Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:987

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-06-2015
Datum publicatie
13-11-2015
Zaaknummer
14/04305
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3299, Contrair
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Internationaal privaatrecht, rechtspersonenrecht. Procesrecht, executie- en beslagrecht. Overdracht van goederen in weerwil van beslag, gevolgd door einde bestaan van beslagen rechtspersoon. Gevolgen overdracht. Tegen wie moet eis in hoofdzaak worden ingesteld c.q. vervolgd? Recht dat het bestaan van de rechtspersoon beheerst. Niet-toepasselijkheid (b)-regel van HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG3573, NJ 2009/456 en HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5668, NJ 2014/454. Gelegenheid tot toepassing art. 118 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPR 2016/1
JOR 2016/24 met annotatie van mr. A. Steneker
Verrijkte uitspraak

Conclusie

14/04305

Mr. P. Vlas

Zitting, 26 juni 2015

Conclusie inzake:

de rechtspersoon naar buitenlands recht OOO Promneftstroy, gevestigd te Moskou (Russische Federatie)

(hierna: Promneftstroy)

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht Yukos Capital S.à.R.L., gevestigd te Luxemburg (Luxemburg)

(hierna: Yukos Capital)

en

de rechtspersoon naar buitenlands recht Glendale Group Limited, gevestigd te Road Town (Britse Maagdeneilanden)

(hierna: Glendale)

In deze zaak staat centraal de vraag of een Russische vennootschap die in Rusland failliet is verklaard en na de beëindiging van het faillissement is opgehouden te bestaan, in Nederland nog als bestaand kan worden aangemerkt, omdat de beëindiging van haar bestaan een rechtsgevolg is van het Russische faillissement dat krachtens het territorialiteitsbeginsel in Nederland niet wordt erkend.

1 Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.1 Bij vonnis van 1 augustus 2006 heeft de rechtbank te Moskou de rechtspersoon naar Russisch recht Yukos Oil Corporation (hierna: Yukos Oil) in staat van faillissement verklaard, met aanstelling van [betrokkene 1] tot curator.

1.2

Bij verzoekschrift van 9 augustus 2007 heeft Yukos Capital de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam verzocht haar verlof te verlenen om ten laste van Yukos Oil beslag te leggen op de door deze gehouden aandelen in het kapitaal van Yukos Finance B.V. te Amsterdam (hierna: Yukos Finance). Bij verzoekschrift van 13 augustus 2007 heeft Glendale hetzelfde gedaan, met dien verstande dat zij tevens verlof heeft gevraagd om ten laste van Yukos Oil beslag te leggen op, kort gezegd, vorderingen van Yukos Oil op Yukos Finance alsmede op aan Yukos Oil toebehorende roerende zaken (niet registergoederen) die onder Yukos Finance mochten berusten. De voorzieningenrechter heeft het gevraagde verlof op 9 augustus 2007 respectievelijk 14 augustus 2007 verleend.

1.3

Op 10 augustus 2007 respectievelijk 14 augustus 2007 hebben Yukos Capital en Glendale voormelde beslagen gelegd. Op 17 augustus 2007 hebben zij deze beslagen aan Yukos Oil doen overbetekenen althans getracht dat te doen.

1.4

Op 20 augustus 2007 heeft [betrokkene 1] de door Yukos Oil gehouden aandelen in Yukos Finance verkocht aan Promneftstroy. De tot levering van deze aandelen strekkende notariële akte is op 10 september 2007 verleden ten overstaan van een notaris te Amsterdam.

1.5

Bij vonnis van 15 november 2007 heeft de rechtbank te Moskou beslist dat het faillissement van Yukos Oil is geëindigd. Dat vonnis is door de curator op 21 november 2007 ingeschreven in het daartoe bestemde Russische register.

1.6

Bij dagvaarding van 24 januari 2008 is Glendale bij de rechtbank Amsterdam een procedure tegen Yukos Oil gestart. Yukos Capital heeft hetzelfde gedaan bij dagvaarding van 30 juni 2008. Glendale heeft van Yukos Oil de betaling van (afgerond) RUR 46,3 miljard gevorderd. Yukos Capital heeft van Yukos Oil de betaling van (afgerond) $ 355 miljoen en RUR 79,3 miljard gevorderd. In beide procedures heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 9 juni 2010 Promneftstroy als tussenkomende partij toegelaten.

1.7

In de procedure tussen Glendale en Yukos Oil heeft Promneftstroy als tussenkomende partij bij incidentele conclusie primair gevorderd dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart tot kennisneming van de door Glendale ingestelde vordering jegens Yukos Oil en subsidiair tot niet-ontvankelijkverklaring van Glendale in haar vordering jegens Yukos Oil. Promneftstroy heeft daartoe kort gezegd de vervallenverklaring althans opheffing van de door Yukos Oil respectievelijk Glendale ten laste van Yukos Oil gelegde conservatoire beslagen gevorderd, en zich voorts op het standpunt gesteld dat het onmogelijk is om in Nederland tegen een niet (meer) bestaande rechtspersoon te procederen en te executeren.

1.8

Bij vonnis in het incident van 4 juli 2012 heeft de rechtbank Amsterdam2 de vorderingen van Promneftstroy afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat op grond van het territorialiteitsbeginsel de omstandigheid dat Yukos Oil naar Russisch recht op 21 november 2007 definitief is opgehouden te bestaan, niet in de weg staat aan behandeling van de door Glendale tegen Yukos Oil ingestelde vorderingen. Op grond van bijzondere omstandigheden, genoemd in rov. 4.6 van het vonnis, is de rechtbank voorbij gegaan aan de stelling van Promneftstroy dat Yukos Oil zich tegen de vordering van Glendale niet (meer) kan verweren.

1.9

In de procedure tussen Yukos Capital tegen Yukos Oil heeft Promneftstroy als tussenkomende partij bij incidentele conclusie hetzelfde gevorderd als in de zaak van Glendale tegen Yukos Oil. Bij vonnis in het incident van 4 juli 2012 heeft de rechtbank op dezelfde wijze beslist als in de laatstgenoemde zaak.

1.10

Promneftstroy heeft hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen in het incident van 4 juli 2012, waarbij zij zich in de kern op het standpunt heeft gesteld dat in Nederland tegen een niet bestaande rechtspersoon (Yukos Oil) niet kan worden geprocedeerd noch een executoriale titel kan worden verkregen en dat het faillissementsrechtelijke territorialiteitsbeginsel, zo al van toepassing, daaraan niet kan afdoen. Dit betekent volgens Promneftstroy dat de door Glendale en Yukos Capital gelegde beslagen zijn vervallen en de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft. De door de rechtbank genoemde bijzondere omstandigheden, voor zover feitelijk al juist, leiden volgens Promneftstroy niet tot een andere conclusie.

1.11

Het hof Amsterdam heeft de nagenoeg gelijkluidende grieven in beide zaken gezamenlijk behandeld en heeft bij tussenarrest van 13 mei 2014 de bestreden vonnissen bekrachtigd.3 Kort samengevat heeft het hof het volgende overwogen. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5668, NJ 2014/454, m.nt. Th.M. de Boer heeft het hof overwogen dat het ophouden te bestaan van Yukos Oil een rechtsgevolg van het Russische faillissementsrecht is (rov. 3.7). Promneftstroy beroept zich erop dat het al dan niet bestaan van Yukos Oil een vraag is van corporatierecht waarop het Russische recht van toepassing is, zodat vaststaat dat Yukos Oil is opgehouden te bestaan en niet kan worden geprocedeerd tegen een niet bestaande rechtspersoon en daartegen geen executoriale titel kan worden verkregen. Nu ervan moet worden uitgegaan dat het niet meer bestaan van Yukos Oil een rechtsgevolg is van het Russische faillissementsrecht, beroept Promneftstroy zich op rechtsgevolgen die door het faillissementsrecht van de Russische Federatie aan een faillissement worden verbonden, aldus het hof. Op grond van het genoemde arrest van de Hoge Raad is dat niet toegestaan, omdat dit ertoe zou leiden dat onvoldane crediteuren – Glendale en Yukos Capital – zich niet meer kunnen verhalen op in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen van Yukos Oil. Dit betekent dat Yukos Oil met het oog op (het verhaal voor) de onderhavige vorderingen van Glendale en Yukos Capital geacht moet worden (nog) te bestaan (rov. 3.8).

1.12

Vanwege het principiële karakter van de zaak heeft het hof bepaald dat van zijn tussenarrest beroep in cassatie kan worden ingesteld (rov. 3.12).

1.13

Promneftstroy heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het tussenarrest van het hof in beide zaken. Yukos Capital en Glendale hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Partijen hebben de zaak door hun advocaten schriftelijk doen toelichten en daarna gerepliceerd en gedupliceerd.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel bestaat, na een inleiding, uit vier klachten die uiteenvallen in verschillende subonderdelen. Het middel richt zich tegen rov. 3.4, 3.7, 3.8 en 3.9 van het bestreden arrest. Kort weergegeven betoogt het middel in onderdeel 1 dat het hof in rov. 3.4 een op zichzelf niet onjuiste samenvatting van de centrale stelling van Promneftstroy heeft gegeven, maar dat essentiële stellingen van Promneftstroy zijn gepasseerd. Onderdeel 2 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 3.8 dat het ophouden te bestaan van Yukos Oil een rechtsgevolg van het Russische faillissement is. Onderdeel 3 is gericht tegen rov. 3.7 en betoogt dat het oordeel dat de ‘b-regel’ van het arrest van de Hoge Raad van 13 september 2013 van toepassing is, onjuist althans ontoereikend is gemotiveerd. Onderdeel 4 keert zich tegen rov. 3.9, waarin het hof heeft overwogen dat Promneftstroy als tussenkomende partij opkomt voor haar eigen belangen en zich niet erop kan beroepen dat Yukos Oil niet de mogelijkheid heeft zich tegen de vorderingen van Glendale en Yukos Capital te verweren. Volgens het onderdeel is dit oordeel onjuist en/of onbegrijpelijk.

2.2

De klachten kunnen gezamenlijk worden behandeld. De kern van het onderhavige geding betreft de vraag of Yukos Oil met het oog op het verhaal voor de vorderingen van Glendale en Yukos Capital geacht moet worden nog te bestaan, ondanks het feit dat Yukos Oil naar Russisch recht per 21 november 2007 is opgehouden te bestaan. In wezen betreft het hier een kwalificatieprobleem. Moet het ophouden te bestaan van Yukos Oil worden gerekend tot de rechtsgevolgen van het in Rusland uitgesproken faillissement van deze vennootschap, zodat de kwestie wordt beheerst door de regels van het Nederlandse internationaal privaatrecht ten aanzien van de erkenning van in het buitenland uitgesproken faillissementen? Of betreft het hier een kwestie van vennootschaps- en rechtspersonenrecht, waarop van toepassing is het recht in overeenstemming waarmee Yukos Oil is opgericht, in casu Russisch recht?

2.3

In deze procedure staat vast dat het Moskow City Arbitrazh Court bij uitspraak van 15 november 2007 het faillissement van Yukos Oil heeft beëindigd en dat de curator de beëindiging van het faillissement op 21 november 2007 heeft doen inschrijven in het daartoe bestemde register, waarmee naar Russisch recht Yukos Oil is opgehouden te bestaan.4

2.4

In het reeds genoemde arrest van 13 september 20135 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de curator van Yukos Oil beschikkingsbevoegd is om de aandelen in Yukos Finance over te dragen aan Promneftstroy. De Hoge Raad heeft – voor zover thans van belang – het volgende overwogen:

‘3.2.1 De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG3573, NJ 2009/456, geoordeeld dat, voor zover niet bij een Nederland bindende internationale regeling anders is bepaald, een in een ander land uitgesproken faillissement territoriale werking heeft, niet alleen in die zin (a) dat het daar op het vermogen van de gefailleerde rustende faillissementsbeslag niet mede omvat zijn in Nederland aanwezige baten, maar ook in dier voege (b) dat de rechtsgevolgen die door het faillissementsrecht van dat andere land aan een faillissement worden verbonden, in Nederland niet kunnen worden ingeroepen voor zover zij ertoe zouden leiden dat onvoldane crediteuren zich niet meer kunnen verhalen op – tijdens of na afloop van het faillissement – in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen van de (voormalige) gefailleerde. (c) Aan de werking in Nederland van andere gevolgen van een in het buitenland uitgesproken faillissement staat dit territorialiteitsbeginsel niet in de weg.

3.2.2

Deze regels, waarin de beslissing van een drietal eerdere arresten werd herhaald (respectievelijk HR 2 juni 1967, ECLI:NL:HR:1967:AB3520, NJ 1968/16; HR 31 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2091, NJ 1998/108 en HR 24 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2468, NJ 1999/316), brengen ten aanzien van een in het buitenland uitgesproken faillissement mee (aangenomen dat die uitspraak niet tot stand is gekomen op een wijze die in strijd is met de Nederlandse openbare orde, zie hierna in 3.3.4) dat de curator in dat faillissement in beginsel ook met betrekking tot in Nederland aanwezig vermogen dat tot de failliete boedel behoort – maar waarop het faillissementsbeslag niet rust –, beheers- en beschikkingshandelingen kan verrichten, mits de curator daartoe naar het recht van dat andere land (de lex concursus) bevoegd is (regel (c)). De buitenlandse curator kan derhalve, indien hij de bevoegdheid daartoe aan de lex concursus ontleent, de zich in Nederland bevindende vermogensbestanddelen vervreemden en de opbrengst daarvan ten goede laten komen aan de faillissementsboedel, met dien verstande dat ingevolge regel (a) tot aan het moment van levering gelegde beslagen moeten worden gerespecteerd, aangezien die vermogensbestanddelen niet onder het faillissementsbeslag vallen.

Regel (b) staat aan het vorenstaande niet in de weg. Om die regel tot zijn recht te laten komen is voldoende dat, zolang tijdens of na afloop van het faillissement vermogensbestanddelen toebehorend aan de (voormalige) gefailleerde in Nederland aanwezig zijn, onvoldane schuldeisers zich daarop kunnen verhalen. Regel (b) gaat niet zover dat die vermogensbestanddelen geheel buiten de normale afwikkeling van het buitenlandse faillissement zouden moeten blijven. Het territorialiteitsbeginsel verzet zich niet ertegen dat de beschikkingsbevoegdheid van de schuldenaar overgaat op de buitenlandse curator, zodat deze ook de in Nederland gelegen boedelbestanddelen – met respectering van daarop inmiddels gelegde beslagen – ten bate van de gezamenlijke schuldeisers te gelde kan maken’.

2.5

Zoals gezegd, rijst de vraag of de beëindiging van het bestaan van Yukos Oil dient te worden beschouwd als een rechtsgevolg van het Russische faillissement dat in Nederland niet kan worden ingeroepen voor zover dit ertoe zou leiden dat onvoldane crediteuren zich niet meer kunnen verhalen op – tijdens of na afloop van het faillissement – in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen van de (voormalige) gefailleerde (zie regel (b) van het arrest van 13 september 2013). Ik meen dat dit niet geval is en licht dit als volgt toe.

2.6

Onbestreden is dat Yukos Oil is opgericht naar Russisch recht. Naar Nederlands internationaal privaatrecht wordt Yukos Oil beheerst door het Russische recht op grond van het in art. 10:118 BW neergelegde incorporatiestelsel. Dit recht is van toepassing op, kort gezegd, het bestaan, het inwendig bestel en het einde van Yukos Oil. In art. 10:119 BW is een (niet-limitatieve) opsomming gegeven van onderwerpen die vallen onder het bereik van het op een corporatie toepasselijke recht, waaronder de beëindiging van het bestaan van de corporatie (art. 10:119 sub f BW). Het incorporatierecht bepaalt de gronden waarop een corporatie kan worden ontbonden, de gevallen waarin een vereffenaar kan worden benoemd, het voortbestaan van een vennootschap in verband met de vereffening van haar vermogen, en de kwestie van het herleven van een ontbonden vennootschap in verband met vorderingen van gerechtigden op het batig saldo van de vennootschap.6

2.7

De beëindiging van het bestaan van Yukos Oil heeft plaatsgevonden nadat de Russische rechter het faillissement van Yukos Oil heeft beëindigd en nadat de curator dit vonnis heeft ingeschreven in het daartoe bestemde Russische register (zie hierboven onder 1.5). Strikt genomen is daarmee de beëindiging van het bestaan van Yukos Oil niet een rechtsgevolg van het faillissement, maar van de opheffing daarvan.7 Ik meen dat een dergelijk onderscheid wel erg subtiel is te noemen, zodat ik daaraan voorbijga. Zou de beëindiging van het bestaan van Yukos Oil als een rechtsgevolg van het in Rusland uitgesproken faillissement worden gezien, dan is daarmee niet gezegd dat dit een rechtsgevolg is dat in Nederland niet kan worden ingeroepen in de zin van regel (b) van het hierboven geciteerde arrest van Hoge Raad, voor zover dit rechtsgevolg ertoe zou leiden dat onvoldane crediteuren zich niet meer kunnen verhalen op de in Nederland gelegen vermogensbestanddelen van de gefailleerde. In de genoemde regel (b) is een nadere precisering opgenomen van de territoriale werking van een in het buitenland uitgesproken faillissement. Geldt tussen Nederland en het land waar het faillissement is uitgesproken geen verdrag of verordening op grond waarvan de erkenning van faillissementen is geregeld, dan heeft volgens regel (a) van het arrest een dergelijk buitenlands faillissement territoriale werking. Deze territoriale werking houdt ook in, aldus regel (b), dat de rechtsgevolgen die aan het buitenlandse faillissement worden verbonden, in Nederland niet kunnen worden ingeroepen voor zover zij ertoe zouden leiden dat onvoldane crediteuren zich niet meer kunnen verhalen op – tijdens of na afloop van het faillissement – in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen van de (voormalige) gefailleerde. In regel (c) geeft de Hoge Raad aan dat het territorialiteitsbeginsel aan de werking in Nederland van andere gevolgen van een buitenlands faillissement niet in de weg staat. In rov. 3.2.2 van het aangehaalde arrest wordt regel (b) nader geëxpliciteerd. Om regel (b) tot zijn recht te laten komen is het voldoende ‘dat, zolang tijdens of na afloop van het faillissement vermogensbestanddelen toebehorend aan de (voormalige) gefailleerde in Nederland zijn, onvoldane schuldeisers zich daarop kunnen verhalen’, maar regel (b) gaat niet zover dat die vermogensbestanddelen geheel buiten de normale afwikkeling van het faillissement zouden moeten blijven.

2.8

De toepassing van regel (b) leidt ertoe dat de onvoldane crediteuren verhaal kunnen nemen op het in Nederland gelegen vermogen van de (voormalige) gefailleerde. Een onvoldane crediteur is gerechtigd in Nederland de nodige rechtsmaatregelen tegen zijn (in het buitenland failliet verklaarde) debiteur te nemen en de mogelijkheden te benutten die het Nederlandse recht biedt voor het verhaal op het in Nederland gelegen vermogen van de debiteur. Maar gaat het territorialiteitsbeginsel zover dat in Nederland de beëindiging van het bestaan van de gefailleerde vennootschap volgens het op haar toepasselijke recht niet wordt aanvaard?8 Ik meen dat dit niet het geval is. Wanneer in Nederland de vennootschap nog wel als bestaand zou worden aangemerkt in het kader van procedures die onvoldane crediteuren entameren, zou dit aanleiding geven tot hinkende en schizofrene situaties. De door de Hoge Raad geformuleerde regel (b) gaat er naar mijn mening vanuit dat de (voormalig) gefailleerde nog moet bestaan op het moment dat de onvoldane crediteuren op het in Nederland gelegen vermogen verhaal nemen.

2.9

In dit verband is van belang na te gaan welk moment beslissend is voor de beantwoording van de vraag of Glendale en Yukos Capital de onderhavige procedure kunnen voeren tegen Yukos Oil. Ik herhaal (zie hierboven onder 1.3 t/m 1.6) dat Yukos Capital en Glendale op 10 augustus 2007 respectievelijk 14 augustus 2007 ten laste van Yukos Oil beslag hebben gelegd op de door Yukos Oil gehouden aandelen in het kapitaal van Yukos Finance. Op 20 augustus 2007 heeft [betrokkene 1] in zijn hoedanigheid van curator de door Yukos Oil gehouden aandelen in Yukos Finance verkocht aan Promneftstroy. De tot levering van deze aandelen strekkende notariële akte is op 10 september 2007 verleden ten overstaan van een notaris te Amsterdam. Op 15 november 2007 heeft de rechtbank te Moskou beslist dat het faillissement van Yukos Oil is geëindigd en dat vonnis is door de curator op 21 november 2007 ingeschreven in het daartoe bestemde register in Rusland, waarmee Yukos Oil per diezelfde datum als vennootschap is opgehouden te bestaan. Bij dagvaarding van 24 januari 2008 respectievelijk 30 juni 2008 hebben Glendale en Yukos Capital een bodemprocedure tegen Yukos Oil ingeleid. Voor de naar Nederlands recht als lex fori te beoordelen vraag inzake de processuele positie van Yukos Oil in het onderhavige geding, is het van belang om vast te stellen dat de bodemprocedure is ingeleid nadat Yukos Oil volgens het op haar toepasselijke Russische incorporatierecht is opgehouden te bestaan.

2.10

Aangezien Yukos Oil volgens het Russische incorporatierecht niet meer bestond op het moment dat de bodemprocedure aanhangig werd gemaakt, ben ik van mening dat Yukos Oil daarin niet als procespartij kan worden betrokken. Yukos Oil kan in deze procedure niet als procespartij worden gedagvaard, laat staan verschijnen om verweer te voeren, aangezien zij non-existent is.9 Hieraan doet niet af dat Yukos Oil op het moment dat door Glendale en Yukos Capital verlof werd gevraagd voor het leggen van het beslag en op het moment van de beslaglegging nog wel bestond. De bodemprocedure is processueel te beschouwen als een nieuwe, zelfstandige procedure die met een afzonderlijke dagvaarding wordt ingeleid en wordt gevoerd bij een andere rechter dan de voorzieningenrechter die het verlof heeft verleend. Wil het conservatoir beslag op het beslagene blijven rusten, dan dient de hoofdzaak binnen een bepaalde termijn aanhangig te worden gemaakt, waardoor verlof en hoofdzaak in zekere zin met elkaar samenhangen, maar niet als een en dezelfde procedure moeten worden beschouwd.

2.11

De zaak zou anders liggen wanneer naar Russisch recht een vereffenaar zou zijn aangesteld ten behoeve van de boedel van de ontbonden vennootschap Yukos Oil. In dat geval zou de vereffenaar als procespartij in het geding kunnen worden gedagvaard. Daarvan is echter in het onderhavige geval geen sprake. Aangezien het faillissement van Yukos Oil is afgerond, is ook de faillissementscurator niet meer in beeld als mogelijke procespartij in dit geding.10

2.12

Ook doet zich thans het geval niet voor dat Yukos Oil weliswaar bestond op het moment van het inleiden van de bodemprocedure maar in de loop van het geding ophield te bestaan. In een dergelijk geval is het niet ondenkbaar dat de gerechtelijke procedure tegen de rechtspersoon wordt voortgezet, waarbij ik opmerk dat daarbij behalve het procesrecht (art. 225 Rv) ook van belang is hetgeen hierover in het incorporatierecht is bepaald.11 Nu Yukos Oil al was ontbonden voordat de onderhavige procedure werd ingeleid, kan van een voortzetting van de procedure geen sprake zijn. Evenmin is in de onderhavige zaak sprake van rechtsopvolging (tijdens het geding), in welk geval de procedure gevoerd dan wel voortgezet zou kunnen worden tegen de rechtsopvolger van Yukos Oil.12

2.13

Ik kom tot de slotsom dat in Nederland tegen de niet meer bestaande vennootschap Yukos Oil geen gerechtelijke procedure kan worden gevoerd. De eiser die een spookpartij in rechte betrekt (in dit geval: een rechtens niet (meer) bestaande buitenlandse vennootschap), is niet ontvankelijk.13 Glendale en Yukos Capital zullen dus niet ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen jegens Yukos Oil. Het arrest van de Hoge Raad van 13 september 2013 leidt niet tot een andersluidende conclusie. De bescherming die onvoldane schuldeisers zoals Glendale en Yukos Capital aan dit arrest kunnen ontlenen om als beslaglegger tot uitwinning van het beslag over te gaan op de in Nederland gelegen vermogensbestanddelen van de gefailleerde, houdt naar mijn mening op wanneer de gefailleerde op grond van het toepasselijke incorporatierecht niet meer bestaat bij het inleiden van de bodemprocedure door de schuldeisers.

2.14

Uit het voorgaande volgt dat de beslissing van het hof in het thans bestreden arrest geen stand zal kunnen houden. De daartegen gerichte klachten van het cassatiemiddel, in het bijzonder de onderdelen 2 en 3, zijn dan ook terecht voorgesteld. Bij deze stand van zaken behoeft onderdeel 1 over de miskenning door het hof van de grondslagen van de incidentele vorderingen van Promneftstroy geen bespreking. Hetzelfde geldt voor onderdeel 4 dat zich keert tegen het oordeel van het hof dat Promneftstroy zich als tussenkomende partij niet met vrucht erop kan beroepen dat Yukos Oil niet de mogelijkheid heeft zich tegen de vorderingen van Glendale en Yukos Capital te verweren.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot niet ontvankelijkverklaring van Glendale en Yukos Capital in hun vorderingen jegens Yukos Oil.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie rov. 3.1 van het thans in cassatie bestreden arrest van het hof Amsterdam van 13 mei 2014.

2 Rb. Amsterdam 4 juli 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BX2974, JOR 2012/338, m.nt. P.M. Veder.

3 Hof Amsterdam 13 mei 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:1755, JOR 2015/49, m.nt. C.G. van der Plas. Bij herstelarrest van 27 mei 2014 is in de kop van het arrest een verbetering aangebracht ten aanzien van het kantooradres van de advocaat van Promneftstroy.

4 Zie rov. 3.1 onder (e) en rov. 7 van het bestreden arrest; zie ook HR 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5630, NJ 2012/424, rov. 3.1, onder (ii).

5 Zie over dit arrest ook A.J. Berends, Internationaal insolventierecht: wat is er nog over van het territorialiteitsbeginsel?, TvI 2014/33; T.M. Bos, JBPr 2014/16.

6 Zie P. Vlas, Rechtspersonen, Praktijkreeks IPR, deel 9, 2009, nr. 338-340; P. Vlas, Groene Serie Rechtspersonenrecht, art. 10:119 BW, aant. 11; Asser/Kramer & Verhagen 10-III 2015/83.

7 Vgl. voor het Nederlandse recht art. 2:19 lid 1 onder c BW, waarin is bepaald dat een rechtspersoon wordt ontbonden na faillietverklaring door hetzij opheffing wegens gebrek aan baten, hetzij door insolventie. Zie ook B.F. Assink/W.J. Slagter, Compendium Ondernemingsrecht (Deel 1), 2013, § 21, p. 407.

8 Zie ook nr. 5 van de noot van P.M. Veder onder het vonnis van de rechtbank, JOR 2012/338, waar hij schrijft: ‘Maar ik vind het toch tamelijk ver gaan om het territorialiteitsbeginsel zo uit te leggen dat daaruit voortvloeit dat ook na afwikkeling van een faillissement in het buitenland, in Nederland een executoriale titel moet kunnen worden verkregen jegens de inmiddels niet meer bestaande voormalige failliet, die zich dan ook niet kan verweren, teneinde een schuldeiser in staat te stellen zich te verhalen op het in Nederland gelegen (inmiddels verkochte) vermogen van de voormalige failliet’. Ook C.G. van der Plas, JOR 2015/49, wijst er in nr. 9 van haar noot onder het arrest van het hof op dat het Russische recht beslissend is ‘zowel ten aanzien van het bestaan van Yukos Oil als ten aanzien van de mogelijkheden daartegen op te komen’ en dat sprake is van een ‘gekunsteldheid’ wanneer een procedure wordt gevoerd ‘tegen een naar het incorporatierecht niet bestaande rechtspersoon die hier – omwille van de onvoldane crediteuren – toch bestaat’.

9 Die non-existentie is ook onder ogen gezien door de rechtbank in de onderhavige zaak, zie rov. 4.6 van het vonnis van 4 juli 2012: ‘Promneftstroy heeft er terecht op gewezen dat onverkorte toepassing van het territorialiteitsbeginsel in dit geval leidt tot het – in het licht van het beginsel van hoor en wederhoor – onwenselijke gevolg dat Yukos Oil zich tegen de vorderingen van Yukos Capital niet (meer) kan verweren’. De rechtbank is daaraan echter voorbijgegaan, omdat sprake zou zijn van bijzondere omstandigheden (zie de opsomming in rov. 4.6, onder a t/m j).

10 Zie HR 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5630, NJ 2012/424, rov. 4.1.3: ‘Uit het voorgaande volgt dat [betrokkene 1] door het verlies van de hoedanigheid van curator in het faillissement van Yukos Oil hangende het hoger beroep, de bevoegdheid heeft verloren in die hoedanigheid beroep in cassatie in te stellen. (…)’.

11 Vgl. voor het Nederlandse recht: HR 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX9762, RvdW 2013/173, rov. 3.3.4; conclusie A-G Timmerman, ECLI:NL:PHR:2004:AO2779, nr. 2.1-2.5, vóór HR 26 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO2779, NJ 2004/330. Zie voor gevallen waarin een buitenlandse vennootschap als eisende partij is opgehouden te bestaan: Hof Amsterdam, 17 juli 2003, NIPR 2005/339 (Luxemburgse vennootschap in appel niet ontvankelijk, nu zij naar Luxemburgs recht is ontbonden); Rb. ’s-Gravenhage 7 februari 2001, NIPR 2001/293 (Duits recht van toepassing op de vraag of een Duitse Kommanditgesellschaft moet worden aangemerkt als een niet of niet meer bestaande rechtspersoon); Rb. Arnhem 24 september 2003, NIPR 2004/342 (Engels recht van toepassing op de vraag of een Engelse vennootschap heeft opgehouden te bestaan en of zij een vordering in rechte kan instellen).

12 Zie o.a. HR 13 november 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC3826, NJ 1988/941, m.nt. W.L. Haardt; Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2012/49.

13 Zie HR 20 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2145, NJ 1996/749; conclusie A-G Strikwerda, ECLI:NL:PHR:2007:BA2925, nr. 10, vóór HR 8 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2925, RvdW 2007/559; Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2012/60, die erop wijzen dat de beoordeling van de hoedanigheid van een procespartij van openbare orde is; Assink/Slagter, a.w., (Deel 1), 2013, § 7, p. 161. Zie voorts in algemene zin: R.P. Cleveringa, Spookpartijen, Mededelingen KNAW, nieuwe reeks, deel 30, no. 3, 1967, p. 88 e.v.