlijkheid van de verdachte een aantal kenmerken van een antisociale en narcistische persoonlijkheid vertoont maar dat er geen aanwijzingen zijn gevonden voor het bestaan van een persoonlijkheidsstoornis, dat er ten tijde van de ten laste gelegde feiten geen sprake was van een ziekelijke stoornis van zijn geestesvermogens en/of gebrekkige ontwikkeling en dat de feiten vanuit psychiatrisch perspectief in het geheel aan hem kunnen worden toegerekend.

(ii) In de zaak waarin de verdachte bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te ’s-Gravenhage van 28 september 2009 ter zake mishandeling is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig dagen is een reclasseringsadvies betreffende de verdachte uitgebracht. De verdachte heeft aan dit onderzoek meegewerkt. Het voorlichtingsrapport van 17 juli 2009, opgemaakt door de reclasseringsmedewerker [betrokkene 2] , vermeldt dat de verdachte soms impulsief handelt maar dat hulpverlening op dit moment niet geïndiceerd is, dat verplicht reclasseringscontact op dit moment niet geïndiceerd is gelet op het feit dat de verdachte geen motivatie heeft voor een behandeling of training en dat geen concreet (straf)advies kan worden gegeven.

(iii) Een psychiatrisch rapport betreffende de verdachte van 12 april 2013, in de onderhavige zaak opgemaakt door de psychiater K. Foeken, houdt in dat de verdachte niet wenste mee te werken aan het psychiatrisch onderzoek en dat de psychiater zich genoodzaakt ziet de opdracht tot rapportage te retourneren, aangezien hij de verdachte niet heeft gezien en hem niet heeft kunnen onderzoeken.

(iv) Een psychologisch rapport betreffende de verdachte van 23 april 2013, in de onderhavige zaak opgemaakt door klinisch psycholoog W.J.L. Lander, vermeldt dat de verdachte niet heeft meegewerkt aan het onderzoek, dat er gelet op de plaatsing van de verdachte in het PPC in Amsterdam mogelijk sprake is van psychiatrische problematiek bij de verdachte, dat verdere gedragsobservatie in het Pieter Baan Centrum (PBC) zou kunnen worden overwogen om meer zicht te krijgen op het psychische functioneren van de verdachte maar dat de kans bestaat dat de verdachte zich in het PBC niet coöperatief opstelt, zodat het onderzoek beperkt blijft.

(v) Een reclasseringsadvies betreffende de verdachte van 2 juli 2013, in de onderhavige zaak opgemaakt door de reclasseringsmedewerker [betrokkene 3], houdt in dat de verdachte niet wilde meewerken aan een rapportage maar wel bereid was een aantal vragen van de rapporteur te beantwoorden. Geadviseerd wordt de verdachte ter observatie te plaatsen in het PBC, gelet op de ernst van de ontvangen informatie van de ketenpartners, het reële vermoeden van een gewelddadig delict, het agressieve gedrag van de verdachte en het vermoeden van psychiatrische problematiek.

(vi) Op de terechtzitting in eerste aanleg van 31 juli 2013 heeft de rechtbank bevolen dat de verdachte ter observatie zal worden opgenomen in het Pieter Baan Centrum in Utrecht teneinde onderzoek te doen naar zijn geestvermogens en dat daartoe een deskundige van het Pieter Baan Centrum zal worden benoemd.

(vii) Een Pro Justitia rapportage van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie betreffende de verdachte van 20 november 2013, opgemaakt door de psycholoog R. Haveman en de psychiater S. Went, vermeldt dat de verdachte heeft geweigerd mee te werken aan de psychologische en psychiatrische onderzoeken, zodat er geen diagnostische conclusie kon worden getrokken. Bij de totstandkoming van het rapport is acht geslagen op de (eerdere) strafdossiers van de verdachte, zijn penitentiaire dossier, zijn medische dossier, politiemutaties, een uittreksel uit de justitiële documentatie, het reclasseringsadvies van 2 juli 2013, het psychologische rapport van 23 april 2013, het psychiatrische rapport van 12 april 2013, het voorlichtingsrapport van de reclassering van 17 juli 2009, de Pro Justitia rapportage van 18 november 2003 (psychiatrisch onderzoek) en de Pro Justitia rapportage van 17 november 2003 (psychologisch onderzoek). De rapportage van 20 november 2013 bevat in antwoord op de vraag of de verdachte ten tijde van het plegen van de onderhavige feiten lijdende was aan een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, de volgende conclusie:

“Vanuit de beschikbare informatie kan worden gesteld dat er sterke aanwijzingen zijn voor een ziekelijke stoornis en/of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Genoemde symptomen zijn achterdocht, extreme reacties op geluidsoverlast, veel conflicten, drugsgebruik en disfunctioneren. Ook wordt melding gemaakt van spreekdrang en motorische onrust bij de betrokkene. Betrokkene is reeds zeer langdurig bekend met deze problematiek en is hiervoor ook met antipsychotische medicatie en slaapmedicatie behandeld. Opmerkelijk is dat betrokkene tal van diagnostische etiketten kreeg opgeplakt gedurende zijn verblijf op de verschillende bijzondere zorgafdelingen. Het betreft dan ook zeer ingewikkelde problematiek, die niet te duiden is zonder eigen onderzoek. Werkhypothesen die wij graag hadden willen toetsen: of er bij betrokkene sprake is (geweest) van een psychotische stoornis, een bipolaire stoornis, een schizoaffectieve stoornis, persoonlijkheidsproblematiek, ADHD, autismespectrumstoornis, problematisch middelengebruik, of een combinatie hiervan?

Gedurende zijn verblijf in het PBC functioneerde betrokkene - in een zeer gestructureerde setting en met antipsychotische medicatie - redelijk goed, ook al waren er wel tekenen van achterdocht, overgevoeligheid voor geluid, spreekdrang, onrust en slechte afstemming in contacten met anderen.

Hetgeen wij hebben waargenomen is echter, gezien het onvolledig onderzoek, moeilijk te duiden en onvoldoende om tot een eigenstandige diagnostische conclusie te komen. Om deze reden zijn de overige onderzoeksvragen evenmin te beantwoorden.”

(viii) De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden en TBS met dwangverpleging. Vervolgens heeft de rechtbank de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden maar aan de verdachte geen TBS opgelegd. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat zij niet anders kan dan de verdachte volledig toerekeningsvatbaar achten voor de bewezen verklaarde feiten, aangezien de rechtbank er gelet op de conclusies van de deskundigen vanuit gaat dat bij de verdachte op dat moment niet is vast te stellen dat hij aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens lijdt.

(ix) Een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende de verdachte van 18 mei 2015 vermeldt onder meer de volgende onherroepelijke veroordelingen. De verdachte is op 28 september 2009 ter zake van mishandeling veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig dagen. Op 1 februari 2005 is de verdachte in hoger beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaren wegens onder meer doodslag en overtreding van de Wet wapens en munitie. Op 28 februari 2005 is de verdachte in hoger beroep ter zake van openlijke geweldpleging en gekwalificeerde belediging veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes weken. Op 26 november 2002 is de verdachte ter zake van gekwalificeerde belediging, het beletten van een ambtshandeling, bedreiging en wederspannigheid veroordeeld tot een werkstraf van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken, met een proeftijd van twee jaren.

(x) Op de terechtzitting in hoger beroep van 23 november 2013 is de psychiater C. Went als deskundige gehoord. Zij heeft het volgende verklaard ten aanzien van het door haar opgemaakte rapport betreffende de verdachte. Zij heeft de conclusie dat er sterke aanwijzingen zijn voor het bestaan van een psychiatrische stoornis en/of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bij de verdachte uit het dossier afgeleid. Deze conclusie is niet voortgekomen uit haar eigen onderzoek, aangezien zij dat onderzoek niet heeft kunnen uitvoeren. Zonder de voorgeschiedenis had zij de beperkte conclusie, die werd bevestigd door hetgeen zij heeft waargenomen, niet getrokken. Zij heeft sterke aanwijzingen dat er bij de verdachte sprake is van een stoornis maar zonder eigen onderzoek kan zij niet vaststellen welke stoornis dat is.

(xi) Op de terechtzitting in hoger beroep van 23 november 2013 is ook de GZ-psycholoog R. Haveman als deskundige gehoord. Hij heeft ten aanzien van het door hem opgemaakte rapport betreffende de verdachte het volgende verklaard. Het is een gebrekkig onderzoek in de zin dat de verdachte heeft geweigerd mee te werken. De strekking van het rapport is dat zonder eigen onderzoek geen conclusies kunnen worden getrokken, tenzij het beeld zonder meer helder is. Met de conclusie dat er sterke aanwijzingen zijn voor een stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens bij de verdachte bedoelt hij dat hij aan de differentiaaldiagnose niet is toegekomen. Op symptoomniveau is binnen het Pieter Baan Centrum een wat ontremde man waargenomen met een overgevoeligheid voor (geluids)prikkels en een man die de persoonlijke ruimte van mensen niet wist te respecteren. Uit de levensgeschiedenis van de verdachte blijken problemen die een soort van patroon vormen. Er is evenwel onvoldoende informatie om het een en ander te kunnen classificeren.

(xii) De advocaat-generaal bij het hof heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden en TBS met dwangverpleging.

15. Uit de op de terechtzitting in hoger beroep van 23 november 2015 overgelegde pleitaantekeningen blijkt dat de raadsman ten aanzien van de op te leggen straf en/of maatregel heeft bepleit dat geen TBS met dwangverpleging dient te worden opgelegd. Daartoe heeft de raadsman het volgende aangevoerd. De verdachte heeft zich relatief gezien voldoende beheerst gedragen in een voor hem uiterst gevaarlijke situatie. De verdachte heeft niet een voldoende aantoonbare psychiatrische problematiek. De noodzaak voor het opleggen van deze maatregel ter afwending van gevaar voor personen en/of goederen ontbreekt. Bedreiging vormt een soort ondergrens voor oplegging van de maatregel, aangezien de uitvoering van de TBS-maatregel bij een bewezenverklaring van bedreiging mede gezien de proportionaliteit doorgaans uiterst problematisch is. Behandeling met een delictscenario-analyse en een terugvalpreventieplan lijkt niet aangewezen. Een dwangbehandeling naar aanleiding van het tonen van een wapen zonder het te gebruiken ligt niet voor de hand. TBS met dwangverpleging voldoet niet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, aldus de raadsman.

16. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en bevolen dat hij van overheidswege zal worden verpleegd. Het hof heeft de oplegging van deze gevangenisstraf en deze maatregel onder “motivering van de op te leggen straf en maatregel” als volgt gemotiveerd:

“Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft op klaarlichte dag een geladen machinepistool voorhanden gehad. Gelet op de gevaarzetting die van vuurwapens uitgaat moet tegen het bezit daarvan streng worden opgetreden. In dit geval geldt dat in het bijzonder nu de verdachte het machinepistool in het openbaar bij zich droeg en dit wapen op enig moment zelfs in zijn handen heeft genomen en op iemand heeft gericht om deze te bedreigen.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van ongeveer 52 gram amfetamine, een voor de gezondheid van personen zeer schadelijke stof. Het gebruik daarvan is bovendien bezwarend voor de samenleving onder andere vanwege de daarmee verband houdende gepleegde criminaliteit. Dit zijn ernstige feiten waarop naar het oordeel van het hof niet anders kan worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur.

Het hof heeft voorts in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 oktober 2015, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke en andersoortige strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Persoonlijkheid verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de Rapportage Pro Justitia d.d. 20 november 2013, opgemaakt en ondertekend door S. Went, psychiater, en R. Haveman, psycholoog.

De deskundigen komen op basis van uitgebreide informatie uit het medisch dossier van de verdachte, het straf- en penitentiair dossier, eerdere rapportages en politiemutaties en van het tijdens de opname in het Pieter Baan Centrum waargenomen gedrag dat verdachte heeft laten zien, tot de conclusie dat er (sterke) aanwijzingen zijn voor een ziekelijke stoornis bij en/of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van de verdachte. De deskundigen wijzen daarbij op symptomen zoals achterdocht, extreme reacties op geluidsoverlast, veel conflicten, drugsgebruik en disfunctioneren. Ook is melding gemaakt van spreekdrang en motorische onrust bij de verdachte. De verdachte is behandeld met anti-psychotische medicatie en slaapmedicatie en heeft tal van diagnostische etiketten opgeplakt gekregen gedurende zijn verblijf op verschillende bijzondere zorgafdelingen van de penitentiaire inrichtingen. De deskundigen signaleren een zeer ingewikkelde problematiek en denken op diagnostisch gebied aan stoornissen als een bipolaire stoornis, een schizoaffectieve stoornis (met psychotische symptomen) en/of persoonlijkheidsproblematiek met antisociale en mogelijk paranoïde trekken. Zonder nader eigen onderzoek, dat niet heeft kunnen plaatsvinden omdat de verdachte op advies van zijn raadsman heeft geweigerd zijn medewerking daaraan te verlenen, kunnen de deskundigen evenwel niet tot een zelfstandige diagnose komen.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft psychiater S. Went als deskundige verklaard dat haar bevindingen vooral gebaseerd zijn op de voorgeschiedenis van de verdachte, maar dat aspecten daaruit werden bevestigd tijdens het verblijf van de verdachte in het Pieter Baan Centrum, zoals het ontremde gedrag en de gevoeligheid voor geluid. Op de vraag of de conclusie dat er sterke aanwijzingen zijn voor een ziekelijke stoornis bij en/of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van de verdachte ook ruimte laat voor het tegenovergestelde, namelijk dat er geen sprake was van een stoornis, antwoordde Went dat die marge klein is. Zij blijft bij haar conclusie dat er sterke aanwijzingen zijn voor een ziekelijke stoornis bij en/of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van de verdachte, maar dat zij zonder eigen onderzoek geen diagnose kan stellen.

Psycholoog R. Haveman heeft eveneens als deskundige op de terechtzitting in hoger beroep een verklaring afgelegd. Hij heeft verklaard dat ook hij heeft gekeken naar de beschikbare eerdere informatie over de verdachte, en dat daaruit een beeld naar voren komt van een ontremde man met een overgevoeligheid voor (geluids-)prikkels die de persoonlijke ruimte van mensen niet weet te respecteren en dat er uit zijn levensgeschiedenis problemen naar voren komen die een soort patroon vormen, of althans dat niet enkel van incidenten kan worden gesproken. Er zijn voldoende aanwijzingen voor een ziekelijke stoornis bij en/of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van de verdachte, echter kan hij deze aanwijzingen zonder eigen onderzoek niet kwalificeren.

Met inachtneming van de beschouwingen en conclusies van de voornoemde gedragsdeskundigen, welke het hof overneemt, komt het hof tot het volgende oordeel.

Hoewel het voor de deskundigen niet mogelijk is gebleken een eigen diagnose te stellen, is het hof van oordeel dat vaststaat dat de verdachte een (lange) voorgeschiedenis heeft van problemen op het gebied van zijn geestelijke gezondheid en daarmee samenhangende incidenten, zowel binnen als buiten de penitentiaire inrichtingen. Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat in voldoende mate aannemelijk is dat bij de verdachte ook ten tijde van de ten laste gelegde feiten sprake was van een ziekelijke stoornis bij en/of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van de verdachte, dat deze ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens zijn gedragskeuzes en gedragingen met betrekking tot de ten laste gelegde feiten beïnvloedden en dat daarmee de conclusie gerechtvaardigd is dat hij daarvoor verminderd toerekeningsvatbaar is te achten.

De aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen eisen voorts naar 's hofs oordeel het opleggen van de maatregel tot terbeschikkingstelling van de verdachte, met bevel dat hij van overheidswege wordt verpleegd. Aan de wettelijke voorwaarden voor het oplegging van de maatregel is voldaan.

Nu de maatregel - onder meer - wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen (artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht), is sprake van een TBS-duur die in aanmerking komt voor verlenging overeenkomstig artikel 38e lid 3 van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof is ten slotte van oordeel dat, naast de genoemde maatregel, een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.”

17. Ingevolge art. 37a, eerste lid, Sr kan het hof een last tot terbeschikkingstelling geven indien het hof heeft vastgesteld dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van de bewezen verklaarde bedreiging een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist. In een geval als het onderhavige, waarin de verdachte heeft geweigerd zijn medewerking te verlenen aan een psychologisch onderzoek en/of een psychiatrisch onderzoek (de zogenoemde weigerende observandus), is oplegging van terbeschikkingstelling op grond van art. 37a, derde lid, Sr, in verbinding met art. 37, derde lid, Sr, ook mogelijk zonder dat recent met het oog op de te berechten zaak een multidisciplinaire rapportage door twee gedragsdeskundigen (onder wie een psychiater) is opgemaakt. Het hof doet zich dan zoveel mogelijk een ander advies of rapport overleggen, dat het hof over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de maatregel kan informeren en waaraan de verdachte wel heeft willen meewerken. Vervolgens kan het hof op grond van art. 37b, eerste lid, Sr bevelen dat de ter beschikking gestelde van overheidswege wordt verpleegd indien de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verpleging eist.

18. De keuze van de factoren welke voor de bepaling van de straf of maatregel van belang zijn te achten, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en deze keuze behoeft geen motivering.10 Bovendien kan in cassatie niet worden onderzocht of de juiste straf of maatregel is opgelegd en evenmin of de straf of maatregel beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren.11

19. In het kader van de vraag of een last tot terbeschikkingstelling als bedoeld in art. 37a Sr moet worden gegeven, is het aan de rechter die over de feiten oordeelt om vast te stellen of bij de verdachte ten tijde van het plegen van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Het hof heeft daarin een eigen verantwoordelijkheid en is niet gebonden aan de door deskundigen uitgebrachte adviezen. De vaststelling dat sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens is van feitelijke aard en kan in cassatie slechts op haar begrijpelijkheid worden getoetst.12 Daarbij komt dat ook de waardering van de rapporten en de adviezen die over de persoonlijkheid van de verdachte zijn uitgebracht, aan de feitenrechter is voorbehouden. Het staat het hof derhalve vrij om bepaalde onderdelen van een psychiatrisch en/of psychologisch rapport betreffende de verdachte terzijde te stellen en in zijn overwegingen slechts die onderdelen weer te geven die het hof relevant heeft geacht voor de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging. Deze waardering onttrekt zich aan toetsing in cassatie.13 Voorts is het ook aan de rechter in feitelijke aanleg voorbehouden om te beoordelen of de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van terbeschikkingstelling eist. Die beoordeling is zozeer verweven met waarderingen van feitelijke aard dat zij in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst. Datzelfde geldt voor het oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist dat de ter beschikking gestelde van overheidswege moet worden verpleegd.14

20. Zoals blijkt uit de toelichting, neemt het middel onder verwijzing naar de uitspraak van het EHRM in de zaak Constancia tegen Nederland (EHRM 3 maart 2015, nr. 73560/12, NJ 2015/282 m.nt. Myjer) tot uitgangspunt dat het hof in navolging van de rechtbank niet zou hebben vastgesteld dat de verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Dit uitgangspunt berust op een verkeerde lezing van de motivering die het hof heeft gegeven aan zijn last tot terbeschikkingstelling met dwangverpleging en mist daardoor feitelijke grondslag. In zijn hiervoor onder 16 weergegeven overwegingen heeft het hof immers geoordeeld dat in voldoende mate aannemelijk is dat bij de verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde feiten sprake was van een ziekelijke stoornis en/of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is en dat de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel tot terbeschikkingstelling met dwangverpleging eisen. Het hof heeft daarbij onder meer de beschouwingen en de conclusies van twee gedragsdeskundigen, die het hof tot de zijne heeft gemaakt, in aanmerking genomen.

21. Het bestreden oordeel acht ik, alles afwegende, niet onbegrijpelijk. Ik realiseer mij daarbij wel dat het in dezen gaat om de oplegging van een ingrijpende maatregel in het kader van een bedreiging en niet om een ernstiger feit, terwijl in 2003 rapportage voorlag waaraan de verdachte wel had meegewerkt en waarin werd geconcludeerd dat ten tijde van het toen aan de orde zijnde feit geen sprake was van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Voor mij geeft echter de doorslag de beperkte toetsing in cassatie van het feitelijk oordeel van het hof, waarbij ik voorts het volgende in aanmerking neem. De verdachte heeft, naar aanleiding van een woordenwisseling op straat, op klaarlichte dag een ander bedreigd met een “AK-47”. Voorafgaand aan de onderhavige feiten heeft de verdachte een lange periode verbleven in verschillende bijzondere zorgafdelingen van penitentiaire inrichtingen. Aldaar is hij behandeld met anti-psychotische medicatie en slaapmedicatie en zijn hem verschillende diagnostische etiketten opgeplakt. Uit het door de psychiater en de psycholoog opgemaakte rapport van 20 november 2013 volgt dat er sterke aanwijzingen zijn voor een ziekelijke stoornis en/of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van de verdachte. Op de terechtzitting in hoger beroep van 23 november 2015 hebben de deskundigen hun conclusies uit het rapport bevestigd. De psychiater heeft op die terechtzitting verklaard dat er bij de verdachte met name gelet op zijn voorgeschiedenis sterke aanwijzingen zijn voor een stoornis maar dat zonder eigen onderzoek niet kan worden vastgesteld welke stoornis dat is. De marge voor de tegenovergestelde conclusie, te weten dat er geen sprake was van een stoornis, achtte de psychiater Went klein. De psycholoog heeft verklaard dat er gelet op de levensgeschiedenis van de verdachte, gekenmerkt door een patroon van problemen, aanwijzingen zijn dat de verdachte een stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens heeft maar dat er onvoldoende informatie is om deze stoornis te classificeren.

22. Daarbij komt dat de verdachte reeds verschillende keren voor soortgelijke feiten tot gevangenisstraffen is veroordeeld. Zo is hij in 2005, dus na de eerdere rapportage, ter zake van onder meer doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren. In de tussenliggende periode van tien jaren wordt het leven van de verdachte gekenmerkt door een “patroon van problemen”. Het hof heeft bij zijn oordeel kennelijk en niet onbegrijpelijk het delict- en levenspatroon na de totstandkoming van de rapportage uit 2003 waaraan de verdachte had meegewerkt in aanmerking genomen, als ook het sedertdien in het PBC waargenomen gedrag.

23. Alles afwegende, meen ik dat het hof toereikend gemotiveerd heeft gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en bevolen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

24. Hierbij merk ik nog op dat het oordeel van het hof in lijn is met de in het middel aangehaalde uitspraak van het EHRM in de zaak Constancia tegen Nederland. In die zaak heeft het EHRM overwogen dat de rechter op basis van niet actuele medische informatie over de geestesgesteldheid van de verdachte aan een weigerende observandus TBS kan opleggen, mits is voldaan aan een aantal voorwaarden: de geestesziekte moet door een bevoegde autoriteit op grond van objectieve medische deskundigheid zijn vastgesteld; de geestesziekte moet naar zijn aard of ernst de dwangopsluiting rechtvaardigen; en de rechtmatigheid van de voortgezette opsluiting is afhankelijk van het voorduren van de stoornis. Het Europese Hof sluit niet uit dat de vaststelling van een stoornis plaatsvindt in een situatie waarin de verdachte zijn medewerking aan een onderzoek weigert. Het oordeel ten aanzien van de geestesstoornis moet dan ten minste zijn gebaseerd op een beoordeling door een medisch specialist op basis van de actuele geestesgesteldheid van de verdachte en dus niet uitsluitend op historische gegevens. In aanvulling daarop heeft het EHRM overwogen dat aan de nationale autoriteiten een zekere beleidsvrijheid toekomt bij de beslissing om de verdachte vanwege zijn geestesstoornis op te sluiten. Aan deze voorwaarden is in het onderhavige geval voldaan. Het hof heeft ten aanzien van de weigerende verdachte op basis van de beschikbare informatie uit het strafdossier geoordeeld dat ten tijde van de bewezen verklaarde feiten sprake was van een ziekelijke stoornis en/of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, terwijl het hof zijn oordeel heeft gebaseerd op de bevindingen van een psycholoog en een psychiater, die zich daarbij niet uitsluitend hebben gebaseerd op historische gegevens maar hebben getracht een beeld te krijgen van de actuele situatie van de verdachte.15 Het hof heeft aldus tot het oordeel kunnen komen dat voldoende aannemelijk is dat sprake is van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van de verdachte, waarbij het de precieze aard daarvan in het midden heeft mogen laten.16

25. Anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd, was het hof in het licht van hetgeen de raadsman van de verdachte ten aanzien van de op te leggen straf en/of maatregel heeft aangevoerd, niet gehouden tot een nadere motivering. De motiveringsplicht van art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv gaat ten aanzien van een straftoemetingsverweer niet zo ver dat bij de verwerping daarvan op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.17 Bovendien voldoet de motivering van het hof aan het motiveringsvoorschrift van art. 359, zevende lid, Sv, aangezien het hof daarin expliciet heeft overwogen dat de maatregel (onder meer) is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.18

26. Zoals blijkt uit de toelichting, behelst het middel ten slotte de klacht dat de oplegging van de gevangenisstraf van achttien maanden onvoldoende met redenen is omkleed. De rechtbank heeft de verdachte volledig toerekeningsvatbaar geacht en hem gelet daarop veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden zonder oplegging van TBS, terwijl het hof heeft vastgesteld dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is maar aan de verdachte desondanks dezelfde gevangenisstraf heeft opgelegd.

27. In zijn strafmotivering heeft het hof, in navolging van de vordering van de advocaat-generaal bij het hof, gemotiveerd uiteengezet dat een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden een passende en geboden reactie vormt. Daarbij heeft het hof gerefereerd aan de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Het hof heeft in het bijzonder een uiteenzetting gegeven van de ernst van de bewezen verklaarde feiten en gerefereerd aan de omstandigheid dat de verdachte, zoals blijkt uit een uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder voor het plegen van soortgelijke en andersoortige feiten is veroordeeld. De opgelegde gevangenisstraf van achttien maanden wekt ook in het licht van de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf geen verbazing, terwijl de motivering daarvan evenmin onbegrijpelijk is. Daarbij neem ik in aanmerking dat, behoudens bijzondere omstandigheden, waarvan te dezen niet is gebleken, de rechter in hoger beroep niet is gehouden om te motiveren waarom hij een zwaardere straf en/of maatregel oplegt dan de rechter in eerste aanleg heeft opgelegd. Het stond het hof vrij om, zonder dat er nieuwe feiten en omstandigheden bekend zijn geworden, op grond van dezelfde bewezenverklaring en dezelfde kwalificatie naast de opgelegde maatregel dezelfde gevangenisstraf op te leggen als de rechtbank in eerste aanleg heeft gedaan. De zwaarte van een gepleegd strafbaar feit kan door verschillende rechters immers verschillend worden gewaardeerd. Aldus is de opgelegde gevangenisstraf voldoende met redenen omkleed, mede in aanmerking genomen dat door of namens de verdachte geen verweer is gevoerd ten aanzien van (de hoogte van) de op te leggen gevangenisstraf.19

28. Het middel faalt.

29. De middelen falen. In elk geval het eerste middel kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

30. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Bewijsmiddel 1 ziet niet alleen op feit 1 maar ook op de feiten 2 en 3, terwijl de bewijsmiddelen 2, 3 en 4 alleen betrekking hebben op feit 1.

2 Vgl. HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9194, rov. 2.3, HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5376, rov. 2.6, HR 1 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1713, rov. 2.6, HR 22 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3888, NJ 2006/123, rov. 4.3 en HR 27 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5027, rov. 5.4.

3 Vgl. J. de Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, zesde druk, Deventer: Kluwer 2015, p. 332-333, J.M. ten Voorde in C.P.M. Cleiren, J.H. Crijns en M.J.M. Verpalen (red.), Tekst & Commentaar Strafrecht, Deventer: Kluwer 2014, aant. 10 bij art. 41 Sr en A.J.M. Machielse, Noodweer in het strafrecht. Een rechtsvergelijkende en dogmatische studie, Amsterdam: Stichting Onderzoek Recht en Beleid 1986, p. 693-695.

4 Vgl. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, rov. 3.7.2.

5 Vgl. HR 12 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4155, rov. 2.3 en 2.4.

6 Vgl. HR 8 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4788, NJ 2010/339, rov. 2.5.

7 Vgl. HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1334, NJ 2015/271, rov. 2.4, HR 7 juni 1994, NJ 1994/690, rov. 5 en HR 2 februari 1993, NJ 1993/537, rov. 5.

8 Vgl. ten aanzien van de motiveringsplicht van art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv: HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, rov. 3.8.4 onder d.

9 In hoger beroep is de verdachte bij arrest van het hof te ’s-Gravenhage van 1 februari 2005 ter zake van onder meer doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren.

10 Vgl. HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7805, rov. 3.3, HR 14 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9353, rov. 4.3, HR 25 november 2003, nr. 01040/03, NS 2004/18, rov. 4.4, HR 26 juni 1984, NJ 1985/138, rov. 7.5 en A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, achtste druk, Deventer: Kluwer 2015, p. 313.

11 Vgl. Van Dorst, a.w., p. 310.

12 Vgl. HR 18 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY5355, NJ 2013/466 m.nt. Keulen, rov. 3.4 en HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1311, NJ 2008/193 m.nt. Reijntjes, rov. 4.3.2.

13 Vgl. HR 24 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6012, rov. 2.4 en 2.6.2, HR 20 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG1645, NJ 2009/73, rov. 2.3, HR 12 september 2006, nr. 03051/05 (niet gepubliceerd), rov. 6.6 en HR 9 juni 1998, nr. 107.759 (niet gepubliceerd), rov. 4.3.

14 Vgl. HR 24 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6012, rov. 2.4 en HR 20 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG1645, NJ 2009/73, rov. 2.3.

15 Vgl. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:472 (art. 81 RO, middel 3).

16 Zie in dit verband ook de conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld onder 5.5.4 voorafgaand aan HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:472 (ECLI:NL:PHR:2016:137).

17 Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, rov. 3.8.4 onder d.

18 Vgl. HR 21 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1240, rov. 2.4 en HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8434, NJ 2013/161 m.nt. Van Kempen, rov. 4.3.

19 Vgl. HR 27 maart 2001, NJ 2001/297, rov. 4.5.