Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:986

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-06-2015
Datum publicatie
09-10-2015
Zaaknummer
14/04047
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3014, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Uitlatingen Minister in de media en aandacht in tv-programma over beweerde misstanden in een slachthuis. Maatstaf voor onrechtmatigheid van informatie, verstrekt door de overheid, resp. in het kader van onthullingsjournalistiek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 14/04047

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 26 juni 2015

Conclusie inzake:

Friesland Vlees B.V.

tegen

1. De Staat der Nederlanden

2. De vereniging met volledige rechtsbevoegdheid TROS

Deze zaak gaat over uitlatingen van de minister in het televisieprogramma Buitenhof over controle van veetransporten en over de uitzending van Tros Radar over transport van vee naar en over de gang van zaken in een slachthuis in april 2008. In cassatie gaat het om de beantwoording van de vraag of een juiste maatstaf dan wel een voldoende begrijpelijke motivering is toegepast bij de beoordeling of sprake is van een onrechtmatige overheidsdaad dan wel een onrechtmatige publicatie jegens het slachthuis. In cassatie is de vraag aan de orde of een juiste maatstaf is gehanteerd.

1. Feiten 1 en procesverloop 2

1.1 Eiser tot cassatie (hierna: Friesland Vlees) exploiteerde tot medio 2008 een slachthuis in Leeuwarden, waar in opdracht van derden runderen en kalveren werden geslacht. In Leeuwarden was dit het enige slachthuis. Directeur van Friesland Vlees is [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ). Friesland Vlees heeft het slachthuis in juli 2008 gesloten en het onroerend goed vervolgens verkocht.

1.2. Friesland Beef B.V. (hierna: Friesland Beef) met als directeur [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ) en Van Drie B.V. (hierna: Van Drie) waren de belangrijkste opdrachtgevers van Friesland Vlees. Friesland Beef kocht vee in, melkvee aan het einde van de levenscyclus, liet het door haar ingekochte vee slachten in het slachthuis van Friesland Vlees en verkocht het vlees aan diverse afnemers. Friesland Beef hield mede kantoor op het terrein van het slachthuis van Friesland Vlees. Bij de toegangspoort van het slachthuis hingen een naambord van Friesland Vlees en een naambord van Friesland Beef. Van Drie liet in het slachthuis van Friesland Vlees kalveren slachten.

1.3. Alle dieren die in het slachthuis werden aangevoerd, werden gecontroleerd door de Voedsel en Waren Autoriteit (verder: de VWA). De VWA controleert of de regels voor transport en aanvoer worden nageleefd en bepaalt of het dier geschikt is voor menselijke consumptie. Als de VWA een overtreding van de Transportverordening3 constateert, dient zij een diergeneeskundige verklaring op te stellen en door te leiden naar de Algemene Inspectiedienst (verder: AID). De Hygiëneverordening4 stelt regels voor de slacht van dieren en de Controleverordening5 bevat regels over de controle op zowel dierenwelzijn als voedselkwaliteit door daartoe bevoegde dierenartsen.

1.4. Begin 2008 is een verklaring van een voormalig medewerker van de AID notarieel vastgelegd. In die verklaring wordt melding gemaakt van misstanden bij het transport van vee naar een slachthuis in Leeuwarden. De voormalig medewerker verklaart, kort gezegd, dat de in het slachthuis aanwezige dierenartsen van de VWA zieke en zwakke dieren hebben laten doorgaan naar de slacht terwijl dat volgens de Transportverordening niet is toegestaan.

1.5. In de uitzending van het televisieprogramma Buitenhof van zondag 6 april 2008 was te gast G. Verburg, destijds minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, (verder: de minister). Interviewster was mevrouw Clairy Polak. Het gesprek met de minister had als onderwerp het dierenwelzijn en in het bijzonder het transport van levend vee. De minister heeft desgevraagd bevestigd dat zij een gesprek had gevoerd met een klokkenluider en dat zij naar aanleiding van het verhaal van de klokkenluider maatregelen zou nemen. Tijdens het programma is, naar een door verweerder in cassatie onder 1 (hierna: de Staat) overgelegd en door Friesland Vlees niet betwist en in haar memorie van grieven aangevuld transcript, het volgende gezegd:

“Mw Polak: Laten we het hebben over de kwaliteit van het vlees. U hebt een gesprek gehad met een klokkenluider die werkzaam is geweest bij de Algemene Inspectie Dienst. Die er herhaaldelijk getuige van is geweest dat dierenartsen, zieken en dode dieren aangeboden hebben aan een abattoir. De ene controlerende instantie die AID waar hij lid van was controleert een andere controlerende instantie de dierenartsen zegt dat ze niet functioneren en wordt vervolgens bedreigd. Hebt u deze klokkenluider gerust kunnen stellen?

(...)

Minister: (...) ik heb ook inderdaad met hem gesproken.

(...)

Minister: Ja, die maatregel die zal ik vertellen. Ik ga bij een van de slachthuizen in Nederland permanente poortcontrole invoeren.

Mw Polak: In Leeuwarden.

Minister: In Leeuwarden ja, dus daar worden alle transporten die daar komen, worden gecontroleerd door mensen van de Algemene Inspectiedienst.

Mw Polak: Kunt u nog een keer uitleggen waarom de kwaliteitskeuring van vlees is weggehaald bij het ministerie van volksgezondheid?”

1.6. Verweerster in cassatie onder 2 (hierna: de Tros6) zendt een televisieprogramma uit onder de naam Radar. Radar is een consumentenprogramma, met een eigen redactie die onderwerpen uitzoekt en voorbereidt. De redactie van Radar deed sinds begin 2008 onderzoek naar de gang van zaken in en rond het slachthuis te Leeuwarden. De mededeling van de minister in het programma Buitenhof dat zij permanente poortcontroles bij het slachthuis in Leeuwarden ging invoeren, was voor de redactie van Radar aanleiding om haar uitzending op maandag 7 april 2008 te wijden aan het resultaat van haar onderzoek. In deze uitzending werd aandacht besteed aan het transport van vee en dierenwelzijn en aan de voedselkwaliteit.

1.7 Het programma werd door de presentatrice van Radar, mevrouw Antoinette Hertsenberg, als volgt ingeleid:

“Sinds hedenochtend doet de Algemene Inspectiedienst in opdracht van de minister van Landbouw een permanente controle van de veetransporten naar slachthuis Friesland Vlees in Leeuwarden. Een paar weken geleden vertelden wij al dat de Voedsel- en Warenautoriteit zelf vindt dat ze te weinig kan controleren en dat dit gevolgen kan hebben voor de voedselveiligheid, dus het vlees op uw bord. Radar dook de afgelopen weken diep in deze materie. Wij spraken niet, zoals de minister, met één getuige, maar wij spraken vier ooggetuigen die de praktijk van dit slachthuis van nabij kennen.”

1.8 Volgens het door Friesland Vlees overgelegde transcript van de uitzending van Radar werd vervolgens onder meer het volgende gezegd:

“Klokkenluider: We hebben daar meerdere malen runderen aangetroffen die kreupel waren, die op de wagen lagen, liggend zijn aangetroffen, magere dieren, die volgens de Europese transportverordening nooit en te nimmer vervoerd hadden mogen worden.

Antoinette Hertsenberg: Ziek vee mag niet worden vervoerd. Dat staat duidelijk in de wet.

(...)

En toch gebeurt het volgens onze getuigen dat zieke koeien worden vervoerd alsof er niets met de dieren aan de hand is en deze worden afgeleverd als zogenaamd gezonde koeien bij een slachthuis. Deze zieke koeien zijn aangetroffen in deze grote slachterij in Leeuwarden, Friesland Vlees. Zoals deze koe, die niet meer kan opstaan en bij de staart omhoog wordt getrokken.

Klokkenluider: Het optrekken bij de staart (...) wat nu letterlijk in de wet staat dat dat verboden is (...) het is ook (...) enorm pijnlijk voor een dier en dat je dat doet (...) ja. nou terwijl er een aantal mensen naar staan te kijken (...) dat wil zeggen hoe gewoon dat is.

Verslaggever Tros Radar: Een aantal mensen, dan heeft u het over....

Klokkenluider: Ja, ja, in dit geval de Algemene Inspectiedienst (...) de dierenartsen van de VWA.

(...)

Antoinette Hertsenberg: We halen nog even de transportverordening erbij. Het is verboden de dieren bij kop, oren, horens, poten, staart of vacht op te tillen, voort te trekken.

(...)

Klokkenluider: Het is natuurlijk heel aantrekkelijk om zo'n dier.. euh.. toch te vervoeren, om zo’n transporteur te vinden (...) en toch zo'n koe aan de slachtlijn te krijgen. Want (...) ja zo spaart de veehouder de dierenarts uit (...) de destructiekosten (...) spaart ie uit en in dit geval krijgt hij ook nog een klein bedrag (...) plus ook nog de slachtpremie.

Antoinette Hertsenberg: De 4 getuigen die wij spraken zijn allemaal bang voor represailles maar toch zijn ook zij ervan overtuigd dat dit verhaal naar buiten moet. De ooggetuigen verklaren dat de zieke koeien gebracht worden naar het slachthuis in Leeuwarden. Een slachthuis waar kennelijk veel zieke koeien worden geaccepteerd die nooit vervoerd hadden mogen worden. Zoals deze koe.

Klokkenluider: Hiervan weet ik dat het commentaar van de dierenarts is (...) dat hij het een oppervlakkige wond vond en (...) dat hij het waarschijnlijk niet noodzakelijk achtte om daar een verklaring van op te stellen. Terwijl je op je vingers kunt natellen (...) dat wanneer je met zo'n enorme wond vervoerd wordt dat dat wel degelijk onnodig lijden tot gevolg heeft.

(...)

Antoinette Hertsenberg: Foto's gemaakt op het slachthuis in Leeuwarden laten veel zieke en verwonde koeien zien en magere koeien. En de vraag is dan natuurlijk waar blijven de overheidsdiensten die bij het Leeuwardense slachthuis het aangevoerde vee moeten keuren. Waar blijft nou die controle? In feite moet de Voedsel- en Warenautoriteit eerst het vee controleren dat uit de wagens komt. Als blijkt dat het om ziek vee gaat en dus de transportverordening overtreden is dan moet de VWA de Algemene Inspectiedienst, de AID waarschuwen. Die moet dan ingrijpen en beboeten. En dat gebeurt dus niet altijd in dit slachthuis. Ooggetuigen verklaren.

Klokkenluider: In het onderzoek van de AID is gebleken dat bijna 95% van de dieren waarvan de AID nodig vond dat er een proces-verbaal van moest worden opgemaakt, dat de dierenartsen weigerden om daar hun medewerking te verlenen. Er worden daar runderen aangevoerd waarbij in andere gevallen in slachthuizen de dieren nog geen eens door de poort heen komen en dat hier klaarblijkelijk dat allemaal maar kan.

Antoinette Hertsenberg: Als het vee geslacht wordt, dan controleert de VWA weer het vlees. Een keurmeester bepaald of het vlees geschikt is voor consumptie. Het mag wel eens voorkomen dat een door transport licht gewonde koe wel geslacht wordt. De keurmeester bepaalt dan welk deel van het vlees gezond is en wat niet. Het ongezonde deel, de wond, wordt dan uitgebeend, zoals dat heet. Ooggetuigen verklaren dat in het Leeuwardense slachthuis regelmatig gewonde en zieke koeien toch geslacht worden en zij hebben het iedere keer over dezelfde persoon, een zekere [betrokkene 2] . Hij is eigenaar van Friesland Beef en laat zijn vlees slachten bij het slachthuis Friesland Vlees. En volgens verschillende ooggetuigen is er in het slachthuis maar een iemand die de baas is over de slacht van de runderen: [betrokkene 2] .

Tekst in beeld (ooggetuige): Dus niet die dierenarts van het VWA bepaalt hoeveel ziek vlees er weggesneden moet worden. Nee, die [betrokkene 2] die maakt het zelf wel uit.

Tekst in beeld (ooggetuige): Die VWA-medewerkers in het slachthuis die geven [betrokkene 2] speelruimte om zieke en zwakke dieren aan te voeren en vervolgens te slachten. Zo komt het vlees dus toch nog op de markt.

Antoinette Hertsenberg: Dus als we de verklaringen op een rij zetten dan laat [betrokkene 2] zieke koeien uit Noord-Holland, maar ook uit delen van Friesland gewoon naar het slachthuis komen en hij bepaalt dat zieke dieren toch gewoon geslacht worden en wel degelijk klaargemaakt worden voor consumptie. Hij zo lijkt het, heeft de Voedsel- en Warenautoriteit in zijn zak. De controleurs laten dit oogluikend toe, melden de ooggetuigen. Nu blijkt verder dat de vleesindustrie hier van profiteert. Vlees dat anders zou worden afgekeurd, wordt toch afgenomen door de leverancier die de schappen van uw supermarkt vult. Zo wordt duidelijk dat VION het grootste vleesconcern van Westeuropa vlees afneemt van Friesland Beef. VION laat in het Noorden van het land al haar runderen – ingekocht door [betrokkene 2] z'n Friesland Beef – slachten bij Friesland Vlees. Ooggetuigen verklaren dat VION op de hoogte is van de praktijken van [betrokkene 2] . VION is blijkbaar geïnteresseerd in goedkoop vlees. Zieke koeien worden spotgoedkoop ingekocht bij boeren die nog iets willen verdienen aan hun afgedankt rund. Dit zou inhouden dat VION bewust ziek vlees verwerkt en dat de mogelijkheid niet is uitgesloten dat het afgeleverd wordt aan VION’s grootste klanten.

(...)

In beeld: NOS Journaal: Het slachthuis van Leeuwarden staat sinds vanochtend vroeg onder permanente controle aan de poort. Minister Verburg van Landbouw wil weten of er sprake is van misstanden.

In beeld: NOS Journaal: [betrokkene 1] : Ik sta alle dagen onder toezicht van de VWA dus op het moment dat de koe binnenkomt dat heb ik geen enkele zeggenschap over de koeien niet.

In beeld: NOS Journaal: interviewer: En daarbij zegt u het wordt continu gecontroleerd?

[betrokkene 1] : continu, continu.

Einde beeldmateriaal NOS journaal.

Antoinette Hertsenberg: De controle van vanmorgen in het Leeuwardense slachthuis is opmerkelijk want, zo vertellen getuigen uit de vleesbranche, juist op maandag wordt er nooit wrak vlees aangevoerd en verwerkt voor consumptie. En verder melden de getuigen ons dat [betrokkene 2] in het bezit is van een eigen stempel. Vlees van dood aangevoerde koeien mag bijvoorbeeld nooit in het buitenland terecht komen. Hoe [betrokkene 2] dit omzeilt, blijkt uit de volgende verklaringen van de ooggetuigen.

Tekst in beeld (ooggetuige): [betrokkene 2] snijdt die stempel er gewoon af en zet er een buitenlandstempel op. Een stempel die nota bene alleen maar in bezit mag zijn van de Voedsel- en Warenautoriteit.

Antoinette Hertsenberg: VION heeft ons een schriftelijke verklaring gestuurd. Zij sluiten leveranties van wrak vee uit en garanderen de kwaliteit en betrouwbaarheid van hun producten. De volledige verklaring staat op onze website. En we hebben het VWA ook om een reactie gevraagd. Wij vragen naar Friesland Vlees.

Interviewer: Kunt u eens vertellen hoe dat bedrijf bekend staat?

[betrokkene 3] (hoofd communicatie VWA): Dat is een bedrijf dat aan de onderkant van de melkmarkt runderen aanvoert om te laten slachten en met name bij het bedrijf Friesland Vlees in Leeuwarden.

Antoinette Hertsenberg: Onderkant van de markt. Dat houdt in dat hij vooral goedkoop vlees levert. Goedkoop en dus, zo blijkt, vlees van runderen wat elders niet zo gemakkelijk door de keuring komt.

Interviewer: Andere verhalen die wij horen van verschillende kanten is dat meneer [betrokkene 2] beschikt over een stempel van het VWA om zelf zijn eigen vlees te keuren. Wat zegt u daarvan?

[betrokkene 3] (hoofd communicatie VWA): (... ) ik heb die gegevens niet. Want dat zou natuurlijk niet correct zijn als dat zo is.

Antoinette Hertsenberg: Ooggetuigen hebben verklaard dat de Algemene Inspectiedienst wel degelijk een paar keer [betrokkene 2] heeft kunnen betrappen op overtreding van de transport-verordening. Is er dan nooit opgetreden?

[betrokkene 3] (hoofd Communicatie VWA): In 1 jaar tijd is er 14 keer proces-verbaal opgemaakt, dus de suggestie dat daar niet wordt opgetreden, dat daar alles door de vingers zou worden gezien die kan ik daar niet mee rijmen.

Antoinette Hertsenberg: Al 5 weken geleden hadden wij dit interview, met de VWA en het is op z'n minst bijzonder te noemen dat er pas extra gecontroleerd wordt bij het Leeuwardense slachthuis. En dan dus op maandag, de dag waarop er juist geen wrakke, zieke of dode koeien gebracht of geslacht worden. En dat de minister van tevoren deze controle op TV aankondigde, heel bijzonder. Wij zijn zelf al wel op bezoek geweest in Leeuwarden, op zoek naar [betrokkene 2] , de directeur van Friesland Beef met de vraag of hij ons kan bewijzen dat er geen wrakke koeien zijn aangevoerd en geslacht voor consumptie en dat kan hij simpelweg aantonen door ons zijn slachtlijsten te laten zien.

(...)

Antoinette Hertsenberg: Maar in het advocatenkantoor ontkent [betrokkene 2] natuurlijk alles.

(...)

Medewerker TROS Radar: Heeft u een stempel van het VWA?

[betrokkene 2] : We hebben geen stempel, nee, nee.

Medewerker TROS Radar: Cat u cijfers om?

[betrokkene 2] : Nee, nee, 100% niet. Koeien die niet mogen reizen, komen niet bij ons en mochten ze wel komen dan wordt er proces-verbaal gemaakt door de overheid.

Antoinette Hertsenberg: Ondanks het feit dat de VWA ons heeft verteld dat hij 14 processen-verbaal heeft gehad afgelopen jaar beweert [betrokkene 2] bij hoog en bij laag dat hem geen blaam treft.

Medewerker TROS Radar: Hoe kan het nou toch dat u in de branche bekend staat als [betrokkene 2] , daar kun je terecht met je slechte koe.

[betrokkene 2] : Ja, dat vind ik jammer zo'n constatering.

(…)

Antoinette Hertsenberg: Als het gesprek is afgesloten komt de eigenaar van het slachthuis, Friesland Vlees, [betrokkene 1] het kantoor in. Dit mochten we niet binnen opnemen maar buiten voor het advocatenkantoor zegt [betrokkene 1] dat er op zijn slachthuis geen illegale dingen gebeuren.

[betrokkene 1] : Ik durf op mijn hart te zweren, niet bij mij.

(...)

Medewerker TROS Radar: En het maakt niet uit wie er zit, of 't nou Friesland Vlees is of Friesland Vee of Friesland Beef.

[betrokkene 1] : Nee,... ik... buiten mij... buiten dat weet ik niet wat buiten mijn bereik ligt... Medewerker TROS Radar: Nou ja, wat in uw slachthuis gebeurt.

[betrokkene 1] : Dat weet ik allemaal niet. Ga het maar uitzoeken met mekaar. Haal de inspectiedienst erbij. Alstublieft. Als er iets verkeerd is, dolgraag.

Medewerker TROS Radar: Ja maar, moet u 's luisteren. We hebben al contact met de VWA en de AID. We gaan dat ook allemaal uitzoeken, maar zij willen niet meewerken.

[betrokkene 1] : Dan zullen ze meewerken. Ik zal het opknappen. Dan ga ik met jullie mee.

Antoinette Hertsenberg: Hij neemt ons mee naar zijn slachthuis om alles op te helderen. In de kantine op het slachthuis vragen wij of hij zwart op wit kan bewijzen dat er niets aan de hand is.

Maar het enige wat hij wil is ons meenemen naar het VWA-kantoor.

[betrokkene 1] : We gaan eerst naar de VWA.

Medewerker TROS Radar: Die gaan niet reageren.

[betrokkene 1] : Die hebben namelijk contact met Den Haag en Den Haag zegt: Dat mag niet. Dat gaan ze niet doen. Dat kan ik je op een briefte geven.

Antoinette Hertsenberg: En toch blijft hij aandringen, hij wil ons graag naar het VWA-kantoor hebben om met behulp van zogeheten slachtlijsten, waarop te zien wat voor koeien er geslacht zijn, te tonen dat er geen zwakke of dode koeien voor consumptie worden gebruikt.

[betrokkene 1] : Dan nemen we eerst contact op met de VWA en …

Medewerker TROS Radar: Maar die hebben die slachtlijsten? De VWA wil ze ons ook niet geven. Ik heb de VWA gebeld: Geef me die slachtlijsten. Niemand wil me die slachtlijsten geven. Wat betekent dat, als niemand dat wil? [betrokkene 2] wil ze niet geven. VWA wil ze niet geven, jullie willen ze niet geven. Wat betekent dat nou? Dat betekent toch dat er hier wat te verbergen valt? Als je niets te verbergen hebt, is het geen probleem.

Antoinette Hertsenberg: Uiteindelijk geven we het op en willen weggaan. En dan krijgt [betrokkene 1] toch zijn zin. Want wat blijkt, de VWA heeft ook een kantoortje op de slachterij zelf. En daar zijn twee VWA medewerkers aanwezig.

Medewerker TROS Radar: Mag ik u wat dingen voorhouden wat erop uw bedrijf zou gebeuren en dat u daarop reageert?

Medewerker VWA: Nee, ik zeg helemaal niets. Ik heb al contact gehad met mijn hoofd en die moet even terugbellen.

Antoinette Hertsenberg: De VWA-medewerkers blijken de ambtenaren te zijn die vaak door onze ooggetuigen worden genoemd als keuringsmeesters die een oogje dichtknijpen.

Medewerker TROS Radar: Laten we even heel simpel zijn, een koe die niet meer kan lopen wordt aan de staart uit de wagen getrokken om aan de slachtlijn te hangen onder toezicht van de dierenarts hier. En wat ook toevallig is, de naam W.... is ook gevallen. De naam W.... valt continu. De heer W.... werkt samen. Die verhalen willen wij gewoon checken.

Medewerker [betrokkene 1] (???): Ja, dan wachten we gewoon even tot wat ze overeenkomen met Den Haag.

Medewerker TROS Radar: We staan hier toch als volwassen kerels onder elkaar?

Antoinette Hertsenberg: En dan krijgt [betrokkene 1] het op zijn heupen.

[betrokkene 1] : We doen het volgende. We doen de poort dicht. Jullie komen hier niet weg. Jullie blijven hier en de Rijksrecherche gaat hier werk van maken.

(...)

Antoinette Hertsenberg: Maar dan toch eindelijk bij de poort aangekomen is de slachtboom echt dicht. De portier weigert open te doen. Totdat we zien dat er verderop een andere boom wel open is.

(....)”

1.9 Bij inleidende dagvaardingen van 5 en 9 februari 2009 heeft Friesland Vlees de Staat en de Tros gedagvaard bij de rechtbank Amsterdam en heeft daarbij gevorderd dat de rechtbank: (a) voor recht verklaart dat de Staat en de Tros onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld en (b) de Staat en de Tros hoofdelijk veroordeelt om aan haar te betalen (i) de door haar geleden schade, op te maken bij staat, (ii) een voorschot van € 3.140.000,- en (iii) de buitengerechtelijke kosten, zijnde een bedrag van € 6.422,-, een en ander met hoofdelijke veroordeling van de Staat en de Tros in de proceskosten.

1.10 Aan deze vorderingen heeft Friesland Vlees, kort gezegd, ten grondslag gelegd dat de Staat jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld doordat de minister in het programma Buitenhof ten onrechte de indruk heeft gewekt dat er zich ernstige misstanden zouden voordoen in het slachthuis van Friesland Vlees en dat Friesland Vlees voor deze misstanden verantwoordelijk zou zijn. De Staat heeft aldus inbreuk gemaakt op haar eer en goede naam waardoor zij schade heeft geleden. De Tros heeft jegens haar onrechtmatig gehandeld omdat zij in de uitzending van Radar ten onrechte een verband heeft gelegd tussen Friesland Vlees en misstanden bij het transport van vee en de controles van vee. Ook de Tros heeft inbreuk gemaakt op haar eer en goede naam waardoor zij schade heeft geleden, aldus Friesland Vlees.

1.11 De Staat en de Tros hebben gemotiveerd verweer gevoerd.

Friesland Vlees heeft bij “incidentele conclusie vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening ex art. 223 Rv” gevorderd dat de Staat en de Tros een afschrift van de in die conclusie aangeduide informatie ter beschikking stellen.

1.12 De rechtbank heeft bij vonnis van 13 mei 2009 een (meervoudige) comparitie van partijen gelast, die op 26 augustus 2009 is gehouden.

Vervolgens heeft de rechtbank bij eindvonnis van 18 november 20097 in de hoofdzaak en in het incident de vorderingen afgewezen. Zij heeft daartoe met betrekking tot de Staat onder meer overwogen dat de minister haar mededeling in Buitenhof niet heeft genuanceerd door duidelijk te maken dat de controle weliswaar bij de slachterij van Friesland Vlees zou plaatsvinden maar dat de slachterij van Friesland Vlees zelf niet het onderwerp van onderzoek was, hetgeen de rechtbank onzorgvuldig en in zoverre onrechtmatig acht (rov. 4.31). Aangezien naar het oordeel van de rechtbank het causale verband tussen de onrechtmatige uitlatingen van de minister en de door Friesland Vlees gestelde schade ontbreekt, heeft de rechtbank de door Friesland Vlees jegens de Staat gevorderde verklaring voor recht afgewezen bij gebrek aan (materieel) belang en heeft zij om deze reden eveneens de overige vorderingen van Friesland Vlees jegens de Staat afgewezen (rov. 4.35).

1.13 Met betrekking tot de vordering tegen de Tros heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat in de uitzending van Radar op voldoende duidelijke wijze onderscheid is gemaakt tussen de slachterij van Friesland Vlees en het transport van vee door Friesland Beef naar deze slachterij en geoordeeld dat geen sprake is van aantasting van de eer en goede naam van Friesland Vlees. Voor zover Friesland Vlees in de uitzending in verband is gebracht met de activiteiten van Friesland Beef, is dat – aldus de rechtbank – inherent aan de band die zij met Friesland Beef onderhield (rov. 4.23).

1.14 Friesland Vlees is, onder aanvoering van zestien grieven, van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Amsterdam. Zij heeft vernietiging van het vonnis gevorderd en voorts, na wijziging en vermeerdering van eis, dat het hof (a) voor recht verklaart dat de Staat en de Tros onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld en (b) de Staat en de Tros hoofdelijk veroordeelt om aan haar te betalen (i) een bedrag van € 4.369.750,- ter zake door haar geleden schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 april 2008, althans hoofdelijke veroordeling tot vergoeding van de door haar geleden schade, op te maken bij staat en (ii) de buitengerechtelijke kosten, zijnde een bedrag van € 6.422,-, een en ander met hoofdelijke veroordeling van de Staat en de Tros in de kosten van beide instanties.

1.15 De Staat en de Tros hebben de grieven bestreden en samengevat geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep. De Staat heeft voorts, onder aanvoering van een grief, incidenteel appel ingesteld.

Partijen hebben hun zaak ter zitting van het hof van 11 oktober 2013 doen bepleiten.

1.16 Het hof heeft bij arrest van 11 maart 20148 het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.

1.17 Friesland Vlees heeft tijdig9 cassatieberoep ingesteld10.

De Staat en de Tros hebben geconcludeerd tot verwerping.

Alle partijen hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht, waarna Friesland Vlees heeft gerepliceerd en de Staat en de Tros ieder een conclusie van dupliek hebben genomen.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel bestaat uit acht onderdelen. De eerste twee onderdelen zijn gericht tegen de beoordeling door het hof van de uitlatingen van de minister in het programma Buitenhof. De onderdelen 4 tot en met 6 keren zich tegen de beoordeling door het hof van de verdenkingen jegens Friesland Vlees in het televisieprogramma Tros Radar. De onderdelen 3, 7 en 8 bevatten geen afzonderlijke klachten11.

2.2

Alvorens op de klachten in te gaan, geef ik een korte schets van de toe te passen maatstaf bij de beoordeling van de (on)rechtmatigheid van publieke uitingen/perspublicaties.

Juridisch kader

2.3

Bij de beantwoording van de hier aan de orde zijnde vragen of een uitlating van een bewindspersoon tijdens een televisie-interview en of een consumentenprogramma op televisie onrechtmatig zijn, staan in beginsel twee, ieder voor zich hoogwaardige, maatschappelijke belangen tegenover elkaar. Aan de ene kant het belang dat individuele burgers niet door publicaties in de pers worden blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen. Aan de andere kant het belang dat niet, door gebrek aan bekendheid bij het grote publiek, misstanden die de samenleving raken kunnen blijven voortbestaan.

Welk van deze belangen in een gegeven geval de doorslag behoort te geven, hangt af van de in onderling verband te beschouwen omstandigheden van het geval.

Deze maatstaf is neergelegd in het Gemeenteraadslid-arrest12 en is sindsdien vaste rechtspraak13.

2.4

In het Gemeenteraadslid-arrest heeft de Hoge Raad tevens een aantal van dergelijke omstandigheden opgesomd, te weten:

a.

de aard van de gepubliceerde verdenkingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die verdenkingen betrekking hebben;

b.

de ernst — bezien vanuit het algemeen belang — van de misstand welke de publicatie aan de kaak beoogt te stellen;

c.

de mate waarin ten tijde van de publicatie de verdenkingen steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal;

d.

de inkleding van de verdenkingen, gezien in verhouding tot de onder a. t/m c. bedoelde factoren;

e.

de mate van waarschijnlijkheid dat, ook zonder de verweten publicatie via de pers, in het algemeen belang het nagestreefde doel langs andere, voor de wederpartij minder schadelijke wegen met een redelijke kans op spoedig succes bereikt had kunnen worden;

f.

een mogelijke beperking van het door de perspublicatie te veroorzaken nadeel voor degene die erdoor wordt getroffen, in verband met de kans dat het betreffende stuk, ook zonder de verweten terbeschikkingstelling aan de pers, in de publiciteit zou zijn gekomen.

2.5

Deze omstandigheden zijn niet limitatief bedoeld14. In het eerdere Kleuterschool Babbel-arrest15 had de Hoge Raad met betrekking tot de hiervoor onder a. genoemde omstandigheid al de afweging gemaakt dat naarmate voor een derde grotere schade verwacht kan worden, mag worden gevergd dat een diepergaand onderzoek naar de juistheid van de mee te delen feiten wordt ingesteld voordat deze aan de openbaarheid worden prijsgegeven, terwijl anderzijds de urgentie van prompte voorlichting het noodzakelijk kan maken dat niet wordt gezwegen in afwachting van nader onderzoek.

2.6

De aard van het medium waarin de uitlating is gedaan (televisie), kan van belang zijn bij de beoordeling van de onrechtmatigheid16. Daarnaast heeft de Hoge Raad reeds in 1966 geoordeeld dat het gezag van degene van wie de uitlating afkomstig is, die uitlating tot een onrechtmatige daad kan bestempelen17.

Dit aspect speelde ook een rol in het VARA-Ombudsman-arrest18. Daarin oordeelde de Hoge Raad dat bij een televisieprogramma dat tot doel heeft misstanden in de maatschappij te signaleren en dat in verband met zijn titel ('Ombudsman') bij het publiek de indruk wekt dat de uitlatingen in dat programma afkomstig zijn van een onpartijdige instantie die werkzaam is in het algemeen belang, het publiek eerder zal aannemen dat in dit programma gedane feitelijke beweringen juist (immers door de instantie deugdelijk onderzocht) en gebezigde kwalificaties en geuite beschuldigingen gegrond (immers door de instantie wel overwogen) zullen zijn dan wanneer het gaat om beweringen, kwalificaties en beschuldigingen in de media in het algemeen.

2.7

Bij de afweging van de hiervoor onder 2.3 genoemde “hoogwaardige, maatschappelijke belangen” is het in beginsel aan de feitenrechter overgelaten om de van belang zijnde omstandigheden vast te stellen en te beoordelen welk gewicht daaraan in onderling verband behoort te worden toegekend. De rechter is daarbij niet gehouden steeds alle mogelijke omstandigheden te toetsen en daarvan in zijn motivering uitdrukkelijk rekenschap te geven19.

2.8

In het arrest Parool/Van Gasteren heeft de Hoge Raad in de bewoordingen van annotator Dommering in rechtsoverweging 5.9 een “brug geslagen tussen de door hem ontwikkelde jurisprudentie en de door het EHRM onder art. 10 EVRM gevormde rechtspraak”20.

Het EHRM ziet de vrijheid van meningsuiting als een essentiële bouwsteen voor een democratische samenleving en de pers daarin als vervuller van een vitale rol als waakhond (‘public watchdog’). Uitingen in de pers mogen om die reden schokkend, verontrustend of beledigend zijn21. De wijze waarop de pers te werk gaat bij de vervulling van deze functie als maatschappelijke waakhond, is in beginsel vrij:

“It is to be recalled that methods of objective and balanced reporting may vary considerably and that it is therefore not for this Court to substitute its own views for those of the press as to what technique of reporting should be adopted (see Jersild v. Denmark, 23 September 1994, § 31, Series A no. 298).”22

Ook neemt het EHRM tot uitgangspunt dat de journalistieke vrijheid zoals beschermd in art. 10 lid 1 EVRM verder strekt dan de bescherming van een objectieve en ingetogen wijze van verslaggeving van feiten:

“(…) In addition, the Court is mindful of the fact that journalistic freedom also covers possible recourse to a degree of exaggeration, or even provocation (see the Prager and Oberschlick v. Austria, judgment of 26 April 1995, Series A no. 313, p. 19, § 38, and the Bladet Tromsø and Stensaas judgment cited above, § 59).”23

2.9

Beperking van de vrijheid van meningsuiting is op basis van art. 10 lid 2 EVRM geoorloofd indien deze is voorzien bij wet en zij noodzakelijk is in een democratische samenleving in het belang van de bescherming van de goede naam en rechten van anderen. Bij de hiervoor vermelde belangenafweging zal rekening moeten worden gehouden met de noodzakelijkheidstoets van art. 10 lid 2 EVRM. In dat kader is van groot belang de vraag of de publicatie bijdraagt aan een debat over aangelegenheden van publiek belang24.

De vrijheid van meningsuiting van de media in het kader van de publieke informatievoorziening is echter niet onbeperkt:

“It protects journalists’s rights to divulge information on issues of general interest provided that they are acting in good faith and on an accurate factual basis and provide ‘reliable and precise’ information in accordance with the ethics of journalism.”25

Het EHRM gaat dus uit van een journalistieke plicht om te goeder trouw, op basis van accuraat onderzocht feitenmateriaal, aan betrouwbare en nauwkeurige verslaggeving te doen. Het onderwerp van verslaggeving en de ernst van de inbreuk op de rechten van anderen kunnen vervolgens met zich brengen dat er nadere eisen aan deze zorgvuldige toetsing van de feiten vooraf worden gesteld:

“The Court must therefore examine whether the applicants acted in good faith and complied with the ordinary journalistic obligation to verify a factual allegation. This obligation required that they should have relied on a sufficiently accurate and reliable factual basis which could be considered proportionate to the nature and degree of their allegation, given that the more serious the allegation, the more solid the factual basis has to be.”26

2.10

De in de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek neergelegde journalistieke maatstaven vormen echter geen rechtens aan te leggen criterium maar een omstandigheid die de rechter bij de te verrichten afweging van belangen in zijn oordeel inzake de (on)rechtmatigheid van de perspublicatie dient te betrekken, waarbij geldt dat deze omstandigheid weliswaar gewicht in de schaal zal leggen maar niet doorslaggevend behoeft te zijn27.

2.11

Bij de afweging met inachtneming van alle bijzonderheden van het gegeven geval van het fundamentele recht van vrijheid van meningsuiting (van de pers) en het recht op bescherming van de eer en goede naam komt aan het door art. 7 Grw. en art. 10 EVRM gewaarborgde recht op vrijheid van meningsuiting in beginsel geen voorrang toe28. Hetzelfde geldt voor de door art. 8 EVRM beschermde rechten:

“In regard to cases in which a violation of the rights guaranteed in Article 8 is asserted and the alleged interference with those rights originates in an expression, the Court points out that the protection granted by the State should be understood as one taking into consideration its obligations under Article 10 of the Convention. It is the latter provision which has been specifically designed by the drafters of the Convention to provide guidance concerning freedom of speech — also a core issue in the present application.”29

2.12

Het gaat hierbij niet om een in twee fasen te verrichten toetsing, aldus dat eerst aan de hand van de omstandigheden wordt bepaald welk van beide rechten zwaarder weegt, waarna vervolgens nog moet worden beoordeeld of de noodzakelijkheidstoets als neergelegd in art. 8 lid 2 respectievelijk 10 lid 2 EVRM zich verzet tegen het resultaat van die afweging. Deze toetsing dient in één keer te geschieden waarbij het oordeel dat een van beide rechten, gelet op alle ter zake dienende omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht, meebrengt dat daarmee de inbreuk op het andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van het desbetreffende tweede lid30.

2.13

De rechterlijke toetsing in het concrete geval is zeer feitelijk van aard en het EHRM stelt zich dan ook zeer terughoudend op bij de beoordeling van het eindresultaat van deze belangenafweging:

“The Court’s task in exercising its supervisory function is not to take the place of the national authorities, but rather to review under Article 10, in the light of the case as a whole, the decisions they have taken pursuant tot their power of appreciation (see Bergens Tidende and Others v. Norway, no. 26132/95, § 50, ECHR 2000-IV).”31

2.14

Ten slotte kan uit het Telegraaf-arrest worden afgeleid dat van een te uiten verdenking niet hoeft vast te staan dat deze juist is, maar dat zij wel voldoende steun moet vinden in het op dat moment beschikbare feitenmateriaal32.

Bespreking van de onderdelen 1-3 die betrekking hebben op de Staat

2.15

Onderdeel 1 richt zich in twee subonderdelen tegen rechtsoverweging 3.4.3 en een deel van rechtsoverweging 3.4.6, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld (ik citeer ook de slotzin van rov. 3.4.6):

“3.4.3. Het hof stelt allereerst vast dat Friesland Vlees onvoldoende heeft aangevoerd om te concluderen dat de mededelingen van de minister onjuist zijn geweest. De minister heeft slechts bevestigd dat zij heeft gesproken met een klokkenluider die heeft gewerkt bij de Algemene Inspectie Dienst, en heeft daarbij aangegeven dat zij het verhaal van deze klokkenluider serieus neemt en op grond daarvan maatregelen treft. Desgevraagd heeft zij verder gezegd dat zij als maatregel permanente poortcontrole invoert bij een van de slachthuizen in Nederland, en desgevraagd heeft zij bevestigd dat deze controle in Leeuwarden zal plaatsvinden, waaraan zij heeft toegevoegd dat alle transporten die daar komen, gecontroleerd zullen worden. Het hof is van oordeel dat de minister Friesland Vlees met deze mededelingen niet beticht van onoorbaar handelen. Zij laat zich niet uit over de inhoud van haar gesprek met de klokkenluider, en de door haar aangekondigde maatregel is, zo zegt zij uitdrukkelijk, slechts gericht op de transporten van het vee naar het slachthuis, waarvoor Friesland Vlees naar haar eigen zeggen niet verantwoordelijk is. De minister noemt niet de naam Friesland Vlees maar slechts de locatie van het slachthuis, laat staan dat zij bepaalde gedragingen van Friesland Vlees als aanleiding voor de aangekondigde maatregel noemt, zodat zij niet nodeloos de aandacht vestigt op Friesland Vlees. Zij kondigt bovendien een controle aan en geen feitelijke maatregel ter voorkoming of beëindiging van reeds vastgestelde misstanden, alles binnen het kader van de controlerende taak van de Staat met betrekking tot de regelgeving op het gebied van veetransport. Het hof is op grond van een en ander van oordeel dat de mededelingen van de minister, los van de verder nog te bespreken omstandigheden, geen verdachtmaking van Friesland Vlees inhouden en tevens jegens Friesland Vlees met de nodige zorgvuldigheid zijn gedaan. Het hof volgt Friesland Vlees dan ook niet in haar in hoger beroep primair ingenomen standpunt dat het enkele aankondigen van de maatregel al onrechtmatig is jegens haar.

3.4.6.

Het hof volgt Friesland Vlees niet in dit betoog. De minister heeft uitdrukkelijk gemeld dat de controle het transport van vee betrof. Dat was wat op dat moment van haar verwacht kon worden, mede gelet op het feit dat het om een interview gaat, waarbij sprake is van vragen die spontaan dienen te worden beantwoord en niet altijd een duidelijk structuur bestaat en een duidelijk verband met hetgeen enige tijd daarvoor is gezegd. Daarbij is tevens van belang, zoals de Staat onweersproken heeft aangevoerd, dat het interview vanaf het begin tot het moment dat de interviewster haar opmerking over de kwaliteit van het vlees plaatste en de vraag over de klokkenluider stelde, reeds twaalf minuten over dierenwelzijn en transport van vee ging, en overigens na de gewraakte mededeling van de minister, over de VWA (zonder verband te leggen met het slachthuis te Leeuwarden) en overbevissing handelde. Dat de interviewster het onderwerp van het gesprek enige tijd voorafgaand aan de aangekondigde maatregel heeft uitgebreid naar de voedselkwaliteit is gelet daarop van onvoldoende betekenis voor de duiding van de woorden van de minister. De minister hoefde bij de wijze waarop zij de vragen beantwoordde bovendien geen rekening te houden met de - voor haar niet voorspelbare - afronding van het gespreksonderdeel door de interviewster.”

2.16

Subonderdeel 1.1 klaagt dat de oordeelsvorming van het hof in rechtsoverweging 3.4.3 onjuist is, althans onbegrijpelijk in het licht van de gedingstukken. Volgens het subonderdeel lijkt het hof met het oordeel dat de mededelingen van de minister met de nodige zorgvuldigheid zijn gedaan, in de eerste plaats te hebben miskend dat zij heeft gesproken in haar hoedanigheid van minister en derhalve namens de overheid en dat het de plicht is van de overheid om correcte en betrouwbare informatie openbaar te maken, waarbij de nodige zorgvuldigheid in acht is te nemen ten aanzien van degenen wier belangen door die openbaarmaking kunnen worden geraakt.

2.17

Ik stel voorop dat de bestreden overwegingen dienen te worden bezien in het licht van het hiervoor geschetste juridisch kader alsmede in samenhang met de gehele beoordeling door het hof van het handelen van de Staat.

2.18

Het hof heeft – in cassatie niet bestreden – in rechtsoverweging 3.4.1 allereerst geoordeeld dat de Staat de overweging van de rechtbank33 onderschrijft dat het de plicht van de overheid is om correcte en betrouwbare informatie openbaar te maken en daarbij ook de nodige zorgvuldigheid in acht te nemen ten aanzien van degenen wier belangen door openbaarmaking van die informatie geraakt kunnen worden.

Het hof noemt vervolgens in de slotzin van rechtsoverweging 3.4.1 de stelling van de Staat dat de minister geen onjuiste mededelingen heeft gedaan en zijn betwisting dat de minister haar mededelingen had moeten nuanceren en in de eerste volzin van – de eveneens in cassatie niet bestreden – rechtsoverweging 3.4.2 de stellingen van Friesland Vlees dat de uitlatingen van de minister jegens haar onrechtmatig zijn omdat de minister in het programma Buitenhof ten onrechte de indruk heeft gewekt dat er zich ernstige misstanden zouden voordoen in het door haar gedreven slachthuis en dat Friesland Vlees voor deze misstanden verantwoordelijk zou zijn.

Het hof overweegt aan het slot van rechtsoverweging 3.4.2 dat het naar aanleiding van deze stellingen eerst zal onderzoeken of het belang van Friesland Vlees om niet door publicaties in de pers te worden blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen, is geschaad.

2.19

Uit het voorgaande volgt dat het hof de door de rechtbank gehanteerde maatstaf ook tot uitgangspunt heeft genomen, welke maatstaf juist is34. Het hof heeft deze maatstaf toegepast in zijn vaststelling (eerste volzin van rov. 3.4.3) dat Friesland Vlees onvoldoende heeft aangevoerd om te concluderen dat de mededelingen van de minister onjuist zijn geweest. Het subonderdeel gaat in zoverre uit van een onjuiste lezing van het bestreden arrest.

2.20

Het subonderdeel klaagt daarnaast over het oordeel van het hof dat de mededelingen van de minister met de nodige zorgvuldigheid zijn gedaan. Het subonderdeel betoogt daartoe dat nu aan de uitlatingen van de minister groot gezag en veel gewicht pleegt te worden toegekend, van een minister een grote mate van zorgvuldigheid mag worden geëist, zeker in een televisieprogramma dat een zeer indringend karakter heeft bij het grote publiek. Daar komt bij dat de voedselsector in het algemeen en de vleessector in het bijzonder zeer kwetsbaar zijn als in de openbaarheid wordt getwijfeld aan de kwaliteit van het desbetreffende product. Dit noopte de minister tot voorzichtigheid op dit punt. Daarom had, volgens het subonderdeel, van de minister mogen worden verwacht dat zij haar mededeling in de uitzending van Buitenhof over de poortcontroles zou hebben genuanceerd door duidelijk te maken dat de controles weliswaar bij de slachterij van Friesland Vlees zouden plaatsvinden maar dat die slachterij niet zelf het onderwerp van onderzoek was.

2.21

Het hof is tot de slotsom gekomen dat de mededelingen met de nodige zorgvuldigheid zijn gedaan op basis van het volgende:

- de minister heeft uitdrukkelijk gezegd dat de door haar aangekondigde maatregel van permanente poortcontrole slechts is gericht op de transporten van het vee naar het slachthuis;

- de minister heeft niet nodeloos de aandacht op Friesland Vlees gevestigd, want zij heeft (i) de naam Friesland Vlees niet genoemd, maar slechts de locatie van het slachthuis en (ii) zij heeft daarbij niet bepaalde gedragingen van Friesland Vlees genoemd als aanleiding voor de aangekondigde maatregel;

- de minister heeft een controle aangekondigd die binnen het kader van de taak van de Staat met betrekking tot veetransport valt en geen feitelijke maatregel ter voorkoming of beëindiging van reeds vastgestelde misstanden.

Deze omstandigheden heeft het hof afgezet tegen het belang van Friesland Vlees om niet door publicaties in de pers te worden blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen.

Het feitelijke oordeel dat de mededelingen van de minister geen verdachtmakingen van Friesland Vlees inhouden, is aldus voldoende begrijpelijk gemotiveerd.

2.22

De door het onderdeel genoemde omstandigheden van de context waarin de uitlatingen zijn gedaan en de kwetsbaarheid van de vleessector behoefde het hof echter (nog) niet mee te wegen bij de beoordeling of de mededelingen juist zijn en geen verdachtmakingen inhouden.

De uitleg van de bewoordingen van de minister in de context van het gesprek tussen de interviewer van het programma Buitenhof en de minister wordt vervolgens door het hof in rechtsoverweging 3.4.6 beoordeeld. Daarover gaat subonderdeel 1.2, dat klaagt dat het hof het belang van de context voor de interpretatie van de woorden van de minister in rechtsoverweging 3.4.6 op onbegrijpelijke wijze heeft gemarginaliseerd en voorbij is gegaan aan de door Friesland Vlees aangevoerde omstandigheden. Volgens het subonderdeel ziet het hof er althans aan voorbij dat door de afsluitende vraag van de interviewster over de voedselkwaliteit de opmerkingen van de minister geheel in het teken kwamen te staan van de kwaliteit van het vlees.

2.23

De klacht dat het hof voorbij is gegaan aan de door Friesland Vlees aangevoerde omstandigheden mist feitelijke grondslag. In – de in cassatie niet bestreden – rechtsoverweging 3.4.5 heeft het hof de stelling van Friesland Vlees weergegeven (alsmede de onderbouwing ervan) dat de mededelingen van de minister onrechtmatig zijn vanwege de context van het interview waarin deze zijn gedaan. Het hof vangt rechtsoverweging 3.4.6 aan met de overweging dat het Friesland Vlees niet volgt in haar betoog, waarmee het hof klaarblijkelijk het gehele betoog van Friesland Vlees bedoelt.

2.24

Het hof heeft vervolgens gemotiveerd waarom het het betoog van Friesland Vlees niet volgt. Bij deze feitelijke beoordeling heeft het hof het belang van de context voor de interpretatie van de woorden van de minister niet op onbegrijpelijke wijze gemarginaliseerd. Het hof gaat immers uitvoerig in op de aard van een interview, hoe lang over dierenwelzijn en transport van vee is gesproken en hoe de interviewster haar opmerking over de kwaliteit van het vlees plaatste en de vraag over de klokkenluider stelde.

Onderdeel 1 faalt mitsdien.

2.25

Onderdeel 2 bestaat uit een subonderdeel dat is gericht tegen rechtsoverweging 3.4.7, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:

“Friesland Vlees heeft bovendien geen voldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit zou blijken dat de mededelingen van de minister daadwerkelijk de door haar gestelde verwarring heeft doen ontstaan. De Staat daarentegen wijst in de toelichting op haar grief op artikelen in de Leeuwarder Courant van 6 april 2008 en het Agrarisch Dagblad van 7 april 2008 waarin, kennelijk naar aanleiding van de mededelingen van de minister in de uitzending van Buitenhof, wordt bericht dat - volgens de Leeuwarder Courant: op last van de minister - de veetransporten naar het slachthuis van Friesland Vlees worden gecontroleerd. Uit deze berichten kan eerder worden geconcludeerd dat de mededelingen van de minister in de gegeven context niet tot verwarring hebben geleid. Het gaat daar immers alleen om de transporten naar - niet: de gang van zaken in - dat slachthuis. Er zijn in elk geval geen feiten gesteld of gebleken waaruit kan worden afgeleid dat de mededelingen van de minister daadwerkelijk tot verwarring hebben geleid bij het algemene publiek, laat staan bij beter geïnformeerde personen werkzaam in de vee- en vleesbranche. Dat laatste ligt immers nog minder voor de hand en Friesland Vlees heeft ook daartoe onvoldoende gesteld. Friesland Vlees heeft in het kader van de door haar gestelde causaliteit en schade nog aangevoerd dat vanaf de dag van de aangekondigde controle geen vee meer bij het slachthuis is aangevoerd. Dat is, zonder toelichting die niet is gegeven, niet voldoende om te concluderen dat in de branche verwarring is ontstaan in de door Friesland Vlees gestelde zin, namelijk dat er in het slachthuis van Friesland Vlees misstanden zouden zijn op het gebied van voedselveiligheid. (…)”

2.26

Subonderdeel 2.1 acht dit oordeel in het licht van het partijdebat in hoger beroep onbegrijpelijk. Friesland Vlees heeft gesteld dat uit de berichten in de Leeuwarder Courant en het Agrarisch Dagblad blijkt dat de mededelingen van de minister hebben geleid tot allerlei misverstanden over de achtergronden van de poortcontrole35. Friesland Vlees heeft bovendien gewezen op andere mediaberichten en de brief van de minister aan de Tweede Kamer van 9 mei 2008, waaruit blijkt dat er ook in het parlement de nodige verwarring was ontstaan over het transport van dieren en de kwaliteit van vlees36. Door aan deze stellingen voorbij te gaan heeft het hof zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd.

2.27

Het hof heeft in rechtsoverweging 3.4.7 beoordeeld of Friesland Vlees voldoende concrete feiten en omstandigheden heeft aangevoerd waaruit zou blijken dat de mededelingen van de minister daadwerkelijk tot de verwarring bij het algemene publiek dan wel in de branche hebben geleid dat er in het slachthuis van Friesland Vlees misstanden zouden zijn op het gebied van voedselveiligheid.

Het hof heeft geoordeeld dat Friesland Vlees onvoldoende heeft gesteld waaruit kan worden afgeleid dat deze verwarring is ontstaan bij beter geïnformeerde personen werkzaam in de vee- en vleesbranche. Dit feitelijke oordeel wordt in cassatie niet bestreden.

2.28

Het gaat dus om het aan het hof als feitenrechter voorbehouden oordeel dat er geen daadwerkelijke verwarring is ontstaan bij het algemene publiek37. Het hof heeft daarbij meer gewicht toegekend aan de door de Staat overgelegde berichten, waaruit eerder kan worden geconcludeerd dat de mededelingen van de minister in de gegeven context niet tot genoemde verwarring hebben geleid.

2.29

Dit oordeel is m.i. niet onvoldoende of onbegrijpelijk gemotiveerd.

Dat Friesland Vlees in haar memorie van antwoord in het incidenteel appel onder 3.16-3.17 commentaar heeft geleverd op de door de Staat genoemde artikelen in de Leeuwarder Courant en het Agrarisch Dagblad laat onverlet dat het hof aan genoemde publicaties conclusies kon verbinden.

Het door Friesland Vlees overgelegde artikel uit NRC van 7 april 2008 meldt dat “Landbouwminister Verburg op basis van informatie die ze kreeg van een klokkenluider permanente controle [instelt] van alle veetransporten bij een slachthuis in Leeuwarden” en dat zij dat gisteren in Buitenhof heeft gezegd. Ook wordt in het artikel een oud-medewerker van de AID aangehaald die spreekt over het aanvoeren van runderen in strijd met de wet en wordt [betrokkene 1] aan het woord gelaten over de wekelijkse aanvoer van tussen 2.000 en 3.000 runderen bij Friesland Vlees. Het als productie 30 bij de memorie van antwoord in het incidenteel appel overgelegde artikel uit de Volkskrant van 9 april 2008 gaat over het door [betrokkene 2] gelegde verband tussen het gedwongen stilleggen van de handel bij Friesland Vlees en het brengen van het nieuws door het programma Radar dat zijn bedrijf wrak vee laat slachten. Minister Verburg wordt slechts genoemd in verband met haar aankondiging van permanente controles.

In paragraaf 4.8 van de memorie van grieven heeft Friesland Vlees aangevoerd dat de minister in antwoord op kamervragen en in vervolginterviews “inderdaad heeft aangegeven dat de door haar aangekondigde maatregel enkel zag op het transport van dieren en niet op de kwaliteit van het vlees en de voedselveiligheid.” Friesland Vlees legt daarbij twee producties als voorbeeld over en stelt vervolgens: “Dat dit voorafgaand aan de kamervragen en vervolginterviews niet duidelijk was, blijkt wel uit het feit dat deze kamervragen en vervolginterviews nodig waren om dit helder te krijgen.”

De producties 17 en 18 bevatten de antwoorden van de minister op de volgende drie vragen van de Tweede Kamer: 1. Kunt u uiteenzetten wat de uitkomsten zijn van de aangekondigde extra controles bij een rundveeslachterij te Leeuwarden; 2. Kunt u uiteenzetten bij wie en waarop is gecontroleerd; 3. Is via de dagelijkse controles van de VWA binnen het slachthuis iets gebleken van de in het programma “Tros Radar” gesuggereerde verwerking van slachtvee met mogelijke risico’s voor de voedselveiligheid en/of de volksgezondheid?

M.i. blijkt uit deze vragen niet dat de kamerleden in de verwarring verkeerden die Friesland Vlees in haar memorie van grieven stelt.

2.30

Gelet op de inhoud van de hiervoor besproken stellingen en producties van Friesland Vlees mocht het hof deze onbesproken laten. Dit maakt zijn oordeel niet onbegrijpelijk, dan wel onvoldoende duidelijk gemotiveerd.

Ook onderdeel 2 kan derhalve niet tot cassatie leiden.

2.31

Onderdeel 3 bouwt voort op de onderdelen 1 en 2 en betoogt dat de door het hof gegeven conclusie in rechtsoverweging 3.4.10 geen stand kan houden. Het onderdeel deelt in het lot van de voorgaande klachten.

Inleiding onderdelen 4-8 en opbouw arrest

2.32

Alvorens op de onderdelen 4 tot en met 8 in te gaan, wijs ik op de opbouw van de beoordeling door het hof van het handelen van de Tros met de uitzending van Radar. Zoals hiervoor onder 1.6 vermeld, heeft het hof vastgesteld dat Radar een consumentenprogramma is met een eigen redactie die onderwerpen uitzoekt en voorbereidt.

Het hof heeft in rechtsoverweging 3.5.1 de grieven van Friesland Vlees weergegeven en aldus de omvang van de beoordeling in appel bepaald. Vervolgens heeft het hof in rechtsoverweging 3.5.2 de hiervoor onder 2.3 genoemde maatstaf vooropgesteld en geoordeeld dat bij de beantwoording van de vraag of de Tros met de uitzending van Radar in strijd heeft gehandeld met de jegens Friesland Vlees in het maatschappelijk verkeer betamende zorgvuldigheid, twee maatschappelijke belangen tegenover elkaar staan. Dat betreft het belang dat een rechtspersoon als Friesland Vlees waarbij mogelijk mede economische belangen aan de orde zijn, niet door de media wordt blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen en aan de andere kant het belang, verankerd in de vrijheid van meningsuiting via de media, dat niet, door onbekendheid bij het grote publiek, misstanden die de samenleving raken kunnen blijven voortbestaan. Het hof heeft voorts, in lijn met de vaste rechtspraak, overwogen dat van de in onderling verband te beschouwen omstandigheden afhangt welke van deze belangen in een concreet geval de doorslag behoort te geven.

2.33

Het hof heeft voorts in rechtsoverweging 3.5.2 overwogen dat partijen het er over eens waren dat de in het programma naar voren gebrachte verdenkingen ernstig waren en dat daarvan ernstige gevolgen voor Friesland Vlees waren te verwachten, dat Friesland Vlees niet heeft betwist dat, bezien vanuit het algemeen belang, de misstand die de uitzending aan de kaak probeerde te stellen ernstig was en dat daarom een voldoende zwaarwegend maatschappelijk belang aan de orde was en tot slot dat het partijdebat in hoger beroep met name over de vraag handelt of de inhoud van het programma – tegen deze achtergrond – voldoende steun vond in de het destijds beschikbare feitenmateriaal.

Al deze oordelen worden in cassatie niet bestreden.

2.34

Vervolgens heeft het hof in de rechtsoverwegingen 3.5.4 onder a-d het feitenmateriaal opgesomd waarover de Tros voorafgaand aan de uitzending beschikte en dit materiaal in de rechtsoverwegingen 3.5.5-3.5.8 besproken. Met betrekking tot de vier anoniem gebleven informanten, heeft het hof, in cassatie niet bestreden in rechtsoverweging 3.5.6 als volgt geoordeeld:

“Het hof ziet in de verklaringen van deze vier informanten, mede in verband met het hiervoor onder 3.5.4 sub b tot en met d genoemde en hierna nog te bespreken aanvullende feitenmateriaal, een ruime ondersteuning van de inhoud van het programma. Op dezelfde grond kan niet worden gezegd dat de Tros bij hetgeen daarin aan de orde is gesteld – zoals onder 3.5.3 beschreven – lichtvaardig te werk is gegaan. (…)”

2.35

Volgens het hof biedt het onder b-c genoemde feitenmateriaal voldoende ondersteuning. Dienaangaande heeft het hof, in cassatie ook niet bestreden, in rechtsoverweging 3.5.7 het volgende geoordeeld:

“De inhoud van de verklaringen van de informanten worden ondersteund door de hiervoor onder 3.5.4 sub b genoemde verklaring van [betrokkene 3] van de VWA. Uit deze verklaring heeft de Tros, ten tijde van de uitzending, mogen afleiden dat er in verband met het veetransport naar de slachterij van Friesland Vlees in het jaar 2007 en mogelijk begin 2008 in totaal 14 processen-verbaal zijn opgemaakt wegens overtreding van de Transportverordening. (…)

Op deze wijze is ook hetgeen de hiervoor onder 3.5.4 sub c genoemde Nelis heeft gezegd van betekenis voor de ondersteuning van de anonieme verklaringen. (…)”

2.36

Eveneens zijn in cassatie onbestreden de oordelen van het hof in rechtsoverweging 3.5.10 dat de Tros vanwege de regelgeving voldoende grond heeft gehad om de rol van Friesland Vlees aan de orde te stellen en dat de ten tijde van de uitzending eveneens bekende feiten voldoende aanleiding gaven de rol van Friesland Vlees te belichten en voorts dat en waarom het hof voorbij gaat aan de stelling van Friesland Vlees dat zij niets met de misstanden te maken heeft omdat zij niet verantwoordelijk was voor het transport.

2.37

In de rechtsoverwegingen 3.5.11 tot en met 3.5.13 gaat het hof vervolgens in op het (grotendeels) na de uitzending van het programma verkregen feitenmateriaal. Tegen laatstgenoemde rechtsoverweging richt onderdeel 6 zijn pijlen.

2.38

Het hof komt uiteindelijk in rechtsoverweging 3.5.17 tot het volgende oordeel:

“Aldus is, kort samengevat, gebleken dat de in de uitzending van Radar jegens Friesland Vlees geuite verdenkingen in ruime mate steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal. Ook is gebleken dat na de uitzending feiten naar voren zijn gekomen die de verdenking ondersteunen waardoor thans nog minder voor de hand ligt dat sprake is geweest van lichtvaardige verdachtmakingen. (…) Dat betekent dat, bij gebreke van andere stellingen daartoe van de zijde van Friesland Vlees, de uitzending niet als onrechtmatig jegens Friesland Vlees kan worden beschouwd.”

Bespreking van de onderdelen 4-8 die betrekking hebben op de Tros

2.39

Onderdeel 4 is gericht tegen rechtsoverweging 3.5.8 waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:

“Ook de beelden van het vee die in de uitzending zijn gebruikt en daardoor aan het hof bekend zijn geworden, ondersteunen de verdenking dat sprake is van misstanden bij de aanvoer van het vee bij het slachthuis. Friesland Vlees betwist in hoger beroep niet langer dat deze beelden zijn opgenomen op het terrein van haar slachthuis, zodat het hof daarvan zal uitgaan. Die beelden maken voldoende duidelijk dat (ook) 'ziek of wrak' vee werd aangevoerd bij het slachthuis. Friesland Vee heeft - overigens bij grief VI die in feite betrekking heeft op een rechtsoverweging met betrekking tot haar incidentele vordering in eerste aanleg, waarop het hof in rechtsoverweging 3.6.1 terugkomt – nog aangevoerd dat slechts de keuringsartsen van de VWA kunnen beoordelen of een aangevoerd rund had mogen worden getransporteerd of voor menselijke consumptie geschikt is. Dat doet er niet aan af dat, hoewel de zekerheid van een deskundigenoordeel ontbreekt, ook een lekenoordeel kan leiden tot gerede twijfel over het dierenwelzijn bij het transport en dat zulke twijfel onder de gegeven omstandigheden mag worden geuit.”

2.40

Subonderdeel 4.1 klaagt dat het oordeel dat zodanige door een lekenoordeel ingegeven twijfel onder de gegeven omstandigheden ook mag worden geuit, onjuist is voor zover het hof hierbij miskent dat voor onthullingsjournalistiek, die pretendeert misstanden op grond van een gedegen onderzoek aan de kaak te stellen, strengere eisen gelden voor de omvang en de deugdelijkheid van het te verrichten onderzoek dan voor berichtgeving over actualiteiten waar slechts een oppervlakkig en kortdurend onderzoek mogelijk is38. Volgens het subonderdeel had van de redactie van het programma Radar dan ook een zorgvuldig onderzoek mogen worden verwacht alvorens zij haar op de suggestie van beelden en anonieme verklaringen gebaseerde verdenkingen in een televisie-uitzending tot uitdrukking zou brengen en geeft het bestreden oordeel er geen blijk van dat het hof zich van deze onderzoekplicht van de programmaredactie rekenschap heeft gegeven.

Volgens subonderdeel 4.2 is de overweging van het hof in het licht van de gedingstukken onbegrijpelijk gemotiveerd. Het subonderdeel verwijst daarbij naar (i) haar stelling in reactie op de beelden dat slechts de keuringsartsen van de VWA kunnen beoordelen of een aangevoerd rund had mogen worden getransporteerd of voor menselijke consumptie geschikt is; (ii) diverse verklaringen van medewerkers van de VWA (zoals de dierenarts [betrokkene 4] en het hoofd toezicht [betrokkene 5]) in het voorlopig getuigenverhoor, waaruit blijkt dat niet enkel op basis van deze beelden valt af te leiden dat het gaat om zieke of sterk vermagerde dieren die ongeschikt zijn voor menselijke consumptie en (iii) de antwoorden van de minister naar aanleiding van op 15 mei 2008 gestelde vragen, waarin zij heeft aangegeven dat de AID geen misstanden bij Friesland Vlees heeft gevonden en dat er met de koeien van Friesland Vlees in het algemeen niets mis is.

2.41

Zoals hiervoor in de inleiding op de onderdelen 4 tot en met 8 vermeld, heeft het hof in de rechtsoverwegingen 3.5.4 het feitenmateriaal opgesomd waarover de Tros voorafgaand aan de uitzending beschikte en dit materiaal besproken. Het hof heeft aldus de in het Gemeenteraadslid-arrest onder a-d genoemde omstandigheden tegen elkaar afgewogen. Vervolgens heeft het hof daaruit de in rechtsoverwegingen 3.5.6 (in cassatie niet bestreden) en in 3.5.17 de conclusie getrokken dat de Tros bij hetgeen in het programma aan de orde is gesteld, niet lichtvaardig te werk is gegaan. In dit oordeel ligt een toetsing aan de vereiste onderzoeksplicht39 van de Tros besloten40.

Subonderdeel 4.1 mist m.i. dan ook feitelijke grondslag.

2.42

Het bestreden oordeel is ook niet onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd.

Naast het hiervoor genoemde feitenmateriaal heeft het hof zijn oordeel gebaseerd op het zelf bekijken van de beelden, die, aldus het hof, voldoende duidelijk maken dat (ook) ziek of wrak vee werd aangevoerd. De stelling van Friesland Vlees dat slechts de keuringsartsen kunnen beoordelen of aangevoerd rund had mogen worden getransporteerd of voor menselijke consumptie geschikt is, kan aan dit feitelijke oordeel niet afdoen.

Dit geldt ook voor de diverse verklaringen van medewerkers van de VWA in het voorlopig getuigenverhoor dat niet enkel op basis van deze beelden kan worden geconcludeerd dat het gaat om zieke of sterk vermagerde dieren die ongeschikt zijn voor menselijke consumptie, nu het hof zich niet uitspreekt over de vraag of deze koeien geschikt zijn voor menselijke consumptie.

In dat verband is de verwijzing van Friesland Vlees naar de memorie van grieven waarin zij met name uitvoerig betoogt dat op basis van de beelden niet kan worden geconcludeerd dat de getoonde koeien te mager zouden zijn om geschikt te zijn voor menselijke consumptie, eveneens niet relevant. Anders dan de rechtbank doet het hof geen uitspraken over magere koeien.

Tot slot geven de antwoorden van de minister naar aanleiding van op 15 mei 2008 gestelde vragen, waarin zij heeft vermeld dat de AID geen misstanden bij Friesland Vlees heeft gevonden en dat er met de koeien van Friesland Vlees in het algemeen niets mis is, geen uitsluitsel over de vraag of de getoonde koeien mochten worden getransporteerd.

2.43

Onderdeel 4 faalt mitsdien.

2.44

Onderdeel 5 richt zich tegen rechtsoverweging 3.5.941 waarin het hof het volgende heeft geoordeeld:

“Uit de bespreking in het voorgaande blijkt dat het ondersteunende feitenmateriaal voor een groot deel ziet op misstanden bij het transport van het vee. Deze misstanden kunnen echter, alleen al door de daarvoor geldende regelgeving, niet los worden gezien van misstanden op het gebied van voedselveiligheid. De dierenartsen van de VWA keuren de aangevoerde dieren ingevolg[d]e de Controleverordening niet alleen op tekenen die erop wijzen dat bij het transport het dierenwelzijn is geschaad maar ook op symptomen die wijzen op een aandoening die bij consumptie van het vlees gevaar kan opleveren voor de volksgezondheid. De Transportverordening kent eigen regels over gewonde, zwakke en zieke dieren die uit oogpunt van dierenwelzijn niet mogen worden vervoerd, welke regels verschillen van de normen in de Controleverordening met betrekking tot zieke of sterk vermagerde dieren die niet voor menselijke consumptie mogen worden geslacht. Het is op zichzelf dan ook juist, zoals Friesland Vlees stelt, dat niet zonder meer duidelijk is dat vee dat niet mag worden getransporteerd, ook niet mag worden geslacht. Het ligt echter voor de hand dat dieren die te ziek of te zwak zijn voor transport in een relevant aantal gevallen wegens ziekte of vermagering evenmin geschikt zijn voor menselijke consumptie. Het feitenmateriaal ondersteunt in elk geval de verdenking dat de keuringsartsen van de VWA onvoldoende streng controleerden of de Transportverordening was overtreden. Dat roept vanzelf de vraag op of dezelfde keuringsartsen wel voldoende streng controleerden of het vee geschikt was voor menselijke consumptie. De verklaringen van de informanten sluiten dat laatste geenszins uit. Daarbij komt dat informant K2 uitdrukkelijk heeft verklaard dat [betrokkene 2] invloed heeft op de hoeveelheid weg te snijden 'ziek' vlees en bovendien over een stempel beschikt om vlees dat afkomstig is van dode dieren - waarmee kennelijk wordt gedoeld op dieren gedood door een noodslachting - te kunnen exporteren hetgeen in strijd is met de Hygiëneverordening. Een en ander betekent dat de redactie van Radar voldoende aanleiding had om in het verlengde van de gerede verdenking van misstanden bij het veetransport die met dierenwelzijn te maken hebben, ook het thema voedselveiligheid tot onderwerp van de uitzending te maken.”

2.45

2.45 Subonderdeel 5.1 klaagt in de eerste plaats dat het hof ook met dit oordeel miskent dat voor onthullingsjournalistiek, die pretendeert misstanden op grond van een gedegen onderzoek aan de kaak te stellen, strenge eisen gelden voor de omvang en de deugdelijkheid van het te verrichten onderzoek, zeker waar het gaat om ernstige verdenkingen met voor Friesland Vlees ernstige gevolgen.

2.46

Deze klacht die met betrekking tot de voedselveiligheid hetzelfde aan de orde stelt als subonderdeel 4.1 heeft gedaan met betrekking tot de veetransporten, faalt op dezelfde grond als dat subonderdeel.

2.47

Uitgaande van zijn in cassatie niet bestreden oordeel onder 3.5.3 dat de uitzending van Radar de daarin behandelde materie van het transport van ziek of zwak vee naar de slachterij van Friesland Vlees en de voedselveiligheid presenteert als in elkaars verlengde liggende onderwerpen, heeft het hof in de thans bestreden rechtsoverweging het feitenmateriaal waarover de redactie voorafgaande aan de uitzending beschikte met betrekking tot de voedselveiligheid beoordeeld en gewogen. Het wegen van de omstandigheden van het geval is feitelijk en in cassatie zeer beperkt toetsbaar. Subonderdeel 5.1 bestrijdt die feitelijke afweging, evenals subonderdeel 5.2 met een aantal motiveringsklachten.

2.48

Volgens Friesland Vlees is het oordeel van het hof dat het feitenmateriaal voldoende ondersteuning biedt voor de genoemde verdenkingen, niet te rijmen met de brief van de minister aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 9 mei 2008, waarin zij uitdrukkelijk betreurt dat Tros Radar dierenwelzijn en voedselveiligheid op één hoop heeft gegooid en stelt dat uit de dagelijkse controles van de VWA in het slachthuis in Leeuwarden niet is gebleken dat er bij de verwerking van slachtvee risico’s zijn opgetreden voor de voedselveiligheid of de volksgezondheid. Bovendien heeft de minister, aldus Friesland Vlees naar aanleiding van op 15 mei 2008 gestelde vragen in de Tweede Kamer opnieuw bevestigd dat de AID geen misstanden bij Friesland Vlees heeft gevonden en uit de verklaringen van enkele medewerkers van de VWA in het voorlopig getuigenverhoor blijkt dat voor de gerezen verdenkingen geen grond bestond.

2.49

Subonderdeel 5.2 acht tevens onvoldoende gemotiveerd dat het hof aan het bestreden oordeel mede ten grondslag legt de verklaring van informant K2 dat [betrokkene 2] invloed heeft op de hoeveelheid weg te snijden ‘ziek’ vlees en bovendien over een stempel beschikt om vlees dat afkomstig is van dode dieren te kunnen exporteren, hetgeen in strijd is met de Hygiëneverordening. In dat kader wijst Friesland Vlees op haar betoog dat alleen de VWA beschikt over een stempel waarmee zij de uitkomst van haar controlewerkzaamheden kenbaar maakt, dat [betrokkene 2] zeker niet de beschikking had over een ‘eigen’ stempel, hetgeen is bevestigd door verklaringen van medewerkers van de VWA en de AID in het voorlopig getuigenverhoor en dat bij het wegsnijden van een stempel geen sprake is van onoorbaar handelen.

2.50

De subonderdelen 5.1 en 5.2 verwijzen naar stellingen en gegevens van latere datum dan de uitzending van Radar, terwijl in de bestreden rechtsoverweging is beoordeeld of de inhoud van het programma voldoende steun vond in het destijds beschikbare feitenmateriaal. De subonderdelen stuiten daarop af.

2.51

Het hof heeft in rechtsoverweging 3.6.3 geoordeeld dat geen van partijen bewijs heeft aangeboden van voldoende concrete feiten die, indien bewezen, tot andere oordelen zouden kunnen leiden.

Subonderdeel 5.3 klaagt dat onbegrijpelijk is waarom het hof is voorbij gegaan aan het specifieke en relevante bewijsaanbod dat Friesland Vlees in dit verband heeft gedaan met betrekking tot de gang van zaken en het keuringsproces binnen het slachthuis, de wijze waarop met de stempels werd omgegaan en het ontbreken van [betrokkene 2] bij dit proces door het doen horen van getuigen. Het impliciete oordeel in deze rechtsoverweging dat dit aanbod kennelijk niet voldoende relevant of specifiek is, is volgens Friesland Vlees ontoereikend gemotiveerd.

2.52

Ook dit subonderdeel faalt op de hiervoor genoemde grond. Friesland Vlees heeft aangeboden de gang van zaken en het keuringsproces binnen het slachthuis, de wijze waarop met stempels werd omgegaan en het ontbreken van [betrokkene 2] bij dit proces te bewijzen door middel van het horen van getuigen. Dit is niet relevant voor de vraag of de inhoud van het programma voldoende steun vond in het destijds beschikbare feitenmateriaal.

Onderdeel 5 faalt derhalve.

2.53

2.53 Onderdeel 6 is gericht tegen rechtsoverweging 3.5.13. Deze rechtsoverweging betreft de beoordeling door het hof van de (in rechtsoverweging 3.5.11 opgenomen) stelling van de Tros dat uit stukken die zij grotendeels na de uitzending heeft verkregen, blijkt dat de handelwijze van Friesland Vlees gevaar voor de voedselveiligheid opleverde en van het (in rechtsoverweging 3.5.12 opgenomen) daartegen door Friesland Vlees gevoerde verweer. Het hof heeft dienaangaande het volgende geoordeeld:

“Het hof overweegt naar aanleiding van de stellingen omtrent de door Tros overgelegde lijsten het volgende. Friesland Vlees erkent dat de traceringlijsten behorend bij de uitlevering van het vlees niet kloppen. De gevolgen van deze in elk geval als slordig aan te merken gang van zaken komen voor rekening en risico van Friesland Vlees, of de fouten nu zijn veroorzaakt door werkdruk, onwetendheid van haar personeel of door slecht leesbare barcodes. Friesland Vlees kan aldus niet met een sluitende administratie aantonen dat zij slechts goedgekeurd vlees heeft geleverd. Friesland Vlees heeft nog erop gewezen dat het vlees wel traceerbaar is gebleven. Het hof gaat echter daaraan voorbij. Op dit moment is immers niet meer na te gaan welk vlees van welk rund afkomstig is geweest, nu aangenomen moet worden dat de labels bij de verdere verwerking van het vlees zijn verwijderd en het vlees bovendien inmiddels is geconsumeerd. Friesland Vlees heeft voorts haar stelling dat het totaal aan geleverd gewicht per levering wel klopte niet voldoende toegelicht en met stukken onderbouwd. Zij had dan van alle door de Tros onderzochte gevallen moeten aantonen dat al het vlees van de betreffende levering was goedgekeurd, maar heeft dat nagelaten. Zij volstaat met de bewering dat vlees van andere runderen is meegewogen met de door de Tros onderzochte gevallen en met de stelling dat de klanten van Friesland Beef de leveringen hebben geaccepteerd. Dat is onvoldoende. De stelling dat de keuringsartsen al het afgekeurde vlees onklaar maakten met blauwe inkt, is eveneens onvoldoende om haar stelling dat slechts goedgekeurd vlees is geleverd, te onderbouwen. Het hof is van oordeel dat Friesland Vlees de verdenking dat sprake is van misstanden op het gebied van voedselveiligheid aldus niet heeft kunnen weerleggen.”

` 2.54 Het enige subonderdeel, subonderdeel 6.1, acht dit oordeel ontoereikend gemotiveerd, nu het hof ook hier aan enkele essentiële stellingen van Friesland Vlees voorbij is gegaan. Friesland Vlees heeft er mede op gewezen dat haar stelling dat zij geen afgekeurd vlees op de markt heeft gebracht en de voedselveiligheid in het slachthuis niet in gevaar is geweest, wordt ondersteund door zowel het intern onderzoek van de I-G van de VWA als door de minister in haar brief van 9 mei 2008, waarin is verklaard dat uit de dagelijkse controles van de VWA in het slachthuis te Leeuwarden niet is gebleken dat er bij de verwerking van slachtvee risico’s zijn opgetreden voor de voedselveiligheid en/of de volksgezondheid, alsook door haar latere bevestiging dat de voedselveiligheid niet in het geding is geweest.

2.55

De klacht impliceert een hernieuwde beoordeling van feitelijke stellingen. Daarvoor is in cassatie geen plaats. De stelling van Friesland Vlees dat zij geen afgekeurd vlees op de markt heeft gebracht en de voedselveiligheid in het slachthuis niet in gevaar is geweest en dat dit wordt ondersteund door alle ter zake relevante instanties, laten daarnaast de conclusies van het hof onverlet dat zij in haar stelplicht tekort is geschoten nu niet is gesteld of gebleken dat één van deze instanties de door de Tros gesignaleerde vraagpunten naar aanleiding van de door de Tros overgelegde lijsten heeft onderzocht. Daarmee is het oordeel van het hof dat Friesland Vlees de verdenking dat sprake is van misstanden op het gebied van voedselveiligheid aldus niet heeft kunnen weerleggen voldoende gemotiveerd.

Onderdeel 6 faalt op grond van het voorgaande.

2.56

2.56 Onderdeel 7 bouwt, als gezegd, voort op de onderdelen 4 tot en met 6 en deelt daarmee in hun lot. Onderdeel 8 mist ook zelfstandige betekenis en faalt mitsdien42.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 11 maart 2014, rov. 3.1.1-3.1.6. Het hof heeft daarnaast in rov. 2 vermeld dat de door de rechtbank Amsterdam in haar vonnis van 18 november 2009 onder 2.1 t/m 2.11 vastgestelde feiten voor het hof als uitgangspunt dienen, voor zover deze niet door de grieven I, II en III zijn bestreden. Naar aanleiding van de eerste grief heeft het hof vooralsnog tot uitgangspunt genomen dat de leveranciers van Friesland Beef (of door deze leveranciers ingeschakelde derden) de door Friesland Beef ingekochte runderen naar het slachthuis van Friesland Vlees vervoerden (rov. 3.3.1). Het hof heeft daarnaast grief II in zoverre gegrond bevonden dat de minister niet in Buitenhof heeft bevestigd dat zij met de klokkenluider heeft gesproken over misstanden bij het transport van vee (rov. 3.3.2).

2 Voor zover thans van belang. Het procesverloop is onder meer ontleend aan rov. 1.1 het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 november 2009 en rov. 1 van het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 11 maart 2014.

3 Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97.

4 Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong.

5 Verordening (EG) nr. 854/2004 van het Europees parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke voorschriften voor de organisatie van de officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong.

6 Op 6 november 2014 gefuseerd tot de vereniging Avrotros, mede handelende onder de naam Tros.

7 Rechtbank Amsterdam 18 november 2009, ECLI:NL:RBAMS:2009:BK3788.

8 Gerechtshof Amsterdam 11 maart 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:691.

9 De cassatiedagvaarding is op 6 juni 2014 uitgebracht.

10 De procesdossiers zijn overigens niet identiek. Anders dan in het B-dossier afkomstig van de Staat en het B-dossier afkomstig van de Tros, is in het A-dossier afkomstig van Friesland Vlees gevoegd: - 25. Aanhangsel bij Pleitnota mr. Bruinhof zijdens Tros (in hoger beroep). Anders dan in het B-dossier afkomstig van de Tros, is in het B-dossier afkomstig van de Staat en het A-dossier, afkomstig van Friesland Vlees, gevoegd: - Producties zijdens Friesland Vlees d.d. 12 augustus 2009 (nr. 6 in het dossier van de Staat en nr. 6 in het dossier van Friesland Vlees); - Proces-Verbaal van het verhandelde ter openbare terechtzitting d.d. 11 oktober 2013 (nr. 25 in het dossier van de Staat, nr. 28 in het dossier van Friesland Vlees) Anders dan in het B-dossier afkomstig van de Staat, is in het B-dossier afkomstig van de Tros, gevoegd: - 13. Appeldagvaarding d.d. 5 februari 2010. Ten slotte ontbreekt in het van de Staat afkomstige B-dossier uit de inhoudsopgave nr. 35 Nota van dupliek van mr. K. Aantjes d.d. 27 februari 2015 (in de inhoudsopgave is nr. 35 ook niet aangevinkt).

11 Zie s.t. p. 4, slotzin eerste alinea.

12 HR 24 juni 1983, ECLI:NL:HR:1983:AD2221, NJ 1984/801, m.nt. M. Scheltema, rov. 3.4.

13 Laatstelijk herhaald in HR 11 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU3917, NJ 2012/529, m.nt. Alkema, rov. 3.4.1. Zie voor een toepassing van de door de Hoge Raad geformuleerde maatstaf bijv. HR 6 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1602, NJ 1995/ 422, m.nt. Dommering, rov. 5.8.3.2 (Parool/Van Gasteren).

14 Zie HR 8 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG4973, NJ 1986/437, m.nt. C.J.H. Brunner, rov. 3.3. Zie voorts G.A.I. Schuijt, GS Onrechtmatige daad, nr. VII.2.1.4, die een overzicht van andere mogelijke omstandigheden geeft.

15 HR 6 april 1979, ECLI:NL:HR:1979:AH8595, NJ 1980/34, m.nt. C.J.H. Brunner, rov. 4.

16 Vgl. HR 27 januari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4743, NJ 1984/803, m.nt. C.J.H. Brunner. Zie ook G.A.I. Schuijt, GS Onrechtmatige daad, nr. VII.4.4 en VII.4.4.4.

17 HR 18 februari 1966, ECLI:NL:HR:1966:AC4633, NJ 1966/208.

18 HR 27 januari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4743, NJ 1984/803, m.nt. C.J.H. Brunner.

19 HR 8 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG4973, NJ 1986/437, m.nt. C.J.H. Brunner, rov. 3.3 en HR 6 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1602, NJ 1995/422, m.nt. E.J. Dommering, rov. 5.8.3.3 (Parool/Van Gasteren).

20 Zie de noot van E.J. Dommering onder HR 6 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1602, NJ 1995/422, onder 3.

21 Zie EHRM 7 december 1976 (Handyside), app. no. 5493/72, NJ 1978/236, rov. 49.

22 EHRM 10 mei 2011 (Mosley t. VK), app.no. 48009/08, rov. 113.

23 EHRM 16 november 2004 (Selistö t. Finland), app.no. 56767/00, rov. 48.

24 Zie EHRM 11 december 2007 (Stoll t. Zwitserland), app. no. 69698/01, NJ 2008/236, m.nt. Dommering, rov. 106.

25 Zie bijv. EHRM 10 mei 2011 (Mosley t. VK), app.no. 48009/08, rov. 113, EHRM 15 februari 2005 (Steel en Morris t. VK), app.no. 68416/01, rov. 90, EHRM 16 november 2004 (Selistö t. Finland), app.no. 56767/00, rov. 48 en Van Dijk (red.), Theory and Practice of the European Convention on Human Rights, 2006, p. 800.

26 EHRM 17 december 2004 (Pedersen and Baadsgaard t. Denemarken), app.no. 49017/99, rov. 78. Vgl. in dit verband de noot van Brunner onder HR 27 januari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4743, NJ 1984/803 waarin hij stelt dat voor onthullingsjournalistiek, die pretendeert misstanden op grond van gedegen onderzoek aan de kaak te stellen, dus strengere eisen voor de omvang en de deugdelijkheid van het verrichte onderzoek gelden dan voor de berichtgeving over actualiteiten waar slechts een oppervlakkig en kortdurend onderzoek mogelijk is.

27 HR 8 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6165, NJ 2011/449, m.nt. Dommering, rov. 3.3.2 (Pretium/TROS).

28 HR 6 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1602, NJ 1995/422, rov. 5.11 (Parool/Van Gasteren).

29 EHRM 28 april 2009 (Karako t. Hongarije), app.no. 39311/05, NJ 2009/522, m.nt. Dommering, rov. 20.

30 HR 18 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB3210, NJ 2008/274, rov. 3.4.1 (Van Gasteren/Hemelrijk).

31 EHRM 16 november 2004 (Selistö t. Finland), app.no. 56767/00, rov. 49.

32 HR 27 januari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4744, NJ 1984/802, rov. 3.2.1 en 3.2.2. Zo ook C.J.H. Brunner onder 2 in zijn noot onder HR 27 januari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4743, NJ 1984/803. Zie ook G.A.I. Schuijt, GS Onrechtmatige daad, nr. VII.5.2.2 en 5.3.1.

33 Rov. 4.28.

34 Vgl. HR 18 februari 1966, ECLI:NL:HR:1966:AC4633, NJ 1966/208.

35 Het subonderdeel verwijst naar de memorie van antwoord in het incidenteel appel onder 3.16-3.28 en producties 29 en 30.

36 Het subonderdeel verwijst naar de memorie van grieven onder 4.8 en producties 17 en 18.

37 Vgl. HR 15 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1193, NJ 2009/372 m.nt. E.J. Dommering, rov. 3.4.3.

38 Het subonderdeel verwijst hierbij naar HR 27 januari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4743, NJ 1984/803, HR 6 april 1979, ECLI:NL:HR:1979:AH8595, NJ 1980/34 en noot Brunner (nr. 2) achter NJ 1984/803.

39 Zie hiervoor het juridisch kader.

40 Overigens heeft Friesland Vlees in hoger beroep de kwestie van een zwaardere toets in geval van onthullingsjournalistiek niet vermeld bij de uitvoerige opsomming van de in aanmerking te nemen omstandigheden in nr. 3.56 van de memorie van grieven (10 pagina’s), maar deze omstandigheid pas aan het eind van de pleitaantekeningen in hoger beroep (in nr. 51) door middel van een citaat van de noot van Brunner onder het Ombudsman-arrest naar voren gebracht. Vgl. HR 6 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1602, NJ 1995/422, m.nt. E.J. Dommering, rov. 5.8.3.3 (Parool/Van Gasteren).

41 Abusievelijk was in de cassatiedagvaarding rov. 3.4.7 vermeld.

42 Onderdeel 8, dat klaagt dat rechtsoverweging 3.6.3 onbegrijpelijk is gemotiveerd in het licht van het relevante en specifieke bewijsaanbod van Friesland Vlees in appel, zoals in subonderdeel 5.3 is betoogd, mist – als gezegd in 2.1 – zelfstandige betekenis.