Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:980

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-05-2015
Datum publicatie
02-07-2015
Zaaknummer
14/01590
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1772, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Roekeloosheid, art. 6 jo. art. 175 WVW 1994. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2013:960, NJ 2014/25. De bewijsvoering van het Hof schiet tekort. De door het Hof blijkens de nadere bwo in aanmerking genomen omst. (drinken van 7x de toegestane hoeveelheid alcohol, rijden met een snelheid van minstens 147 km/uur waar 100 km/uur was toegestaan en geen enkele ervaring met besturing van het type auto waarin verdachte reed) zouden toereikend zijn voor het oordeel dat de verdachte, zoals eveneens is tenlastegelegd, “zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend” heeft gereden onder de in art. 175.3 WVW 1994 tot strafverhoging leidende omst., maar zijn niet zonder meer toereikend voor ’s Hofs oordeel dat verdachte “roekeloos” i.d.z.v. art. 6 jo 175.2 WVW 1994 heeft gereden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Jwr 2015/49 met annotatie van C.J. van Eekelen
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/01590

Zitting: 12 mei 2015

Mr. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 11 februari 2014 verdachte wegens 1. primair “overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van deze wet” en 2. “overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft het Hof ter zake van het onder 1. primair bewezenverklaarde aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 jaren opgelegd met aftrek als bedoeld in artikel 179, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld. Namens verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel richt zich tegen het oordeel van het Hof met betrekking tot feit 1 dat sprake is van schuld in de zin van roekeloosheid.

4. Ten laste van de verdachte is onder 1. primair bewezenverklaard dat:

“hij op 16 oktober 2011 te Den Hoorn, gemeente Midden-Delfland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, (de Rijksweg A4), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, als volgt te handelen:

- hij heeft aldaar gereden terwijl hij onder invloed van alcohol was en

- hij heeft met een (minimale) snelheid van 147 kilometer per uur gereden en vervolgens

- heeft hij zijn motorrijtuig niet voldoende onder controle gehad ten gevolge waarvan dat motorrijtuig in een slip is geraakt en meerdere malen tegen de vangrail is gebotst,

waardoor [betrokkene 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten schedel en hersenletsel en een acetabulum fractuur werd toegebracht, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994 ;”

5. De bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 28 januari 2014 verklaard - zakelijk weergegeven -:

Op 16 oktober 2011 te Den Hoorn heb ik als bestuurder onder invloed van een aanzienlijke hoeveelheid alcoholhoudende drank een auto bestuurd. Ik heb ook harder gereden dan de ter plaatse toegestane snelheid. Het zou best kunnen kloppen dat ik meer dan zeven keer de toegestane hoeveelheid alcohol had gedronken. Ook zou het kunnen kloppen dat ik met een minimale snelheid van147 kilometer per uur heb gereden.

Ik heb er niet bij stilgestaan dat het - gezien mijn alcoholgebruik - wellicht beter zou zijn om niet te gaan rijden. Ik heb wel eens eerder in een BMW gereden, maar die had niet zo'n grote motor als de BMW van [betrokkene 1]. Bovendien had ik nog nooit met zulke hoge snelheden gereden. Het was een kort voor het ongeluk door [betrokkene 1] aangeschafte BMW. Ik heb geprobeerd de auto recht te houden. De auto begon echter te spinnen. Ik heb geprobeerd de auto tot stilstand te brengen en ben tegen een vangrail gereden.

2. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 16 oktober 2011 van Politie Haaglanden met nr. PL15A4 2011218533-10. Dit proces-verbaal houdt onder meer in:

als de op 16 oktober 2011 afgelegde verklaring - zakelijk weergegeven - van de verdachte:

Ik ben achter het stuur gaan zitten. Achter mij zat [betrokkene 1]. Ik reed de snelweg op. We reden ter hoogte van Rijswijk op de rechter rijstrook. Er reed een auto voor mij. Ik wilde deze auto inhalen en ging naar de middelste rijstrook. Vervolgens zag ik dat die auto richting aangaf naar links. Ik dacht dat hij wel zou wachten, maar ik zag dat hij toch naar links kwam. Ik schrok hiervan en ging naar links. Ik heb vervolgens de koppeling ingedrukt.

Er lag daar een hobbeltje in de weg. Ik voelde dat de auto lichter werd. Ik heb toen kort geremd. Ik zag dat de auto die ik eerder had ingehaald mij weer voorbij was. Ik ben toen weer naar de middelste rijstrook gegaan. Ik heb toen weer geremd en de koppeling ingedrukt. Ik weet niet meer of ik de auto ook in zijn vrij heb gezet. Ik voelde vervolgens dat de auto ging slippen. We zijn aan de rechterzijde van de weg tegen de vangrail aan gekomen. Twee tot drie minuten voor het ongeluk ben ik meer gas gaan geven.

3. Een proces-verbaal van aanrijding misdrijf d.d. 21 juli 2012 van Politie Haaglanden met nr. PL15A4 2011218533-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in:

als relaas - zakelijk weergegeven - van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op 16 oktober 2011 kreeg ik, verbalisant, kennis van een verkeersongeval op de voor het openbaar verkeer openstaande weg A4 te Den Hoorn, gemeente Midden-Delfland. Er waren meerdere slip, kras- en driftsporen op de weg. Op het voertuig bevonden zich meerdere krassen en deuken die erop wezen dat het voertuig meerdere keren tegen de vangrail aan is gereden.

Ter plaatse zag ik, verbalisant, aan de rechterkant van de snelweg dat de vangrail volledig ontzet was. Ik zag allemaal onderdelen van een auto over alle twee rijstroken en de vluchtstrook liggen. Ongeveer 200 meter verder zag ik het voertuig gaan. Het bleek te gaan om een personenauto van het merk BMW. Ik zag op 100 meter afstand van de eerste schade aan de vangrail op rijstrook 1 een persoon liggen, die later genaamd bleek te zijn, [betrokkene 1].

4. Een proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse d.d. 22 juni 2012 van Politie Haaglanden met nr. 2011218533-25. Dit proces-verbaal houdt onder meer in:

als relaas - zakelijk weergegeven - van de betreffende opsporingsambtenaren:

Wij, verbalisanten, stelden op 16 oktober 2011 een onderzoek in naar de toedracht van een verkeersongeval. Het ongeval heeft plaatsgevonden op de voor het verkeer openstaande weg, de Rijksweg A4 ter hoogte van hectometerpaal 54,4 rechts gelegen buiten de bebouwde kom ter hoogte van Den Hoorn in de gemeente Midden Delftland.

Tijdens het houden van rijtesten bleek dat er een soort glooiing in de weg aanwezig was. Naarmate de snelheid van de rijtesten werden opgevoerd ging het voertuig steeds meer inveren om direct daarna weer uit te veren. Hierdoor kan de stabiliteit van het voertuig en het stuurgedrag nadelig beïnvloed worden. De glooiing zat net voor de eerste afbakening van de sporen.

Uit onderzoek is gebleken dat de bestuurder van de BMW rijdend op rijstrook 1 de controle over het voertuig verliest (mogelijk bij de genoemde glooiing). Vervolgens raakt de BMW in een slip naar de rechterkant van de rijbaan en raakt de aldaar geplaatste vangrail. De voorzijde van de BMW komt als eerst met de vangrail in aanraking. Vervolgens roteert de BMW rechtsom en komt dan met de achterkant in aanraking met de vangrail. Hierna schuift/rijdt de BMW al roterend de Rijksweg A4 over in de richting van de linker vangrail. Tijdens deze actie verliest de BMW het gehavende linker voorwiel met ophanging. Gekomen bij de linker vangrail komt het linker achterportier/zijde van de BMW tegen de vangrail. Hierdoor schiet waarschijnlijk het portier uit zijn slot waardoor de passagier via het geopende portier het voertuig verlaat en op het wegdek terecht komt.

5. Een proces-verbaal van aanhouding d.d. 16 oktober 2011 van Politie Haaglanden met nr. PL1563 2011218533-8. Dit proces-verbaal houdt onder meer in:

als relaas - zakelijk weergegeven - van de betreffende opsporingsambtenaren:

Op 16 oktober 2011 omstreeks 04:25 uur troffen wij, verbalisanten, op de A4 ter hoogte van de afrit Den Hoorn een persoon liggend op de linker rijbaan aan. Ik, verbalisant [verbalisant 1], heb zijn vitale functies gecontroleerd. Ik zag, voelde en hoorde dat deze persoon een reutelende ademhaling had. Ik zag dat hij een grote hoofdwond aan de linkerzijde van zijn achterhoofd had en dat zijn hersenen zichtbaar waren en er donker hersenvocht uit zijn oor stroomde. De medewerkers van de ambulancedienst hebben de zorg voor het slachtoffer overgenomen.

6. Een geschrift, zijnde een brief d.d. 7 december 2011 opgesteld door S. Vermeulen, AIOS Anesthesiologie intensivist, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Van 16 oktober 2011 tot ontslag op 24 november 2011 was opgenomen op de afdeling IC van ons ziekenhuis [betrokkene 1], geboren [geboortedatum]-1992.

Reden opname: neurotrauma.

Op 16 oktober was patiënt slachtoffer van een hoogenergetisch trauma (uit auto geslingerd).

Conclusie: 19 jarige man opgenomen na hoog energetisch trauma:

 Cerebral: diffuus axonal injury met verhoogde intracraniële druk;

 Achterste schedelbasisfractuur;

 Acetabulum fractuur links.

Op 24 november werd de patiënt overgeplaatst naar afdeling Neurochirurgie voor verder herstel.

7. Een geschrift, zijnde een brief van het Revalidatiecentrum Leijpark d.d. 22 maart 2012, welke brief is ondertekend door L. de Letter-Van der Heide, revalidatiearts kinderen/jongeren, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

[betrokkene 1] is op 30 november 2011 opgenomen in revalidatiecentrum Leijpark bij status na een hoog-energetisch trauma d.d. 16 oktober 2011 met als gevolg onder meer ernstig schedelhersenletsel en een persisterende toestand van verminderd bewustzijn ten behoeve van het behandelprogramma Vroege Intensieve Neurorevalidatie.

Omschrijving van het letsel

 Er is middels MRI-onderzoek bevestigd dat er fors letsel in de hersenen is (bloeding en diffuus axonale schade). In overdracht wordt tevens een acetabulumfractuur links vermeld.

Beschrijving of volledig herstel mogelijk is

 Ten aanzien van het neurotrauma zal zeker geen volledig herstel plaatsvinden.

Vooruitzichten met betrekking tot letsel en beperkingen

 Patiënt is volledig zorgafhankelijk met incontinentie voor mictie en defecatie, tevens volledig rolstoelafhankelijk (passieve rolstoel). Er is sprake van zeer forse motorische beperkingen met spontane beweeglijkheid rechterarm en -been, waarbij soms gerichte activiteit met rechterarm/hand. Links zowel in arm als been vrijwel geen spontane activiteit, geen functionele mogelijkheden. Tracheacanule in situ, waarvoor gespecialiseerde medische zorg noodzakelijk is. Verhoogde sputumproductie met verhoogd risico op longontstekingen. Communicatie vooralsnog met name eenzijdig: patiënt kan vrijwel niet adequaat reageren (geen spraak, ook geen inhoudelijk juiste ja/nee communicatie). Voeding middels een PEG-sonde, omdat slikken onveilig is (grote kans op verslikken en daarmee longontsteking). Hoewel er nog enig herstel kan plaatsvinden, is het niet de verwachting dat de zorgbehoefte hierdoor zal veranderen. Ons inziens blijft de patiënt in volledige of zeer uitgebreide mate zorgafhankelijk.

8. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 16 oktober 2011 van Politie Haaglanden met nr. PL1563 2011218533-4. Dit proces-verbaal houdt onder meer in:

als de op 16 oktober 2011 afgelegde verklaring - zakelijk weergegeven - van [getuige]:

Op 16 oktober 2011 omstreeks 04.20 uur reed ik op de Rijksweg A4. Toen ik mij tussen de afrit Wateringen en de afrit Den Hoorn/ Schipluiden/De Lier bevond, hoorde ik een harde klap. Ik keek gelijk in mijn achteruitkijkspiegel. Ik zag dat een personenauto tegen de rechter vangrail knalde. Vervolgens zag ik dat de personenauto naar de linker vangrail gleed, ik zag dat er vele vonken van de personenauto afkwamen. Ik hoorde dat de auto tegen de linker vangrail klapte. Nadat de auto hier tegenaan klapte, zag ik dat de personen auto naar de rechter vangrail gleed, hier kwam de personenauto met een harde klap tot stilstand.

9. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 16 oktober 2011 van Politie Haaglanden met nr. PL1561 2011218568-6. Dit proces-verbaal houdt onder meer in:

als de op 16 oktober 2011 afgelegde verklaring - zakelijk weergegeven - van de verdachte:

Ik erken na het nuttigen van alcoholhoudende drank als bestuurder te zijn opgetreden op 16 oktober 2011. Mijn alcoholgebruik over de laatste 24 uur, voorafgaande aan het gepleegde feit, bedroeg: 8 glazen whisky-cola.

10. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 16 oktober 2011 van Politie Haaglanden met nr. PL15A4 2011218533-10. Dit proces-verbaal houdt onder meer in:

als de op 16 oktober 2011 afgelegde verklaring - zakelijk weergegeven - van de verdachte:

Ik heb mijn rijbewijs op 21 september 2010 gehaald.

11. Een proces-verbaal invordering rijbewijs beginnend bestuurder d.d. 16 oktober 2011 van Politie Haaglanden met nr. PL1561 2011218568-8. Dit proces-verbaal houdt onder meer in:

als relaas - zakelijk weergegeven - van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op zondag 16 oktober 2011 is in het politiebureau gelegen aan Sir Winston Churchillaan te Rijswijk, van beginnend bestuurder, genaamd [verdachte], ingevorderd het op zijn naam staand rijbewijs. Datum afgifte 21 september 2010, afgegeven door (de burgemeester van) de gemeente Rotterdam.

12. Een proces-verbaal van misdrijf d.d. 16 oktober 2011 van Politie Haaglanden met nr. PL1561 2011218568-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in:

als relaas - zakelijk weergegeven - van de betreffende opsporingsambtenaren:

Ongeval

op 16 oktober 2011 kreeg ik, verbalisant [verbalisant 2], kennis van een verkeersongeval op de voor het verkeer openstaande weg, de A4 R ter hoogte van hectometerpaal 54.6 rechter rijbaan, binnen de gemeente Midden-Delftland.

Ter controle op de naleving van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gestelde voorschriften, stelde ik, verbalisant [verbalisant 2], een onderzoek in.

Daaruit bleek dat [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats], als bestuurder van een BMW bij dat ongeval betrokken was.

Beginnende bestuurder

Het betrof hier een bestuurder van een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs vereist is. Bij controle bleek dat de bestuurder in het bezit is van een rijbewijs waarvan sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven nog geen vijf jaren zijn verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden.

Procedure ademanalyse

Op 16 oktober 2011 te 05.15 uur heeft de verdachte zich onder leiding van mij, verbalisant [verbalisant 3], daartoe aangewezen opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 7 van het Besluit Alcoholonderzoeken, onderworpen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, lid 3, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994.

Het onderzoek ving aan op het eerste tijdstip, vermeld op de bijgevoegde afdruk, zijnde een tijdstip van tenminste 20 minuten na het tijdstip van vordering tot medewerking aan het voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht.

Er werd gebruik gemaakt van een ademanalyseapparaat dat ingevolge het Besluit Alcoholonderzoeken is aangewezen door de Minister van Justitie. Ik verklaar dat is voldaan aan het bij dit apparaat behorende gebruikersvoorschrift. De verklaring van goedkeuring behorende bij dit apparaat, keuringsdatum 13 april 2011, is geldig tot 26 oktober 2011.

Ademanalyse voltooid onderzoek

Dit heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek. Aan de verdachte is aanstonds medegedeeld dat het onderzoeksresultaat van de ademanalyse van zijn adem 710 µg/l bedroeg.

13. Een geschrift, zijnde een afdruk van het ademanalyseformulier d.d. 16 oktober 2011, als bijlage gevoegd bij proces-verbaal met nr. PL1561 2011218568-1, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Start datum & tijd : 16-10-2011 05:15

Eind datum & tijd : 16-10-2011 05:27

VERDACHTE

Naam : [achternaam verdachte]

Voornamen : [voornaam verdachte]

Geboortedatum : [geboortedatum]-1991

Geboorteplaats : [geboorteplaats]

Ademonderzoeksresultaat : 710 microgram alcohol per

liter uitgeademde lucht”

6. In een nadere overweging heeft het Hof het volgende overwogen:

“Het hof stelt op grond van de gebezigde bewijsmiddelen vast dat de verdachte de keuze heeft gemaakt om een motorrijtuig te besturen terwijl hij meer dan zeven keer de toegestane hoeveelheid alcohol had gedronken. Daar komt bij dat hij ook de keuze heeft gemaakt om met een aanzienlijk hogere snelheid te rijden dan op de weg was toegestaan. Die snelheid was minstens 147 km per uur waar de maximum snelheid 100 km per uur was. Onder deze omstandigheden was de verdachte niet in staat om de personenauto - met de besturing waarvan hij overigens geen enkele ervaring had omdat deze vlak voor het incident was aangeschaft door het slachtoffer en verdachte zelf geen ervaren BMW-rijder was - onder controle te houden. Het hof is - met de rechtbank - van oordeel dat de verdachte aldus roekeloos heeft gehandeld.”

7. Het onder 1 primair tenlastegelegde is toegesneden op art. 6 in verbinding met art. 175 WVW 1994. De in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende term "roekeloos" moet derhalve geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in art. 175, tweede lid aanhef en onder b, WVW 1994.

8. Ingevolge bestendige rechtspraak kan in cassatie slechts worden onderzocht of de schuld aan een verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW 1994 uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Voor de schuldvorm "roekeloosheid" geldt op zichzelf hetzelfde, zij het dat daarbij moet worden betrokken dat deze roekeloosheid in de wetsgeschiedenis als "de zwaarste vorm van het culpose delict" wordt aangemerkt die tot onder meer een verdubbeling van het maximum van de op te leggen vrijheidsstraf heeft geleid. Mede met het oog op het strafverhogende effect van dit bestanddeel moeten daarom aan de vaststelling dat sprake is van roekeloosheid, dus de zwaarste vorm van schuld, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter in voorkomende gevallen daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven. Dat geldt ook in de gevallen waarin de roekeloosheid in de kern bestaat uit de in art. 175, derde lid, WVW 1994 omschreven gedragingen, nu die gedragingen grond vormen voor een verdere verhoging van het ingevolge het tweede lid van dat artikel voor roekeloosheid geldende strafmaximum.

Het voorgaande brengt mee dat de vraag of in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994 een beoordeling vergt van de specifieke omstandigheden van dat geval. Bij de toetsing in cassatie van beslissingen in concrete gevallen kan een rol spelen of de rechter zijn oordeel dat sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994, heeft voorzien van een nadere motivering die recht doet aan het bijzondere karakter van roekeloosheid. Van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm zal immers slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Daarbij verdient opmerking dat "roekeloosheid" in de zin van de wet een specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder "roekeloos" - in de betekenis van "onberaden" - wordt verstaan.

Om tot het oordeel te kunnen komen dat in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994, zal de rechter zodanige feiten en omstandigheden moeten vaststellen dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat in dit verband doorgaans niet volstaat de enkele vaststelling dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een of meer in art. 175, derde lid, WVW 1994 genoemde, zelfstandig tot verhoging van het wettelijk strafmaximum leidende gedragingen.1

9. Deze bestendige rechtspraak van de Hoge Raad stelt zeer hoge eisen aan het bewijs van roekeloosheid. Zoals de Hoge Raad zelf overweegt vallen het begrip roekeloos in het spraakgebruik en het juridische begrip roekeloos niet noodzakelijkerwijs samen. Dat is ongelukkig. Zowel uit de feitenrechtspraak als uit verschillende conclusies van het parket bij de Hoge Raad (ik volsta te verwijzen naar noot 1) blijkt dat er behoefte bestaat het begrip roekeloos minder restrictief in te vullen dan de Hoge Raad doet. De koers van de Hoge Raad is echter zo vast dat ik vooralsnog geen mogelijkheid zie tot enige bijsturing. De gemiddelde burger zal gelet op de verschijningsvorm van het in deze zaak aan de orde zijnde ongeval niet onmiddellijk kunnen begrijpen dat de roekeloosheid niet bewezen kan worden, maar er is in de rechtspraak geen ruimte voor die conclusie. Ik licht dat toe.

10. In het licht van hetgeen onder punt 8 hiervoor uit de rechtspraak van de Hoge Raad naar voren komt, schiet de bewijsvoering van het Hof tekort. De door het Hof blijkens de nadere overweging in het bijzonder in aanmerking genomen omstandigheden dat de verdachte een motorrijtuig heeft bestuurd, terwijl hij meer dan zeven keer de toegestane hoeveelheid alcohol heeft gedronken en met een snelheid van minstens 147 km/u heeft gereden waar de maximum snelheid 100 km/u was, onder welke omstandigheden de verdachte niet in staat was om de personenauto – met de besturing waarvan hij overigens geen enkele ervaring had omdat deze vlak voor het incident was aangeschaft door het slachtoffer en verdachte zelf geen ervaren BMW-rijder was – onder controle te houden, zouden toereikend kunnen zijn voor het oordeel dat de verdachte, zoals eveneens is tenlastegelegd, "zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend" heeft gehandeld, maar zij zijn niet zonder meer toereikend voor het oordeel van het Hof dat de verdachte "roekeloos" in de zin van art. 6 in verbinding met art. 175, tweede lid, WVW 1994 heeft gereden. De kern in de overweging van het Hof is dat verdachte de keuze maakte stevig beschonken de auto te besturen en met een snelheid van 147 kilometer per uur te rijden. Niet echter kwalificeert het Hof die keuze ook uitdrukkelijk in termen van buitengewoon onvoorzichtig gedrag van de verdachte waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen. Wellicht zou dat gelet op de door het Hof vastgestelde feiten en omstandigheden nog wel in de overweging van het Hof in te lezen zijn. Wat daarvan zij, in het midden blijft of de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.

11. Het middel slaagt.

12. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor zover het betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit en de opgelegde straf, en in zoverre tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Vgl. HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:960, NJ 2014/25 m.nt. N. Keijzer. Zie bijvoorbeeld ook HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:962 en 964, NJ 2014/26 en 28 beide m.nt. N. Keijzer, HR 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:470, NJ 2014/220 m.nt. N. Rozemond, HR 1 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:773, NJ 2014/269 m.nt. N. Rozemond en HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3620.