Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:960

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-04-2015
Datum publicatie
25-06-2015
Zaaknummer
14/01170
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1709, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

(Doen) horen van getuige. Art. 6 EVRM. De HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:BX5539. Het Hof heeft het p-v inhoudende de niet ttz. afgelegde, de verdachte belastende verklaring van X voor het bewijs gebezigd zonder dat de verdediging in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad om X als getuige te (doen) ondervragen. Die verklaring houdt o.m. in dat X heeft gezien dat degene die uit de auto stapte de Peugeot heeft bestuurd. Voor dit door verdachte betwiste onderdeel van de verklaring van X is geen steun te vinden in andere door het Hof gebezigde bewijsmiddelen. Het Hof heeft i.s.m. art. 6 lid 1 en 3 EVRM het hiervoor bedoelde p-v voor het bewijs heeft gebezigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/01170

Zitting: 21 april 2015

Mr. Vellinga

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bevestigd het vonnis van de Politierechter in de Rechtbank Midden-Nederland waarbij verdachte wegens “overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet” is veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 28 uren, subsidiair 14 dagen hechtenis, en ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 voorwaardelijk.

2. Namens verdachte heeft mr. I.V. Nagelmaker, advocaat te Utrecht, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat hij:

“op 30 juni 2013 te Amersfoort als bestuurder van een voertuig, personenauto, dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 1045 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.”

4. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

“1) Een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 juni 2013, opgemaakt door [betrokkene 1], aspirant van Politie Utrecht (blz. 11 t/m 12 van proces-verbaal nummer PL0900/30062013055016674), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

Op 30 juni 2013 in Amersfoort zag ik dat de Peugeot met de linker voorkant tegen de rechterpaal van de verkeerslichten botste en dat hij hierna tot stilstand kwam. Kort hierna zag ik dat er een politieauto voorbij reed en dat de bestuurder direct uit zijn auto stapte. Ik zag dat hij vooruit bleef kijken en dat hij mij niet aankeek. Ik bleef er nog wel bij staan en hoorde de bestuurder tegen de agenten ontkennen dat hij de bestuurder was. Ik wist zeker dat hij degene was die de Peugeot had bestuurd en er ook uit stapte.

2) Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant], in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen op blz. 9 van het proces-verbaal nummer PL0900/30062013055016674, - zakelijk weergegeven - inhoudende:

Ik vorderde [verdachte] zijn medewerking te verlenen aan de ademanalyse. Op 30 juni 2013 te 06.25 uur ving de ademanalyse aan en te 06.29 werd deze beëindigd. De uitslag bleek 1045 µg/l te zijn. Ik deelde [verdachte] de uitslag mede.

3) Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een als bijlage bij het onder 1 genoemde proces-verbaal gevoegd ademanalyse formulier d.d. 30 juni 2013, met analysenummer 2249 en serienummer ARTN- 0073, voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende:

naam verdachte : [verdachte]

geboortedatum: [geboortedatum] 1989

eerste tijdstip nultest: 06:25

onderzoekresultaat: 1045 pg/1

naam bedienaar: [verbalisant]

De bedienaar verklaart de ademonderzoekprocedure conform de voorschriften te hebben uitgevoerd.”

De verdachte, ter terechtzitting ondervraagd, verklaart -zakelijk weergegeven- als volgt.

A.

Op 30 juni 2013 zat ik in Amersfoort in een personenauto. Ik heb op die avond veel alcohol gedronken.

5. Het eerste middel klaagt over schending van onder meer het bepaalde in art. 6 EVRM omdat het Hof het verzoek de getuige [betrokkene 1] te horen heeft afgewezen, althans zijn beslissing tot afwijzing van het verzoek onbegrijpelijk, althans ontoereikend heeft gemotiveerd.

6. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer in:

“De verdachte en de raadsvrouw voeren het woord tot verdediging, waarbij de raadsvrouw het woord voert overeenkomstig haar pleitnota, welke aan het hof is overgelegd en aan dit proces-verbaal is gehecht.

Daarnaast legt de raadsvrouw de schriftelijke verklaring van [betrokkene 2] aan het hof over, welke verklaring zal worden gevoegd in het dossier.

De advocaat-generaal en de raadsvrouw krijgen de gelegenheid tot respectievelijk repliek en dupliek.

De advocaat-generaal voert het woord - zakelijk weergegeven -:

Ik verzet me tegen het voorwaardelijk verzoek tot het horen van de opgegeven getuigen. [betrokkene 2] weet zich niets te herinneren. Wat betreft het proces-verbaal van bevindingen opgesteld door [betrokkene 1] heb ik geen reden om hieraan te twijfelen.

Aan de verdachte en de raadsvrouw wordt het recht gelaten het laatst te spreken.”

7. De aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnota houdt onder meer in:

Conclusie

28. Nu [betrokkene 1] als een gewone getuige moet worden gezien, wiens verklaring sowieso al twijfelachtig is en cliënt een andere verklaring geeft (meer en vervaart), die wordt ondersteund door de verklaringen van [betrokkene 2] en er geen ander bewijs is voor daderschap van cliënt, moet bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs cliënt worden vrijgesproken van hetgeen aan hem tenlaste is gelegd.

29. Horen getuigen

30. Laatste feitelijke instantie, dus laatste mogelijkheid om waarheid boven tafel te krijgen.

31. Zoals gezegd meen ik dat de verklaring van [betrokkene 1] niet betrouwbaar is, door hem te verhoren zou wellicht meer duidelijkheid omtrent zijn verklaring kunnen ontstaan.

32. Mocht u niet geloven wat [betrokkene 2] heeft verklaard dan zou hij, zo nodig onder ede, kunnen worden gehoord.”

8. Het Hof heeft in zijn arrest overwogen:

“De raadsvrouw van verdachte heeft bij appelschriftuur verzocht om [betrokkene 2] en [betrokkene 1] als getuige te horen. Dit verzoek is op voorhand niet toegewezen. Dit verzoek heeft de raadsvrouw in voorwaardelijke zin ter terechtzitting in hoger beroep herhaald.

De advocaat-generaal heeft zich verzet tegen het horen van beide getuigen.

Nu namens verdachte op 26 september 2013 hoger beroep is ingesteld en de appelschriftuur op 30 oktober 2013 is binnengekomen, is het noodzaakcriterium van toepassing.

Gelet hierop overweegt het hof ten aanzien van de verzoeken het volgende.

Ten aanzien van [betrokkene 2] overweegt het hof dat hij niet aanwezig was ten tijde van het tenlastegelegde.

Ten aanzien van [betrokkene 1] baseert de raadsvrouw haar verzoek op aannames. Er wordt geen begin van aannemelijkheid gemaakt waarom het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van [betrokkene 1] niet betrouwbaar zou zijn.

Bovendien geeft verdachte zelf geen enkele verklaring omtrent de, naar zijn zeggen, andere persoon die de auto bestuurd zou hebben.

Het hof acht het derhalve niet noodzakelijk om [betrokkene 2]

en [betrokkene 1] als getuige te horen en wijst beide verzoeken af.”

9. In zijn arrest van 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3634 overwoog de Hoge Raad:

“2.4 In het licht van het EVRM is het gebruik voor het bewijs van een ambtsedig proces-verbaal voor zover inhoudende een niet ter terechtzitting afgelegde, de verdachte belastende verklaring niet zonder meer ongeoorloofd en in het bijzonder niet onverenigbaar met art. 6, eerste lid en derde lid, aanhef en onder d, EVRM. Van die ongeoorloofdheid is geen sprake indien de verdachte niet in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad om een dergelijke verklaring op haar betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten door de persoon die de verklaring heeft afgelegd als getuige te (doen) ondervragen, doch die verklaring in belangrijke mate steun vindt in andere bewijsmiddelen. Dit laatste moet aldus worden begrepen dat reeds voldoende is als de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde feit wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal. Dit steunbewijs zal dan betrekking moeten hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist (vgl. HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013: BZ1439, NJ 2013/191).”

10. Door en namens de verdachte is betwist dat hij de in de bewezenverklaring bedoelde personenauto heeft bestuurd. Namens verdachte is er uitdrukkelijk op gewezen dat de verklaring van [betrokkene 1] het enige bewijsmiddel is waaruit zijn betrokkenheid bij het bewezenverklaarde strafbaar feit blijkt en dat die verklaring daarom niet voldoende is voor het bewijs dat verdachte, zoals bewezenverklaard, bedoelde personenauto heeft bestuurd. Alleen uit het voor het bewijs gebezigde ambtsedig proces-verbaal, behelzende de verklaring van [betrokkene 1], blijkt dat verdachte de persoon is die de in de bewezenverklaring bedoelde personenauto heeft bestuurd. Diens verklaring vindt geen steun in de overige bewijsmiddelen. Deze houden immers niets in over de persoon die ten tijde van het bewezenverklaarde feit is opgetreden als bestuurder van de onderhavige personenauto. In die omstandigheden is het gelet op het bepaalde in art. 6 EVRM en hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen als hiervoor weergegeven niet begrijpelijk dat het Hof het niet noodzakelijk heeft geacht [betrokkene 1] als getuige te horen. Daarbij neem ik in aanmerking dat niet blijkt dat verdachte en/of zijn raadsvrouw eerder gelegenheid heeft gehad [betrokkene 1] als getuige te horen.

11. Aan het voorgaande doet niet af dat – naar het Hof overweegt - zijdens verdachte geen begin van aannemelijkheid is verschaft voor onbetrouwbaarheid van de verklaring van [betrokkene 1]. Deze omstandigheid neemt immers niet weg dat verdachte en zijn raadsvrouw geen gelegenheid hebben gehad de getuige te ondervragen. Dat klemt temeer omdat – zoals namens verdachte is aangevoerd – de getuige [betrokkene 2] verdachtes verklaring dat niet hij maar een ander heeft gereden kan ondersteunen. De door verdachtes raadsvrouw overgelegde schriftelijke verklaring van [betrokkene 2] houdt namelijk in dat iemand heeft aangeboden hem en verdachte in verdachtes auto naar huis te rijden, dat het om een driedeurs auto gaat en dat verdachte, nadat [betrokkene 2] was uitgestapt, achter in de auto is gaan zitten. De overweging van het Hof, dat het niet noodzakelijk is [betrokkene 2] als getuige te horen omdat hij niet aanwezig was ten tijde van het tenlastegelegde, gaat hieraan voorbij.

12. Voor zover in de onderhavige overweging van het Hof besloten ligt dat de uitoefening van het in art. 6 lid 3 onder d EVRM verwoorde recht op het horen van getuigen afhankelijk is van vraag of door of namens de verdachte een begin van aannemelijkheid is verschaft voor onbetrouwbaarheid van een voor de verdachte belastende verklaring van de getuige geldt dat deze opvatting geen steun vindt in het recht, in het bijzonder niet in het bepaalde in art. 6 lid 3 onder d EVRM.

13. Bij pleidooi heeft verdachtes raadsvrouw de noodzaak de getuige te horen niet gezet in de sleutel van het bepaalde in art. 6 EVRM. Ter onderbouwing van haar verzoek [betrokkene 1] als getuige te horen heeft zij er echter wel op gewezen dat alleen uit de verklaring van [betrokkene 1] blijkt dat verdachte de in de bewezenverklaring bedoelde personenauto heeft bestuurd en dat zij [betrokkene 1] wil horen om diens betrouwbaarheid te kunnen beoordelen. In die omstandigheden is het aan de rechter als kenner en toepasser van het recht ten aanzien van de gestelde feiten de juiste rechtsregel toe te passen. Dat geldt ook voor de direct werkende bepalingen van het EVRM, die immers via art. 93 en 94 Gw deel uitmaken van het Nederlandse strafprocesrecht.1 Bovendien dient hij er als orgaan van de staat voor te waken dat een rechtstreeks werkende verdragsbepaling als art. 6 EVRM in acht wordt genomen (vgl. art 1 EVRM).

14. Het middel slaagt.

15. Het tweede middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd te responderen op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat verdachte wegens onbetrouwbaarheid van de verklaring van [betrokkene 1] als enig bewijsmiddel had dienen te worden vrijgesproken.

16. Zou het bepaalde in art. 6 EVRM in casu niet in het geding zijn dan zou ik van oordeel zijn dat verdachtes verweer onvoldoende handen en voeten heeft om te kunnen gelden als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv. In de grond van de zaak komt het verweer er immers op neer dat verdachte naar zijn zeggen niet achter het stuur heeft gezeten maar dat hij zo dronken was dat hij niet weet wie de auto dan wel bestuurd heeft. Daarin ligt besloten dat het ook kan zijn dat hij zo dronken is geweest dat hij ook niet meer weet dat hij zelf heeft gereden. Van [betrokkene 2], die verdachte als getuige opvoert, stelt het Hof vast dat deze niet aanwezig was ten tijde van het tenlastegelegde. Dan kan moeilijk worden gezegd dat verdachte zijn standpunt heeft geschraagd met argumenten.2

17. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

18. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

19. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers, Kluwer 2014, achtste druk, p. 33

2 HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006, 393, rov. 3.7.1.