Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:959

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-04-2015
Datum publicatie
25-06-2015
Zaaknummer
13/04731
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1705, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Witwassen, art. 420bis Sr. HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2015:1090. Uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat het in de bewezenverklaring onder 3 genoemde geldbedrag, dat afkomstig is uit de hennepteelt, toebehoorde aan de zwager van verdachte en dat dit geldbedrag door verdachte voor zijn zwager in een kluis in zijn woning werd bewaard. Het kennelijke oordeel van het Hof dat te dezen geen sprake is van een onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel is ook niet onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 13/04731

Zitting: 21 april 2015

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, heeft verdachte bij arrest van 24 september 2013 wegens “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” (feit 1), “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” (feit 2), “medeplegen van witwassen” (feit 3) en “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” (feit 4) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden en tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.1

3. Namens verdachte heeft mr. M.J. Lamers, advocaat te Utrecht, twee middelen van cassatie voorgesteld.

4 Het eerste middel

4.1.

Het middel, dat klaagt over de beslissingen van het Hof ten aanzien van feit 3, valt uiteen in twee deelklachten. Met betrekking tot het in de kluis in de woning van verdachte aangetroffen geldbedrag wordt aangevoerd dat, nu het ervoor moet worden gehouden dat dit geld de opbrengst is van door verdachte (mede)gepleegde misdrijven, het kennelijke oordeel van het Hof dat sprake is van het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst daarvan onvoldoende met redenen is omkleed. Ten aanzien van het eveneens in de kluis aangetroffen horloge wordt betoogd dat uit de gebezigde bewijsmiddelen in het geheel niet kan volgen dat dit (is aangeschaft met geld dat) afkomstig was uit enig misdrijf, noch dat verdachte hiervan enige wetenschap had.

4.2.

Ten laste van verdachte is onder feit 3 bewezenverklaard dat:

“hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2009 tot en met 16 april 2011 te De Meern tezamen en in vereniging met een ander voorwerpen, waaronder een (groot) geldbedrag (te weten in totaal 295.055 euro) en/of een horloge (merk Versace[)] voorhanden heeft gehad, en de herkomst verhuld terwijl hij, verdachte en zijn mededader wist(en) dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf”.

4.3.

In de eerste deelklacht wordt een beroep gedaan op de rechtspraak van de Hoge Raad over het verwerven of voorhanden hebben van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen. Die rechtspraak komt er - kort gezegd - op neer dat het enkele verwerven of voorhanden hebben in zulke gevallen niet als witwassen kan worden gekwalificeerd en dat daarom in zulke gevallen bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van witwassen, in die zin dat dan uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. Die motiveringseis geldt dus niet wanneer het gaat om voorwerpen die middellijk afkomstig zijn van een door de verdachte begaan misdrijf en evenmin als het gaat om voorwerpen die onmiddellijk of middellijk afkomstig zijn uit een door een ander dan de verdachte begaan misdrijf.

4.4.

Een (kennelijk) oordeel van de feitenrechter waarin besloten ligt dat niet sprake is van een onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp kan in cassatie op begrijpelijkheid worden getoetst en zal niet begrijpelijk kunnen zijn indien:
(i) daarnaast sprake is van een ten laste van de verdachte uitgesproken bewezenverklaring ter zake van het begaan van een ander misdrijf met betrekking tot hetzelfde voorwerp, door middel van welk misdrijf de verdachte dat voorwerp kennelijk heeft verworven of voorhanden heeft, of
(ii) rechtstreeks uit de bewijsvoering voortvloeit dat sprake is van - kort gezegd - het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, of
(iii) de juistheid in het midden is gelaten van hetgeen door of namens de verdachte met voldoende concretisering is aangevoerd met betrekking tot dit verwerven of voorhanden hebben door eigen misdrijf.2

4.5.

Het middelonderdeel stelt de vraag aan de orde of en zo ja in hoeverre de hier bedoelde rechtspraak toepassing kan vinden als het gaat om misdrijven die door de verdachte zijn medegepleegd. Voor zover ik heb kunnen nagaan, heeft de Hoge Raad zich nog niet over deze vraag uitgelaten, hetgeen mij noodzaakt op eigen kompas te varen. Welnu, het komt mij voor dat er geen reden is om een principieel onderscheid te maken tussen misdrijven die door de verdachte zijn gepleegd en misdrijven die door hem zijn medegepleegd. De overwegingen die door de Hoge Raad ten grondslag zijn gelegd aan zijn oordeel dat het enkele voorhanden hebben van voorwerpen die onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig zijn niet als witwassen kan worden gekwalificeerd, gelden in beginsel evenzeer als de voorwerpen onmiddellijk afkomstig zijn uit medegepleegde misdrijven. Daarmee is evenwel niet gezegd dat de gehele opbrengst van het gezamenlijk gepleegde misdrijf in alle gevallen kan worden aangemerkt als onmiddellijk afkomstig van dat misdrijf. Het voorgaande kan wellicht het beste aan de hand van enkele voorbeelden worden verduidelijkt.

4.6.

Als twee bankovervallers er met de buit vandoor gaan, geldt op dat moment voor beiden dat de buit die zij gezamenlijk voorhanden hebben, onmiddellijk afkomstig is uit het door hen medegepleegde misdrijf. Er is in dit geval geen goede reden om hen ook strafbaar te achten wegens witwassen. Dat zou dubbelop zijn. Datzelfde geldt als een van de twee overvallers er met de gehele buit vandoor gaat. Al het geld dat hij voorhanden heeft, is dan onmiddellijk uit het door hem medegepleegde misdrijf afkomstig. Anders wordt het als de beide overvallers de buit verdelen. Doorgaans zal ieder dan alleen zijn eigen aandeel voorhanden hebben (dat onmiddellijk afkomstig is het samen gepleegde misdrijf). Het kan echter dat de ene overvaller zijn aandeel in bewaring geeft aan de ander (wellicht omdat de herkomst daarvan op die manier kan worden verhuld). Die ander heeft dan de gehele buit voorhanden, maar alleen het eigen aandeel is onmiddellijk uit het medegepleegde misdrijf afkomstig. De rest heeft hij als gevolg van de bewaargeving voorhanden en is daarom alleen middellijk uit het medegepleegde misdrijf afkomstig.

4.7.

Anders ligt het ook als de een (A) bereid is om samen met een ander (B) een hennepkwekerij leeg te roven tegen een vooraf door die ander in het vooruitzicht gestelde beloning van pakweg € 200, -. Die beloning kan, als zij inderdaad door B wordt uitgekeerd, wellicht beschouwd worden als direct afkomstig uit het door A medegepleegde misdrijf (al zou ook betoogd kunnen worden dat alleen de geroofde hennepplanten onmiddellijk afkomstig zijn van dat misdrijf). De vraag hier is hoe het zit met de geroofde planten. Als A zich voor nog eens € 200, - bereid verklaart die planten bij hem thuis op zolder te verbergen, geldt weer dat de planten die A aldus voor B op zolder bewaart, niet onmiddellijk uit het medegepleegde misdrijf afkomstig zijn. De bewaargeving zit daar weer als schakel tussen. Het hangt, zo leren deze voorbeelden, af van de bijzonderheden van het geval of sprake is van voorwerpen die onmiddellijk uit het medegepleegde misdrijf afkomstig zijn. Men zal niet anders hebben verwacht.

4.8.

Terug naar de onderhavige zaak. Ten laste van verdachte is, voor zover relevant en kort weergegeven, bewezen verklaard dat hij in de periode van 1 mei 2010 tot en met 16 april 2011 in Nederland heeft deelgenomen aan een criminele organisatie gericht op het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen van hennep (feit 1) en dat hij op tijdstippen in de genoemde periode in Nederland telkens tezamen en in vereniging, telkens in de uitoefening van beroep of bedrijf opzettelijk hennep heeft geteeld (feit 2). De gebezigde bewijsmiddelen vermelden dat de rol van verdachte erin bestond dat hij meermalen hennep heeft geknipt bij verschillende hennepkwekerijen en dat hij daarvoor door zijn zwager [medeverdachte 3] werd betaald (bewijsmiddelen 18 en 19). Tevens houden de bewijsmiddelen in dat een kluis aanwezig was in de woning van verdachte, waarin een geldbedrag van € 298.050, - is aangetroffen dat afkomstig was van de hennepteelt en dat, ook volgens de expliciete verklaring van verdachte, toebehoorde aan [medeverdachte 3] (bewijsmiddelen 27, 28 en 30).

4.9.

In de kwalificatie van feit 3, medeplegen van witwassen, ligt besloten dat het Hof heeft geoordeeld dat het geld in de kluis niet onmiddellijk afkomstig was uit de door verdachte (mede)gepleegde misdrijven. Gelet op bovenvermelde inhoud van de bewijsmiddelen is dit oordeel niet onbegrijpelijk. Immers is in casu de winst die de criminele organisatie genereerde met de hennepteelt enkel naar [medeverdachte 3] toegevloeid, die dit om hem moverende redenen bewaarde in een kluis in de woning van verdachte. De verdachte had dat geld daardoor wel voorhanden, maar dat kwam doordat [medeverdachte 3] dat geld bij hem bewaarde. Derhalve kon het Hof oordelen dat het geld niet onmiddellijk uit de verdachte gepleegde misdrijven afkomstig was.

4.10.

Het voorgaande betekent dat het Hof niet behoefde te onderzoeken of de gedragingen van verdachte gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het in de kluis aangetroffen geldbedrag. De eerste deelklacht treft daarom geen doel.

4.11.

Over de tweede deelklacht kan ik kort zijn. Het middel klaagt namelijk terecht dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet volgt dat het horloge, dat blijkens bewijsmiddel 28 aan [medeverdachte 3], de zwager van verdachte, toebehoorde, hetzij onmiddellijk afkomstig is uit enig misdrijf, hetzij is aangeschaft met van misdrijf afkomstig geld. Ook wordt er terecht op gewezen dat de bewijsmiddelen niets inhouden over enige wetenschap bij verdachte omtrent de vermeende criminele herkomst van het horloge.3 In zoverre is de bestreden uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

4.12.

Dit hoeft echter niet tot cassatie te leiden, omdat de Hoge Raad de bewezenverklaring van feit 3 verbeterd kan lezen. Door schrapping van de op het horloge betrekking hebbende woorden, worden de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd namelijk niet aangetast.4

4.13.

Nu ook de tweede deelklacht tevergeefs is voorgesteld, faalt het middel in al zijn onderdelen.

5 Het tweede middel

5.1.

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van feit 4 onvoldoende met redenen is omkleed, omdat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat verdachte een busje pepperspray voorhanden heeft gehad.

5.2.

Ten laste van verdachte is onder feit 4 bewezen verklaard dat:

“hij op 16 april 2011 te De Meern, een busje pepperspray, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met een weerloosmakende en/of traanverwekkende [stof] van de categorie II, onder 6°, voorhanden heeft gehad”.

5.3.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“31. Het proces-verbaal van binnentreden woning (…) voor zover inhoudende als relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven (…):

Tijdens de doorzoeking op 16 april 2011 in de woning van verdachte aan de [a-straat 1] in [plaats] werd in de ouderslaapkamer op de eerste verdieping een busje CS-spray aangetroffen.

32. Het proces-verbaal van bevindingen (…) voor zover inhoudende als relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven.

Naar aanleiding van de in verband met de Wet wapens en munitie aangetroffen voorwerpen werd door mij een ander onderzoek ingesteld.
Het gasbuisje, model CS spray No. 1 Detroit bleek bij onderzoek gedeeltelijk gevuld te zijn. Volgens opschrift zou het busje CS (traan)gas bevatten. Bij het indrukken van de spuitkop bleek dat het busje goed werkte en dat er gas vrijkwam. Het betreft een voorwerp bestemd om personen te treffen met CS (traan)gas, zijnde een weerloos makende en/of traanverwekkende of soortgelijke stof. Het betreft een wapen in de zin van artikel 2, lid 1, categorie II onder 6 van de Wet wapens en munitie.”

5.4.

Het voorhanden hebben van een wapen als bedoeld in de Wet wapens en munitie vereist een meer of mindere mate van bewustheid bij de verdachte omtrent de aanwezigheid daarvan.5De aanwezigheid van een wapen in de woning die door de verdachte zelf wordt bewoond, vormt een objectief aanknopingspunt voor de vaststelling dat de verdachte dat wapen voorhanden heeft. De vereiste bewustheid kan daaruit als regel worden afgeleid, ook als de verdachte beweert onwetend te zijn geweest.6 Anders wordt het als de verdachte met een plausibel verweer komt op grond waarvan de mogelijkheid dat het wapen buiten zijn medeweten in de woning terecht is gekomen, niet valt uit te sluiten.7

5.5.

Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof vastgesteld dat op 16 april 2011 een doorzoeking is verricht in de woning van verdachte en dat in nota bene de slaapkamer van (onder meer) verdachte een busje CS (traan)gas is aangetroffen. Zoals gezegd vormen deze objectieve omstandigheden een sterke aanwijzing voor een zekere vorm van bewustheid bij verdachte omtrent de aanwezigheid van het traangasbusje, waaruit de rechter bij gebreke van een niet onaannemelijk alternatief verhaal het bewezenverklaarde kan afleiden.

5.6.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep en de daaraan gehechte pleitnota van de raadsvrouw van verdachte is echter in het geheel geen verweer gevoerd betreffende de beschuldiging van feit 4. Integendeel, verdachte heeft onomwonden verklaard dat hij zich kan vinden in een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten en dat hij geen hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank omdat hij zich bij de veroordeling had willen neerleggen en de zaak graag achter zich zou laten. De gedingstukken van de procedure in eerste aanleg leren bovendien dat verdachte bij de politie heeft verklaard dat hij het aan hem op een foto getoonde, in beslag genomen busje pepperspray herkende (vonnis rechtbank, p. 12) en dat verdachte heeft erkend dat hij het busje pepperspray reeds een jaar of vijftien in zijn bezit had (pleitnota terechtzitting 6 december 2011, p. 10).

5.7.

Tegen deze achtergrond bezien, kan niet alleen gezegd worden dat het middel klaarblijkelijk ongegrond is, maar ook dat de verdachte daarbij, ook als dit anders zou zijn, onvoldoende belang heeft.

5.8.

Het middel faalt.

6. Beide voorgestelde middelen falen en kunnen, behoudens de eerste klacht van het eerste middel, worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

7. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Deze zaak hangt samen met de zaken tegen [medeverdachte 3] (13/04642) en [medeverdachte 2] (13/04711), waarin ik vandaag ook zal concluderen.

2 HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3618, rov. 2.3.2.

3 Ik merk op dat uit de gebezigde bewijsmiddelen evenmin kan worden afgeleid dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking en dat het horloge van het merk Versace is.

4 Vgl. Hoge Raad 3 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0652.

5 HR 17 november 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1403, NJ 1999, 152 rov. 4.2 en HR 14 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3804, NJ 2011, 287, rov. 2.4.1.

6 Vgl. wederom HR 17 november 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1403, NJ 1999, 152 alsmede alinea 3.4.1 van de conclusie van mijn ambtgenoot Aben voor HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8648.

7 Vgl. HR 26 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1169, NJ 1999, 537 en alinea 37 van de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Wortel voor HR 14 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0729 (HR 81RO, niet gepubliceerd).