Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:981

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-05-2015
Datum publicatie
30-06-2015
Zaaknummer
14/02471
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1771, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Slagende bewijsklacht verduistering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/02471

Zitting: 12 mei 2015

Mr. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 25 maart 2014 verdachte in de zaak met parketnummer 15-152874-12 wegens “verduistering” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand. Voorts heeft het Hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding.1

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld. Namens verdachte heeft mr. M.L.M. van der Voet, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.2

3. Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaarde wederrechtelijke toe-eigening niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen, althans dat het Hof bij de verwerping van het van het door de verdediging in hoger beroep gevoerde verweer inhoudende dat verdachte geen opzet had op de wederrechtelijke toe-eigening heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, nu het Hof, door te overwegen dat verdachte geen actie heeft ondernomen om de auto tijdig aan de eigenaar te doen terugbrengen, heeft miskend dat het nalaten van het tijdig teruggeven van de gehuurde auto aan de verhuurder niet zonder meer wederrechtelijke toe-eigening in de zin van verduistering oplevert, althans dat het Hof voornoemd verweer onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.

4. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 11 maart 2014 heeft de raadsman, voor zover hier van belang, het volgende aangevoerd:

“Ik verzoek mijn cliënt vrij te spreken voor de beide ten laste gelegde feiten en voer daartoe het volgende aan, zakelijk weergegeven.

Ten aanzien van het onder parketnummer 15-264708-11 3 ten laste gelegde:

De strafzaak waarvoor mijn cliënt nu in detentie zit, betreft een slimme ingenieuze oplichting met grote geldstromen. [betrokkene 5] heeft daarbij als katvanger gefungeerd en is ook veroordeeld. [betrokkene 2] is tegelijk met mijn cliënt aangehouden. Ik zie echter niet in wat er slim aan is, om met een langdurig leasecontract waarbij je gegevens bekend zijn bij het leasebedrijf en de auto tevens op je naam staat je de auto wederrechtelijk toe te eigenen. Dit is dan ook niet gebeurd. Mijn cliënt kwam in alle beperkingen vast te zitten en heeft daardoor toen geen stukken ontvangen omtrent de inbeslaggenomen goederen. Hij was ook helemaal niet geïnteresseerd in het dossier. [betrokkene 2] reed in die auto, hij zat ook vast. Mijn cliënt is de auto gewoon vergeten, hij dacht dat de auto door de politie was meegenomen. Uit deze gang van zaken kan niet het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening worden afgeleid. Ik meen op grond van het voorgaande dat mijn cliënt moet worden vrijgesproken.

(…)”

5. Het Hof heeft voornoemd verweer als volgt samengevat en verworpen:

“De raadsman van de verdachte heeft in de zaak met parketnummer 15-152874-12 ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte geen opzet had op de wederrechtelijke toe-eigening van de huurauto en geconcludeerd dat hij van dit feit moet worden vrijgesproken.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt daaromtrent het volgende.

Gezien de volgende omstandigheden is het hof van oordeel dat de verdachte opzet heeft gehad op de wederrechtelijke toe-eigening van de door hem gehuurde auto.

- de verdachte heeft een short-leaseovereenkomst gesloten met [A] ;

- hij heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij wist dat de auto moest worden geretourneerd op 14 september 2011;

- de verdachte had aan zijn medewerker [betrokkene 2] toestemming gegeven deze auto te gebruiken en onder zich te houden;

- de verdachte wist dat [betrokkene 2] tegelijkertijd met hem was aangehouden, op 13 september 2011. Dat was een dag voordat de huurovereenkomst afliep, zodat hij zich niet blindelings kon verlaten op een eventuele afwikkeling van de leaseovereenkomst door [betrokkene 2] ;

- de verdachte, die daartoe als contractspartij verantwoordelijk was, heeft in de gehele tenlastegelegde periode geen actie ondernomen de auto tijdig te doen terugbrengen naar de eigenaar.

Het feit dat de verdachte gedetineerd was en in alle beperkingen zat doet hier niets aan af, nu dit niet in de weg stond aan contact tussen hem en zijn raadsman. Aldus had de verdachte via zijn raadsman kunnen zorgdragen voor een tijdige terugkeer van de auto bij de verhuurder.”

6. Ten laste van de verdachte is ten aanzien van de zaak met parketnummer 15-152874-12 bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 14 september 2011 tot en met 23 november 2011 in Nederland, opzettelijk een personenauto (merk Honda, type CRV, kleur zwart, kenteken [001] ), toebehorende aan [A] , welke personenauto verdachte anders dan door misdrijf, te weten door short-lease (huur), onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.”

7. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer 2011070032-1 van 13 oktober 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] .

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als tegenover verbalisant voornoemd op voormelde datum afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:

Ik doe aangifte namens [A] , gevestigd te Purmerend, terzake van verduistering.

Op maandag 9 mei 2011 heeft [A] een huurovereenkomst gesloten met een bedrijf genaamd [B] , [a-straat] [vestigingsplaats] . Hierbij heeft [betrokkene 1] een personenauto van het merk Honda, type CRV, kleur zwart voorzien van kenteken [001] aan genoemd bedrijf verhuurd. Deze overeenkomst liep af op maandag 14 september 2011, hetgeen betekent dat genoemde personenauto retour naar [betrokkene 1] dient te komen.

Vandaag, op 13 oktober 2011, is het voertuig (nog) niet bij [A] teruggebracht.

2. Een door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep op 11 maart 2014 afgelegde verklaring.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

lk had de Honda gehuurd op basis van een leasecontract vanaf 2010. Ik had met de verhuurder afgesproken dat de auto op 14 september 2011 zou worden omgeruild.

3. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2011301034-8 van 23 november 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] .

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Op woensdag 23 november 2011 bevonden wij, verbalisanten, ons op de openbare weg de Spiegelgracht te Amsterdam. Wij constateerden dat de bestuurder van een zwartgekleurd voertuig tegen de richting in reed en hiermee een geslotenverklaring negeerde. Het voertuig was van het merk Honda, type CRV en voorzien van het kenteken [001] .

Ik, verbalisant [verbalisant 3] , besloot het voertuig te controleren. Ik hoorde via mijn portofoon dat het voertuig in het politiesysteem gesignaleerd stond terzake van diefstal. Op woensdag 23 november 2011 namen wij het voertuig in beslag. De bestuurder gaf op te zijn genaamd [betrokkene 3] .

4. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2011070032-12 van 21 december 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] .

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 29 augustus 2012 tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van de verdachte:

Ik heb bij [betrokkene 1] een auto gehuurd, een Honda, type CRV kleur zwart. Ik heb de auto gehuurd namens en op naam van het bedrijf waar ik op dat moment werkzaam was genaamd [B]

[betrokkene 2] werkte daar ook, de sleutel van de Honda lag bij hem in huis. [betrokkene 2] was een medeverdachte in de andere strafzaak, ook hij is op 13 september 2011 aangehouden en zat tegelijkertijd met mij in de beperkingen.”

8. In de tenlastelegging en bewezenverklaring is het begrip “zich wederrechtelijk toe-eigenen” gebezigd in de betekenis die daaraan in art. 321 Sr toekomt. Van zodanig toe-eigenen is sprake indien een persoon zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester beschikt over een goed dat aan een ander toebehoort.4 Dat kan bijvoorbeeld blijken uit het feit dat iemand het desbetreffende voorwerp probeert te verkopen of voor zichzelf wil behouden en aldus zich als eigenaar gedraagt.5 Het zuiver negatieve nalaten van moeite om iets aan de eigenaar terug te geven is, zelfs niet als overeengekomen is dat dit zonder aanmaning zal geschieden, geen toe-eigening in de hier bedoelde betekenis. Maar wanneer daar nog iets bij komt, zoals niet nagekomen beloften na pogingen van de rechthebbende weer de beschikking te krijgen over de zaak die de ander onder zich heeft, kan het anders komen te liggen.6

9. Uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte op naam van [B] , het bedrijf waar verdachte op dat moment werkzaam was, een huurovereenkomst/ leasecontract heeft gesloten met [A] , waarbij een personenauto (merk Honda, type CRV, kenteken [001] ) is gehuurd/geleaset. De huurovereenkomst/ het leasecontract liep af op 14 september 2011. Hoewel verdachte van deze datum op de hoogte was, was de personenauto op 13 oktober 2011 (nog) niet bij [A] teruggebracht. De sleutel van de personenauto lag in huis bij [betrokkene 2] , een collega van verdachte en tevens medeverdachte van verdachte in een andere strafzaak. [betrokkene 2] is, net als verdachte, op 13 september 2011 aangehouden en heeft tegelijk met verdachte in beperkingen gezeten. Op 23 november 2011 is voornoemde personenauto in beslag genomen onder [betrokkene 3] .

10. Uit de bewijsvoering kan niet zonder meer volgen dat verdachte zich de personenauto heeft toegeëigend. Dat verdachte aan zijn medewerker [betrokkene 2] toestemming heeft gegeven de personenauto te gebruiken en onder zich te houden, kan niet worden gezien als het verrichten van een gedraging van de verdachte waaruit blijkt van het besluit om als heer en meester over de personenauto te gaan beschikken. De personenauto was immers gehuurd op naam van [B] , waarvoor [betrokkene 2] ook werkzaam was. Uit de omstandigheid dat de personenauto onder de derde [betrokkene 3] in beslag is genomen, kan ook niet een dergelijk besluit worden afgeleid. Uit de bewijsvoering volgt immers niet dat verdachte de personenauto aan deze derde heeft vervreemd.7 Ook anderszins volgt uit de bewijsvoering niet dat sprake is geweest van een gedraging van de verdachte waaruit blijkt van het besluit om als heer en meester over de personenauto te gaan beschikken. Nu, zoals opgemerkt onder 8, het zuiver negatieve nalaten van moeite om iets aan de eigenaar terug te geven geen toe-eigening in de zin van art. 321 Sr oplevert, is de bewezenverklaring op dit punt niet naar de eis der wet met redenen omkleed.8

11. Het middel slaagt.

12. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor wat betreft het bewezenverklaarde in de zaak met parketnummer 15-152874-12 en de opgelegde straf, en in zoverre tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 In verband met de vrijspraak van verdachte van het in de (gevoegde) zaak met parketnummer 15-264708-11 tenlastegelegde waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt.

2 In de schriftuur is vermeld dat het beroep in cassatie zich niet richt tegen de vrijspraak van hetgeen bij inleidende dagvaarding onder parketnummer 15-264708-11 is tenlastegelegd. Een beperking van het cassatieberoep kan evenwel enkel tot uitdrukking worden gebracht in de cassatieakte dan wel de verklaring als bedoeld in art. 451a Sv en niet in de cassatieschriftuur (vgl. HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3455 rov. 3.4.).

3 Bedoeld wordt parketnummer 15-152874-12.

4 Vgl. HR 24 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC8253, NJ 1990/256. Zie bijv. ook HR 9 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4091, HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL9110, NJ 2010/411, HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:32, HR 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:859, NJ 2014/473 en HR 13 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:57.

5 Vgl. HR 18 december 2012, ECLI:NL:HR:BY5436 en HR 13 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8306.

6 Vgl. bijv. HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:32. Zie ook NLR, aantek. 1.2. bij art. 321 Sr en de daarin genoemde jurisprudentie (bijgewerkt door Machielse tot 14 juli 2010).

7 Een blik achter de papieren muur leert zelfs het volgende. Uit de ten overstaan van de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 3] van 23 november 2011 volgt dat [betrokkene 4] , een vriend van hem, toestemming heeft gegeven de personenauto te gebruiken. [betrokkene 4] had hem verteld dat hij de auto te leen had van zijn neef, maar dat zijn neef in de gevangenis zit. Uit de ten overstaan van de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 4] van 24 november 2011 volgt dat hij enige tijd bij [betrokkene 2] heeft gewoond en dat hij, toen [betrokkene 2] werd gearresteerd, is verhuisd en de auto heeft meegenomen om te gebruiken totdat [betrokkene 2] weer vrij zou zijn. Hij heeft toen aan [betrokkene 3] gevraagd of hij de auto voor zijn deur mocht parkeren (bij [betrokkene 3] kan er vrij geparkeerd worden) en heeft tegen [betrokkene 3] gezegd dat hij ook gebruik mocht maken van de auto.

8 Zie bijv. ook HR 23 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3888, NJ 2007/84.