Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:961

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
22-05-2015
Datum publicatie
26-06-2015
Zaaknummer
15/02111
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1731, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 80a lid 1 RO. Geen cassatieberoep tegen beslissing op wrakingsverzoek bestuursrechter, art. 8:18 lid 5 Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

15/02111

(art. 80a RO)

22 mei 2015

Mr. F.F. Langemeijer

Conclusie inzake:

[verzoeker]

1. Verzoeker tot cassatie heeft bij de rechtbank Amsterdam beroep ingesteld tegen besluiten van de Dienst werk en inkomen van de gemeente Amsterdam. De rechtbank (sector bestuursrecht) heeft het beroep in behandeling genomen. Nadat de griffier van de rechtbank verzoeker had opgeroepen voor een zitting, heeft verzoeker bij schrijven, ingekomen op 10 februari 2015, de rechter gewraakt. Bij uitspraak van 20 februari 2015 heeft de (wrakingskamer van de) rechtbank het wrakingsverzoek afgewezen en bepaald dat een volgend verzoek tot wraking, gericht tegen de rechter belast met de behandeling van de zaak, niet meer in behandeling zal worden genomen.

2. Bij beroepschrift van 20 april 2015 heeft verzoeker beroep in cassatie ingesteld tegen de beslissing van 20 februari 2015.

3. Het komt mij voor, dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat verzoeker klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden1. De bestreden beslissing is gegeven door de bestuursrechter op de voet van art. 8:18 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Art. 78 lid 4 van de Wet op de rechterlijke organisatie houdt in dat de Hoge Raad slechts kennis neemt van het beroep in cassatie tegen uitspraken van de bestuursrechter voor zover dit bij wet is bepaald. Er is geen wettelijke bepaling die cassatieberoep openstelt tegen een beslissing van de bestuursrechter op een wrakingsverzoek. Integendeel, art. 8:18 lid 5 Awb bepaalt dat geen rechtsmiddel openstaat.

4. In onderdeel 3 van het beroepschrift wordt aangevoerd dat het bepaalde in art. 8:18 lid 5 Awb in strijd is met art. 6 lid 1 en/of art. 13 EVRM. Ook al zou dat waar zijn, het maakt de Hoge Raad niet bevoegd om kennis te nemen van dit beroep; zie ook art. 118 lid 2 Grondwet. Uit de rechtspraak van het EHRM2 volgt bovendien dat deze verdragsbepalingen wel aanspraak geven op toegang tot een rechter, maar niet op hoger beroep of cassatieberoep indien over het desbetreffende geschilpunt een uitspraak door de rechter is gedaan. Voor zover verzoeker meent dat hij bevoegd is om beroep in cassatie in het belang der wet in te stellen, is dat standpunt onjuist; dat volgt uit art. 78 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie.

5. Het beroepschrift is mede gericht tegen het niet in behandeling nemen door de rechtbank van een nieuw wrakingsverzoek, dat hij op 1 april 2015 bij de rechtbank zou hebben ingediend. Deze grief is in feite gericht tegen de bepaling aan het slot van de uitspraak van 20 februari 2015 dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen en behoeft daarom geen afzonderlijke bespreking.

6. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep met toepassing van art. 80a RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a. – g.

1 Vgl. HR 13 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1388.

2 Sinds EHRM 17 januari 1970 (Delcourt/België; appl.no. 2689/65); zie punt 25.